- Arrêt du 23 juin 2011

23/06/2011 - 2007-AR-0378

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het hoger beroep ingesteld door de gefailleerde is niet-toelaatbaar.De nietigheid van de proceshandeling is relatief zodat wanneer, na het instellen van het hoger beroep, het vonnis waarbij het faillissement werd uitgesproken wordt teniet gedaan, het hoger beroep toch toelaatbaar is.


Arrêt - Texte intégral

HOF VAN BEROEP

TE GENT

***

1e kamer

***

terechtzitting

van

23 juni 2011

hoger beroep

deels niet toelaatbaar

deels verstek

2007/AR/378

in de zaak van:

C............ G..................,

wonende te ......................................................

appellante,

hebbende als raadsman mr. DECLOEDT Marnix, advocaat te 8210 LOPPEM, Rijselsestraat 3

tegen:

1. C...............O..........., gepensioneerd,

wonende te ......................................................,

eerste geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BLOCKEEL Luc, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Deinzestraat 1

2. R........................ P............................,

tweede geïntimeerde,

handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van:

1) C..............-C................... vof,

met vennootschapszetel te ...................., ............... en ingeschreven met KBO-nummer .....................,

ten deze verstek latend;

2) C....................... D................., haar hoofdelijk aansprakelijke vennoot, w.b. zijn persoonlijk faillissement, naar verluidt betrokkene ingetrokken bij arrest d.d. 05.06.2009 van het hof van beroep te Antwerpen, zodat C......................... D..................... naar zijn zeggen het geding wat hem betreft in eigen naam hervat heeft,

wonende te .......................................,

ten deze in persoon verschijnend;

3) C................... G........................, haar hoofdelijk aansprakelijke vennoot, w.b. haar persoonlijk faillissement, naar verluidt betrokkene ingetrokken bij arrest d.d. 05.06.2009 van het hof van beroep te Antwerpen, zodat C............ G.................. naar haar zeggen het geding wat haar betreft in eigen naam hervat heeft,

wonende te ...........................

ten deze als appellante in onderhavige zaak vertegenwoordigd door haar raadsman mr. Decloedt Marnix, voornoemd;

met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 166,

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift op 16 januari 2007 met de post toegekomen ter griffie van dit hof en op 07 februari 2007 ingeschreven op de daartoe bestemde rol heeft G............. C.............. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 december 2006 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer (AR 02/841/A).

Op 8 februari 2011 hebben G........ C............ en D......C..........een akte van gedinghervatting ter opvolging van hun curator, mr. P............R..........., neergelegd.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

1. G.......... C........... en O........ C.......zijn de kinderen van wijlen F........C.........en wijlen I.........D.......V...........Ze zijn beiden erfgenaam in de nalatenschap van F.........C........, terwijl G........ C.............. de enige erfgenaam is van I.........D.........V.........nu O.......... C.......... en zijn afstammelingen deze nalatenschap hebben verworpen.

Bij authentiek testament van 27 november 1990 verleden voor notaris K......... W..........heeft I.......D....... V....... het grootst beschikbaar deel van de nalatenschap toebedeeld aan G............ C......................

O................. C.................heeft van zijn ouders de volgende schenkingen gekregen:

* 1.800.000 BEF of euro 44.620,83 zijnde gelden afkomstig van de verkoop van een stuk bouwgrond te Oudenaarde;

* 1.000.000 BEF of euro 24.789,35 van een rekening van F............... C....................... en I..... D......V......bij het Landbouwkrediet afkomstig van de onteigening van een hofstede;

* een stuk landbouwgrond gelegen te Oudenaarde, Kortrijkstraat, dat aan F........................... C.............en I.........D.......... V............ toebehoorde;

* juwelen van I......... D...... V..........................

2. G.................. C................ is van oordeel dat deze schenkingen het beschikbaar deel overtreffen en vordert de inkorting.

De vordering tot inkorting werd bij tussenvonnis van 7 januari 2005 ontvankelijk verklaard, doch alvorens ten gronde te oordelen werd notaris K......... V............. als deskundige aangesteld teneinde:

- de berekeningsmassa van de nalatenschap van I......... D....... V........... op te stellen;

- de aan O.........C................. gedane schenkingen te waarderen;

- het beschikbaar deel van de nalatenschap vast te stellen;

- de volgorde en de wijze te bepalen waarop de schenkingen desgevallend zullen moeten worden ingekort.

In dit tussenvonnis wordt ook gezegd dat uit het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 juni 2003 blijkt dat O............ C.......schenkingen van zijn ouders heeft ontvangen en dat dit arrest ten aanzien van de partijen gezag van gewijsde heeft. Tegen dit arrest werd echter derdenverzet ingesteld door D.......C.........................................., wat de eerste rechter ertoe heeft gebracht te zeggen dat de deskundige zijn onderzoek niet zal kunnen afsluiten dan nadat zal zijn beslist over dit derdenverzet.

De deskundige heeft zijn definitief rapport ter griffie neergelegd op 2 november 2005. Inmiddels werd over het derdenverzet uitspraak gedaan in een arrest van het hof van beroep te Gent van 3 februari 2005.

Op 18 januari 2006 heeft G............... C................... een verzoekschrift tot vervanging van de deskundige neergelegd omdat hij zijn definitief rapport heeft opgesteld terwijl het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 februari 2005 niet aan haar werd betekend en zodoende ten hare opzichte niet definitief zou zijn.

Bij tussenvonnis van 7 april 2006 heeft de eerste rechter het verzoek tot vervanging van de deskundige als onontvankelijk afgewezen vermits de deskundige op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift zijn definitief rapport al had neergelegd en zodoende zijn taak is beëindigd.

De eerste rechter heeft bij thans bestreden eindvonnis van 8 december 2006, na vastgesteld te hebben dat definitief uitspraak werd gedaan over het derdenverzet van D......... C..................en dat O........... C..................definitief buiten vervolging werd gesteld met betrekking tot een strafklacht gedaan door G............. C..............., geoordeeld dat de zaak in staat van wijzen is. Hij sluit zich aan bij de berekeningen gemaakt door de deskundige en beslist dat de aan O...........C.......... gedane schenkingen het beschikbaar deel niet te boven gaan, zodat de vordering tot inkorting ongegrond is.

3. G................C................ kan zich niet verzoenen met het bestreden vonnis en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is gericht tegen O.......... C............. en mr. Philip Rauter, curator over het persoonlijk faillissement van D...........C.............., G.................C............ en curator van de vof C.................-C..............

Op 8 februari 2011 hebben G................ C.......... en D.....C.................... een akte van gedinghervatting neergelegd waarin zij verklaren het geding te hervatten gezien hun faillissement werd vernietigd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 juni 2009.

O......... C............ voert aan dat het verzoekschrift tot hoger beroep nietig is omdat G............ C.................. op het ogenblik van de neerlegging ervan in staat van persoonlijk faillissement verkeerde. Verder vraagt hij dat het hoger beroep ontoelaatbaar, onontvankelijk, minstens ongegrond wordt verklaard. Hij vordert tevens de veroordeling van G.............C............. tot het betalen van een vergoeding van euro 2.000,00 wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

beoordeling

1.1. In zoverre het hoger beroep van G................ C.........gericht is tegen mr. Philip Rauter in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de vof C.........-C........ en het faillissement van D...... C.............., is dit hoger beroep onontvankelijk. Geen van beiden was immers aanwezig als procespartij in eerste aanleg. Hoger beroep kan immers slechts worden ingesteld tegen een persoon die partij was in de procedure in eerste aanleg en tegen de appellant is opgetreden. Het kan bijgevolg niet worden ingesteld tegen iemand die geen partij was in de procedure in eerste aanleg (zie in zelfde zin: Cass. 11 januari 1974, Arr. Cass. 1974, 523; Cass. 1 december 1988, Arr. Cass. 1988-89, 394; Cass. 31 oktober 1986, Arr. Cass. 1986-87, 303).

Het hoger beroep in zoverre het gericht is tegen P............ R................... in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de vof C.............-C.............. en het faillissement van D..........C.................., is dan ook niet toelaatbaar.

1.2. De gedinghervatting gedaan door D.............C.............. moet om dezelfde reden zonder voorwerp verklaard worden. Gezien de curator over zijn persoonlijk faillissement geen partij was in hoger beroep, kan hij het geding dan ook niet hervatten.

1.3. Het hoger beroep van G...........C.............. gericht tegen mr. P............R.............. in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van G............. C............... is eveneens onontvankelijk. Onverminderd het feit dat mr. R....................... niet aanwezig was in de procedure eerste aanleg, beschikt G............... C................ niet over het nodig proceduraal belang om hoger beroep in te stellen tegen zichzelf, het weze dat zij zichzelf vertegenwoordigt, dan wel dat zij in rechte vertegenwoordigd werd of wordt door een curator, zodat zij dan ook niet voldoet aan de wettelijke vereisten om op toelaatbare wijze hoger beroep te kunnen instellen tegen zichzelf.

Ook de door haar gevraagde gedinghervatting is om dezelfde reden zonder voorwerp.

2.1. Anders dan O......... C............. opwerpt, is het tegen hem gericht hoger beroep wel toelaatbaar.

Krachtens artikel 16 van de Faillissementswet verliest de gefailleerde te rekenen van de dag van het vonnis van faillietverklaring van rechtswege het beheer over al zijn goederen, zelfs over de goederen die hij mocht verkrijgen terwijl hij zich in staat van faillissement bevindt. Dit heeft tot gevolg dat alle handelingen van de gefailleerde vanaf de dag van het vonnis, niet aan de boedel kunnen worden tegengeworpen.

Aangezien de boedel vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring vertegenwoordigd wordt door de curator, had deze laatste bijgevolg uitsluitend de procesbekwaamheid om hoger beroep in te stellen tegen het bestreden vonnis van 8 december 2006.

Het gebrek aan procesbekwaamheid in hoofde van G............... C.............. op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep heeft ten deze echter niet de niet-toelaatbaarheid van het hoger beroep tot gevolg.

Het hoger beroep ingesteld met miskenning van de voorschriften met betrekking tot de bekwaamheid om in rechte op te treden, is aangetast door een gebrek dat van aard is de nietigheid van de proceshandeling met zich te brengen. Zoals steeds inzake onbekwaamheden is die nietigheid echter relatief, vermits zij is gestoeld op een idee van bescherming. Bijgevolg kan zij enkel worden uitgesproken op verzoek van de rechtmatige vertegenwoordiger van de te beschermen boedel, toentertijd de curator, doch thans G............. C.............zelf. Dit is echter niet gebeurd. Integendeel, het faillissement werd teniet gedaan bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 juni 2009, zodat G..................... C................... opnieuw de boedel in rechte kon vertegenwoordigen en zij opnieuw haar procesbekwaamheid verworven had, zodat zij in beginsel met terugwerkende kracht die handelingen die destijds door haar als procesonbekwame werden gesteld, naderhand kan bekrachtigen, wat zij met haar besluiten (minstens impliciet) heeft gedaan.

Het hoger beroep in zoverre gericht tegen O............... C.................is bijgevolg toelaatbaar.

2.2. Het hoger beroep dient echter afgewezen te worden als ongegrond. Het Hof sluit zich dienaangaande aan bij de pertinente overwegingen van de eerste rechter, dewelke het onderschrijft en tot de zijne maakt.

Het hof wijst er op:

- dat de in de eerste aanleg of in een andere zaak genomen conclusies waarnaar wordt verwezen of waarnaar wordt gerefereerd in huidige zaak en in huidige aanleg, door het hof, bij toepassing van artikel 744, tweede lid van het gerechtelijk wetboek, niet worden beschouwd als conclusies in de zin van artikel 780, eerste lid, 3°, van het gerechtelijk wetboek;

- dat de laatste conclusie die door een partij wordt neergelegd, een syntheseconclusie in de zin van artikel 748bis van het gerechtelijk wetboek is en dat voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3°, van het gerechtelijk wetboek, deze syntheseconclusie alle vorige conclusies en de inleidende dagvaarding van de partij die de syntheseconclusie neerlegt, vervangt.

Met haar laatst neergelegde besluiten beperkt G................C.............. zich er hoofdzakelijk toe te verwijzen naar haar in eerste aanleg genomen besluiten en naar de door D......... C............  waarvan vastgesteld is dat hij geen partij in zake is  in zijn akte van gedinghervatting voorgestane argumentatie.

In de mate dat haar hoger beroep is gesteund op de argumenten die in deze besluiten en deze akte zijn vervat, kan het hof daarmee geen rekening houden.

Verwijzende naar de letterlijk geciteerde argumentatie van D.........C.................... kan het hof opmaken dat het hoger beroep enkel gesteund is op de overweging dat de eerste rechter ten onrechte heeft aanvaard dat het beschikbaar deel van de nalatenschap de helft van de fictieve massa bedraagt en geen derde.

Deze beslissing werd echter niet genomen in het eindvonnis van 8 december 2006, maar wel in het tussenvonnis van 7 januari 2005 waar onder punt 3.2 wordt gezegd dat het beschikbaar deel de helft van de nalatenschap betreft. Tegen dit tussenvonnis werd geen hoger aangetekend.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

3. G............. C.................. dient als de in het ongelijk gestelde partij, bij toepassing van artikel 1017, eerste lid van het gerechtelijk wetboek, te worden verwezen in de kosten van het geding in beide aanleggen. Zij dienen aan haar zijde niet te worden begroot daar zij haar ten laste blijven. Anders dan G....................... C.............. voorhoudt, heeft O............. C...................geen afstand gedaan van de aan hem toekomende rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg. Zij werd enkel niet begroot door de eerste rechter, zodat zij overeenkomstig artikel 1021, tweede lid van het gerechtelijk wetboek moet geacht worden te zijn aangehouden, en ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep ter beoordeling voor te liggen aan het hof.

Gelet op de kosteloze rechtsbijstand die G.................... C............. geniet, dient de rechtsplegingsvergoeding, bij toepassing van artikel 1022, vijfde lid van het gerechtelijk wetboek, begroot te worden op het minimum bedrag voor een niet in geld waardeerbare vordering, hetzij 82,50 euro. Er is geen sprake van een kennelijk onredelijke situatie die de toekenning van een hogere rechtsplegingsvergoeding rechtvaardigt.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende bij verstek ten aanzien van P....... R......... in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de vof C...........-C................. en op tegenspraak ten aanzien van de overige partijen;

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep in zoverre gericht tegen mr. P........... R.................. in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de vof C...................-C........... en over het faillissement van D..........C................. en G............. C................, niet toelaatbaar.

Verklaart de gedinghervatting gedaan door G.............. C.................... zonder voorwerp.

Verklaart de gedinghervatting gedaan door D............ C....................zonder voorwerp.

Verklaart het hoger beroep in zoverre gericht tegen O.............. C.............ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis.

Verwijst G............C..............in de kosten van de beide aanleggen gevallen aan de zijde van O.............. C....................... en begroot op euro 82,50 rechtsplegingsvergoeding voor elke aanleg.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

B. WYLLEMAN, raadsheer, wnd. voorzitter,

L. TAVERNIER, raadsheer,

M. BARANYAI, raadsheer,

en uitgesproken door de wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op DRIEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ELF,

bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier.

Mots libres

  • Procesbekwaamheid gefailleerde-beroep-impact teniet doen faillietverklaring.