- Arrêt du 14 septembre 2011

14/09/2011 -

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Arrêt - Texte intégral

1e kamer

het hof van beroep te Gent, eerste kamer, recht doende in correctionele zaken, zetelend overeenkomstig artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering,

in de zaak van het openbaar ministerie met not. nr. 129/23/2010

tegen:

1) Nr. S. C.

bij samenhang

2) Nr. V. I.

de eerste:

zijnde één der magistraten bedoeld bij artikel 479 van het Wetboek van strafvordering met name raadsheer in het Hof van beroep te Brussel, tot dit ambt benoemd bij K.B. van 22 februari 1999 en gehandeld hebbende in de uitoefening van haar ambt;

de tweede:

zijnde één der magistraten bedoeld bij artikel 479 van het Wetboek van strafvordering met name Voorzitter van het Hof van Cassatie, aangewezen bij beslissing van het Hof van Cassatie, zetelend in verenigde kamers van 23 maart 2000, nadat hij tot raadsheer in dit Hof van Cassatie benoemd werd bij K.B. van 22 maart 1989 en gehandeld hebbende in de uitoefening van zijn ambt;

verdacht van:

de eerste en de tweede:

als een ander persoon dan geneesheer, heelkundige, officier van gezondheid, apotheker, vroedvrouw die uit hoofde van zijn staat of beroep kennis draagt van geheimen die hem zijn toevertrouwd, te weten als magistraat, buiten het geval dat hij geroepen was om in rechte of voor een parlementaire onderzoeks¬commissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hem verplicht¬te die geheimen gekend te maken, deze geheimen te hebben bekendgemaakt

de eerste:

1. te Boechout op 7 december 2008

door een mailbericht dat zij heeftontvangen van P.B. op 7 december 2008 omtrent het beraad in de Fortis-zaak met betrekking tot het al dan niet toepassen van rechtsregels te hebben overgemaakt aan N.D.

2. te Boechout op 9 december 2008

door een gedeeltelijk ontwerparrest via mail te hebben overgemaakt aan N.D. voor verbetering, waardoor kon worden kennis genomen van haar standpunt met betrekking tot de eis van de appellant

3. te Boechout op herhaaldelijk op verschillende tijdstippen in de periode van 24 november 2008 tot 12 december 2008

tegenover haar echtgenoot en onder andere door mailberichten met als inhoud uitgewerkte stellingen in het kader van het beraad over de Fortis-zaak of houdende documenten van het beraad over de totstandkoming van het Fortisarrest van 12.12.2008, via mail te hebben overgemaakt aan het secretariaat van haar echtgenoot, teneinde deze stukken te laten uitprinten meer bepaald o.m. mails afkomstig van P.B. en gericht aan C.S. op 24 november 2008, 1 en 4 december 2008, het advies van de procureur-generaal op 30 november 2008, verscheidene bedenkingen van M.S. op 30 november 2008 en eigen werkstukken opgesteld tijdens het beraad op 3, 6 en 9 december 2008;

de tweede

bij samenhang, te Sint-Genesius-Rode op 11 december 2008

door in een telefonisch gesprek met meester C. te hebben gesproken over de beweerde onregelmatigheden in het beraad van de 18°kamer van het Hof van beroep te Brussel over de Fortis-zaak en de wending ervan, feiten waarvan hij voorheen op de hoogt was gebracht door C.S.,

* * * * * * * * * *

Waarbij zich hebben gevoegd op de terechtzitting van 10 november 2010 als burgerlijke partijen tegen de beklaagde, C. :

1 - 2221

alle burgerlijke patijen ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr Laurent ARNAUTS, advocaat te BRUSSEL.

* * * * * * * * * *

Waarbij zich heeft gevoegd op de terechtzitting van 23 februari 2011 als burgerlijke partij:

2222

* * * * * * * * * *

In de zaak van het openbaar ministerie met not. nr. 130/23/2010 waarbij zich op de terechtzitting van 10 november 2010 heeft gevoegd als burgerlijke partij:

S. C.

tegen:

1) Nr. B.P.

2) Nr. S. M.

de eerste:

zijnde één der magistraten bedoeld bij artikel 479 van het Wetboek van strafvordering met name kamervoorzitter in het Hof van beroep te Brussel, aangewezen bij beslissing van het Hof van beroep te Brussel van 24 februari 2003, nadat hij tot raadsheer in dit Hof benoemd werd bij K.B. van 5 augustus 1991 en gehandeld hebbende in de uitoefening van zijn ambt;

de tweede:

zijnde één der magistraten bedoeld bij artikel 479 van het Wetboek van strafvordering met name raadsheer in het Hof van beroep te Brussel, tot dit ambt benoemd bij K.B. van 10 augustus 2005 en gehandeld hebbende in de uitoefening van haar ambt;

verdacht van:

de eerste en de tweede:

te Brussel op 12 december 2008

door het misdrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat het misdrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als openbaar officier of ambtenaar bij het opmaken van akten van hun ambt het wezen of de omstandigheden ervan te hebben

vervalst, door als waar op te nemen, feiten die het niet zijn, met name door in een arrest van 12 december 2008 (R.G. n° 2008/KR/350) van de 18°de kamer van het Hof van beroep te Brussel te hebben vermeld of doen vermelden dat de drie leden van de zetel beraadslaagd hebben over het verzoek tot heropening van het debat, met het opzet een arrest uit te spreken dat niet kon worden uitgesproken bij volledige inachtneming van artikel 778 Gerechtelijk Wetboek.

* * * * *

1a. Gehoord ter openbare terechtzitting dd. 23 februari 2011 in het Nederlands:

- de burgerlijke partijen, in hun eisen, vertegenwoordid door meesterLaurent Arnauts, advocaat te Brussel;

- de burgerlijke partij, in zijn eis, voorgedragen door hemzelf;

- Advocaat-generaal Dominique Debrauwere in zijn vordering.

* * * * * * * * *

1b. Gehoord ter openbare terechtzitting dd. 6 april 2011 in het Nederlands:

- de beklaagde, C.S., in haar middelen van verdediging, bijgestaan door meester Raphael Verstraeten en meester Patrick Hofstrossler, beiden advocaat te Brussel;

- de beklaagde, I.V. in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Ludovic Degryse en meester Hans Van Bavel, beiden advocaat te Brussel.

* * * * * * * * *

1c. Gehoord ter openbare terechtzitting dd. 27 april 2011 in het Nederlands:

- de beklaagde, P.B., in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door meester Guido Verdeyen en meester Dirk De Maeseneer, beiden advocaat te Brussel;

- de beklaagde, M.S., in haar middelen van verdediging, voorgedragen door haarzelf via de aangestelde tolk Frans, en bijgestaan door meester Sven Mary en meester Sven De Baere, beiden advocaat te Brussel.

* * * * * * * * *

2. De ten laste gelegde feiten situeren zich voor elke beklaagde in de periode van november en/of december 2008. Voor zover bewezen werden de feiten door elke beklaagde gepleegd met eenzelfde misdadig opzet en leveren zij een voortgezet misdrijf op, waarbij de verjaring pas begint te lopen op de dag waarop het laatste feit werd gepleegd. De ten laste gelegde feiten betreffen wanbedrijven met een verjarings-termijn van vijf jaar. Sedert het laatste feit in hoofde van elke beklaagde is nog geen vijf jaar verstreken, zodat de strafvordering niet is vervallen door verjaring.

3. Het hof verbetert de enige telastlegging voor I.V. door vervanging van de plaats "Sint-Genesius Rode" door "Brussel". Van deze verbetering werd aan de partijen kennis gegeven. Deze verbetering slaat op hetzelfde feit als bij het hof aanhangig gemaakt. Telkens hierna sprake is van de enige telastlegging in hoofde van I.V., betreft het deze telastlegging zoals hier verbeterd.

4. Procedurele excepties

4.1 Salduz-exceptie

4.1.1 Alle beklaagden werpen de zogenaamde Salduz-exceptie op, doch verbinden daar niet noodzakelijk dezelfde gevolgen aan:

 C.S. stelt dat de strafvordering onontvankelijk is, nu zij tijdens haar verhoren niet de bijstand van een raadsman heeft gehad.

 M.S. werpt niet de onontvankelijkheid van de strafvordering op, doch stelt dat verklaringen die afgelegd zijn door verdachten zonder dat zij bijstand hebben gekregen van een advocaat, evenals alle hierop rechtstreeks en onrechtstreeks steunende stukken, niet als bewijs gebruikt kunnen worden om tot een veroordeling te komen. Aldus, volgens S., dient zij bij wering van deze verklaringen bij gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken.

 I.V. werpt evenmin de onontvankelijkheid van de strafvordering op, doch stelt dat geen rekening kan worden gehouden met de verklaringen die hij heeft afgelegd op 28 april 2009, 7 mei 2009 en 31 augustus 2009 en deze verklaringen als bewijs dienen te worden geweerd. In de mate dat advocaat V. later, op 29 september 2009, met de verklaringen van I.V. geconfronteerd werd, is volgens de verdediging zijn verklaring het gevolg van de zelfincriminerende verklaringen vanV., en dient deze eveneens als bewijs te worden geweerd.

 Ook P.B. werpt op dat, minstens, dient te worden overgegaan tot uitsluiting van alle verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat en van de verklaringen van zijn medebeklaagden, evenals van al het bewijs dat hierop steunt.

4.1.2 Anders dan C.S. voorhoudt en P.B. impliciet stelt, moet een mogelijke aanvaarding van de zogenaamde Salduz-exceptie niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. Wanneer immers een partij op geloof-waardige wijze aanvoert dat een bewijsmiddel onwettig of onregelmatig is of wanneer daaromtrent bij de rechter zelf twijfel is ontstaan, mag de rechter die vaststelt dat de hem voorgelegde gegevens niet volstaan om het onwettig of onregelmatig karakter van het bewijsmiddel te onderzoeken, wettig dit bewijsmiddel, samen met de elementen die er het gevolg van zijn, ontoelaatbaar verklaren of uitsluiten. Dit kan evenwel, zelfs indien aldus alle bewijsmiddelen worden uitgesloten, niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering. De strafvordering en het recht om de strafvordering uit te oefenen ontstaan immers door het plegen van het misdrijf zelf, ongeacht de wijze waarop zij verder worden uitgeoefend en onafhankelijk van de wijze waarop de bewijsgaring verloopt. Wanneer het hof omwille van de uitsluiting van bewijsmiddelen zou vaststellen dat de bewijsvoering onmogelijk is geworden, dient het de beklaagden te ontslaan van rechtsvervolging.

4.1.3 Artikel 6.3.c EVRM garandeert ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht om door een advocaat te worden verdedigd, maar preciseert niet de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht. Het laat de verdragsluitende staten de keuze van de middelen die in hun eigen rechtstelsel geschikt zijn om dat recht te waarborgen teneinde aan de vereisten van een eerlijke behandeling van de zaak te voldoen.

4.1.4 Noch uit artikel 6 EVRM, dat het eerlijk proces waarborgt, noch uit artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privé-, het gezinsleven, de woning en de briefwisseling waarborgt, noch uit enige grondwettelijke of wettelijke bepaling, volgt dat bewijs dat met miskenning van een door dit verdrag of door de Grondwet gewaarborgd grondrecht werd verkregen, altijd ontoelaatbaar is. Bovendien verbiedt geen enkele wettelijke bepaling volledig een bewijs te gebruiken dat op directe of indirecte wijze door enige onregelmatigheid of onwettigheid is verkregen, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm of wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouw-baarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht of onherstelbaar wordt aangetast. Het staat het hof de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs dat de wet niet uitdrukkelijk uitsluit, te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR of BUPO-verdrag), rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan.

4.1.5 Volgens de stand van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) op het ogenblik van de tegensprekelijke behandeling voor dit hof, zou het feit dat een verdachte niet werd bijgestaan in de fase van de vrijheids-beroving een aantasting van art. 6.3.c EVRM inhouden (cf. o.a. EHRM 2 maart 2010, Bouglame t. België; EHRM 14 oktober 2010, Brusco t. Frankrijk). Nog volgens deze, en ook actuele, stand van de rechtspraak van het EHRM is er in principe een onherstelbare schending van de rechten van verdediging wanneer door de verdachte belastende verklaringen afgelegd tijdens een politieel verhoor zonder mogelijke bijstand van een advocaat, worden gebruikt om de betrokkene te veroordelen.

Geen van de beklaagden is in het kader van de strafvordering lastens hen echter ooit van zijn vrijheid beroofd; zij beschikten steeds over het recht van komen en gaan wanneer zij verhoord werden door de aangestelde kamervoorzitter-onderzoeksrechter. Zo konden zij zich bij ieder verhoor, zo zij dit wensten, verwijderen om een advocaat te raadplegen teneinde een strategie van verdediging, ook met betrekking tot het voorgenomen of aan de gang zijnde verhoor, voor te bereiden. Dat de actuele wettelijke regeling, zoals die ook van toepassing was toen de beklaagden verhoord werden, (nog) niet voorziet in de concrete aanwezigheid van een advocaat bij het eigenlijk verhoor van een verdachte of inverdenkinggestelde, neemt niet weg dat voor een verdachte (of inverdenkinggestelde) die vrij is van komen en gaan voldoende processuele waarborgen bestaan met betrekking tot zijn recht op een eerlijk proces; deze vrijheid van komen en gaan biedt de verdachte of inverdenkinggestelde een feitelijk recht op consultatie van een advocaat, aldus een mogelijke bijstand van een advocaat; deze verdachte kan ook op elk ogenblik zelf zijn verhoor onderbreken of zijn verdere medewerking onderbreken of stop zetten.

4.1.6 In casu houdt de verwijzing door de kamervoorzitter-onderzoeksrechter naar art. 47bis Wetboek van Strafvordering bij elk verhoor van de beklaagden, nl. de voorafgaande vermelding dat zijn of haar verklaring als bewijs in recht kan worden gebruikt, in dat hen gewezen werd op hun zwijgrecht, zodat de cautieplicht werd gerespecteerd. Overigens blijkt uit niets dat op de beklaagden enige dwang werd uitgeoefend, waardoor zij zich tijdens hun respectieve verhoren in een kwetsbare positie zouden hebben bevonden. Hierbij stelt het hof vast dat alle beklaagden door de kamervoorzitter-onderzoeksrechter voorafgaand hun verhoor steeds werden uitgenodigd voor verhoor, zodat zij steeds alle mogelijkheden en tijd hadden om voorafgaand het verhoor met hun raadsman of raadslieden te overleggen om hun rechtspositie te bepalen. Overigens heeft I.V. bij de behandeling voor het hof bevestigd dat hij wel degelijk "wist dat hij mocht zwijgen" bij zijn verhoren en liet P.B. verstaan dat hij zich bij zijn verhoren nooit in een kwetsbare positie heeft geweten of er ook maar aan dacht dat hij van zijn vrijheid kon worden beroofd.

4.1.7 Het hof stelt vast dat het recht van verdediging van de beklaagden in dit strafproces, dat in zijn geheel moet worden beschouwd, niet werd geschonden. Er is geen enkele reden om de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren, noch om bewijsmiddelen uit te sluiten.

4.2 Rechtsgeldigheid rechtstreekse dagvaarding openbaar ministerie

4.2.1 Op 27 januari 2009 heeft het Hof van Cassatie beslist om inzake C.S. , op de gronden vermeld in de voorafgaande vordering van de procureur-generaal bij dat hof, de zaak naar de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent te verwijzen teneinde aanwijzing van een magistraat die als onderzoeksrechter zal optreden.

Op 2 april 2009 werd door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie een vordering genomen als volgt:

"Gelet op het schrijven van 1 april 2009 (ref: KAB/SEC/DDB/2101042009) waarbij de minister van Justitie, bij toepassing van artikel 482 van het Wetboek van Strafvordering, ons stukken overmaakt waaruit blijkt dat de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Brussel beslist de strafvordering ten laste van raadsheer C.S. , raadsheer in dat Hof, in te stellen wegens het misdrijf bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

(...)

De feiten waarvan thans aangifte wordt gedaan zijn kennelijk samenhangend met deze vermeld in onze vordering van 20 januari 2009; er lijkt derhalve aanleiding tot voeging en verwijzing van de zaak voor verder onderzoek naar de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent.".

Op 7 april 2009 besliste het Hof van Cassatie, overeenkomstig die vordering, C.S. , uit hoofde van die bijkomende feiten te verwijzen naar de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent:

"Op de vermelde gronden verwijst het Hof, rechtdoende in raadkamer, de zaak naar de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent teneinde voeging bij de zaak die eerder is verwezen bij arrest van het Hof van 27 januari 2009".

Door de eerste voorzitter van dit hof werd een kamervoorzitter als onderzoeksrechter aangesteld; diens saisine werd bij beschikking van de eerste voorzitter, op vordering van de procureur-generaal, naderhand drie maal uitgebreid.

Op 23 april 2010 heeft de door de eerste voorzitter van dit hof aangestelde kamervoorzitter-onderzoeksrechter met een beschikking tot mededeling het afgesloten onderzoek lastens zowel C.S. als raadsheren .

4.2.2 C.S. (hierin en M.S. meegedeeld aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent. bijgetreden door de andere beklaagden) werpt ten onrechte op dat, bij gebrek aan tussenkomst van een onderzoeksgerecht, het Hof niet op rechtsgeldige wijze gevat werd om te oordelen over de tegen haar ingestelde strafvordering.

C.S. werd gedagvaard met exploot van 22 september 2010 ten verzoeke van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, voor de eerste kamer van het hof van beroep te Gent op de zitting van 10 november 2010. Deze rechtstreekse dagvaarding is rechtsgeldig; een nieuwe voorafgaande verwijzing door het Hof van Cassatie was niet vereist. Wanneer immers het Hof van Cassatie beslist heeft dat de rechtspleging van de art. 479 e.v. Wetboek van Strafvordering gevolgd wordt en de zaak, op grond van de door dit hof opgesomde feiten die wanbedrijven of voor correctionalisering vatbare misdaden kunnen opleveren, naar de eerste voorzitter heeft verwezen van een ander hof van beroep dan datgene waartoe de betrokken magistra(a)t(en) beho(o)r(t)(en), opdat deze eerste voorzitter een magistraat aanwijst die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen, is het hof van beroep, c.q. zijn eerste voorzitter, niet verplicht de zaak, na het aldus over de voormelde feiten verrichte onderzoek naar het Hof van Cassatie te verwijzen, maar is het bevoegd om, op de dagvaarding van de procureur-generaal bij het hof van beroep waarnaar de zaak is verwezen, zonder nieuwe voorafgaande verwijzing over die feiten uitspraak te doen.

Dit geldt ook na de inwerkingtreding van de wet van 12 maart 1998, de zogenaamde Wet Franchimont (vgl. Cass. 17 januari 2001, AR N-20010117-14, www.cass.be). Aldus blijkt dat zowel C.S. als I.V., P.B. en M.S. rechtsgeldig rechtstreeks gedagvaard werden en dit hof wel degelijk rechtsgeldig gevat werd.

4.2.3 Het hof is niet gehouden tot het stellen aan het Grondwettelijk Hof van de door C.S. of andere beklaagden gesuggereerde prejudiciële vragen of ambtshalve geformuleerde vragen, gezien de wet (nl. de art. 479 e.v. Wetboek van Strafvordering) de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" van de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt (art. 26, §2, 2° van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof). De door C.S. voorgehouden interpretaties van de art. 479 e.v. Wetboek van Strafvordering, die volgens haar een ongelijke behandeling met personen die geen voorrecht van rechtsmacht genieten zou inhouden, doen zich in het hiervoor door het hof uiteengezet oordeel niet voor. Bovendien heeft het Grondwettelijk Hof, zoals C.S. zelf in haar conclusies uiteenzet, reeds geoordeeld dat er motieven zijn die op redelijke wijze verantwoorden dat de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, op het gebied van het onderzoek, de vervolging en de berechting anders worden behandeld dan de rechtsonderhorigen op wie de gewone regels van strafvordering van toepassing zijn (o.a.: Grondwettelijk Hof nr. 66/94 van 14 juli 1994, www.grondwettelijkhof.be), zodat het hof deze vragen met een identiek onderwerp als waarover het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak deed niet opnieuw moet stellen. Dat het Grondwettelijk Hof tot nu enkel uitspraak deed over zaken, waarin een persoon (of personen) met voorrecht van rechtsmacht werd(en) vervolgd voor een inbreuk op het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, in het kader waarvan geen gerechtelijk onderzoek was gevorderd noch gevoerd, doet aan deze vaststelling geen afbreuk, gezien het Grondwettelijk Hof geen graten zag in een verschil van behandeling zowel wat betreft het onderzoek, de vervolging als de berechting, zodat het onderwerp van vroeger beantwoorde prejudiciële vragen wel degelijk identiek was.

4.3 Schending vermoeden van onschuld

4.3.1 C.S. houdt voor dat gelet op de brief van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie aan de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, diens verklaringen en de nota van de eerste voorzitters van respectievelijk het Hof van Cassatie en het hof van beroep te Brussel, de schending van het vermoeden van onschuld onherstelbaar was en de strafvordering bijgevolg onontvankelijk is, onder meer op grond van de volgende (slot)overweging: "Hoewel professionele rechters ongetwijfeld in staat zijn afstand te nemen van bepaalde stemmingmakerij die verdachten nu eenmaal vaak te beurt valt in onze gemediatiseerde maatschappij voor of tijdens een proces, is er in deze zaak veel meer aan de hand. Men kan moeilijk voorhouden dat de raadsheren van Uw Hof immers niet beïnvloed zouden kunnen zijn door de met stellige zekerheid uitgedrukte meningen van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie gedaan in naam van het Hof van Cassatie, het hoogste rechtscollege van het land en vertegenwoordiger van de magistratuur. Het is dan ook niet meer mogelijk dat het Hof nog op een onbevangen wijze de zaak kan beoordelen.".

Aldus doelt C.S. op de subjectieve onpartijdigheid van dit hof en de leden waaruit deze kamer van het hof is samengesteld. Een gebrek aan subjectieve onpartijdigheid kan echter eventueel pas blijken en gesanctioneerd worden na beoordeling van de ten laste gelegde feiten door dit hof en wel door het Hof van Cassatie. Bovendien is er bij vooraf gekende subjectieve partijdigheid van een rechter, of zoals in casu gesteld door C.S. , van alle rechters van de kamer die deze zaak beoordelen, sprake van gewettigde verdenking, waarvoor een geijkte procedure is voorzien, nl. wraking (art. 828, 1° Gerechtelijk Wetboek). Het hof stelt nochtans vast dat C.S. , noch één van de andere beklaagden, een wraking hebben voorgedragen of hiertoe een verzoekschrift hebben neergelegd (art. 833 Gerechtelijk Wetboek).

4.3.2 Ondergeschikt wordt opgeworpen door C.S. dat de objectieve partijdigheid van dit hof in het gedrang is gekomen, onder meer op grond van de overweging dat "(het) immers vaststaat dat het Hof van Cassatie, die in de hiërarchie van de rechterlijke macht hoger staat dan het hof van beroep, over de grondwettelijke taak beschikt om de rechterlijke beslissingen van de hoven van beroep - dus ook de beslissing over de schuld van concluante - te toetsen en te beoordelen. "Justice must not only be done but also be seen to be done" (vrije vertaling: gerechtigheid moet niet enkel geschieden, men moet ook kunnen zien dat ze geschiedt)" en "De toepassing van dit adagium (...), gelet op alle feitelijke voorgaanden, onmogelijk (is) geworden.". Ook deze benadering van de (on)partijdigheid van dit hof slaat in wezen op een gewettigde verdenking, waarvoor geen van de beklaagden de geijkte wrakingsprocedure hebben aangewend.

C.S. werpt niet op dat het vermoeden van onschuld door het hof wordt geschonden. Zij stelt dat door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, en volgens haar bij gebrek aan reactie van de leden ervan, ook door het Hof van Cassatie, en door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, het vermoeden van haar onschuld werd geschonden. Indien er sprake zou zijn van dergelijke schendingen, zal C.S. desgevallend voor het Europees Mensenrechtenhof dat dergelijke schendingen kan vaststellen schadevergoeding bekomen (zie bv. Hof Mensenrechten, Petyo Petkov t. Bulgarije, 7 januari 2010, http://cmiskp.echr.coe.int). Een eventuele schending van het vermoeden van onschuld door anderen dan dit hof, dient in beginsel niet te leiden tot de onontvankelijkheid van de strafvordering voor dit hof. Dit zou enkel het geval moeten zijn indien de aangehaalde schending een ontoelaatbare invloed op dit hof zou hebben uitgeoefend, waardoor dit hof bij beoordeling van de ten laste gelegde feiten niet anders zou kunnen besluiten dan tot een schuldigverklaring van de beklaagde(n), wat in casu niet het geval is. Dit hof acht zich geenszins gehouden door de verklaringen, uitlatingen en geschriften van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie naar aanleiding van de zogenaamde Fortis-zaak, laat staan van de toenmalige eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel. Terecht geeft het openbaar ministerie aan dat ook voor dit hof moet uitgegaan worden van het principe dat de magistraten geacht worden bestand te zijn tegen de beeldvorming in deze zaak die uitgaat van publieke verklaringen van partijen, betrokken derden of louter derden of die uitgaat van de media. M.a.w. stelt het hof vast dat een eventuele schending van het vermoeden van onschuld door anderen dan de leden van dit hof, zoals aangehaald door C.S. , een eerlijk proces voor dit hof niet onmogelijk maakt.

4.3.3 Evenmin is er reden de strafprocedure te schorsen in afwachting van een uitspraak door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zake de op 16 juni 2009 door C.S. neergelegd klacht over vermeende schendingen van haar rechten van verdediging en het vermoeden van onschuld.

4.4 Schending recht van verdediging door "opsplitsing" gerechtelijk onderzoek

Ten onrechte houdt C.S. voor dat er sprake was van een "opsplitsing" van het gerechtelijk onderzoek waardoor haar recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces zou geschonden zijn. Het hof heeft de dossiers lastens enerzijds C.S. en I.V. en anderzijds P.B. en M.S. trouwens gevoegd; geen van de partijen heeft hiertegen opmerkingen ingebracht of bezwaar gemaakt. Het dossier dat het hof beoordeelt en waarover tegenspraak werd gevoerd bevat alle elementen om tot de waarheidsvinding te komen; zowel C.S. als de andere beklaagden hebben in de loop van de behandeling voor het hof alle mogelijkheden en kansen gekregen om alle elementen die zij nodig en nuttig vonden bij de gevoerde tegenspraak te betrekken en aan het oordeel van het hof te onderwerpen.

4.5 Schending geheim van het onderzoek

Ten onrechte wordt aangevoerd dat er sprake is van schending van het geheim van het onderzoek door "lekken" in de media, wat, volgens C.S. , zou dienen te leiden tot de onontvankelijkheid van de strafvordering. Het bewijs van een schending van het geheim van het onderzoek blijkt niet uit de gegevens van het dossier en een dergelijke vermeende schending heeft in beginsel niet de onontvankelijkheid van de strafvordering tot gevolg.

4.6 Gebrek aan rechtsmacht en bevoegdheid

4.6.1 I.V. werpt op dat de regels inzake "voorrecht van rechtsmacht" (artikelen 479 t/m 503bis, in het bijzonder de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering) ten aanzien van hem een schending inhouden van het gelijkheids-beginsel en het verbod van discriminatie zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De ongelijkheid zou erin bestaan dat I.V. wordt beoordeeld door magistraten die hiërarchisch lager staan dan hijzelf, op het ogenblik van de feiten magistraat bij het Hof van Cassatie, terwijl de regels van "voorrecht van rechtsmacht" ertoe leiden dat alle andere magistraten van de rechterlijke orde, beoordeeld worden door magistraten die hiërarchisch hoger staan of minstens van gelijke rang zijn. I.V. erkent impliciet dat het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan over de ongelijkheid die bestaat tussen personen met voorrecht van rechtsmacht en diegenen die samen met hen worden vervolgd enerzijds, en andere rechtsonderhorigen anderzijds, en gesteld heeft dat voor die ongelijkheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; I.V. stelt echter dat zijn situatie als voorzitter, dus raadsheer, in het Hof van Cassatie echter een "specifieke ongelijkheid" inhoudt waarover het Grondwettelijk Hof nog geen uitspraak zou hebben gedaan.

4.6.2 De artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering bepalen dat, naast onder meer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de rechtbank van koophandel en naast een raadsheer in het hof van beroep of het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie die ervan beschuldigd wordt buiten of binnen zijn ambt een misdrijf te hebben gepleegd dat een correctionele straf meebrengt, door de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaardt voor dat hof.

Waar I.V. voorhoudt dat het stelsel van voorrecht van rechtsmacht inhoudt dat hij niet door ten aanzien van hem hiërarchisch lagere rechters strafrechtelijk mag beoordeeld worden, blijkt uit de betrokken bepalingen dat het stelsel van voorrecht van rechtsmacht er op gericht is te beletten dat inzonderheid magistraten zouden worden bekeurd door ondergeschikten en vervolgd of gevonnist worden door rechtstreekse ambtgenoten, en niet louter door magistraten die hiërarchisch lager staan.

4.6.3 Het stelsel van voorrecht van rechtsmacht, zoals vermeld, doorstond voor het Grondwettelijk Hof al meermaals de toets aan het gelijkheidsbeginsel. Het voorrecht van rechtsmacht, dat van toepassing is op de magistraten en op bepaalde andere ambtsdragers, is ingesteld met het oog op het verzekeren van een onpartijdige en serene rechtsbedeling ten aanzien van die personen. De bijzondere regels op het gebied van onderzoek, vervolging en berechting die het voorrecht van rechtsmacht inhoudt, beogen te vermijden dat, enerzijds, ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen jegens de ambtsdragers op wie dat stelsel van toepassing is, op gang zouden worden gebracht, anderzijds, die ambtsdragers hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld.

4.6.4 Het Grondwettelijk Hof stelde uitdrukkelijk dat de door de wetgever nagestreefde legitieme doelstellingen verantwoorden dat hij aan de hoven van beroep de bevoegdheid heeft toevertrouwd kennis te nemen van wanbedrijven ten laste van de personen op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is (Grondwettelijk Hof nr. 60/96 van 7 november 1996, www.grondwettelijkhof.be, overweging B.5). Hoewel dit door het Grondwettelijk Hof gesteld werd in het kader van een prejudiciële vraag, overigens gesteld door het Hof van Cassatie, die niet het voorrecht van rechtsmacht als dusdanig betrof, maar betrekking had op de ontzegging van een tweede aanleg, die er in de toenmalige, en ook huidige, stand van de wetgeving uit voortvloeit, blijkt toch dat het Grondwettelijk Hof zonder enig onderscheid verwees naar "de personen" op wie het voorrecht van rechtsmacht van toepassing is, dus met inbegrip van magistraten van het Hof van Cassatie. In antwoord op de prejudiciële vraag stelde het Grondwettelijk Hof dat de wetgever vermocht ervan uit te gaan dat een voldoende waarborg wordt geboden door, enerzijds, door de hoogste feitenrechter te worden beoordeeld en, anderzijds, door een zetel die noodzakelijkerwijze uit drie magistraten is samengesteld, zodat de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering artikel 10 Grondwet niet schenden.

4.6.5 Concreet is ten aanzien van I.V. in de rechtspleging voor dit hof aan al deze vereisten voldaan: hij wordt niet beoordeeld door feitenrechters die zijn rechtstreekse ambtgenoten zijn en dit hof is de hoogste feitenrechter, samengesteld uit drie magistraten. Hetzelfde geldt voor de beklaagden B. S. en M.S.. Gezien een behandeling voor het hof van beroep te Brussel voor deze magistraten zou inhouden dat zij zouden berecht worden door hun rechtstreekse ambtsgenoten als feitenrechter, is, in weerwil van de exceptie van territoriale onbevoegdheid die P.B. opwerpt, de verwijzing naar een ander hof van beroep, in casu het hof van beroep te Gent, vanzelfsprekend, zodat dit hof ook territoriaal bevoegd is om van de telastleggingen kennis te nemen.

4.6.6 Dit hof stelt vast dat enerzijds het stelsel van voorrecht van rechtsmacht zoals vervat in art. 479 e.v. Wetboek van Strafvordering de in art. 134 Grondwet bedoelde regels klaarblijkelijk niet schendt en anderzijds het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag met een identiek onderwerp, zodat het hof niet gehouden is de door de verdediging gesuggereerde of ambtshalve geformuleerde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

4.7 Saisine

4.7.1 Ten onrechte wordt door P.B. en M.S. aangevoerd dat dit hof geen saisine heeft aangezien het niet rechtsgeldig zou zijn gevat door een rechts-geldig genomen beslissing van een verwijzingsgerecht.

4.7.2 De tekst van artikel 492 Wetboek van Strafvordering heeft geenszins tot gevolg dat enkel de eerste kamer van het Hof van Cassatie ("de kamer die kennis neemt van het cassatieberoep in burgerlijke zaken") bevoegd zou zijn om een verdachte te verwijzen naar een strafrechter.

Het openbaar ministerie stelt in dit verband terecht dat uit de bewoordingen in dit artikel, namelijk: "die uitspraak zullen doen over de inbeschuldigingstelling", moet worden afgeleid dat dit enkel betrekking heeft op de criminele procedure van de inbeschuldigingstelling met het oog op verwijzing van een niet gecorrectionaliseerde misdaad naar het hof van assisen. Deze stelling vindt steun in de (verdere) artikelen 500 en 503 Wetboek van Strafvordering waarin telkens sprake is van "het hof van assisen". Dit standpunt vindt bevestiging in de rechtsleer: "Eens het onderzoek beëindigd is, wordt verslag uitgebracht aan de procureur-generaal, die binnen de vijf dagen zijn vordering opstelt. De tweede kamer beslist met voorrang boven alle andere zaken over de stukken die haar worden voorgelegd. Zij doet geen enkel onderzoek. Drie mogelijkheden staan voor haar open: ofwel beslist zij dat er geen aanleiding is tot vervolging bij gebrek aan voldoende aanwijzingen van schuld; ofwel is zij van oordeel dat de misdaad gekwalificeerd moet worden als een wanbedrijf, of dat de misdaad als dusdanig gedenatureerd kan worden door aanneming van verzachtende omstandigheden: in dat geval zal zij de zaak verwijzen naar het bevoegde hof van beroep; ten slotte kan zij oordelen dat er voldoende aanwijzingen van schuld bestaan met betrekking tot een misdaad die niet kan of niet hoeft gecorrectionaliseerd te worden: zij verwijst de zaak dan naar de eerste kamer, die uitspraak zal doen over de

inbeschuldigingstelling en samen met een beschikking tot gevangenneming een arrest van verwijzing naar het bevoegde hof van assisen zal vellen. Hier herleeft, binnen het Hof van Cassatie, de dubbele graad van jurisdictie voor de onderzoeksgerechten voor misdaden, die door een jury beslecht worden en door magistraten bij de hoven en parketten van beroep in de uitoefening van hun ambt zijn gepleegd. Inderdaad, in deze hypothese worden de bevoegdheden van de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling respectievelijk aan de tweede en de eerste kamer van het Hof van Cassatie overgedragen." (De Codt, J., "Titel 4: De vervolging van magistraten", in: Statuut en Deontologie van de magistraat, Die Keure 2000, p. 179-180, nr. 56).

Bovendien luidt de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie als volgt: "Nadat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie van de minister van Justitie de stukken heeft ontvangen over een wanbedrijf dat wordt ten laste gelegd aan een magistraat in het hof van beroep of in een arbeidshof of van een magistraat van het parket bij een van die gerechten en nadat hij desnoods aanvullende inlichtingen heeft ingewonnen of doen inwinnen, maakt hij door schriftelijke vorderingen de zaak aanhangig bij de tweede kamer van het Hof; het Hof van Cassatie, dat in raadkamer uitspraak op de mondelinge vorderingen van de procureur-generaal, beslist dat er geen grond bestaat tot verdere vervolging van die magistraat of verwijst de zaak ofwel naar een hof van beroep ofwel naar de voorzitter van een hof van beroep opdat deze een magistraat aanwijst, die het ambt van onderzoeksmagistraat zal waarnemen, waarbij gezegd hof van beroep of gezegde magistraat moet worden aangewezen buiten het rechtsgebied van het hof waartoe de vervolgde magistraat behoort. (Artt. 479, 481, 482 en 483, Wetboek van Strafvordering)" (Cass., 5 december 1990, A.C. 1990-1991, 379; zie ook: Cass., 15 oktober 1991, A.C. 1991-1992, 155; Cass., 21 juni 1995, A.C. 1995, 651; Cass., 1 april 1996, A.C. 1996, 108; zie ook: Cass. 24 september 1996, A.C. 1996, 328, waar in de vordering van de procureur-generaal Liekendael, die door het Hof van Cassatie wordt overgenomen, ondermeer wordt gesteld: "Overwegende dat, nu het om feiten gaat die X in de uitoefening van zijn ambt zou hebben gepleegd, de Heer Minister van Justitie terecht melding maakt van artikel 485 en volgende van het Wetboek van Strafvordering; Overwegende dat echter uit de rechtspraak blijkt dat, sedert de inwerkingtreding van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, wanneer na onderzoek voor dergelijke feiten voldoende bezwaren bestaan om een verwijzing naar het vonnisgerecht te verantwoorden, verzachtende omstandigheden stelselmatig worden aangenomen; Overwegende dat de verzachtende omstandigheden, waarvan de rechter het bestaan heeft vastgesteld of aangenomen, met de misdaad vanaf het plegen ervan verbonden zijn en aan die misdaad met terugwerkende kracht het karakter van wanbedrijf toeëigenen; Overwegende dat het dan ook als verantwoord voorkomt van nu af de rechtspleging van de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van Strafvordering, van toepassing op wanbedrijven, toe te passen in plaats van de procedure als bepaald bij artikel 485 en volgende van hetzelfde Wetboek; (...)"; Cass., 17 januari 2001, nr. P.00.1697.F, www.cass.be ,waarin ondermeer wordt gesteld: "Overwegende dat, indien een lid van een hof van beroep of een ambtenaar die bij het hof het openbaar ministerie uitoefent, een misdaad of een wanbedrijf pleegt, de berechting van de wegens dat misdrijf ingestelde strafvordering, behoudens inbeschuldigingstelling, door een hof van beroep wordt verricht dat gekozen wordt buiten het rechtsgebied van het hof waartoe de in verdenking gestelde magistraat behoort; (...)". Dit hof treedt de aangehaalde rechtspraak bij.

4.7.3 Dit hof werd bijgevolg wel degelijk rechtsgeldig gevat om te oordelen over een (gecorrectionaliseerd) wanbedrijf dat ten laste wordt gelegd van de respectieve raadsheren van het hof van beroep te Brussel.

4.8 Objectieve (on)partijdigheid van dit hof

4.8.1 I.V. voert aan dat er twijfel bestaat over de objectieve onpartijdigheid van dit hof. VolgensV. "dreigt" hij immers beoordeeld te worden door "magistraten van een beroepshof wiens arresten het Hof van Cassatie, waarvan (hij) lid en voorzitter was, jarenlang beoordeelde en desgevallend vernietigde". Dergelijke magistraten die hun "eigen rechter" moeten beoordelen, zouden volgensV. geen voldoende waarborg kunnen bieden voor de vereiste organieke, objectieve onpartijdigheid die een grondregel is van de rechterlijke organisatie en voor de rechtszoekenden de waarborg inhoudt dat de rechter de wet op een gelijke wijze zal toepassen.

4.8.2 Het mogelijk gebrek aan onpartijdigheid van dit hof datV. onder die overwegingen aanvoert heeft echter geen betrekking op een objectieve (on)partijdig-heid, doch slaat op de mogelijke subjectieve partijdigheid van de leden van dit hof, en bij uitbreiding van alle leden van een hof van beroep. Het opgeworpen middel gaat er immers van uit dat de leden van dit hof geen of onvoldoende afstand zouden kunnen nemen van het feit dat de betrokkene lid is van het Hof van Cassatie dat de cassatieberoepen tegen de arresten van dit hof van beroep, waarvan de leden van deze kamer deel van uitmaken, behandelt en dat de leden van dit hof aldus niet onbevangen - bijzonder streng of bijzonder mild ten aanzien vanV. en de door hem aangevoerde argumenten - zouden kunnen oordelen. Dergelijke omstandigheid kan gewettigde verdenking uitmaken; nochtans heeft I.V. voor de aanvang van de pleidooien in deze zaak geen wraking in die zin voorgedragen.

Bovendien en terloops gesteld, geeft dit middel blijk van een fundamenteel wantrouwen over de capaciteiten van de feitenrechters in het algemeen en dit hof in het bijzonder om in alle mogelijke omstandigheden voldoende onpartijdigheid aan de dag te kunnen leggen en aldus van een fundamenteel wantrouwen tegenover de gehele rechterlijke organisatie, hetgeen bevreemdend is voor een persoon die jarenlang als voorzitter deel uitmaakte van het hoogste hof binnen de rechterlijke organisatie van dit land.

Het middel wordt door dit hof dan ook niet bijgetreden.

* * * * * * * * * * *

* * * * * * * * *

* * * * * * *

* * * * *

* * *

*

5. Gegrondheid strafvordering

5.1 C.S.

5.1.1 Telastlegging 1., te Boechout op 7 december 2008:

Terecht merkt de verdediging op dat C.S. niet de volledige inhoud van het mailbericht dat zij op 7 december 2008 ontving van P.B. heeft overgemaakt aan eremagistraat N.D., doch slechts een uittreksel hiervan, nl.: "C., la dernière chose à faire dans un référé s'est de s'agripper aux règles de droit. On n'est pas dans le droit et la cour de la (sic) cassation n'a cessé de le répéter. Bonne soirée et à demain.

P.l." ("C., het laatste dat we in kort geding moeten doen is ons vastklampen aan de rechtsregels. Wij bevinden ons niet in het recht en cassatie heeft niet opgehouden dit te herhalen. Goede avond en tot morgen. P."; vrije vertaling door dit hof).

Waar het overtreden van het verbod om zonder toestemming van alle andere, direct of indirect betrokken personen, met opzet de personen te identificeren die bij de overzending van de informatie van alle aard die via elektronische weg is verstuurd en de inhoud ervan betrokken zijn strafbaar is gesteld door art. 145, §1 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, betreft dit nochtans een andere omschrijving dan de huidige telastlegging, waarover de beklaagde zich niet heeft verweerd. Het hof ziet geen reden om tot herkwalificatie over te gaan.

Noch het mailbericht van 7 december 2008, noch het door C.S. verzonden uittreksel viel onder de verplichting tot geheimhouding waartoe C.S. als magistraat gehouden was. Terecht merkt de verdediging op dat niet valt in te zien hoe de door C.S. overgemaakte, beperkte informatie, een geheim of vertrouwelijke informatie kan uitmaken in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek, zelfs niet indien de bestemmeling wist dat deze betrekking had op het verloop van het beraad inzake de zgn. Fortis-zaak. Uit de begeleidende omstandig-heden blijkt dat C.S. deze zinssneden aan haar vertrouweling N.D. overmaakte voornamelijk om haar verontwaardiging over het standpunt van een collega over de juridische lijnen waarbinnen een kort gedingrechter zich kan bewegen, kenbaar te maken: "Ik was inderdaad verontwaardigd omtrent de stellingname van P.B. in het Fortis-beraad en in het algemeen over de rol van de kort gedingrechter en ik meld nog aan N.D. "Je n'en peux plus". ("Ik kan niet meer"; vrije vertaling door dit hof). Ik was in feite einde raad en wou mijn ontreddering mededelen aan een goede vriendin die toch ook ere-magistraat is (...)" (stuk 184, blz. 7, kaft 5). Of haar verontwaardiging of enig ander gevoel over een rechtsvisie van een collega al dan niet gepast was, is niet relevant voor de beoordeling van de strafvordering terzake door dit hof. Het hof stelt vast dat de meegedeelde zinssneden geen geheimen bevatten, noch uit hun aard, noch die C.S. uit hoofde van haar beroep werden meegedeeld. Gelet op het ontbreken van dit constitutief bestanddeel van het misdrijf, dient C.S. voor deze telastlegging te worden ontslagen van rechtsvervolging.

5.1.2 Telastlegging 2, te Boechout op 9 december 2008:

Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat C.S. regelmatig contact hield met eremagistraat N.D., die zij kende als ondervoorzitter toen zij rechter was in de rechtbank van koophandel te Brussel.

Door C.S. werd op 9 december 2008 via elektronische weg aan eremagistraat N.D. een tekst overgemaakt. Deze tekst wordt door de verdediging omschreven als een werkdocument, dat zij aan N.D. overmaakte voor taalkundige controle. C.S. verklaarde hierover op 23 maart 2009: "(...) zoals ik eerder verklaarde, had P.B. mij laten weten op 8 december 2008 dat ik slechts over 24 uren beschikte om een ontwerp van arrest te maken wat betreft schijn van recht, wat op zich reeds een onmogelijke opdracht was. Daarenboven had M.S. op de bijeenkomst van maandag 8 december 2008 haar irritatie geuit ten aanzien van druk- en spellingsfouten in mijn tekst (bewijs daarvan is te vinden in mijn e-mail van 8 december 2008, 23.17 uur aan P.B. en mezelf). De taak van M.S. bestond erin de tekst die wij op maandag 8 december hadden bereikt, te finaliseren. Dus, ik heb, totaal uitgeput, op dinsdag 9 december 2008 aan N.D. gevraagd of zij mijn tekst wou herlezen, die af was, met het oog op toilettage van taal. (...) Ik besef uiteraard dat dit initiatief, namelijk hulp vragen aan mevrouw D. om een tekst qua taal te verbeteren, vragen kan doen rijzen omtrent mijn beroepsgeheim in die mate dat mevrouw D., (geen) magistraat (in functie) meer is. Toch had ik niet het gevoel iets verkeerd te doen maar wou ik het hoofd bieden aan de belaging gezien de houding van mijn collega's. De ene gaf mij maar 24 uur tijd om mijn project op te stellen, hetgeen roekeloos is, de ander was geïrriteerd omdat zij het lastig vond om verbeteringen aan te brengen op het vlak van taal of typfouten. Mijn enige bedoeling was om spanning te voorkomen met mijn collega's en hen een tekst over te maken die af was, ook perfect qua taal.".

Waar C.S. niet voorhoudt dat N.D. niet wist dat de tekst sloeg op de Fortis-zaak, blijkt uit de doorgezonden ontwerptekst zonder twijfel dat N.D. hieruit kon opmaken dat deze hierop betrekking had (bijlage stuk 184, kaft 5). N.D. bevestigde trouwens dat zij wist dat het ontwerp sloeg op de Fortis-zaak; zij stelde dat zij dit op vraag van C.S. taalkundig doch niet inhoudelijk verbeterde (subkaft 7.2). De in het meegedeelde ontwerp vermelde gegevens vielen uit hun aard onder het beroepsgeheim van C.S. . Zij heeft deze gegevens op ongeoorloofde wijze uitgewisseld met N.D..

In tegenstelling tot wat de verdediging voorhoudt kan er in deze gegevensuitwisseling geen sprake zijn van zogenaamd gedeeld of toevertrouwd beroepsgeheim. Of N.D. al of niet nog magistraat was en zelf gebonden was door beroepsgeheim is terzake niet relevant, want niet voldoende. Opdat er sprake zou zijn van geoorloofde gegevensuitwisseling in het kader van het gedeeld of toevertrouwd beroepsgeheim is het immers weliswaar noodzakelijk maar niet voldoende dat de bestemmeling van de vertrouwelijke informatie zelf gebonden is door het beroepsgeheim. Van belang is dat overdracht van gegevens van de Fortis-zaak voor C.S. aan N.D. helemaal niet noodzakelijk was voor de uitoefening van de vertrouwens-opdracht, nl. de behandeling, het beraad en het maken van een (ontwerp)arrest, in het kader waarvan C.S. die gegevens verkregen had.

Het misdrijf omschreven door artikel 458 Strafwetboek vereist enkel algemeen opzet. Door wetens vertrouwelijke gegevens van de Fortis-zaak met N.D. te delen, wat zij onbetwistbaar deed d.m.v. mededeling van de ontwerptekst, blijkt dat C.S. ook de wil had om die geheimen met D. te delen. Uit haar eigen verklaring blijkt trouwens dat zij zelf besefte dat zij hiermee eventueel haar beroeps-geheim in het gedrang bracht, doch dit afwoog tegen de voordelen die haar dat bij de finalisering van de redactie van haar ontwerptekst afleverde. Naast het materiële bestanddeel van mededeling van vertrouwelijke gegevens, was ook het vereiste moreel element, zijnde het algemeen opzet, in hoofde van C.S. voorhanden.

Door C.S. worden geen schulduitsluitende rechtvaardigingsgronden of verschoningsgronden enigszins aannemelijk gemaakt.

De telastlegging 2. is naar het oordeel van het hof bewezen en is C.S. toerekenbaar en verwijtbaar.

5.1.3 Telastlegging 3., te Boechout herhaaldelijk op verschillende tijdstippen in de periode van 24 november 2008 tot 12 december 2008:

Terecht werpt C.S. op dat geen van de mailberichten die door het openbaar ministerie worden geviseerd door haar aan haar echtgenoot werden gestuurd in de periode van de tenlastelegging zoals geformuleerd in de dagvaarding, zijnde "in de periode van 24 november 2008 tot 12 december 2008".

De mailberichten die worden geviseerd in de dagvaarding, namelijk "mails afkomstig van P.B. en gericht aan C.S. op 24 november 2008, 1 en 4 december 2008, het advies van de procureur-generaal op 30 november 2008, verscheidene bedenkingen van M.S. op 30 november 2008 en eigen werkstukken opgesteld tijdens het beraad op 3, 6 en 9 december 2008", heeft C.S. allemaal doorgestuurd naar haar echtgenoot op 13 december 2008, dit wil zeggen nadat het arrest op 12 december 2008 werd uitgesproken. De verweten feitelijke gedragingen vallen aldus niet binnen de ten laste gelegde periode.

Bovendien blijkt uit geen enkel element van het dossier dat C.S. deze stukken op elektronische wijze heeft overgemaakt aan het secretariaat van haar echtgenoot met een andere bedoeling dan deze stukken te laten uitprinten met het oog op papieren archivering en later gebruik als documentatie, zodat niet is aangetoond dat zij de wil en dus het opzet had om geheimen die haar ambtshalve waren toevertrouwd bekend te maken.

C.S. dient aldus ook voor deze telastlegging ontslagen te worden van rechtsvervolging.

* * * * *

5.2 I.V.

Op 11 december 2008 in de voormiddag werd I.V. telefonisch gecontacteerd door C.S. die hem meedeelde dat zij zetelde in de 18e kamer, in de zgn. Fortis-zaak, dat ze ziek was en dat zij door haar collega's op onrechtmatige wijze buiten het beraad werd gehouden.

De feitelijke context waarbinnen I.V. op 11 december 2008 telefonisch contact had met C.S. werden door de heer Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie in zijn tuchtrechtelijke beslissing van 24 maart 2009 als volgt geduid: "Het is duidelijk dat de heerV. ongevraagd werd benaderd door mevrouw C.S., die volledig overstuur en zeer emotioneel was, en dat hij aanvankelijk werd geschokt door het verhaal dat zij bracht. Dit moet gezien worden in de context van reeds sedert lang bestaande vertrouwens- en vriendschapsrelaties tussen beide magistraten. Hij beschouwde het contact dat mevrouw C.S. met hem zocht als een "noodkreet".

C.S. verklaarde dat er twee redenen waren waarom zij I.V. contacteerde: in eerste instantie vond zij dat zij zich tot "iemand van cassatie" moest wenden omdat haar toenmalige eerste voorzitter, volgens haar, niets had gedaan met haar klachten en, in tweede instantie, omdat I.V. een goede vriend is (st. 157, kaft 5).

Toen zijV., die zij niet onmiddellijk kon bereiken, op 11 december 2008 toch aan de lijn kreeg zou zij hem het verhaal over het verloop van het beraad in de 18de kamer in het kort gedaan hebben. Zij vroeg hem om hulp: "Ik vroeg hem om iets te ondernemen zodat er een proper beraad zou kunnen zijn in de Fortis-zaak. (...)V. heeft mij gezegd: 'Je vais faire quelque chose, je réfléchis' (« Ik ga iets doen, ik denk na » ; vrije vertaling door dit hof). Hij had medelijden met mij en had zijn bedenkingen bij de houding van D.. Hij vroeg mij wat ik ging doen en ik heb geantwoord: 'niets, want ik ben ziek.''' (st. 157, kaft 5). In zijn verklaring van 2 maart 2009 aan de kamervoorzitter-onderzoeksrechter verklaarde I.V. over de vraag van C.S. : "Mevrouw S. heeft (...) de vraag gesteld of ik in verband met de onregelmatigheid van het beraad iets kon doen. Zij had blijkbaar (wat voor mij erg vervelend was) vertrouwen in mij. "Iets doen" om haar probleem op te lossen was bijzonder delicaat. Ik heb haar zeker aangeraden in algemene termen om klacht neer te leggen bij wie het hoort (...) Voor het overige wenste ik niet dat zij nog verder zou aandringen bij mij en (ik) heb gepoogd mij af te schermen door haar te melden dat ik gedaan had wat ik moest doen.". (stuk 079, subkaft 5.2); Met dit laatste wijstV. op zijn later tekstbericht aan C.S. waarin hij enkel meldde: "Fait" (vrije vertaling door dit hof: "Uitgevoerd").

Uit de gegevens van het dossier blijkt dat door terugkerende professionele contacten en samenwerking, o.a. in het kader van wetenschappelijke publicaties, er tussen C.S. enV., wat deze laatste noemt, 'persoonlijke contacten' zijn ontstaan, hoewelV. aangaf dat deze contacten eerder sporadisch waren en hij eerder contacten met haar meed omdat zij zetelde in een kamer van het hof van beroep die arresten wees die regelmatig door het Hof van Cassatie werden beoordeeld (stuk 190, blz. 3, subkaft 5.2).

Aanvankelijk percipieerde I.V. de gegevens die hem door C.S. werden aangereikt in het kader van artikel 398 Gerechtelijk Wetboek, nl. het recht van toezicht dat het Hof van Cassatie heeft op de hoven van beroep en de arbeidshoven (stuk 190, blz. 3, subkaft 5.2). Terecht echter merkt de verdediging op dat deze bepaling geen enkele rechtsgrond biedt voor het optreden van een individueel lid van het Hof van Cassatie, ook niet de eerste voorzitter of een voorzitter, om dit 'toezicht' uit te oefenen namens het Hof van Cassatie en door adviezen of op enige andere wijze tussen te komen in een zaak die op een ander niveau hangend is. Dat I.V. en eventueel C.S. hun contacten aanvankelijk wel kaderden in het bewuste 'toezicht', doet geen afbreuk aan het feit dat de concrete omstandigheden geen rechtsgrond vinden in artikel 398 Gerechtelijk Wetboek. Vanuit dit kader kan dan ook niet gesteld worden dat I.V. uit hoofde van zijn beroep geheimen toevertrouwd kreeg. Evenmin was er, op grond van de overweging hiervoor (5.1.2), sprake van gedeeld of toevertrouwd beroepsgeheim, nu de tussen-komst van I.V. bij de opdracht waarbinnen C.S. de vertrouwelijke informatie verkreeg die zij met hem deelde, niet noodzakelijk en zelfs niet mogelijk was. I.V. kan niet strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor het feit dat C.S. op eventueel ongeoorloofde wijze, hoewel zij hiervoor niet vervolgd wordt, vertrouwelijke beroepsgebonden gegevens met hem deelde.

De vertrouwelijke gegevens werden I.V. ook niet op andere wijze uit hoofde van zijn beroep meegedeeld.

M.a.w. vormde de melding over de beweerde onregelmatigheden in het beraad van de 18de kamer van het hof van beroep te Brussel over de Fortis-zaak door C.S. voor I.V. geen geheim dat hem was toevertrouwd uit hoofde van zijn staat of beroep, zodat de eventuele bekendmaking van deze gegevens voor hem geen schending van zijn beroepsgeheim oplevert. I.V. dient dan ook ontslagen te worden van rechtsvervolging voor de enige telastlegging in zijn hoofde.

5.3 P.B. - M.S.

5.3.1 Aflijning telastlegging

De feiten lastens P.B. en M.S., waarover dit hof dient te oordelen, werden in het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie, tweede kamer (zetelend als onderzoeksgerecht), van 19 januari 2010 strikt omlijnd:

"Telastleggingen

Valsheid in geschriften

12. Door deze telastelegging worden twee onderscheiden feiten beoogd. Volgens de burgerlijke partij (noot hof: bedoeld wordt C.S. ) die samen met de tweede (noot hof: bedoeld wordt P.B.) en derde (noot hof: bedoeld wordt M.S.) inverdenkinggestelden de zetel van de kamer van het hof van beroep

te Brussel vormde die uitspraak moest doen over de zogenaamde "FORTIS-zaak", zou aan het op 12 december 2008 uitgesproken arrest geen volledig beraad zijn voorafgegaan over de in het dictum bevolen maatregelen, enerzijds, en zou er niet zijn beraadslaagd over het verzoekschrift tot heropening van het debat, anderzijds.

13. De analyse van de stukken van het dossier, meer bepaald van het e-mail verkeer tussen alle leden van de zetel (68 berichten), de uitgewisselde nota's en de verklaringen betreffende de vier niet betwiste bijeenkomsten, leidt tot de vaststelling dat er bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat er geen ernstige beraadslaging, geen overleg, geen gedachtewisseling heeft plaatsgehad.

Op een bepaald ogenblik heeft zich een meerderheid gevormd die een oplossing voorstond waarmee de burgerlijke partij zich klaarblijkelijk niet kon verzoenen, waarna de kamervoorzitter, de tweede inverdenkinggestelde, besloot dat die oplossing in een tekst moest worden gegoten. Onder zijn verantwoordelijkheid werd het beraad vervolgens afgesloten.

De conclusie dat er met de burgerlijke partij grondig was beraadslaagd, wordt geheel bevestigd door de inhoud van het e-mail bericht dat zijzelf op 11 december 2008 om 10u34 aan haar collega's stuurde, waarin zij:

- verklaarde het finaal ontwerp van het arrest af te wachten;

- stelde dat zij ziek was en zich niet kon verplaatsen en gebeurlijk bij de ondertekening moest worden vervangen;

- het ontwerp volledig afwees indien het in de richting bleef gaan zoals de dag voordien aangegeven;

- verklaarde wel akkoord te gaan met het ontwerp in zoverre dit:

• de vordering niet ontvankelijk verklaarde ten aanzien van de partijen die niet in de zaak waren betrokken,

• de eis afwees die ertoe strekte de stemming over de ontbinding van Fortis uit te stellen,

• de experten niet de opdracht gaf de mogelijkheden te onderzoeken tot het instellen van aansprakelijkheidsvorderingen;

- de derde inverdenkinggestelde bedankte om haar op die drie punten te hebben gevolgd;

- hevige kritiek uitoefende op de in het ontwerp bevolen maatregelen en elke professionele verantwoordelijkheid ervoor afwees;

- de hoop uitdrukte dat de derde inverdenkinggestelde alsnog van mening zou veranderen.

Uit dit e-mail bericht blijkt onmiskenbaar dat de burgerlijke partij na de beëindiging van de bespreking op 10 december 2008 volledig op de hoogte was van de maatregelen die door het op 12 december 2008 uitgesproken arrest zouden worden bevolen.

Bij vergelijking van het op 12 december 2008 uitgesproken arrest met de daaraan voorafgaande ontwerpen moet verder worden vastgesteld, wat de grond van de zaak betreft, dat in het arrest geen feitelijke en juridische gronden zijn terug te vinden die niet vooraf aan de burgerlijke partij zijn voorgelegd, wijzigingen in woordgebruik of zinsstructuur buiten beschouwing gelaten.

In zoverre de telastelegging van valsheid in geschriften de vermelding beoogt dat de 18e kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit de tweede en derde inverdenkinggestelden en de burgerlijke partij, heeft beraadslaagd over de in het dictum van het arrest bevolen maatregelen, bestaan er geen bezwaren die een verwijzing naar de feitenrechter rechtvaardigen.

14. Uit de gegevens van het onderzoek blijkt dat het verzoek tot heropening van het debat nooit werd besproken met de burgerlijke partij.

In zoverre de telastelegging van valsheid in geschriften de vermelding beoogt dat de 18e kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit de tweede en derde inverdenkinggestelden en de burgerlijke partij, heeft beraadslaagd over het verzoek tot heropening van het debat, bestaan er aldus voldoende bezwaren die tot een verwijzing naar de feiten rechter verplichten.

Het komt niet het onderzoeksgerecht maar wel de feitenrechter toe te oordelen over het verweer dat de tweede en derde inverdenkinggestelden ter zake laten gelden.

(...)

Dictum

Het Hof,

(...)

Verwijst de inverdenkinggestelden P.B. en M.S., mits inachtneming van verzachtende omstandigheden, naar het hof van beroep te Gent, wegens:

Te Brussel, op 12 december 2008,

door het misdrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat het misdrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd,

met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als openbaar officier of ambtenaar bij het opmaken van akten van hun ambt het wezen of de omstandigheden ervan te hebben vervalst, door als waar op te nemen, feiten die het niet zijn, met name door in een arrest van 12 december 2008 (R.G. n°2008/KR/350) van de 18e kamer van

het hof van beroep te Brussel te hebben vermeld of doen vermelden dat de drie leden van de zetel beraadslaagd hebben over het verzoek tot heropening van het debat, met het opzet een arrest uit te spreken dat niet kon worden uitgesproken bij volledige inachtneming van artikel 778 Gerechtelijk Wetboek.

Wijst de aangiften lastens de inverdenkinggestelden P.B. en M.S. voor het overige af en zegt dat daarvoor geen grond is tot verwijzing."

Dit hof dient zich dus enkel uit te spreken over de vraag of in het arrest van de 18e kamer van het hof van beroep te Brussel in de zogenaamde "Fortis-zaak" valselijk wordt vermeld dat met de drie leden van de zetel werd beraadslaagd over het verzoek tot heropening van het debat, terwijl dit in realiteit niet het geval zou zijn geweest. Alle argumenten die handelen over het beraad over de grond van de "Fortis-zaak" zijn bijgevolg niet relevant voor de beoordeling van de thans aan P.B. en M.S. ten laste gelegde feiten.

5.3.2 Relevante feiten

Op 10 december 2008 was het beraad tussen de drie leden van de 18e kamer van het hof van beroep te Brussel over de grond van de "Fortis-zaak" beëindigd waarbij, zonder dat dit Hof verder op de inhoud van het arrest dat werd uitgesproken op 12 december 2008 dient in te gaan, het belangrijk is te wijzen op de motieven in de randnummer 78 en 79 met betrekking tot: "a. Schending van de openbare orde van de Europese Gemeenschap: 78. Ter ondersteuning van hun vordering tot schorsing, beroepen de appellanten zich op de schending van de regels met betrekking tot de controle op de verenigbaarheid van verleende Staatssteun met het recht van de Europese Gemeenschap. De appellanten laten voor het eerst in hun conclusies voor het Hof gelden, dat er reden is tot schorsing van de betwiste overeenkomsten omwille van de staatssteun die zij inhouden. (...) 79. Het middel kan niet worden toegekend. (...)" (eigen vertaling door dit hof).

Gezien C.S. vanaf 10 december 2008 in de namiddag wegens ziekte afwezig was, werkten P.B. en M.S. samen aan de afwerking van het arrest dat op 12 december 2008 zou worden uitgesproken. In de late namiddag van 11 december 2008 werd door één van de geïntimeerden, meer bepaald de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij (afgekort FPIM), een verzoekschrift tot heropening van het debat neergelegd met als reden dat door de Europese Commissie was bevestigd dat de staatssteun aan Fortis niet in strijd was met de communautaire rechtsregels wat het argument van de appellanten, namelijk dat de staatssteun in strijd zou zijn met het communautaire recht, ontkrachtte.

Per e-mail bericht van 11 december 2008 om 23.47 uur werd door P.B. aan C.S. een ontwerp van arrest overgemaakt waarin (in randnummer 127) het verzoek tot heropening van het debat werd afgewezen op basis van de motieven in het arrest ten gronde (zie hiervoor: randnummers 78 en 79). In hetzelfde e-mail bericht laat P.B. aan C.S. weten dat de dag erop (op 12 december 2008) het uit te spreken arrest bij haar thuis zal worden gebracht met het oog op de ondertekening ervan.

C.S. weigerde op 12 december 2008 echter om het arrest te ondertekenen en formuleerde om 10.13 uur bij e-mail bericht (gericht aan G.L., eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, en aan M D.L.C., procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel) een 'klacht' tegen G.D., toenmalig eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, en tegen kamervoorzitter P.B.. Onwetend van deze "klacht" belegde P.B. in de namiddag een informele vergadering met de advocaten van alle partijen om te onderzoeken of geen afstand kon worden gedaan van het verzoekschrift tot heropening van het debat zodat het arrest kon worden uitgesproken. De raadslieden van de partij FPIM bleven echter aandringen op de heropening van het debat.

In overleg met G.D., toenmalig eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel, en G.L., eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, onderzochten P.B. en M.S. daarop de mogelijkheden om de gerezen problemen, enerzijds het verzoekschrift tot heropening van het debat en anderzijds de afwezigheid wegens ziekte van C.S. , op te lossen, waarbij in eerste instantie werd overwogen om de "Fortis-zaak" op 15 december 2008 volledig opnieuw te behandelen met P.B., M.S. en een nieuwe raadsheer in vervanging van C.S. .

In de namiddag van 12 december 2008 werd G.D. echter geconfronteerd met het standpunt van M.D.L.C. , procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, die hieromtrent heeft verklaard: "Daarna heb ik me naar het bureau begeven van M. en op dat moment daar heb ik de gedrukte versie gezien van de mail van Mevr. C.S. van 12/12/2008. Het is de mail waarin ze klacht indiende en alludeerde op essentiële feitelementen, onder andere van de ‘kennelijk onwettige praktijken'. Toen ik die mail gezien had, was ik echt ongerust. Rekening gehouden met de complexiteit van de situatie, heb ik besloten om een onderhoud te vragen met de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, dhr. L., die me ontvangen heeft evenals dhr. M. Na afloop van dit onderhoud leek het me noodzakelijk om D. in te lichten. (...) Onmiddellijk na dit onderhoud, heb ik een bezoek gebracht aan dhr. D., vergezeld van M. Ik heb hem een kopie overhandigd van de mail en ik heb hem gezegd dat ten gevolge van mogelijke schending van het geheim van de beraadslaging, en rekening gehouden met de teneur van de mail van Mevr. C.S., men zich moest verwachten aan vorderingen in wraking. Ik heb eraan toegevoegd dat ik niet inzag hoe mijn ambt het bestaan van die mail zou kunnen wegmoffelen, indien de heropening van de debatten plaats vond met de 2 andere magistraten. Ik heb de oplossing gesuggereerd van een totaal nieuwe samenstelling van de zetel. Op vraag van D. heb ik eraan toegevoegd dat deze oplossing de gevolgen, met name disciplinaire, niet uitsloot ten laste van wie dit zou verdienen. Ik heb gepreciseerd dat indien de hersamenstelling van de zetel te wijten was aan een fout van disciplinaire aard van een magistraat, deze omstandigheid die fout nog zou verzwaren." (vertaling verhoor M.D.L.C.op 9 maart 2009 door Kamervoorzitter-onderzoeksrechter H.H. - dossier Fortischu / III. Gerechtelijk onderzoek - subkaft 4.4. - stuk 128).

Gezien hij zich niet kon vinden in een herneming van de ganse Fortis-zaak in een volledig nieuwe samenstelling, wat volgens hem in strijd was met de onafhankelijkheid van de zittende magistratuur, besloot P.B. tegen de avond van 12 december 2008 alsnog het arrest uit te spreken: "Wij hebben toen gekozen voor een totale transparantie. De formulering zoals zij in het arrest voorligt werd aangepast dermate dat wij de mogelijkheid open lieten dat diegene die de andere opvatting waren toegedaan in het arrest zouden kunnen lezen dat er niet met drie werd beraadslaagd wat het specifieke punt van heropening van het debat betreft." (verhoor P.B. op 7 april 2009 door E.G., raadsheer in het Hof van Cassatie - GC.2010/PGG/000394 - karton 2 - stuk 42), wat niet in strijd was met het standpunt van de toenmalige eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, G.D.: "Wat de verdere totstandkoming van het arrest van 12 december 2008 betreft, wens ik te benadrukken dat ikzelf steeds hierna volgend standpunt heb ingenomen: indien meerdere opties konden onderzocht worden, het in ieder geval uitgesloten was dat er een arrest zou uitgesproken worden waarin vermeld worden dat ook na neerlegging van het verzoekschrift tot heropening daarover een beraad met drie raadsheren had plaatsgevonden." (verhoor G.D. op 7 april 2009 door E.G., raadsheer in het Hof van Cassatie - GC.2010/PGG/000394 - karton 2 - stuk 44).

5.3.3 Beoordeling

Om het misdrijf "valsheid in geschriften" in deze zaak bewezen te kunnen verklaren dienen volgende constitutieve elementen verenigd te zijn:

- de feiten moeten zijn gepleegd door een openbaar officier of ambtenaar in de uitoefening van zijn bediening;

- het moet gaan om een vermomming of vervalsing van de waarheid;

- in een geschrift door de wet beschermd;

- op een der wettelijke wijzen;

- met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden;

- en met een benadeling of mogelijkheid tot benadeling tot gevolg.

Het lijdt geen twijfel dat P.B. en M.S. (kamervoorzitter en raadsheer in het hof van beroep te Brussel) openbare ambtenaren betreffen die bedoeld worden in artikel 195 Strafwetboek en dat een arrest van een hof van beroep een door de wet beschermd geschrift uitmaakt.

Wat de vermomming of vervalsing van de waarheid betreft worden P.B. en M.S. vervolgd wegens: "(...) door als waar op te nemen, feiten die het niet zijn, met name door in een arrest van 12 december 2008 (R.G. n°2008/KR/350) van de 18e kamer van het hof van beroep te Brussel te hebben vermeld of doen vermelden dat de drie leden van de zetel beraadslaagd hebben over het verzoek tot heropening van het debat, met het opzet een arrest uit te spreken dat niet kon worden uitgesproken bij volledige inachtneming van artikel 778 Gerechtelijk Wetboek." (cfr. verwijzingsarrest van 19 januari 2010).

Dit hof moet vaststellen dat in het bewuste arrest van 12 december 2008 niet gesteld of vermeld werd dat de drie leden van de zetel beraadslaagd hebben over het verzoek tot heropening van het debat. In het randnummer 128 van het arrest wordt hieromtrent woordelijk gesteld: "Or, il résulte des motifs et des considérations qui précèdent et qui ont été délibérés par les trois membres du siège, que la cour a rejeté ce moyen, l'estimant en tout état de cause non fondé." (vertaling door dit hof: "Evenwel blijkt uit de motieven en overwegingen die voorafgaan en die door de drie leden van de zetel zijn beraadslaagd, dat het hof dit middel heeft verworpen, oordelend dat het in ieder geval niet gegrond was."). Hieruit blijkt dat de verwerping van het verzoek tot heropening van het debat niet steunt op een afzonderlijk beraad over dit verzoek, maar wel op de overwegingen ten gronde (meer bepaald hetgeen gesteld werd in de randnummers 78 en 79 - zie hiervoor) waaruit volgt ("résulte") dat dit verzoek verworpen werd. De vermelding "et qui ont été délibérés par les trois membres du siège" (vertaling door dit hof: "en die door de drie leden van de zetel zijn beraadslaagd") slaat klaarblijkelijk niet op een afzonderlijk beraad over het verzoek tot heropening van het debat, maar wel op het beraad over de overwegingen ten gronde, waarbij (ingevolge het verwijzingsarrest van 19 januari 2010) geen twijfel bestaat dat hierover door de drie leden van de 18e kamer van het hof van beroep te Brussel werd beraadslaagd.

De ten laste gelegde feitelijke gedraging (de vervalsing van de waarheid) heeft zich aldus niet voorgedaan, noch in hoofde van P.B., noch in hoofde van M.S.. Er was evenmin sprake van enige waarheidsvermomming. Of artikel 778 Gerechtelijk Wetboek al dan niet werd gerespecteerd bij de behandeling van het verzoek tot heropening van het debat is naar het oordeel van dit hof zonder enige relevantie met betrekking tot de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, maar dient (of diende) te worden onderzocht in het kader van het (burgerlijk) cassatieberoep tegen het arrest van 12 december 2008.

Nu het materieel element van het misdrijf (de vervalsing of vermomming van de waarheid) niet bewezen is, dient aan P.B. en M.S. ontslag van rechtsvervolging te worden verleend.

6. Straftoemeting C.S.

De voor C.S. bewezen telastlegging 2. geeft blijk van het feit dat de beklaagde onvoldoende voorzichtigheid aan de dag legde in de uitwisseling van vertrouwelijke gegevens die haar in de uitvoering van haar opdracht waren toevertrouwd, wat zeker in een, in acht genomen de belangen die ook voor de gemeenschap in het geding waren, delicate zaak als de zogenaamde Fortis-zaak bijzonder klemde. Een rechter mag weliswaar collega's en/of andere (gespecialiseerde) juristen contacteren om op abstracte wijze van gedachten te wisselen over rechtskwesties, ook als deze zich in een concrete zaak stellen, doch in deze contacten moet een rechter erop toezien geen elementen prijs te geven die vallen onder het beroepsgeheim dat voor die concrete zaak in acht moet worden genomen. Het meedelen van een, zelfs gedeeltelijk, projectarrest met vermelding van alle betrokken partijen aan een oud-magistraat, ook al zou dit maar gericht zijn op (taalkundige) controle, gaat de vereiste voorzichtigheid te buiten.

Nochtans wijzen onvoldoende elementen erop dat C.S. hierbij handelde met kwade bedoelingen en maakt zij enigszins aannemelijk dat zij van de oud-magistraat, in wie zij vertrouwen stelde, slechts haar mening wilde over het door haar opgestelde project, hierdoor echter haar beroepsgeheim schendend. In die omstandigheden zou een veroordeling, zelfs tot een lichte straf, de sociale declassering van C.S. kunnen veroorzaken, wat niet in verhouding zou staan met de ernst van de concrete feiten. Aldus kan het hof ingaan op de ondergeschikte vraag van deze beklaagde om de uitspraak van veroordeling op te schorten voor de hierna bepaalde periode; zij bevindt zich in de wettelijke voorwaarden hiertoe. Het Openbaar Ministerie adviseerde gunstig met betrekking tot de vraag voor opschorting.

7. Burgerrechtelijke vorderingen

XXXX

* * * * * * * * * *

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, recht doende bij verstek ten aanzien van de burgerlijke partij B.F. en op tegenspraak ten aanzien van de andere partijen,

Gelet op de artikelen:

- 11, 12, 14, 25, 31, 34, 35, 36, 37, 40 en 41 van de wet van 15 juni 1935;

- hoger in dit arrest aangegeven;

- 186, 190, 211, 212, 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering;

- 1, 3, 5 en 6 van de wet van 29 juni 1964, zoals gewijzigd;

- 458 van het Strafwetboek.

al deze wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de Voorzitter aangeduid.

OP STRAFGEBIED:

Ontslaat C.S. van rechtsvervolging voor de telastleggingen 1. en 3. in haar hoofde.

Gelast voor C.S. voor de telastlegging 2. in haar hoofde opschorting van de uitspraak van veroordeling voor een termijn van twee jaar.

Ontslaat I.V. van rechtsvervolging zonder kosten voor de enige telastlegging in zijn hoofde.

Ontslaat P.B. van rechtsvervolging zonder kosten voor de enige telastlegging in zijn hoofde.

Ontslaat M.S. van rechtsvervolging zonder kosten voor de enige telastlegging in haar hoofde.

Kosten

Laat de kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, voor de dagvaarding lastens I.V. (24,97 EUR), P.B. (31,48 EUR) en M.S. (24,97 EUR) ten laste van de Staat.

Veroordeelt C.S. tot de kosten van de dagvaarding lastens haar, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, en begroot op (24,97 + 10 % =) 27,47 EUR, deze kosten een en ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de feiten voorwerp van de telastlegging 2..

Begroot de overige gerechtskosten in hun geheel op (11.802,24 + 10% =) 12.982,46 EUR.

Veroordeelt C.S. tot 1/4 van deze overige gerechtskosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, en laat de overige 3/4 ten laste van de Staat.

Legt C.S. , krachtens artikel 91, tweede lid van het K.B. van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, een vaste vergoeding op voor beheerskosten in strafzaken van ÉÉNENDERTIG EURO ACHTENTWINTIG CENT ( euro 31,28) (geïndexeerd zoals voorzien in artikel 148 K.B. 28 december 1950 en de ministeriële omzendbrief nr. 131bis (B.S. 16 februari 2011)).

Overtuigingsstukken

Beveelt de overmaking van de overtuigingsstukken, neergelegd ter correctionele griffie van het Hof van beroep alhier onder de nummers 06/2009 - 07/2009 - 10/2009 - 146/2009 - 218/2009 - 451/2009 - 452/2009 - 453/2009 - 454/2009 - 455/2009 - 456/2009 - 457/2009 - 431/2009 - 458/2009 - 432/2009 - 433/2009 - 434/2009 - 435/2009 - 436/2009 - 437/2009 - 438/2009 - 459/2009 - 464/2009 - 462/2009, aan het Openbaar Ministerie teneinde te handelen als naar recht.

* * * * *

OP BURGERLIJK GEBIED:

Verklaart de nota burgerlijke partijstelling van B.F. nietig en verklaart zijn burgerlijke partijstelling onontvankelijk.

Verklaart de vorderingen van A en de 2220 hiervoor vermelde anderen, gesteld tegen C.S. , ontvankelijk doch wijst deze vorderingen af als ongegrond.

Verklaart de vorderingen van de burgerlijke partij C.S. voor zover gesteld tegen P.B. en M.S., ontvankelijk doch wijst deze vorderingen af als ongegrond.

Laat de kosten gevallen aan de zijde van de burgerlijke partijen C.S. , A. en de 2220 hiervoor vermelde anderen en B.F. ten laste van deze procespartijen.

Mots libres