- Arrêt du 26 octobre 2011

26/10/2011 - 2008-AR-2446

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd. Deze sanctie geldt zowel wanneer de termijnen werden bepaald in het kader van een rechterlijke kalenderregeling, als wanneer zij door de partijen in onderling akkoord werden afgesproken. Krachtens artikel 807 Ger.W. kan een vordering gewijzigd worden, indien deze wijziging berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Dit geldt ook in hoger beroep (artikel 1042 Ger) De gewijzigd vordering vindt, zoals deze voor de eerste rechter, haar oorzaak in de dading, zoals aangevoerd in de inleidende dagvaarding, en voldoet aldus aan 807 Ger.W.De ontvankelijkheid van de in hoger beroep gewijzigde vordering moet enkel worden getoest aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 807 Ger.W. Een vordering kan slechts kan gewijzigd worden als de initiële akte van rechtspleging rechtsgeldig is . Het is niet omdat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk was, dat de rechtspleging niet rechtsgeldig werd ingeleid.

De postcommunautaire onverdeeldheid is onderworpen aan de regeld van de mede-eigendom De bestuursregeling inzake mede-eigendom houdt in dat elke (ex) -echtgenoot alleen, met betrekking tot het goed dat in onverdeeldheid gebleven is, enkel daden van bewaring en voorlopig beheer kan stellen. Andere daden van beheer en daden van beschikking moeten door beide echtgenoten worden gesteld. Het invorderen en in ontvangst nemen van de betaling van een schuldvordering, moet als een daad van beheer gekwalificeerd worden, zodat een mede eigenaar niet alleen betaling van een schuldvordering kan vorderen, of ontvangen. De omstandigheid dat overwogen werd dat artikel 577-2 Ger.W. uitsluitend de verhouding regelt tussen onverdeelde eigenaars en niet die met derden, in een zaak waarin geoordeeld werd dat een eigenaar een revindicatievordering kan instellen tegen één bezitter van zijn eigendom , zonder alle bezitters in de zaak te moeten betrekken, laat daarom niet toe te besluiten dat één mede-eigenaar voor alle mede-eigenaars kan optreden en dat de mogelijkheid om dit te doen niet kan betwist worden

Artikel 577-2, § 4 B.W. bepaalt dat de mede-eigenaar over zijn aandeel kan beschikken en het met zakelijke rechten kan bezwaren. Deze bepaling laat de mede-eigenaar toe om daden van beschikking te stellen in verband met zijn onverdeeld deel in een zaak. Aldus kan hij bijvoorbeeld zijn onverdeeld aandeel in een schuldvordering overdragen. Dit laat evenwel het bestaan van de onverdeeldheid als zodanig onverlet. Aan de postcommunautaire onverdeeldheid kan in beginsel slechts een einde komen door een aanvullende verdeling. De vordering die een onverdeelde (mede-eigenaar) alleen stelt tegen een schuldenaar en die ertoe strekt dat deze schuldenaar de helft van het bedrag van de onverdeeld gebleven schuldvordering aan haar uitbetaalt,streeft in werkelijkheid een verdeling van de schuldvordering na buiten de aanwezigheid van de andere mede-eigenaar en zonder dat deze schuldvordering het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaande verdeling. Deze medegerechtigde kan deze vordering niet alleen instellen.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

12de bis Kamer

__________________

Terechtzitting

van

26 oktober 2011

2008/AR/2446 - In de zaak van:

D.............A.........., wonende te ..................................

appellant, hebbende als raadsman meester Landuyt Freddy, advocaat te 8730 Beernem, Bloemendalestraat 147;

tegen:

AGROVAN N.V., met maatschappelijke zetel te 8740 Pittem, Baertstraat 3 B, ingeschreven met KBO-nummer 0449.715.457,

geïntimeerde, hebbende als raadsman meester Bekaert Paul, advocaat te 8700 Tielt, Hoogstraat 34;

velt het hof het volgend arrest:

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 22 september 2008, heeft A..........D.......... (hierna "D.............." genoemd), hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 23 juni 2008 op tegenspraak tussen partijen werd gewezen door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

I. Wering van een conclusie

1. Bij beschikking van 29 oktober 2008, verleend in toepassing van artikel 747 § 1, derde lid Ger.W., heeft het hof de onderling door de partijen afgesproken conclusietermijnen bekrachtigd. Op grond daarvan kon de nv Agrovan (hierna "Agrovan" genoemd) conclusies neerleggen tegen uiterlijk 22 november 2008 en 22 januari 2009 en D.........tegen uiterlijk 22 december 2008. Agrovan legde een conclusie neer op 20 november 2008 en op 22 januari 2009 en D........ op 19 december 2008 en op 19 februari 2009. Agrovan vraagt de syntheseconclusie voor D.................., neergelegd op 19 februari 2009, uit de debatten te weren.

2. Onverminderd de toepassing van de in artikel 748, §§1 en 2 bedoelde uitzonderingen, worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd. Deze sanctie geldt zowel wanneer de termijnen werden bepaald in het kader van een rechterlijke kalenderregeling, als wanneer zij door de partijen in onderling akkoord werden afgesproken (vgl. Laenens, J., Broeckx, K., Scheers, D. en Thiriar, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 867, p. 410; Dauw, P. en Voet, S., "Gewijzigd gerechtelijk recht, NjW 2007, 584). De syntheseconclusie voor D...................., neergelegd op 19 februari 2009, wordt bijgevolg uit de debatten geweerd.

II. Antecedenten

1. Op 23 december 1993 werd een dadingsovereenkomst afgesloten tussen Agrovan, D............., haar toenmalige echtgenoot J......... V......... (hierna "V.........." genoemd), en diens vader G......... V.......... Daarin werd uiteengezet dat Agrovan nog 7.890.000 BEF verschuldigd was aan V......... en D........ wegens overname van hoevebekleding en 2.470.000 BEF voor aankoop van runderen. Agrovan kon evenwel geen lening bekomen, omdat V.......... en D......... betrokken waren in een strafzaak. V...........en D........... waren op hun beurt nog 3.520.000 BEF verschuldigd aan G.........V....... wegens overlating van een melkquotum. Daarover was een verzetprocedure hangend voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Bovendien hadden V.......... en D......... belangrijke leningsverplichtingen tegenover C........., waarvoor G......... V.............. zich borg gesteld had.

Er werd overeengekomen de verkoop van runderen door V..........en D.......... aan Agrovan teniet te doen. Tussen deze partijen zou elk kwartaal een afrekening worden opgemaakt ter verrekening van de melkopbrengsten enerzijds en de door Agrovan gemaakte kosten anderzijds. V......... en D.............verbonden er zich toe de dieren zo spoedig mogelijk van de hoeve te verwijderen. Het bedrag van 7.890.000 BEF diende door Agrovan te worden vereffend in 10 jaarlijkse schijven van 789.000 BEF, betaalbaar op 31 december van ieder jaar en voor het eerst in 1993, te vermeerderen met de vervallen intresten sedert 31 maart 1993 aan de wettelijke rentevoet. Verder werd bedongen dat van elke aflossing door Agrovan, 352.000 BEF, meer de vervallen intresten, mocht worden betaald aan G.............V.................., aan wie een rechtstreeks vorderingsrecht werd verleend ten aanzien van Agrovan.

2. V.................en D......................ondertekenden op 19 januari 2004 een overeenkomst strekkende tot een echtscheiding door onderlinge toestemming. Bij vonnis van 12 juli 2004 sprak de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de echtscheiding uit.

3. Bij dagvaarding van 21 januari 2008 vorderde D.............. de veroordeling van Agrovan tot betaling van 104.878,41 EUR, meer de gerechtelijke rente op 63.805,89 EUR vanaf 3 januari 2008 tot op de datum van volledige betaling en de kosten van het geding. Deze vordering strekte ertoe de nog verschuldigde sommen op grond van de dading van 23 december 1993 te innen. In conclusies vorderde D................ dat de gerechtelijke rente vanaf 21 januari 2008 werd berekend op 104.878,41 EUR en begrootte zij de rechtsplegingsvergoeding op 5.000,00 EUR.

4. Agrovan besloot in hoofdorde tot de onontvankelijkheid van de vordering. Zij stelde dat de schuldvordering tot de postcommunautaire onverdeeldheid tussen D............ en V...................... behoorde, die onderworpen was aan de bestuursregeling inzake mede-eigendom. Volgens Agrovan kon D...................de vordering om betaling te bekomen van deze vordering niet alleen instellen.

Verder argumenteerde Agrovan dat een deel van de intresten verjaard was op grond van artikel 2277 B.W.. Zij stelde dat D................ niet (langer) namens de huwgemeenschap kon optreden, nu deze ontbonden was. Wat het gevorderde bedrag betrof, wierp Agrovan op dat de door D............... opgestelde afrekening onjuist was. Zij vroeg tevens verduidelijking over de aangerekende rente en stelde dat in elk geval pas gerechtelijke rente kon aangerekend worden vanaf het tijdstip van de dagvaarding. Uiterst ondergeschikt vroeg zij de toekenning van afbetalingstermijnen. Ten slotte besloot Agrovan dat D........... diende veroordeeld te worden tot de kosten, waarbij zij de rechtsplegingsvergoeding begrootte op 5.000,00 EUR, Voor het geval dat zij zelf tot de kosten zou worden veroordeeld, vroeg zij dat de rechtsplegingsvergoeding zou herleid worden tot het minimumbedrag van 1.000,00 EUR, gelet op haar eerder beperkte financiële draagkracht.

5. De eerste rechter stelde vast dat D............... zich op artikel 1416 B.W. beriep om haar vordering in te stellen namens de huwgemeenschap. Hij overwoog dat, ingevolge de echtscheiding, deze huwgemeenschap ontbonden werd en een onverdeeldheid ontstond, die onderworpen is aan de regels van de mede-eigendom, zodat elke deelgenoot alleen daden van bewaring en voorlopig beheer kon stellen. Andere daden van beheer, alsook daden van beschikking, dienden, om geldig te zijn, volgens de eerste rechter met de medewerking van alle mede-eigenaars te geschieden. Hij stelde vast dat D.............betaling vorderde van een gemeenschappelijke schuld en vroeg om zelf betaling daarvan te ontvangen, hetgeen volgens hem niet kon worden beschouwd als een daad van voorlopig beheer. Dit betrof een daad van beheer, waarvoor alle mede-eigenaars gezamenlijk dienden op te treden. Aangezien de andere mede-eigenaars niet in de procedure betrokken waren, achtte hij de vordering van D................. onontvankelijk. Hij veroordeelde haar tot het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding (1.000,00 EUR), gelet op het relatief beperkt complex karakter van de zaak en gelet op de billijkheidsoverwegingen.

6. Het hoger beroep van D............... strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en Agrovan veroordeelt tot betaling aan haar van 52.439,21 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten sedert 21 januari 2008, evenals tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

D...................... wijzigt haar eis en vordert nog slechts de helft van het oorspronkelijke bedrag. Onder verwijzing naar de artikelen 807 Ger.W. en 1042 Ger.W. stelt zij dat zij, ook in hoger beroep, haar vordering kan wijzigen, indien de wijziging van de vordering berust op een feit of akte, in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Zij acht deze voorwaarde voldaan, terwijl nergens wordt vereist dat de initiële rechtsingang rechtsgeldig zou zijn.

D................. erkent dat door de ontbinding van de huwgemeenschap een onverdeeldheid ontstaan is. Zij stelt evenwel dat de bepaling, op grond waarvan zij alleen daden van beheer en bewaring kan stellen met betrekking tot de mede-eigendom uitsluitend de verhouding tussen de onverdeelde eigenaars onderling regelt en niet die met derden. Zij argumenteert dat zij alleen kan optreden om "haar deel van de mede-eigendom terug te vorderen", namelijk de helft van het door Agrovan verschuldigde bedrag. Zij acht deze vordering niet voorbarig, omdat zij recht heeft op haar helft van de verschuldigde som. Volgens haar blijkt uit de overeenkomst, strekkende tot een echtscheiding door onderlinge toestemming, dat de huwgemeenschap die bestaan heeft, volledig vereffend is.

Ten gronde argumenteert D............... dat er geen sprake is van verjaarde intresten, aangezien de gedane afbetalingen, voor een totale som van 82.817,45 EUR, eerst aangerekend werden op de vervallen intresten, die berekend werden zoals bepaald was in de dading. Ten slotte is D.............. van oordeel dat niet voldaan is aan de voorwaarden om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, terwijl zij zich met betrekking tot het gevraagde betalingsuitstel verklaart te gedragen naar de wijsheid van het hof.

7. Agrovan besluit tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep. Zij verklaart de bevestiging te vragen van het bestreden vonnis. Zij herhaalt haar verweer, op grond waarvan zij tot de onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering besloot. Zij stelt dat de gewijzigde vordering van D................ eveneens onontvankelijk is, omdat de initiële rechtsingang onontvankelijk was. Bovendien betwist Agrovan dat D...............een vordering kan instellen voor de helft van de vordering, waaromtrent zij nog steeds in onverdeeldheid is met haar ex-echtgenoot. Zij wijst erop dat, zolang deze onverdeeldheid niet wordt vereffend en verdeeld, niet met zekerheid kan gesteld worden dat D............... de helft van deze schuldvordering in haar kavel toebedeeld zal krijgen. Zij toont volgens Agrovan niet aan titularis te zijn van deze gewijzigde vordering. Voor het overige herneemt Agrovan het verweer dat zij gevoerd heeft voor de eerste rechter. Wat de kosten van het hoger beroep betreft, maakt zij aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding van 5.000,00 EUR en vraagt zij dat de door D.............. op 2.500,00 EUR begrote rechtsplegingsvergoeding zou herleid worden tot 1.000,00 EUR.

Beoordeling

1. Het bestreden vonnis werd op 5 september 2008 op het verzoek van Agrovan betekend aan D.................. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. D..................... heeft belang en hoedanigheid om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, dat haar vordering onontvankelijk verklaarde. Haar hoger beroep is dan ook ontvankelijk.

2. Voor de eerste rechter vorderde D..............de veroordeling van Agrovan tot betaling van een schuld die deze had ten aanzien van V............en D...............op grond van een dading. Deze vordering behoorde tot het actief van de huwgemeenschap, die bestaan heeft tussen haar en ................ Deze huwgemeenschap werd ontbonden door de echtscheiding tussen D.............. en V......................

De eerste rechter overwoog dat de onverdeeldheid die daardoor was ontstaan, onderworpen was aan de regels van de mede-eigendom en dat de vordering tot betaling van deze schuld een daad van beheer was, waarvoor alle mede-eigenaars gezamenlijk dienden op te treden. Aangezien V.......... niet in het geding betrokken was, verklaarde de eerste rechter de vordering onontvankelijk.

In hoger beroep argumenteert D..........weliswaar nog steeds dat de eerste rechter haar eis om betaling te bekomen van de totaliteit van de schuldvordering op Agrovan ten onrechte onontvankelijk heeft verklaard, doch zij herleidt haar vordering tot wat zij beschouwt als haar helft van het door Agrovan op basis van de voormelde dading verschuldigde saldo.

Krachtens artikel 807 Ger.W. kan een vordering gewijzigd worden, indien deze wijziging berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Dit geldt ook in hoger beroep (artikel 1042 Ger.W.). De gewijzigde vordering van D.........vindt, zoals deze voor de eerste rechter, haar oorzaak in de dading, zoals aangevoerd in de inleidende dagvaarding, en voldoet aldus aan artikel 807 Ger.W..

De ontvankelijkheid van de in hoger beroep gewijzigde vordering moet enkel worden getoetst aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 807 Ger. W.. Agrovan kan niet bijgetreden worden, waar zij stelt dat een vordering, die ontoelaatbaar of onontvankelijk is, niet kan gewijzigd worden. Zij voegt daarmee een voorwaarde toe, die niet in de wet is opgenomen. Of de oorspronkelijke eis toelaatbaar of ontvankelijk was, is bijgevolg niet relevant (vgl. Allemeersch, B. en Wagner, K., "Stand van zaken en actuele ontwikkelingen inzake het geding", R.W. 2003-2004, 1135, nr. 37).

Agrovan werpt terecht op dat een vordering slechts kan gewijzigd worden als de initiële akte van rechtspleging rechtsgeldig is (vgl. Laenens, J., Broeckx, K., Scheers, D., Thiriar, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede druk, 2008, nr. 1078, p. 494). Aan deze voorwaarde is in het voorliggende geval evenwel voldaan. Het is niet omdat de vordering van D........... onontvankelijk was, dat de rechtspleging niet rechtsgeldig werd ingeleid.

3. In de overeenkomst die zij met het oog op deze echtscheiding door onderlinge toestemming ondertekenden op 19 januari 2004 is vermeld dat D......... en V........gehuwd waren onder het stelsel van de wettelijke gemeenschap ingevolge een huwelijkscontract, gesloten op 3 mei 1991. De goederen die beide partijen bezaten vooraleer zij huwden en die eigen bleven, waren in het huwelijkscontract opgesomd. De partijen verklaarden dat de in deze opsomming voorkomende goederen en gelden niet meer aanwezig waren.

In dezelfde overeenkomst werd onder de titel: "Verdeling van de ontbonden huwgemeenschap" het volgende bedongen:

"Partijen verklaren dat zij geen eigenaars zijn van onroerende goederen. Tevens verklaren zij dat de heer J........ V........ niet beschikt over roerende goederen en dat deze waarvan mevrouw D........... thans gebruik maakt, eigendom zijn van de moeder van de heer V........., zodat zij in bruikleen werden gegeven. Er zijn dus ook geen roerende goederen meer te verdelen nu alle goederen, opgesomd in het huwelijkscontract, niet meer bestaan of zijn vervreemd.

Met betrekking tot gelden is er een spaarrekening met nr. 748-7062866-11 en een bankrekening met nr. 738-7060228-08. Die 2 rekeningen staan onder beslag.

Met betrekking tot de passiva wordt uitdrukkelijk overeengekomen dat alle passiva zullen worden gedragen door J........ V.........., en dit ter vrijwaring van zijn ex-echtgenote mevrouw A.......... D.......... en meer in het bijzonder de rechtstreekse gevolgen uit de strafrechtelijke veroordelingen.

Zonder afbreuk te doen aan de belangen van derden vrijwaart J........... V........... mevrouw D......... voor alle schulden die zijn ontstaan tijdens het huwelijk ook deze die het gevolg zijn van de solidaire veroordelingen zoals bvb. de bijzondere verbeurdverklaringen referte 28/44/20 voor de som van euro 82.812,07 en de daaruit volgende wijzigende fiscale aanslagen.

Ook voor het omgangsrecht wordt overeengekomen dat het hierboven vermelde omgangsrecht slechts ten uitvoer zal kunnen worden gesteld bij zijn in vrijheidstelling. Tijdens deze gevangenschap verbindt mevrouw D.......... er zich toe de kinderen op bezoek te laten komen tijdens het kinderbezoek zoals dat nu gebeurt bij de vader, meer bepaald de woensdagnamiddag. Volledigheidshalve wordt overeengekomen dat mevrouw D............ gedurende deze gevangenschap van de heer V............ ook zal zorgen voor voldoende contacten tussen de kinderen en de vaderlijke grootmoeder tot aan deze invrijheidstelling."

In deze overeenkomst werd de ontbonden huwgemeenschap verdeeld. De schuldvordering van V.......... en D.........op grond van de dading van 23 december 1993 werd daarbij evenwel verzwegen of vergeten. Zij maakt niet het voorwerp uit van deze verdeling, terwijl evenmin blijkt dat zij op enig ander tijdstip verdeeld werd. Deze schuldvordering, die tot de huwgemeenschap behoorde, is bijgevolg in onverdeeldheid gebleven tussen D............. en V.................

4. Deze postcommunautaire onverdeeldheid is onderworpen aan de regels van de mede-eigendom (art. 577-2 B.W.; vgl. Cass. 12 september 2008, RABG 2009, 822; Pintens, W., Declerck, C., Du Mongh, J., Vanwinckelen, K., Familiaal Vermogensrecht, 2010, nr. 470, p. 251). De bestuursregeling inzake mede-eigendom houdt in dat elke (ex)-echtgenoot alleen, met betrekking tot het goed dat in onverdeeldheid gebleven is, enkel daden van bewaring en voorlopig beheer kan stellen. Andere daden van beheer en daden van beschikking moeten door beide echtgenoten worden gesteld (artikel 577-2, § 6 B.W., vgl. Pintens, W., e.a., a.w., nr. 472, p. 257). Het invorderen en in ontvangst nemen van de betaling van een schuldvordering, moet als een daad van beheer gekwalificeerd worden, zodat een mede-eigenaar niet alleen betaling van een schuldvordering kan vorderen of ontvangen (vgl. Vandenberghe, H., "Mede-eigendom", Beginselen van Belgisch Privaatrecht, Zakenrecht, III A, 1997, nr. 22, p. 49).

De omstandigheid dat overwogen werd dat artikel 577-2 Ger.W. uitsluitend de verhouding regelt tussen onverdeelde eigenaars en niet die met derden, in een zaak waarin geoordeeld werd dat een eigenaar een revindicatievordering kan instellen tegen één bezitter van zijn eigendom, zonder alle bezitters in de zaak te moeten betrekken, laat daarom niet toe te besluiten dat één mede-eigenaar voor alle mede-eigenaars kan optreden en dat de mogelijkheid om dit te doen niet kan betwist worden (vgl. Vandenberghe, H., a.w., nr. 22, p. 53). Het hof treedt dan ook de beslissing van de eerste rechter bij, die oordeelde dat D.............. niet alleen betaling kon vorderen van de onverdeelde schuldvordering.

5. In hoger beroep herleidt D............ haar vordering tot de helft van het bedrag dat zij vorderde voor de eerste rechter. Zij houdt voor dat dit "haar helft" is van de schuldvordering ten aanzien van Agrovan en dat zij alleen kan optreden om haar deel van de mede-eigendom in te vorderen.

Artikel 577-2, § 4 B.W. bepaalt dat de mede-eigenaar over zijn aandeel kan beschikken en het met zakelijke rechten kan bezwaren. Deze bepaling laat de mede-eigenaar toe om daden van beschikking te stellen in verband met zijn onverdeeld deel in een zaak. Aldus kan hij bijvoorbeeld zijn onverdeeld aandeel in een schuldvordering overdragen. Dit laat evenwel het bestaan van de onverdeeldheid als zodanig onverlet.

Aan de postcommunautaire onverdeeldheid kan in beginsel slechts een einde komen door een aanvullende verdeling (vgl. De Page, Ph., Le sort des biens omis dans le règlement transactionnel des époux divorcés par consentement mutuel, R.T.D.F, 2002, 294).

De vordering die D............ in hoger beroep alleen stelt tegen Agrovan strekt er toe dat deze schuldenaar de helft van het bedrag van de onverdeeld gebleven schuldvordering aan haar uitbetaalt. Deze vordering streeft aldus in werkelijkheid een verdeling van de schuldvordering na buiten de aanwezigheid van de andere mede-eigenaar en zonder dat deze schuldvordering het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaande verdeling. D................ kan deze vordering niet alleen instellen.

6. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep, zijn de kosten van het geding ten laste van D............ Rekening houdend met de waarde van het gevorderde in hoger beroep, is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 2.500,00 EUR. D................... begroot de rechtsplegingsvergoeding aan haar zijde op 2.500,00 EUR. Agrovan begroot ze op het maximumbedrag van 5.000,00 EUR, zonder evenwel aan te tonen dat aan de wettelijke voorwaarden voldaan is om af te wijken van het basisbedrag.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak.

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Weert de syntheseconclusie van A......... D.............., neergelegd op 19 februari 2009, uit het debat.

Verklaart het hoger beroep van A........ D.................ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verklaart de vordering van A........... D..................., zoals gewijzigd in hoger beroep, onontvankelijk.

Veroordeelt A........... D................. tot de kosten van het geding in hoger beroep, aan haar zijde niet te begroten, aangezien zij te haren laste zijn, en aan de zijde van de nv Agrovan begroot op 2.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Onverminderd de toepassing van artikel 1024 Ger.W..

Aldus gewezen door de twaalfde bis kamer van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Eric Dursin, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Marleen Lippevelde, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op zesentwintig oktober tweeduizend en elf.

Mots libres

  • Ambtshalve weren conclusie

  • wijziging vordering in hoger beroep

  • ontvankelijkheid oorspronkelijke vordering

  • postcommunautaire onverdeeldheid

  • met onverdeeldheidstreding