- Arrêt du 25 novembre 2011

25/11/2011 - 2010-AR-0403

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Aan een openbaar nutsbedrijf wordt 15% bijstandskosten toegekend op de factuur van de eigenlijke herstellingen van een leiding die door een aannemer werd beschadigd. De vordering tot toekenning van een hogere toeslag wordt afgewezen als ongegrond.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

16bis Kamer

________

terechtzitting

van

25 november 2011

________

2010/AR/403 in de zaak van:

Burgerlijke vennootschap onder de vorm van een CVBA De Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Waterbedeling, afgekort T.M.V.W.

met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Stropkaai 14, ingeschreven met KBO-nummer 0200.068.636,

appellante,

hebbende als raadsman mr. POPPE Christophe, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Poolse Winglaan 31

tegen:

DEJOTRANS N.V.,

met maatschappelijke zetel te 8550 ZWEVEGEM, Blokellestraat z/nr. ingeschreven met KBO-nummer 0405.826.719,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. D'HOOGHE Paul, advocaat te 8800 RUMBEKE, Hoogstraat 15

Wijst het hof volgend arrest:

1. Het hof heeft kennis genomen van het vonnis van de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Kortrijk van 6 april 2009.

Tegen dit vonnis werd door c.v.b.a. T.M.V.W. tijdig en geldig hoger beroep ingesteld.

De partijen werden bij monde van hun advocaten gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands.

Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.

2.1. Op 21 september 2004 heeft n.v. DEJOTRANS als aannemer wegeniswerken uitgevoerd in opdracht van c.v.b.a. T.M.V.W. te Gent, Sint-Joriskaai.

Tijdens de uitvoering van de werken door n.v. DEJOTRANS werd door het personeel of de aangestelden van n.v. DEJOTRANS schade berokkend aan de sleutelmond SK DN 300 op de drinkwaterleiding in de Sint-Joriskaai te Gent.

De technische diensten van c.v.b.a. T.M.V.W. hebben de instandhouding- en herstellingswerken onmiddellijk uitgevoerd.

Voor deze herstellingswerken werd door c.v.b.a. T.M.V.W. eveneens een beroep gedaan op één externe aannemer, zijnde t.v. V...................................... n.v., AQUAVIA en C...... V...................-M.........................

C.v.b.a. T.M.V.W. heeft haar schade als volgt begroot:

- prestaties intern 11,95 u x 46,12 EUR/uur: 551,03 EUR;

- prestaties V.................... 1.270,22 EUR voor 29 uur + 480,34 EUR zand en dempen: 1.750,56 EUR;

- prestaties ondersteunen personeel 40 % op (1.270,22 + 480,34) + 43 % op 551,03: 937,16 EUR;

- materiaalverbruik: 929,45 EUR;

- toeslag materiaalverbruik 23 %: 213,77 EUR;

- toeslag op totale kosten (16,5 % op al het voorgaande): 723,03 EUR;

- totaal: 5.105,00 EUR.

C.v.b.a. T.M.V.W. heeft op 30 september 2004 een bedrag gefactureerd van 5.105,00 EUR aan n.v. PERSYN, die op dezelfde zetel gevestigd is als n.v. DEJOTRANS.

Ook de aanmaningen van 5 oktober 2004, 18 november 2004, 26 januari 2005 en 14 oktober 2005 van c.v.b.a. T.M.V.W. werden aan n.v. PERSYN verstuurd (dossier/TMVW, stukken 5, 9, 15 en 17).

Volgens c.v.b.a. T.M.V.W. was aanvankelijk niet duidelijk tot wie zij zich diende te richten aangezien n.v. DEJOTRANS op het formulier van de ongevalaangifte zowel n.v. PERSYN als n.v. DEJOTRANS had vermeld.

Evenwel heeft c.v.b.a. T.M.V.W. op 11 oktober 2004 reactie ontvangen van DE FEDERALE VERZEKERING, die zich heeft gemeld als verzekeraar van n.v. DEJOTRANS

Vervolgens heeft DE FEDERALE VERZEKERING aan de deskundige ir. B....... F.........de opdracht gegeven om de zaak te onderzoeken en verslag uit te brengen.

Op 4 januari 2005 en 2 februari 2005 (dossier/TMVW, stukken 13 en 14) hebben deskundige ir. B......F........ en DE FEDERALE VERZEKERING aan c.v.b.a. T.M.V.W. voorgesteld om de schade te regelen voor een bedrag van 3.231,04 EUR, zijnde de (tot in huidige procedure) niet-betwiste posten, namelijk:

- prestaties intern 11,95 u x 46,12 EUR/uur: 551,03 EUR

- prestaties V........... 1.270,22 EUR voor 29 uur + 480,34 EUR zand en dempen: 1.750,56 EUR;

- materiaalverbruik: 929,45 EUR.

C.v.b.a. T.M.V.W. is hiermee niet akkoord gegaan en wenste de integrale betaling. Per brief van 14 oktober 2005 heeft de raadsman van c.v.b.a. T.M.V.W. dit meegedeeld aan n.v. PERSYN (dossier/TMVW, stuk 10). N.v. DEJOTRANS betwist niet dat zij deze brief heeft ontvangen.

Per brief van 17 oktober 2005 heeft DE FEDERALE VERZEKERING medegedeeld dat zij reeds op 3 januari 2005 een regelingvoorstel had overgemaakt (dossier/TMVW, stuk 18).

Op 5 juni 2008 is c.v.b.a. T.M.V.W. overgegaan tot dagvaarding van n.v. DEJOTRANS.

Tussen partijen is, zowel in de procedure eerste aanleg als in onderhavige procedure, geen discussie over de aansprakelijkheid van n.v. DEJOTRANS. De omvang van het bedrag van de door c.v.b.a. T.M.V.W. gevorderde schadevergoeding wordt wel betwist.

2.2. In het beroepen vonnis:

- werd de vordering van c.v.b.a. T.M.V.W. ontvankelijk verklaard doch slechts gedeeltelijk gegrond;

- werd n.v. DEJOTRANS veroordeeld om aan c.v.b.a. T.M.V.W. een bedrag van 3.231,04 EUR te betalen, meer de moratoire intrest a rato van 7 % vanaf 21 september 2004 tot 14 oktober 2005, meer de gerechtelijke intrest à rato van 6 % vanaf 5 juni 2008 tot de datum der volledige betaling;

- werd n.v. DEJOTRANS verwezen in de kosten van het geding, die in hoofde van c.v.b.a. T.M.V.W. werden bepaald op 216,15 EUR (dagvaardingkosten) en 650,00 EUR (rechtspleging-vergoeding);

- werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, spijts elk verhaal en zonder borgstelling.

2.3. Na het tussengekomen vonnis is n.v. DEJOTRANS, onder voorbehoud van alle rechten, overgegaan tot volgende betalingen:

- 3.650,00 EUR op 20 mei 2009;

- 866,15 EUR op 10 juni 2009.

2.4. C.v.b.a. T.M.V.W. beoogt met het hoger beroep:

- dat het beroepen vonnis wordt vernietigd wat betreft de 3 schadeposten die ongegrond werden verklaard (zijnde toeslag ondersteunen personeel 40 % resp. 43 %, toeslag materiaal 23 % en algemene toeslag 16,5 %) en te horen zeggen voor recht dat de initiële vordering van c.v.b.a. T.M.V.W. volledig gegrond is;

- dat n.v. DEJOTRANS wordt veroordeeld om te betalen de som van 5.105,00 EUR, meer de vergoedende intrest vanaf 21 september 2004 tot 31 december 2006 ad 7 % per jaar tot 31 december 2006 en vanaf 1 januari 2007 tot 31 december 2007 ad 6 % per jaar en vanaf 1 januari 2008 tot 4 juni 2008 ad 7 % per jaar en vanaf de dagvaarding van 5 juni 2008 tot datum der algehele betaling de gerechtelijke intrest ad 7 % per jaar en vanaf 1 januari 2009 ad 5,5 % per jaar, doch onder aftrek van de reeds betaalde bedragen ad 3.650,00 EUR per 20 mei 2009 en ad 866,15 EUR per 10 juni 2009 en de negatieve intresten ad 5,5 % hierop;

- dat n.v. DEJOTRANS wordt verwezen in de kosten van het geding, waaronder de rechtsplegingvergoeding van eerste aanleg (650,00 EUR), de rechtsplegingvergoeding van hoger beroep (650,00 EUR), dagvaarding (216,15 EUR) en rolrecht hoger beroep.

2.5. N.v. DEJOTRANS beoogt de volledige bevestiging van het beroepen vonnis.

3. beoordeling

3.1. C.v.b.a. T.M.V.W. wordt gegriefd door het beroepen vonnis waar haar vordering tot het bekomen van volgende onderdelen van de initiële hoofdvordering werd afgewezen als ongegrond:

- prestaties ondersteuning door het eigen personeel: 40 % op de kosten van de externe aannemer (1.270,22 EUR + 480,34 EUR) en 43 % op de kosten van het inzetten van intern personeel (551,03 EUR);

- toeslag op het materiaalverbruik van c.v.b.a. T.M.V.W. van 23 % (op een bedrag van 929,45 EUR), zijnde 213,77 EUR;

- toeslag op de totale kosten, namelijk 16,5 % op de totale schadebegroting van c.v.b.a. T.M.V.W. (16,5 % op 4.381,98 EUR), zijnde 723,03 EUR.

De eerste rechter heeft volgens c.v.b.a. T.M.V.W. onterecht geoordeeld dat zij geen aanspraak kon maken op deze aanslagen omwille van het feit dat zij niet zou hebben aangetoond op welke basis zij gerechtigd zou zijn op deze toeslagen.

3.1.1. C.v.b.a. T.M.V.W. haalt rechtspraak aan om te staven dat zij recht zou hebben op de door haar gevorderde bedragen en meent dat deze vorderingen geen dubbel gebruik zouden uitmaken.

C.v.b.a. T.M.V.W. houdt voor dat in rechtspraak en rechtsleer wordt aanvaard dat wanneer exploitanten van openbare nutsbedrijven schade aan de hen toebehorende leidingen in eigen beheer herstellen, van de aansprakelijke vergoeding kunnen vorderen voor zogenaamde bijstandskosten, ook wel toezichts- en beheerskosten genoemd.

C.v.b.a. T.M.V.W. citeert uit door haar aangehaalde rechtsleer/rechtspraak: "Hiermee worden een aantal vaste kosten bedoeld die moeten worden gemaakt voor het inzetten van materiële en immateriële middelen die nodig zijn voor de herstelling van beschadigde gas- en electriciteitsinstallaties, naast de eigenlijke herstellingskosten."

C.v.b.a. T.M.V.W. licht verder toe dat zij de continuïteit van het drinkwater moet garanderen en dat de schade aan haar leidingen voorzienbaar is. Om die redenen zou c.v.b.a. T.M.V.W. bijkomend personeel in dienst nemen, zodat herstellingen in eigen beheer onmiddellijk kunnen worden uitgevoerd. C.v.b.a. T.M.V.W. meent dat al deze extra personeelskosten kunnen worden verhaald op diegene die voor de schade aansprakelijk is.

Dit wordt volgens c.v.b.a. T.M.V.W. gesteund door rechtspraak van het Hof van Cassatie. C.v.b.a. T.M.V.W. zet uiteen dat het volgens het Hof van Cassatie voorzienbaar is dat schade wordt veroorzaakt door fouten van derden en dat voor het herstel van die schade in het kader van een goed beleid bij nutsbedrijven bijkomend personeel in dienst wordt genomen. C.v.b.a. T.M.V.W. meent verder dat het Hof van Cassatie ook van oordeel is dat het vermogen van het overheids- of nutsbedrijf daardoor wordt aangetast terwijl de last hiervan niet op de burgers of de gebruikers in het algemeen mag worden gelegd, maar op de schuldige particulieren.

C.v.b.a. T.M.V.W. benadrukt dat zij helemaal niet uit is op winst en er geen sprake is van dubbel gebruik. TMWV houdt voor dat zij enkel vergoeding vordert van de schade die zij effectief geleden heeft en dat zij daarvoor 100 % wenst te worden vergoed.

3.1.2. N.v. DEJOTRANS is van oordeel dat de factuur van 30 september 2004 een onregelmatige factuur is, die werd uitgeschreven als ‘schadevergoeding'. De eerste rechter heeft volgens n.v. DEJOTRANS dan ook terecht geoordeeld dat c.v.b.a. T.M.V.W. haar schade in concreto moet bewijzen. C.v.b.a. T.M.V.W. moet volgens n.v. DEJOTRANS duidelijk fout-schade-causaal-verband aantonen en kan zich dus niet beperken tot het opmaken van een factuur.

N.v. DEJOTRANS werpt tevens op dat er nooit een tegensprekelijke vaststelling van de schade van 21 september 2004 zou zijn gebeurd.

3.1.3. Waar inderdaad blijkbaar nooit een tegensprekelijke vaststelling van de schade is gebeurd en er een "onregelmatige" factuur werd opgesteld, kan dit geenszins ontnemen dat geen schadevergoeding zou verschuldigd zijn.

Overeenkomstig artikel 1382 Burgerlijk Wetboek dient elke schade vergoed te worden.

In het arrest van 21 december 1993 heeft het Hof van Cassatie bevestigd dat de omstandigheid dat een openbare dienst beschikt over functioneel gedecentraliseerde diensten met personeel dat specifiek werd aangenomen om onder meer het beheer en toezicht der wegen de erbij horende electro-mechanische infrastructuur uit te voeren en de noodzakelijke herstellingen (wat ook de reden moge zijn waarom de herstelling nodig is), niet meebrengt dat de last hiervan door haar gedragen moet worden wanneer de schade veroorzaakt is door een fout van een derde.

Er is dus geen enkele reden om a priori aan te nemen dat de schade dient beperkt te worden tot de eigenlijke herstellingskosten.

Het komt aannemelijk voor dat de schade die een openbaar nutsbedrijf lijdt naar aanleiding van een verkeersongeval niet beperkt is tot de eigenlijke herstellingskosten.

Naar aanleiding van elk ongeval komt immers een complexe organisatie op gang waarbij zowel personeel als infrastructuur ingezet moeten worden.

Dit alles resulteert in bijkomende kosten die niet exact cijfermatig kunnen worden begroot, de administratieve- en bijstandskosten, ook wel toezicht- of beheerskosten te noemen.

Openbare besturen hebben derhalve ook recht op het terugvorderen van de bijstandskosten, vaak omschreven als toezicht- en beheerskosten of kosten voor wederinstelling, controle en winstderving, naar aanleiding van een schadegeval.

Deze bijstandkosten zijn net als winstderving een vast onderdeel van de schade die de exploitant van een openbare nutsvoorziening lijdt naar aanleiding van een schadegeval en die overeenkomstig art. 1382-1383 B.W. dienen vergoed te worden.

Samengevat kan gesteld worden dat de bijstandskosten of toezicht- en beheerskosten een aantal materiële en immateriële middelen omvatten buiten de eigenlijke herstellingskosten die zich voordoen naar aanleiding van een schadegeval.

Bij de beoordeling van de bewijslast die op de schadelijder rust, dient duidelijk een onderscheid gemaakt te worden tussen het bewijs van het bestaan van de schade en het bewijs van de omvang van de schade. Met andere woorden: indien de rechter het bestaan van de schade vaststelt, is hij ertoe gehouden om deze schade ook te bepalen.

Gelet op de aard van de onderhavige aangelegenheid is het materieel onmogelijk om alle categorieën van deze kosten exact cijfermatig te begroten, zo is het niet mogelijk om iedere onrechtstreekse tussenkomst van eigen personeel of dienstverlening exact te berekenen.

Zelfs indien men zou aannemen dat zulks materieel wel mogelijk zou zijn, dan evengoed staat nog vast dat dergelijke cijfermatige bewijslevering op zich meer kosten zou creëren dan de bijstandskosten zelf, hetgeen onverantwoord zou zijn.

Indien een mathematische begroting niet mogelijk is, dan staat het de rechter vrij om deze ex aequo et bono te bepalen.

Wanneer de omvang van de schade naar aanleiding van een schadegeval (ongeval) om die reden ex aequo et bono dient te worden bepaald, belet niets de rechter om parameters of criteria aan te wenden die ook voorkomen in een overeenkomst waartoe de partij die tot betaling wordt aangesproken niet is toegetreden.

Het staat de rechter vrij om bij de beoordeling van het schadegeval in concreto de berekeningswijze in de conventie als referentiepunt te nemen waarbij het adagium "res inter alios acta" niet wordt geschonden.

Dit geldt des te meer wanneer de criteria en berekeningswijzen van die overeenkomst kunnen gelden als betrouwbare maatstaf en een voortreffelijke referentiebasis.

De overeenkomst is immers het resultaat van onderhandelingen tussen gespecialiseerde vertegenwoordigers zowel van de sector van de schadelijder als van een prominent deel van de verzekeringssector terwijl er geen andere, laat staan betere, referenties ter beoordeling voor handen zijn.

In dergelijke conventies wordt een regeling getroffen met betrekking tot de bijstandskosten onder de vorm van een percentsgewijs berekende forfait op de herstellingskosten stricto sensu.

Zo bestaan onder andere in de elektriciteitssector en de gasindustrie, respectievelijk de conventies BVVO-CETS en BVVO-SIGAS, waarbij wordt getracht om elk schadegeval bij een eenvormige procedure naar een controleerbare en betrouwbare afrekening te leiden.

Zo werden in de conventies normen vastgelegd, die globaal als waarborg worden beschouwd voor een correcte en betrouwbare schadebegroting.

Daarom worden deze normen ook gehanteerd ten opzichte van niet toegetreden partijen.

C.v.b.a. T.M.V.W. is een openbaar nutsbedrijf dat instaat voor de watervoorziening.

Thans bestaat blijkbaar (nog) geen dergelijke algemene conventie betreffende de waterbedrijven, minstens worden deze niet aan het hof voorgelegd.

Aangezien het hof niet beschikt over, noch toegang heeft tot dergelijke conventie(s) betreffende de openbare watervoorziening, worden redelijkerwijze de percentages die bijvoorbeeld in de elektriciteitssector gelden analoog toegepast op onderhavig geschil en dit volgens de hierboven geschetste methode en vaststaande rechtspraak.

Het komt aannemelijk voor dat er geen fundamentele verschillen desbetreffende zouden gelden: het betreffen ook algemene noodzakelijke nutsvoorzieningen met gelijkaardige risico's.

Het hof acht het in de BVVO-CETS conventie voorziene percentage van 15 % (zie overzicht van rechtspraak waarnaar door c.v.b.a. T.M.V.W. wordt verwezen in conclusies) billijk en redelijk.

Aan c.v.b.a. T.M.V.W. wordt dan ook 15 % aan bijstandkosten toegekend op de factuur van de eigenlijke herstellingskosten, met andere woorden:

- prestaties ondersteuning door het eigen personeel: 15 % op de kosten van de externe aannemer (1.270,22 EUR + 480,34 EUR) en 15 % op de kosten van het inzetten van intern personeel (551,03 EUR);

- toeslag op het materiaalverbruik van c.v.b.a. T.M.V.W. van 15 % op een bedrag van 929,45 EUR.

In de gegeven omstandigheden is de kritiek vanwege n.v. DEJOTRANS dat er geen tegensprekelijke vaststelling van de schade is gebeurd en dat er een onregelmatige factuur werd opgesteld niet dienend en is het beroepen vonnis te hervormen wat dit onderdeel betreft.

3.1.4. Er is evenmin grond om in te gaan op de bewering van c.v.b.a. T.M.V.W. dat zij door middel van de Notulen van de Raad van Bestuur over de jaren 2005 en 2003, toelichting en verantwoording kan geven omtrent de gevorderde toeslagen van 40 %, 43 %, 23 % en 16,5 % (dossier/TMVW, stuk 21).

Volgens c.v.b.a. T.M.V.W. worden in deze notulen de kostprijs en de werking van haar personeel geanalyseerd en berekend en zouden de aangerekende toeslagen wel degelijk beantwoorden aan haar werkelijke werkingskosten.

C.v.b.a. T.M.V.W. kan in deze bewering niet worden gevolgd.

De notulen van haar raad van bestuur zijn louter eenzijdige documenten, een vertolking van eigen standpunten, die niet aan n.v. DEJOTRANS tegenstelbaar zijn.

Bij gebrek aan bewijswaarde kan dan ook geen rekening gehouden worden met de notulen van haar raad van bestuur.

3.1.5. C.v.b.a. T.M.V.W. meent dat de eerste rechter onterecht zou hebben geoordeeld dat zij niet bewijst dat DE FEDERALE VERZEKERING in andere schadeafhandelingen deze berekeningswijze wel steeds zou hanteren en gebruikelijk in andere schadedossiers op diezelfde wijze zou begroten en spontaan zou regelen.

Volgens c.v.b.a. T.M.V.W. heeft de eerste rechter onterecht gemeend dat haar stuk 20 niet bewijst dat in 3 andere dossiers (waarvan sprake in stuk 20) door DE FEDERALE VERZEKERING wel de toeslagen werden aanvaard als de toeslagen die door c.v.b.a. T.M.V.W. in huidig dossier werden aangerekend.

C.v.b.a. T.M.V.W. houdt voor dat zij bovendien nog 5 extra facturen overmaakt om te bewijzen dat DE FEDERALE VERZEKERING in andere dossiers de bewuste toeslagen heeft aanvaard.

In de hypothese dat c.v.b.a. T.M.V.W. kan aantonen dat DE FEDERALE VERZEKERING in andere dossiers wel de door c.v.b.a. T.M.V.W. gehanteerde begrotingsmethodes zou aanvaarden, is voor het hof niet duidelijk wat daarvan in deze de rechtsgevolgen zouden zijn of welke rechten c.v.b.a. T.M.V.W. hieruit meent te kunnen putten.

3.2. C.v.b.a. T.M.V.W. wordt gegriefd waar de eerste rechter heeft geoordeeld dat n.v. DEJOTRANS geen intrest verschuldigd was van 14 oktober 2005 (datum waarop c.v.b.a. T.M.V.W. medegedeeld heeft te zullen dagvaarden) tot 5 juni 2008 (datum waarop c.v.b.a. T.M.V.W. n.v. DEJOTRANS heeft gedagvaard).

C.v.b.a. T.M.V.W. zet uiteen dat persoonlijke rechtsvorderingen pas na 10 jaar verjaren. Het ongeval dateert van 21 september 2004. Op 5 juni 2008 is c.v.b.a. T.M.V.W. overgegaan tot dagvaarding. C.v.b.a. T.M.V.W. wijst er op dat aan de dagvaarding heel wat overleg en briefwisseling is voorafgegaan. C.v.b.a. T.M.V.W. is dan ook van oordeel dat de door haar gevorderde intrest verschuldigd is.

C.v.b.a. T.M.V.W. kan niet worden gevolgd in dit standpunt.

Vooreerst bewijst c.v.b.a. T.M.V.W. haar bewering niet dat er in de periode van 14 oktober 2005 tot 5 juni 2008 tussen partijen onderhandelingen zouden zijn gevoerd.

De verjaring heeft betrekking op de rechtsvordering zelf, onafhankelijk van de intrest.

Het stilzitten van c.v.b.a. T.M.V.W. kan (naar billijkheid) niet worden beloond met het toekennen van intrest voor de periode van 14 oktober 2005 tot 5 juni 2008.

Het beroepen vonnis wordt dan ook wat dit onderdeel betreft bevestigd.

3.3. Gezien het gedeeltelijk gelijk/ongelijk van c.v.b.a. T.M.V.W. en n.v. DEJOTRANS met betrekking tot het hoger beroep, komt het passend voor elke partij te verwijzen in de eigen beroepskosten.

Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant.

OM DEZE REDENEN

HET HOF

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Hervormt aldus het beroepen vonnis in die zin dat aan c.v.b.a. T.M.V.W. tevens voor bijstandskosten een forfait van 15 % wordt toegekend op het schadebedrag van 3.231,04 EUR, zijnde 484,65 EUR, eveneens te vermeerderen met de verwijlintrest zoals bepaald in het beroepen vonnis;

Verwijst elke partij in de eigen kosten van het hoger beroep, op heden niet nuttig te bepalen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, 16bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 25 november 2011

aanwezig:

Thabert Luc, raadsheer wn. voorzitter

Carine Sonneville, griffier

Mots libres

  • Aansprakelijkheid-openbare nutsbedirjf-herstel in eigen beheer-omvang schade(vergoeding)