- Avis du 31 janvier 2011

31/01/2011 - 2010-AR-1112

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

-Elke levering, noodzakelijk voor de uitrusting , en alle werken daartoe, vallen onder de korte verjaringstermijn.

De eenjarige verjaringstermijn berust niet op een vermoeden van betaling.

- afstand van de voordelen van de verjaring wordt niet vermoed. Elders kan deze afstand niet vermoed worden door stilzwijgen op facturen e.g. aanmaningen.


Avis - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

7bis Kamer

_________________

Terechtzitting

van

31 januari 2011

__________________

2010/AR/1112 - In de zaak van:

DEO VOLENTE B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Hendrik Baelskaai 21 en met ondernemingsnummer 0456.620.075,

appellante, hebbende als raadsman mr. Georges Vanquathem, advocaat met kantoor te 8301 Heist-Aan-Zee, Invalidenlaan 14 (ref. G 097350)

tegen:

OPDEDRYNCK B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Hendrik Baelskaai 35 & 36 en met ondernemingsnummer 0411.924.059,

geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Jan D'Hulster, advocaat met kantoor te 8400 Oostende, Heilig Hartlaan 26 (ref. W-303.6002)

velt het hof het volgend arrest:

De partijen zijn gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten.

Gezien het hoger beroep met verzoekschrift neergelegd op 23 april 2010 door de BVBA Deo Volente tegen het vonnis d.d. 25 maart 2010 gewezen door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, derde kamer (A/1016/09).

Op 11 mei 2010 (zie vermeldingen op bevel tot betalen en uitvoerend beslag d.d. 11 augustus 2010: stuk nr. 4, dossier geïntimeerde), blijkt het bestreden vonnis te zijn betekend. Dit is nà de neerlegging van de beroepsakte.

Het hoger beroep is bijgevolg hoe dan ook tijdig.

Na dit voormelde beslag is dan door de appellante overgegaan tot betaling.

Uit haar betaling kan op geen enkele wijze worden besloten dat de appellante zou hebben berust, zelfs wanneer de betaling zonder enig voorbehoud zou zijn geschied.

Het bestreden vonnis is immers bij voorraad uitvoerbaar en de appellante heeft - mede na beslag op het schip - betaald.

De betaling kan hoe dan ook louter begrepen worden als de tegemoetkoming aan de voorlopige uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis, zonder dat de betaling als een berusting moet worden aangezien.

Berusting moet overigens ondubbelzinnig zijn, zoniet kan zij niet worden vastgesteld.

ANTECEDENTEN

I.

Met dagvaarding van 24 november 2009 vordert de BVBA Opdedrynck, alhier de geïntimeerde, de veroordeling van de BVBA Deo Volente, alhier de appellante, tot betaling van 17.958,21 EUR, meer de gerechtelijke intresten op 13.067,75 EUR aan 10,50 % per jaar en op 1.306,78 EUR tegen de wettelijke rentevoet, meer de gerechtskosten.

De vordering van de geïntimeerde is samengesteld uit 14 facturen, daterende van 31 januari 2007 tot en met 31 maart 2008, voor een totaal bedrag van 13.067,75 EUR in hoofdsom, meer 3.583,68 EUR intresten tot dagvaardingsdatum, meer 1.306,78 EUR verhoging.

II.

De eerste rechter verklaart de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond.

De appellante wordt veroordeeld tot betaling van het gevorderde en tot alle gerechtskosten.

Hierbij bevestigt de eerste rechter dat de rechtsvordering van de geïntimeerde in beginsel valt onder art. 270 van de Zeewet, met name onder de éénjarige verjaringstermijn.

Anderzijds overweegt de eerste rechter dat de appellante, handelaarster zijnde, ten opzichte van de diverse ingebrekestellingen - die bovendien de bevestiging inhielden van betalingsbeloftes - op geen enkele wijze heeft gereageerd, zodat er sprake is van een erkenning van de schuld, met de stuiting van de verjaring ervan als gevolg.

De eerste rechter stelt vast dat de rechtsvordering in die omstandigheden niet verjaard is.

III.

A.

De appellante vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als onontvankelijk minstens ongegrond.

Zij formuleert een "tegenvordering" tot terugbetaling van wat zij in uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald.

B.

De geïntimeerde vraagt de afwijzing van het hoger beroep als onontvankelijk en ongegrond.

Zij vraagt de afwijzing van de tegenvordering als ongegrond.

BEOORDELING

I.

Hierboven is reeds vastgesteld dat de geïntimeerde niet kan voorhouden dat de appellante zou hebben berust.

Waar de geïntimeerde poneert dat er in hoofde van de appellante geen belang zou zijn, gezien de betaling zonder voorbehoud, kan zij evenmin worden gevolgd.

Het belang en meteen de ontvankelijkheid van het hoger beroep worden onderzocht op het ogenblik van het aanwenden van het rechtsmiddel, met name de neerlegging van de beroepsakte.

Op dàt ogenblik was er nog niets betaald.

Daarenboven, zelfs wanneer er rekening zou worden gehouden met de betaling, dan nog kan de geïntimeerde bezwaarlijk voorhouden dat de appellante geen belang (meer) zou hebben.

Immers, bij herroeping van het bestreden vonnis moet de geïntimeerde terugbetalen aan de appellante, waartoe de appellante uiteraard alle belang kan gelden.

II.

A.

De facturen waarvan de geïntimeerde de betaling vordert, hebben - zoals de geïntimeerde expliciet bevestigt - betrekking op (een gedeelte van de) kostprijs van de gehele hernieuwing van de elektrische installatie van het vaartuig "De Zwerver".

De appellante beroept zich op art. 270 Zeewet en roept de verjaring van de vordering van de geïntimeerde in.

Art. 270 van de Zeewet bepaalt onder meer:

" Voorts verjaren:

(...)

- de rechtsvorderingen wegens het leveren van zaken die noodzakelijk zijn voor de uitrusting en de bevoorrading van het schip, een jaar na de levering;

- de rechtsvorderingen wegens loon van werklieden en wegens gedaan werk, een jaar na de oplevering van het werk;

(...) ".

Zoals hierboven vastgesteld, de facturen, waarvan de laatste dateert van 31 maart 2008, hebben betrekking op de (volledige) hernieuwing van de elektrische installatie van het schip "De Zwerver".

Het feit dat de appellante een meetbrief kan voorleggen daterende van 15 maart 2007 en een daaropvolgende zeebrief van 26 juni 2007 (zie stukken 2 en 1, dossier appellante), geeft aan dat het overgrote gedeelte van de werken alsdan (maart/juni 2007) was uitgevoerd en meteen ook aanvaard.

Er zij ook niet uit het oog verloren dat het merendeel van de overige facturen hoe dan ook is betaald en er in het verloop van de facturen een belangrijke tijdspanne (meer dan acht maanden) is tussen de factuur van 31 januari 2007 (9.958,58 EUR) en de opvolgende vanaf 18 oktober 2007 (samen 3.109,17 EUR - wat aangeeft dat einde januari 2007 het overgrootste gedeelte van de volledige hernieuwing van de elektrische installatie al achter de rug was).

Het voorwerp van de facturen beantwoordt aan de éénjarige verjaring van art. 270 van de Zeewet zoals hierboven geciteerd: het betreft leveringen die noodzakelijk zijn voor de uitrusting en voor het overige ook werken gedaan aan "De Zwerver".

Tevergeefs blijkt de geïntimeerde in te roepen dat de door haar gevorderde facturen betrekking hebben op werken die de bedoelde leveringen en werken zoals omschreven in art. 270 van de Zeewet zouden overstijgen door hun grote omvang.

Deze nuancering is evenwel niet te lezen in art. 270 van de Zeewet: elke levering noodzakelijk voor de uitrusting, dan wel elk werk aan het schip wordt ‘getroffen' door de korte verjaringsregel.

Het is duidelijk dat de rechtsvorderingen, voorwerp van de dagvaarding van 24 november 2009, buiten de éénjarige vervaltermijn vallen, waar de laatste factuur hoe dan ook dateert van 31 maart 2008.

Zij zijn verjaard met toepassing van art. 270 van de Zeewet, zesde en zevende streepjes.

De kwestieuze verjaring berust niet op een vermoeden van betaling.

De wetgever heeft een verval willen inbouwen tegen de desbetreffende schuldeiser die niet gehandeld heeft binnen een bepaalde periode.

De oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde is onontvankelijk wegens verjaring.

III.

A.

Tevergeefs beroept de geïntimeerde zich op het stilzwijgen van de appellante op de facturen en aanmaningen.

Een stilzwijgen, zelfs wanneer afkomstig van een handelaar, op een aanmaning tot betalen, zelfs wanneer er in die aanmaning gewezen wordt op een belofte van de schuldenaar tot betalen - overigens vaag geformuleerd zonder vermelding van enig bedrag -, geldt niet als erkenning die de stuiting van de verjaring als gevolg zou hebben gehad.

Er moet een handeling zijn vanwege de schuldenaar waaruit met voldoende zekerheid naar recht kan besloten worden dat de schuldenaar afstand heeft gedaan van de voordelen van de verjaring.

Een andere benadering zou ertoe leiden dat aan de handelaar in vergelijking met een "gewone" burger een bijkomende verplichting zou worden opgelegd om naderhand met succes gebeurlijk beroep te kunnen doen op de verjaring, met name de verplichting om te protesteren tegen de factuur (facturen) dan wel de aanmaning(en).

B.

Eveneens vergeefs wijst de geïntimeerde op diverse betalingen die zijn geschied in 2007 en 2008 voor een totaal van 28.000 EUR.

Uit het bij de dagvaarding mede betekend rekeninguittreksel en stuk nr. 1, dossier van de geïntimeerde, kan worden opgemaakt dat de geïntimeerde de betaling van diverse facturen vordert, waarop er nog niets is (af)betaald is geworden - evenmin enig voorschot - .

Waar er geen afbetaling noch voorschot is betaald op de facturen die door de geïntimeerde worden gevorderd, hoeft er op dit argument van de geïntimeerde niet verder te worden op ingegaan.

C.

Dat de geïntimeerde voor de werken subsidies zou hebben ontvangen, is in de relatie tussen de partijen niet aan de orde.

IV.

De vernietiging van het bestreden vonnis impliceert van rechtswege een titel tot terugvordering van wat binnen het kader van het vernietigde vonnis is betaald.

Daargelaten of datgene wat de appellante als "tegenvordering" formuleert wel een tegenvordering is, is de aangelegenheid die de appellante desbetreffend aan de orde wil stellen geen zaak van de rechter ten gronde, doch een uitvoeringskwestie.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Bevestigt dat toepassing is gemaakt van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis;

Opnieuw recht doende:

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde onontvankelijk wegens verjaring.

Veroordeelt de geïntimeerde tot de gerechtskosten verbonden aan de beide aanleggen, die niet nader cijfermatig hoeven vastgesteld te worden aan haar zijde daar zij definitief te haren laste blijven, en vastgesteld aan de zijde van de appellante op 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding procedure voor de eerste rechter, 186,00 EUR rolrecht beroepsakte en 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding beroepsprocedure.

Onverminderd art. 1024 Ger.W.

Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Pieter Vanherpe, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Leentje Mouton, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op eenendertig januari tweeduizend en elf.

Mots libres

  • Zeewet

  • verjaring

  • art.270-Elektrische installatie