- Arrêt du 22 juin 2012

22/06/2012 - 2011BV125

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikel 89 § 5 Landverzekeringsrecht kadert in hoofdstuk III van genoemde wet, dat uitsluitend betrekking heeft op Aansprakelijkheidsverzekeringen, terwijl de verzekeraar zaakschade van benadeelden, anderen dan B - indien de indeplaatsstelling bewezen is - in de vorderingsrechten (art. 1382 Burgerlijk Wetboek) is getreden van schadelijdende verzekerden, aan wie zij schadevergoedingen heeft betaald (art. 41, lid 1 Landverzekeringswet).

Krachtens art. 41 lid 1 Landverzekeringswet treedt de verzekeraar in het kader van een verzekering tot vergoeding van schade (o.m. bij zaakschadeverzekering zoals in huidige zaak) slechts in de rechten en vorderingsrechten van benadeelden die vergoed werden, in mate dat de rechten en de vorderingsrechten van de schadelijders die werden vergoed, gericht zijn tegen aansprakelijke derden; B. heeft de hoedanigheid van verzekerde in de

zaakschadeverzekeringsovereenkomst in kwestie

De in het ongelijk gestelde burgerlijke partij kan niet worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding, gezien de strafvordering niet op gang werd gebracht door een klacht met burgerlijke partijstelling of door een rechtstreekse dagvaarding door deze burgerlijke partij, zoals vereist door artikel 162 bis Sv.


Arrêt - Texte intégral

Arr. Nr. K/1668/12

Rep. Nr. 2012/2991

ARREST VAN HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN

KAMER VAN INBESCHULDIGINGSTELLING

INZAKE VAN

2008/BB/908 - 2011/BV/125

KBC verzekeringen NV

- burgerlijke partij/partij in gedwongen tussenkomst en vrijwaring

- ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr

tegen :

Meester C.P.,

in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder over de goederen

van C. B., verblijvende en ingeschreven in het Psychiatrisch Centrum PC

- verwezene/eiser in gedwongen tussenkomt en vrijwaring

- ter terechtzitting aanwezig en bijgestaan door Mr

1. VOORGAANDEN EN BESTREDEN BESCHIKKING

1.1 Het Hof van Cassatie in openbare zitting van 21 juni 2011 vernietigde het arrest van 16 december 2010 van het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, in zoverre het uitspraak deed over de burgerlijke vordering van de 10e verweerster in cassatie, zijnde de NV KBC-Verzekeringen.

De aldus beperkte zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

2. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

2.1. Voor dit Hof, kamer van inbeschuldigingstelling, werden de thans nog inzake zijnde partijen en hun respectieve raadslieden regeimatig opgeroepen.

2.2 Meester C. P., in haar hoedanigheid van voorlopig

bewindvoerder over de goederen van C. B., aanwezig en bijgestaan door haar advocaat, legt besluiten en overtuigingstukken neer.

2.3 De burgeriijke partij, de NV KBC-Verzekeringen, vertegenwoordigd door haar raadsman, werd gehoord. Een syntheseconclusie werd neergelegd.

3. BEOORDELING VAN HET HOF

3.1 Het hoger beroep van de voorlopige bewindvoerder van B., thans beperkt tot de vordering van de burgerlijke partij NV KBC-Verzekeringen en regelmatig naar vorm en termijn, is ontvankelijk.

3.2 Wat de vorderingen van partijen betreft :

De vordering van de burgerlijke partij :

3.2.1 De NV KBC-Verzekeringen - verder de burgerlijke partij genoemd - besluit thans tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot bevestiging van de beschikking van 16 oktober 2008 van de raadkamer te Antwerpen, wat haar vordering betreft, waarbij B. werd veroordeeld tot betaling aan de burgerlijke partij van een bedrag van 116.180,73 euro provisioneel te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf de data der diverse uitbetalingen aan haar verzekerden.

De vordering van de burgeriijke partij steunt op de indeplaatsstelling voorzien in artikel 41, lid 1 Landverzekeringswet en daardoor op de vorderingsrechten van haar verzekerden,andere dan B., aan wie schadevergoedingen heeft uitbetaald.

Tevens vordert de burgeriijke partij de veroordeling van B.,tot de kosten, aan de zijde van de burgerlijke partij begroot op 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding.

Het verweer en de vorderingen van de vooriopige bewindvoerder

van B. :

3.2.2 Meester C. P., in haar hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder over B. - verder de voorlopige bewindvoerder genoemd - besluit tot :

- de onbevoegdheid van de raadkamer om kennis te nemen van de nota van burgerlijke partijstelling van de NV KBC-Verzekeringen tegen haar verzekerde B.;

- minstens, de niet-toelaatbaarheid van deze burgerlijke vordering;

- meer ondergeschikt, de ongegrondheid van de vordering van de burgerlijke partij bij gebrek aan bewijs van opzet in hoofde van B..

In haar conclusie neergelegd ter zitting van 30 januari 2012 vordert de voorlopige bewindvoerder van B., in zoverre de vorderingen van de burgerlijke partijen ontvankelijk en gegrond zijn :

- de NV KBC-Verzekeringen en/of NV AG INSURANCE te veroordelen tot het verlenen van dekking in het kader van de brand- en/of familiale polis voor de vorderingen van de burgerlijke partijen die tegen de voorlopig bewindvoerder van B. zijn gesteld;

- dat bij de begroting van de totale schadevergoeding toepassing te

maken van artikel 1386 bis Burgerlijke Wetboek en de schadebedragen naar billijkheid te begroten, rekening houdend met de financiële situatie van B.

Tot slot vordert de bewindvoerder de veroordeling van de burgerlijke partij tot de kosten van het geding begroot op 30 euro + 122,63 euro (kosten cassatieberoep) en 5.500 euro basis rechtsplegingsvergoeding K.I.

Rechtsmacht

3.3 Gelet op beperking van de vernietiging van het arrest van het Hof van Beroep, kamer van inbeschuldigingstelling, van 16 december 2010, door het arrest van het Hof van Cassatie van 21 juni 2011, werd in het arrest van 16 december 2010 definitief uitspraak gedaan over, onder meer, volgende vorderingen :

- de tussenvordering van de voorlopige bewindvoerder van B. lastens de NV KBC-Verzekeringen tot het verlenen van dekking op basis van de zaakschadeverzekeringspolis;

- de tussenvordering in vrijwaring van de voorlopige bewindvoerder van B. lastens de NV AG INSURANCE op basis van de aansprakelijkheidspolis.

Derhalve heeft het Hof, kamer van inbeschuldigingstelling, thans geen rechtsmacht meer om te oordelen over beide genoemde tussenvorderingen van de bewindvoerder van B., zoals geformuleerd in de conclusie van de voorlopig bewindvoerder van B., neergelegd ter zitting van 30 januari 2012.

De bevoegdheid van de strafrechter

3.4 De strafrechter - in deze zaak de raadkamer - is bevoegd om uitspraak te doen over de burgerlijke vordering van de NV KBC tegen de B., en dit om volgende redenen :

- indien de voorwaarden van indepiaatssteiling overeenkomstig artikel 41, lid 1 Landverzekeringsovereenkomst zijn vervuld, treedt de burgerlijke partij in de rechten en vorderingsrechten van haar verzekerden wier schade door de burgeriijke partij, als hun zaakschadeverzekeraar werden vergoed en dit ten belope van het bedrag van de uitgekeerde vergoedingen;

- door zich ter zitting van 3 mei 2007 van de raadkamer te Antwerpen, dit is vóór de definitieve uitspraak van 31 mei 2007 waarbij de internering van B. werd gelast, burgerlijke partij te stellen, oefende de burgerlijke partij de vorderingsrechten, genoemd in artike! 3 V.T. Sv., uit en laat zij geen eigen vorderingsrecht gelden tegen B.

Derhalve vindt de vordering van de burgerlijke partij haar oorzaak dan ook uitsluitend in het aan B. ten laste gelegde feit;

- overeenkomstig art. 4, lid 1 V.T. Sv. kan de burgerlijke rechtsvordering terzelfder tijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering.

3.5 Aan de bevoegdheid van de raadkamer om in deze zaak uitspraak te doen over de vordering van de burgerlijke partij NV KBC-Verzekeringen, wordt geen afbreuk gedaan door artikel 89, §5 Landverzekeringswet, en dit om volgende redenen :

- artikel 89 § 5 Landverzekeringswet stelt in fine dat het strafgerecht geen uitspraak kan doen over de rechten die de verzekeraar kan doen gelden tegenover de verzekerde of de verzekeringsnemer. De rechten van de verzekeraar in de zin van artikel 89 § 5 Landverzekeringswet steunen op de bepalingen van een aansprakelïjkheidsverzekeringovereenkomst;

- artikel 89 § 5 Landverzekeringsrecht kadert in hoofdstuk III van genoemde wet, dat uitsluitend betrekking heeft op Aansprakelijkheidsverzekeringen, terwiji de NV KBC-Verzekeringen als verzekeraar zaakschade van benadeelden, anderen dan

B - indien de indeplaatsstelling bewezen is - in de vorderingsrechten (art. 1382 Burgerlijk Wetboek) is getreden van schadelijdende verzekerden, aan wie zij schadevergoedingen heeft betaald (art. 41, lid 1 Landverzekeringswet).

De indeplaatsstelling

3.6 Voor haar indeplaatsstelling verwijst de burgerlijke partij uitsluitend naar artikel 41, lid 1 Landverzekeringswet. Deze wetsbepaling is van dwingend recht, zodat de partijen in hun verzekeringsovereenkomst hiervan niet kunnen van afwijken.

3.6.1 In tegenstelling tot wat de NV KBC-Verzekeringen in conclusie wil doen aannemen, is zij niet in de rechten en rechtsvorderingen van haar verzekerden getreden door en ten belope van haar uitkeringen in het kader van de "Blokpolis - versie 2002 - woningen" met nummer MW/......gedaan, en dit om volgende redenen :

- krachtens art. 41 lid 1 Landverzekeringswet treedt de verzekeraar in het kader van een verzekering tot vergoeding van schade (o.m. bij zaakschadeverzekering zoals in huidige zaak) slechts in de rechten en vorderingsrechten van benadeelden die vergoed werden, in mate dat de rechten en de vorderingsrechten van de schadelijders die werden vergoed, gericht zijn tegen aansprakelijke derden;

- B heeft de hoedanigheid van verzekerde in de

zaakschadeverzekeringsovereenkomst in kwestie (nl. de "Blokpolis - versie 2002 - woningen" met nummer MW/........), waarbij de schade aan het gebouw gelegen te H., is verzekerd en waarin zijn appartement zich bevindt.

Door deze verzekering is vermogensschade van B mogelijk gedekt, zodat hij de hoedanigheid van verzekerde heeft in de zin van artikel l.B.a Landverzekeringswet, dat omschrijft wat onder het begrip "verzekerde" dient te worden verstaan, ook al heeft de burgerlijke partij - op basis van voorgehouden kwaadwillig opzet - niet de intentie om aan B dekking te verlenen voor zijn vermogensschade ten gevolge van het hem ten laste gelegde feit;

- uit het feit dat B geen verzekerde is aan wie de verzekeraar de uitkeringen heeft betaald die verschuldigd zijn op grond van de zaakschadeverzekeringsovereenkomst ("Blokpolis - versie 2002 - woningen" met nummer MW/.........), kan niet worden afgeleid dat B een derde is in de zin van artikel 41 , lid 1 Landverzekeringsovereenkomst.

3.6.2 Derhalve is de burgerlijke partij niet getreden in de rechten en vorderingsrechten van haar verzekerden tegen B, die geen aansprakelijke derde is in de zin van artikei 41 , lid 1 Landverzekeringswet.

3.6.3 In het kader van haar verweer laat de voorlopige bewindvoerder van B geen rechten gelden die op basis van de verzekeringsovereenkomst in kwestie hem zouden toekomen. Het verweer van B steunt uitsluitend op het niet vervuld zijn van de voorwaarden voor de indeplaatsstelling op grond van artikel 41, lid 1 Wet Landverzekeringsovereenkomsten.

De tussenvordering van B lastens de burgerlijke partij als verzekeraar tot het verlenen van dekking voor de door hem geleden schaden, valt immers buiten de rechtsmacht van de kamer van inbeschuldigingstelling.

3.6.4 Gezien de burgerlijke partij niet in de rechten en de vorderingsrechten van haar verzekerden gericht tegen de derde aansprakelijke is getreden, is haar vordering is dan ook ongegrond.

Derhalve is het hoger beroep van de voorlopige bewindvoerder van B gegrond.

3.7 Ondanks de gegrondheid van het hoger beroep van B en van zijn voorlopige bewindvoerder, die beiden werden bijgestaan door een advocaat, kan de ïn het ongelijk gestelde burgerlijke partij niet worden veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding, gezien de strafvordering niet op gang werd gebracht door een klacht met burgerlijke partijstelling of door een rechtstreekse dagvaarding door deze burgerlijke partij, zoals vereist door artikel 162 bis Sv.

4. BESLISSING VAN HET HOF

4.1 Het Hof, kamer van inbeschuldigingstelling, heeft gelet op de

artikelen :

- 11 lid 2 wet 9.4.1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers

- 203 , 203 bis , 211 , 211 bis wetboek van strafvordering

- 3 , 4 wet 17.4.1878 gew. wetten 24.12.1994 , 28.3.2000 en 13.4.2005

- 1386 bis burgeriijk wetboek

- 11 , 12 , 13 , 14 , 24 , 31 tot 37 , 41 van de wet van 15.6.1935 gew. wet 3.5.2003 .

4.2 Het Hof, kamer van inbeschuldigingstelling, uitspraak doende

in openbare terechtzitting en op tegenspraak.

4.3 Verklaart het hoger beroep van B en van Meester C. P., in haar hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder van B, ontvankelijk en gegrond.

4.4 Wijzigt de bestreden beschikking in de volgende mate :

4.5 Verklaart de vordering van de burgerlijke partij, de NV KBC Verzekeringen, ontvankelijk doch ongegrond;

4.6 Stelt vast dat de beoordeling van volgende vorderingen , buiten de rechtsmacht van het Hof, kamer van inbeschuldigingstelling, valt :

- de tussenvordering van B lastens de burgerlijke partij tot het verlenen van dekking voor de door hem geleden schade;

- de tussenvordering van B lastens de NV AG INSURANCE, in vrijwaring.

4.7 Veroordeelt de NV KBC-Verzekeringen tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van de openbare partij op geen.

4.8 Verklaart de vordering van de bewindvoerder van B tot veroordeling van de burgerlijke partij tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding ongegrond.

Uitsluitend de Nederlandse taal werd gebruikt.

Aldus gedaan en uitgesproken op 22 juni 2012,

waar aanwezig waren :

C. LIESENS

R. VAN LAKEN

L. MAES

R. DE SOETE

Voorzitter

Raadsheer

plv. Raadsheer

Griffier

Mots libres

  • Art. 4, lid 1 V.T.Sv., art. 89 § 5 WLVO, art. 41, lid 1 WLVO, art. 162bis Sv. Tussenkomst in de rechtspleging- indeplaatsstelling van de verzekeraar

  • rechtsplegingsvergoeding