- Arrêt du 22 février 2012

22/02/2012 - 2011AR22

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1.De arbeidsongevallenverzekeraar die de wettelijke vergoedingen heeft betaald, is krachtens artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 gesubrogeerd in de rechten van de getroffene en heeft regres op diegene die aansprakelijk is voor het arbeidsongeval of op diens verzekeraar, tot beloop van wat hij aan wettelijke vergoedingen heeft betaald (eerste grens), zonder dat het regres het bedrag van de schadeloosstelling mag overschrijden dat de getroffene voor dezelfde schade volgens het gemene recht had kunnen verkrijgen (tweede grens). Het laagste van deze twee bedragen is het hoogste wat de arbeidsongevallenverzekeraar kan vorderen krachtens haar subrogatierecht.

2.In de mate echter dat de schadevergoeding wegens loonverlies een gunstiger fiscaal regime geniet dan de gewone beroepsinkomsten en in zoverre de getroffene geen verlies lijdt aan sociale voordelen, kan het brutoloon niet worden toegekend, vermits de toekenning van een vergoeding berekend op basis van het brutoloon alsdan meebrengt dat het slachtoffer meer krijgt dan zijn werkelijke schade.

3. Ten deze wordt de eis gesteld door Dexia, arbeidsongevallenverzekeraar in de privésector. De arbeidsongevallenwetgeving in de privésector (artikel 49 van de wet van 10 april 1971) belast de werkgever met een verplichting om een verzekering te sluiten. De werkgever is verplicht om premies te betalen. Er worden bovendien - anders dan in de arbeidsongevallenverzekering in de overheidssector (wet van 3 juli 1967) - beperktere verplichtingen opgelegd aan de privé arbeidsongevallenverzekeraar ten aanzien van de werknemer, die rechtstreeks tegen de verzekeraar kan optreden.

De arbeidsongevallenverzekeraar is niet de werkgever van de getroffenen, en kan dus geen schade hebben geleden wegens het verlies van arbeidsarbeidsprestaties.


Arrêt - Texte intégral

2011/AR/22 - 2e kamer

DEXIA INSURANCE BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Galileelaan 5, KBO-nummer 0405.764.069,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. A. SOLY loco Mr. VERGOTE Mia, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 181 bus 9

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 november 2010

tegen

1. SLEURS INDUSTRIES NV, met maatschappelijke zetel te 2490 BALEN, Steenweg op Leopoldsburg 28, KBO-nummer 0421.269.317

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. E. KONINCKX loco Mr. KONINCKX Johan, advocaat te 3500 HASSELT, Leopoldplein 29 bus 2

2. PITTSBURGH CORNING EUROPE NV, met maatschappelijke zetel te 3980 TESSENDERLO, Albertkade, KBO-nummer 0401.338.785,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. D. THOENG loco Mr. DEHAESE Johan, advocaat te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187

***

Feiten

1. DVV Verzekeringen, inmiddels Dexia Insurance Belgium, hierna genoemd Dexia, is de arbeidsongevallenverzekeraar van de nv Mannytech, werkgever van I.C.. I.C. voerde op 3.4.2003 onderhoudswerken uit bij de firma Pittsburgh Corning Europe nv (hierna kort: Pittsburgh). Op hetzelfde ogenblik voerde een werknemer van de nv Sleurs Industries (hierna kort Sleurs), namelijk B.H., constructiewerken uit.

Op 3.4.2003 geraakte I.C. ernstig gewond. Aangevoerd werd door Dexia dat I.C. aan het werken was met een hoogwerker toen B.H. werkte met een heftruck. Beide toestellen zijn eigendom van Pittsburgh. Omdat de hoogwerker te traag reed door een lege batterij, zou B.H. voorgesteld hebben aan I.C. om de hoogwerker, met I.C. erop, met zijn heftruck op te tillen en naar de standplaats te brengen. Doordat de heftruck over een put in de weg reed, is de hoogwerker uit balans geraakt en is I.C. van de heftruck gevallen. I.C. zou, om niet geplet te raken, uit de kantelende hoogwerker gesprongen zijn en zwaar ten val gekomen zijn op de betonnen vloer. Hij heeft hierdoor een fractuur aan de ruggenwervel opgelopen.

Deze feiten werden weliswaar betwist.

Procedurele voorgaanden

2. Met inleidende dagvaarding van 20.10.2004 voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, heeft DVV Verzekeringen nv de aansprakelijkheid voorgehouden van de Sleurs op basis van artikel 1382 en 1384 van het burgerlijk wetboek betaling gevraagd van de Sleurs van een provisioneel bedrag van euro 20.000,00 (eis geschat op euro 180.000,00) meer de vergoedende interesten vanaf data van uitbetaling, en de gerechtelijke interesten.

3. De Sleurs heeft met dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring d.d. 27.1.2005, verzocht dat de nv Pittsburgh Corning Europe zou tussenkomen in dit geding. Haar aansprakelijkheid wordt voorgehouden op basis van de schending van de bepalingen van de Welzijnswet. Bovendien wordt aangevoerd dat het wegdek zich in een erbarmelijke toestand bevond.

4. I.C. is vrijwillig tussengekomen in deze procedure met verzoekschrift d.d. 30.3.2005. Hij heeft de in solidum veroordeling gevraagd van Sleurs en Pittsburgh tot betaling van euro 5.000,00 provisioneel en de aanstelling van een deskundige.

5. Dexia Insurance Belgium nv heeft het geding hervat namens DVV Verzekeringen en heeft de solidaire veroordeling gevraagd van zowel de nv Sleurs Industries als de nv Pittsburgh Corning Europe tot betaling van een provisioneel bedrag van euro 10.000,00 en tot aanstelling van een geneesheer-deskundige.

6. De eerste rechter oordeelde in het tussenvonnis d.d. 20.4.2006 dat I.C., Sleurs en Pittsburgh ieder voor 1/3de aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolgen van het ongeval overkomen op 3.4.2003 aan I.C.. Geoordeeld werd dat I.C. zelf een fout had begaan door op de hoogwerker te blijven zitten toen deze met de heftruck vervoerd werd. Aan Sleurs werd verweten een werknemer te laten rijden met een heftruck waar deze niet over de nodige attesten beschikte (welzijnswet), bovendien heeft haar aangestelde H. zelf foutief gehandeld door de hoogwerker op te laden op zijn heftruck terwijl de bestuurder er nog op zat (aansprakelijkheid Sleurs op basis van artikel 1384, derde lid van het burgerlijk wetboek). Ook Pittsburgh heeft een fout gemaakt door niet na te gaan of de werknemers die op haar terreinen werkten (H. en I.C.) over de nodige opleidingen beschikten en door niet de nodige veiligheid op haar bedrijfsterreinen te waarborgen. Alle aansprakelijken werden in gelijke mate aansprakelijk geacht.

Sleurs en Pittsburgh werden in solidum veroordeeld tot betaling aan Dexia van het provisioneel bedrag van euro 3.000,00 en aan I.C. van een provisionele schadevergoeding van euro 1.500,00.

Pittsburgh werd veroordeeld tot vrijwaring van Sleurs voor de helft van de veroordelingen uitgesproken ten aanzien Dexia en I.C..

Deskundige dokter Marc Hören werd aangesteld.

7. Hij legde zijn verslag neer op 21.11.2006 en besloot

- Tijdelijke invaliditeit en werkonbekwaamheid:

• 100% van 3.4.2003 tot 1.11.2003

• 50 % van 2.11.2003 tot 1.2.2004

• 25% van 1.2.2004 tot 30.4.2004

- Consolidatie: 1.5.2004 met blijvende invaliditeit 20 % en blijvende ongeschiktheid 20% (hierin begrepen de meerinspanningen)

- Esthetische schade: 2/7 (zeer licht). Dit heeft geen invloed op zijn beroepsactiviteiten en komt niet in aanmerking voor heelkundige correctie

- Reserve: dossier opnieuw openen bij een operatieve behandeling van de lage rug t.g.v. het ongeval

- Hulp van derden: tijdelijk: dit is inbegrepen in de tijdelijke invaliditeit en werkonbekwaamheid; blijvend: er is geen hulp van derden voorzien

- Te kapitaliseren:

• Lumbostaat

• Medicatie: 1 flesje Valtran/maand gedurende 1 jaar

- Pijn en smarten:

• 4/7 middelmatig: van 3.4.2003 tot 30.6.2003

• 3/7 licht: van 1.7.2003 tot 1.11.2003

• 2/7 zeer licht: van 2.11.2003 tot 3.4.2004.

8. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4.12.2007 zijn de volgende partijen vrijwillig tussengekomen: M.H., S.C., S.C., S.C., dhr. en mevr. C.-H. in hun hoedanigheid van ouder en beheerder over de persoon van S.C. (° 31.8.1992) en van S. C. (° 1.10.1996) en dhr. en mevr. C.-H. namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap. Het betreft de echtgenote en de kinderen van I.C..

Zij hebben tevens vergoeding gevraagd van hun schade geleden ten gevolge van het ongeval overkomen aan I.C..

9. Het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20.11.2008 heeft de eisen van partijen beoordeeld in de volgende mate:

Wat de eis van Dexia betreft:

- Sleurs en Pittsburgh werden in solidum veroordeeld tot betaling aan Dexia van het bedrag van euro 48.484,17 meer de renten

- Er werd voorbehoud verleend aan Dexia voor de operatieve behandelingen aan de rug

- Er werd vastgesteld dat de schadeposten materiële schade TWO en voorbehoud lumbostaat en medicatie niet in staat zijn en de zaak werd voor dit onderdeel naar de bijzondere rol verwezen

- De beslissing over de gedingkosten werd aangehouden.

Wat de eis van I.C. betreft:

- Sleurs en Pittsburgh werden in solidum veroordeeld tot betaling aan I.C. van het bedrag van euro 28.869,17, meer de renten

- Er werd voorbehoud verleend voor het vorderen van bijkomende vergoedingen naar aanleiding van latere ongeschiktheden in verband met het ongeval, in het bijzonder naar aanleiding van de operatieve behandeling van de lage onderrug

- Sleurs en Pittsburgh werden in solidum veroordeeld tot betaling van de proceskosten begroot op euro 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding.

De eisen van de consorten C.-H. namens de huwgemeenschap en van de vrijwillig tussenkomende partijen werden ontvankelijk maar ongegrond verklaard en de kosten werden ten laste van deze partijen gelaten.

10. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18.11.2010 heeft akte verleend aan Dexia van haar eisherleiding in die zin dat Dexia niet langer een voorbehoud vroeg voor lumbostaat en medicatie.

De eis "schadepost materiële schade TWO", begroot door Dexia op euro 10.680,98 (66% van euro 16.183,30) meer de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 1.9.2003, werd ongegrond verklaard.

Sleurs en Pittsburgh werden in solidum veroordeeld tot de proceskosten van Dexia, begroot op euro 254,11 dagvaarding, euro 3.000,00 rechtsplegingsvergoeding en euro 800,00 expertisekosten. De rechtsplegingsvergoeding werd begroot op het gevorderde bedrag en er bestond geen aanleiding om af te wijken van het basisbedrag. De betekeningkosten blijven ten laste van Dexia vermits Sleurs bevestigd had dat zij had berust in het vonnis en dat er vrijwillig zou betaald worden.

11. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 5.1.2011 heeft de nv Dexia Insurance Belgium, hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt dd. 18.11.2010 en dit ten aanzien van de nv Sleurs en de nv Pittsburgh Corning Europe.

Standpunten in hoger beroep

12. Dexia vraagt te zeggen voor recht dat de materiële schade, voortvloeiende uit de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, euro 16.183,30 bedraagt, ondergeschikt een bedrag van euro 12.001,75

Dexia vordert haar uitgaven tijdelijke arbeidsongeschiktheid terug op basis van het bruto loon, zijnde over de periode 4.4.2003 tot 31.10.2003 aan 100% en over de periode 1.11.2003 tot 1.2.2004 aan 50 %, hetzij een bedrag van euro 16.183,30.

Ondergeschikt vraagt zij de toekenning van het bedrag van euro 12.001,75, waarbij zij een aftrek doet van 10 % belastingsvoordeel.

Zij baseert haar vordering op (i)haar subrogatoir vorderingsrecht tegen de voor het ongeval aansprakelijke, (ii)artikel 1382 van het burgerlijk wetboek en (iii) haar subrogatoir vorderingsrecht tegen de werkgever, voor het gewaarborgd maandloon.

Zij vraagt Sleurs en Pittsburgh te veroordelen tot betaling van dit bedrag meer de vergoedende interesten vanaf 1.9.2003 en de gerechtelijke interesten.

Zij vraagt Sleurs tevens te veroordelen tot de betekeningkosten t.b.v. euro 454,94.

Zij vraagt voor het overige het bestreden vonnis te bevestigen en Sleurs en Pittsburgh te veroordelen tot haar proceskosten in hoger beroep.

Zij besluit tot de ongegrondheid van het incidenteel beroep.

13. Sleurs enerzijds en Pittsburgh anderzijds besluiten tot de bevestiging van het bestreden vonnis, behoudens wat de proceskosten betreft (incidenteel beroep).

Zij vragen de rechtsplegingsvergoeding van Dexia te herleiden tot euro 1.210,00 (in verhouding tot het toegekende bedrag). Zij vragen Dexia te veroordelen tot hun proceskosten in hoger beroep, elk begroot op euro 1.210,00.

Sleurs en Pittsburgh voeren vooreerst aan dat zij aan Dexia niets meer verschuldigd zijn hoofdens de schadepost tijdelijke werkonbekwaamheid vermits zij deze schade begroten op het bedrag van euro 15.182,58 en zij elk 1/3de van dit bedrag reeds hebben betaald aan Dexia.

Zij voeren aan dat de getroffene in gemeen recht enkel het semi nettoverlies kan vorderen, namelijk na aftrek van de RSZ vermits op de gemeenrechtelijke schadevergoeding geen RSZ bijdragen verschuldigd zijn, en na aftrek van een belastingsvoordeel van 10 %, aangezien op de vervangingvergoedingen een belastingsvermindering wordt genoten.

Beoordeling in hoger beroep

14. Het hof stelt vooreerst vast dat Dexia niet langer een voorbehoud vraagt wat betreft de lumbostaat en de medicatie zodat dit geschilpunt geen voorwerp meer maakt van dit hoger beroep

De betwisting tussen partijen is beperkt tot (i) de schadepost materiële schade uit de tijdelijke invaliditeit en (ii)de kosten.

Het hof beoordeelt deze geschilpunten als volgt:

Wat het geschilpunt betreft van de schadepost materiële schade uit de tijdelijke invaliditeit

15. De eerste rechter oordeelde dat deze materiële schade beperkt was tot het semi-brutoloon dat I.C. genoten had en dat door Sleurs en Pittsburgh was berekend op een bedrag van euro 15.182,58 (rekening houdende met een aftrek van RSZ en van een belastingsvoordeel van 10 %). Rekening houdende met de verdeelsleutel van deze partijen Sleurs en Pittsburgh in de verantwoordelijkheid, die was vastgelegd in het tussenvonnis d.d. 20.11.2008, namelijk euro 10.121,72, diende elk van deze partijen de helft van dit bedrag te betalen. Het bedrag van euro 5.953,30 werd door Sleurs betaald op 5.6.2009 en door Pittsburgh op 8.6.2009 zodat de eerste rechter besloot in het betreden vonnis d.d. 18.11.2010 dat deze schadevordering ongegrond was.

Het hof stelt vast dat Dexia principieel geen betwisting voert m.b.t. de berekening van dit semi-brutoloon (aftrek van RSZ en belastingsvoordeel) maar aanvoert dat deze aftrek onterecht is gebeurd en zij recht heeft op betaling van het brutoloon.

Dexia baseert zich daarbij op (i) haar subrogatoir vorderingsrecht op basis van de arbeidsongevallenwet, (ii) op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek en (iii) op de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Het hof beoordeelt deze betwisting als volgt:

(i) eis gebaseerd op het subrogatoir vorderingrecht

16. Dexia steunt vooreerst op haar subrogatoir vorderingrecht, haar toegekend krachtens artikel 47 arbeidsongevallenwet (wet van 10 april 1971).

De arbeidsongevallenverzekeraar die de wettelijke vergoedingen heeft betaald, is krachtens artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 gesubrogeerd in de rechten van de getroffene en heeft regres op diegene die aansprakelijk is voor het arbeidsongeval of op diens verzekeraar, tot beloop van wat hij aan wettelijke vergoedingen heeft betaald (eerste grens), zonder dat het regres het bedrag van de schadeloosstelling mag overschrijden dat de getroffene voor dezelfde schade volgens het gemene recht had kunnen verkrijgen (tweede grens). Het laagste van deze twee bedragen is het hoogste wat de arbeidsongevallenverzekeraar kan vorderen krachtens haar subrogatierecht.

17. De arbeidsongevallenverzekeraar is, ingevolge de artikelen 31 en 32 van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de Arbeidsongevallenwet, verplicht de sociale-zekerheidsbijdragen, die deze krachtens artikel 43 van de Arbeidsongevallenwet verschuldigd is, af te houden op de vergoeding die hij aan de getroffene moet betalen en te storten aan de instelling die met de inning ervan is belast.

De omstandigheid dat de arbeidsongevallenverzekeraar de door de getroffene te betalen sociale-zekerheidsbijdragen afhoudt en stort aan de bevoegde instelling, doet niet besluiten dat de aldus overgemaakte som geen deel is van wat de verzekeraar heeft betaald aan wettelijke vergoedingen, op grond waarvan hij de rechtsvordering van de getroffene kan instellen tegen diegene die voor het arbeidsongeval aansprakelijk is.

De aldus ingehouden sociale bijdrage maakt deel uit van de arbeidsongevallenvergoeding en zodoende ook principieel van het bedrag dat de verzekeraar krachtens de eerste grens van de subrogatoire vordering kan terugvorderen van de aansprakelijke.

18. Er moet echter nog rekening worden gehouden met de tweede grens, namelijk het bedrag dat de getroffene naar gemeen recht van de aansprakelijke kan vorderen tot vergoeding van zijn gederfde inkomen, indien de arbeidsongevallenverzekeraar zijn loon niet had doorbetaald tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid.

Onterecht stelt Dexia dat moet worden vergeleken met de situatie waarin de werknemer - getroffene zijn loon wel had gekregen, en waarop hij alsdan RSZ bijdragen en belastingen had moeten betalen. Er moet vergeleken worden met de situatie dat zijn wedde niet was doorbetaald door de arbeidsongevallenverzekeraar en hij een vergoeding had ontvangen van de aansprakelijke.

Op de gemeenrechtelijke vergoeding voor loonverlies drukken geen sociale lasten. Sociale zekerheidsbijdragen zijn slechts verschuldigd op het loon. De gemeenrechtelijke vergoeding voor schade wegens loonverlies valt niet onder de definitie van "loon" zodat hierop geen sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd is. De getroffene zou dus geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn op de vergoeding die hij naar gemeen recht had kunnen vorderen indien zijn wedde niet werd doorbetaald.

De fiscale lasten op de vergoedingen die de werknemer zou ontvangen hebben van de aansprakelijke zijn geringer dan de gewone bezoldiging. In toepassing van artikel 146 e.v. W.I.B. genieten de vergoedingen verkregen als volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winsten, baten of bezoldigingen, van een aanzienlijke belastingsvermindering. (artikel 146 WIB).

Dit alles blijkt ook niet te worden betwist door Dexia.

De vordering van de arbeidsongevallenverzekeraar wordt zodoende ingekort op de tweede grens.

19. Het verweer dat Dexia voert dat zij wettelijk verplicht is om deze sociale zekerheidsbijdragen in te houden, anders zou het slachtoffer al zijn rechten verliezen en geen aanspraak kunnen maken op het wettelijk pensioen, doet niet besluiten dat met deze tweede grens geen rekening moet worden gehouden. Deze beperking van het subrogatoir vorderingrecht is wettelijk vastgelegd in artikel 47 van de wet arbeidsongevallen.

20. Onterecht verwijst Dexia naar het cassatiearrest van 16.9.1985 en de conclusie van advocaat-generaal Lenaerts om te besluiten dat de sociale bijdragen wel door haar kunnen teruggevorderd worden van de aansprakelijke.

Hierin wordt verwezen naar wat onder het "uitgekeerde bedrag" moet verstaan worden en deze rechtspraak is dus uitsluitend van belang voor het bepalen van de eerste grens van het subrogatierecht.

21. Terecht verwijst Dexia naar de rechtspraak die stelt dat de schade voor loonverlies mag berekend worden op brutobasis wanneer de rechter vaststelt dat het bedrag van de sociale en de fiscale lasten op de vergoeding overeenstemt met het bedrag van die lasten op de gewone bezoldiging van de getroffene.

In de mate echter dat de schadevergoeding wegens loonverlies een gunstiger fiscaal regime geniet dan de gewone beroepsinkomsten en in zoverre de getroffene geen verlies lijdt aan sociale voordelen, kan het brutoloon niet worden toegekend, vermits de toekenning van een vergoeding berekend op basis van het brutoloon alsdan meebrengt dat het slachtoffer meer krijgt dan zijn werkelijke schade.

Zoals hierboven reeds gesteld is ten deze het bedrag van de sociale en fiscale lasten op de vergoeding die het slachtoffer zou hebben ontvangen in gemeen recht niet hetzelfde als op de vergoeding die hij van de arbeidsongevallenverzekeraar ontvangt zodat de subrogatoire vordering niet kan slaan op het bruto loon.

22. De in ondergeschikte eis van Dexia dat zij tenminste de door haar betaalde RSZ-bijdragen kan terugvorderen van de aansprakelijken, kan om deze redenen evenmin worden toegekend.

(ii) eis gebaseerd op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek

23. Dexia voert verder aan dat zij zich kan steunen op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek om haar "volledige schade" te vorderen van de aansprakelijken Sleurs en Pittsburgh.

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze schade integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien die daad waarover hij zich beklaagt niet was gesteld.

Dexia voert aan dat zij zich rechtstreeks kan beroepen op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, om vergoeding te vorderen voor alle uitgaven die zij heeft gedaan aan de getroffene. Zij verwijst daarbij naar cassatierechtspraak m.b.t. vergoedingen die werden gevorderd door de tewerkstellende overheid op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, voor de wedde betaald tijdens de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid van een ambtenaar en/of voor de bijdragen en belastingen verschuldigd op deze wedde (cassatiearresten d.d. 19 en 20.1.2001). Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit volgens het Hof van Cassatie niet uit dat de schade in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgaven of prestatie definitief voor rekening moet blijven van degene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten. De gemaakte uitgaven maken dus vergoedbare schade uit, behalve als er wettelijke of contractuele redenen zijn om de uitgaven definitief te laten rusten bij degene die ze heeft moeten vergoeden.

24. Het verhaal op grond van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek is niet beperkt tot de omvang van het subrogatoire verhaal. Bij de vaststelling van de eigen schade moet geen rekening worden gehouden met de omvang van het subrogatoir vorderingsrecht (cfr. cass. 19.2.2001 A.R. C99.014.N, cass. 10.12.2001).

25. Opdat toepassing van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek kan worden gemaakt, dient Dexia aan te tonen dat zij eigen/persoonlijke schade heeft geleden. Het bewijs van schade betreft immers één van de toepassingsvoorwaarden van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek. Dexia, die de aansprakelijkheid van Sleurs en Pittsburgh aanvoert op basis van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, draagt hiervan de bewijslast.

Dexia verwijst naar de rechtspraak m.b.t. de publiekrechtelijke sector en voert aan dat aan de verzekeraar, in de privé sector, ook een rechtstreekse vordering op basis van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek moet worden toegekend.

Het hof dient vast te stellen dat in conclusies, Dexia nalaat te omschrijven uit wat haar eigen schade bestaat. Zij beperkt zich tot haar verwijzing dat zij uitgaven heeft moeten doen, en dat zij haar vordering, op basis van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, kan "baseren op zijn totale uitgaven". Zij verwijst naar rechtspraak m.b.t. de uitgaven gemaakt door de overheid.

26. De publiekrechtelijke werkgever leidt eigen schade als gevolg van het feit dat hij loon heeft moeten betalen aan een arbeidsongeschikt personeelslid. De eigen schade van deze werkgever bedraagt het volledige bedrag van uitgaven die hij heeft moeten doen zonder arbeidsprestaties te ontvangen.

Ten deze wordt de eis gesteld door Dexia, arbeidsongevallenverzekeraar in de privésector. De arbeidsongevallenwetgeving in de privésector (artikel 49 van de wet van 10 april 1971) belast de werkgever met een verplichting om een verzekering te sluiten. De werkgever is verplicht om premies te betalen. Er worden bovendien - anders dan in de arbeidsongevallenverzekering in de overheidssector (wet van 3 juli 1967) - beperktere verplichtingen opgelegd aan de privé arbeidsongevallenverzekeraar ten aanzien van de werknemer, die rechtstreeks tegen de verzekeraar kan optreden.

De arbeidsongevallenverzekeraar is niet de werkgever van de getroffenen, en kan dus geen schade hebben geleden wegens het verlies van arbeidsarbeidsprestaties.

Er wordt geen andere persoonlijke schade aangevoerd door Dexia zodat het hof besluit dat haar vordering gebaseerd op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, ongegrond is.

Het hof dient te besluiten dat ten deze de tussenkomst van Dexia als arbeidsongevallenverzekeraar niet meer of minder is dan de normale tegenprestatie van de premiebetaling door de verzekerde.

27. De eis van Dexia tot terugbetaling van haar volledige uitgaven m.b.t. de tijdelijke arbeidsongeschiktheid van I.C. gebaseerd op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, is zodoende ongegrond.

(iii) Eis gebaseerd op de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten

28. Tenslotte verwijst Dexia naar de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten.

Het feit dat de werkgever ten aanzien van de aansprakelijke derde een rechtsvordering heeft tot terugbetaling van het loon dat aan het slachtoffer is betaald en van de sociale bijdragen waartoe hij door de wet of door een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is gehouden (artikel 54 voor arbeiders en artikel 75 voor bedienden wet betreffende de arbeidsovereenkomsten) doet evenmin besluiten dat ten deze Dexia als arbeidsongevallenverzekeraar haar volledige uitgaven kan terugvorderen van de aansprakelijken Sleurs en Pittsburgh.

Dexia als arbeidsongevallenverzekeraar is niet de werkgever van de getroffene.

29. Het hof besluit dat ook op deze basis de eis van Dexia ongegrond is.

Wat de betekeningkosten betreft (incidenteel beroep van Sleurs en Pittsburgh)

30. Anders dan de eerste rechter, oordeelt het hof dat de betekeningkosten t.b.v. euro 454,94 van het niet bestreden tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 20.11.2008 ten laste vallen van Sleurs. Dit vonnis werd door Dexia betekend aan Sleurs op 18.2.2009.

Sleurs is niet overgegaan tot vrijwillige betaling conform het tussenvonnis van 20.11.2008. Zij blijkt weliswaar akkoord te zijn gegaan met deze uitspraak en zou gesteld hebben tot betaling te zullen overgaan. Zij ging echter pas over tot betaling na betekening namelijk op 25.3.2009.

Het feit dat de Sleurs haar betaling aankondigde, maar kennelijk pas uitvoerde op 25.3.2009, doet niet besluiten dat de betekeningkosten ten laste van Dexia zouden blijven. De betaling bleef immers uit van de zijde van Sleurs.

Deze betekening is zodoende te aanzien als een eerste stap in de tenuitvoerlegging, waarvan de kosten geregeld worden conform artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek zodat de betekeningkost ten laste van Sleurs, tegen wie de tenuitvoerlegging is gevorderd, valt.

Dat de vertraging in de betaling beweerdelijk zou zijn ontstaan omdat de afrekening van Dexia niet correct zou zijn geweest en er vervolgens een administratieve fout is opgetreden, en dat Sleurs eveneens de interesten heeft betaald, doet niet anders besluiten.

Het bestreden vonnis wordt wat dit onderdeel betreft, hervormd.

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft (incidenteel beroep van Sleurs en Pittsburgh)

31. De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald in functie van de vordering. Artikel 2, laatste lid van het K.B. van 26 oktober 2001 bepaalt dat het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Gerechtelijk wetboek in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg. De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald door de som die in de laatste conclusie is gevorderd.

Het blijkt dat in de laatste conclusie voor het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 20.11.2008, Dexia haar eis heeft begroot op een bedrag van euro 79.920,06 meer de renten. Deze eis werd beoordeeld in dit tussenvonnis en voor een deel naar de rol gestuurd, waarna dit onderdeel nog beoordeeld werd in het bestreden vonnis d.d. 18.11.2010. De eerste rechter kende een rechtsplegingsvergoeding toe t.b.v. euro 3.000,00 op basis van het gevorderde bedrag.

Echter in acht genomen dat de eis van Dexia niet volledig maar slechts gedeeltelijk gegrond werd verklaard, past het met toepassing van artikel 1017, 3de lid van het gerechtelijke wetboek, de kosten om te slaan naar rato van 40 % ten laste van Dexia en 60% ten laste van Sleurs en Pittsburgh samen.

Het hof veroordeelt zodoende Dexia tot de gedingkosten in eerste aanleg ten belope van 40 % en partijen Sleurs en Pittsburgh tot de gedingkosten in eerste aanleg, ten belope van 60 %. Deze kosten werden begroot in eerste aanleg als volgt:

- van de zijde van Dexia: dagvaarding: euro 254,11, rechtsplegingsvergoeding euro 3.000,00 en expertisekosten euro 800,00

- van de zijde van Sleurs: dagvaardingskosten: euro 182,13 en rechtsplegingsvergoeding euro 3.000,00

- van de zijde van Pittsburgh: rechtsplegingsvergoeding euro 3.000,00.

32. Het hoger beroep van Dexia is ongegrond.

Dexia wordt verwezen in de proceskosten van Sleurs en van Pittsburgh, begroot op elk euro 1.210,00.

Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de nv Dexia Insurance Belgium toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van de nv Sleurs Industries en van de nv Pittsburgh Corning Europe ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis d.d. 18.11.2010 in de volgende mate.

Het hof verklaart de eis van de nv Dexia Insurance Belgium hoofdens de materiële schade tijdelijke arbeidsongeschiktheid, begroot op euro 16.183,30, meer de renten, ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis m.b.t. de proceskosten.

Het hof veroordeelt de nv Sleurs Industries tot betaling aan de nv Dexia Insurance Belgium van de betekeningskosten van het tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20.11.2008 begroot op euro 454,94.

Het hof veroordeelt de nv Dexia Insurance Belgium tot de gedingkosten in eerste aanleg ten belope van 40 % en partijen nv Sleurs Industries en de nv Pittsburgh Corning Europe tot de gedingkosten in eerste aanleg, ten belope van 60 %. Deze kosten werden begroot in eerste aanleg als volgt:

- van de zijde van Dexia Insurance Belgium: dagvaarding euro 254,11, rechtsplegingsvergoeding euro 3.000,00 en expertisekosten euro 800,00

- van de zijde van de nv Sleurs Industries: dagvaardingskosten euro 182,13 en rechtsplegingsvergoeding euro 3.000,00

- van de zijde van nv Pittsburgh Corning Europe: rechtsplegingsvergoeding euro 3.000,00

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 22 februari 2012 door

F. PEETERS Voorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

A. VERHAERT Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

M. GIJSEMANS A. VERHAERT

K. VAN HAELST F. PEETERS

Mots libres

  • verzekeringen

  • regres van de arbeidsongevallenverzekeraar- grenzen van het subrogatoir recht-rechtstreekse vordering (art. 1382BW)

  • schade arbeidsongevallenverzekering