- Arrêt du 15 mars 2012

15/03/2012 - 2009/PGA/1597

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de vastgestelde bancaire verrichtingen, die objectieve gegevens zijn die blijken uit de voorgelegde geëigende bankdocumenten, die deel uitmaken van het strafdossier, waarover alle partijen tegenspraak hebben kunnen voeren tot en met de behandeling van de zaak in hoger beroep zodat er geen enkele reden bestaat om deze objectieve stukken uit de debatten te weren, en anderzijds de door beklaagde afgelegde verklaringen tijdens het intern onderzoek en de conclusies die door de bank aan haar eigen intern onderzoek worden verbonden, waarmee het hof geen rekening houdt bij de beoordeling van de schuldvraag aangezien er onvoldoende duidelijkheid bestaat over de wijze waarop beklaagde in het kader van het intern onderzoek werd ondervraagd.

2. Wanneer de verdachte geen zelf-incriminerende verklaringen aflegt, heeft de afwezigheid van de naleving van de cautieplicht niet noodzakelijk voor gevolg dat het eerlijke karakter van het proces in het gedrang komt (Cass. 6 september 2011, P.11.1075.N, www.juridat.be).

Uit de voorliggende gegevens blijkt dat er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt tijdens de verhoren van beklaagde, noch blijkt het dat de beklaagde zich op het ogenblik van de verhoren en tijdens het onderzoek in een kwetsbare positie bevond. Door het consulteren van een raadsman voorafgaand aan de start van het gerechtelijk onderzoek, en door de mogelijkheid om tussen haar diverse verhoren haar raadsman in alle vrijheid te consulteren en de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen, blijkt dat het strafonderzoek regelmatig is verlopen en werden de rechten van verdediging van beklaagde en het eerlijke karakter van het proces, optimaal gevrijwaard.

3. De loutere aanbieding van de verduisterde dividend- en/of interestcoupons ter inning en de loutere verkoop van de verduisterde en vervolgens gedeponeerde waardepapieren aan toonder, telkens via de eigen bankrekeningen van beklaagde bij de bank, betreffen uitvoeringsmodaliteiten van het basismisdrijf misbruik van vertrouwen en kaderen in de bedrieglijke verduistering van deze waardepapieren en coupons door beklaagde.


Arrêt - Texte intégral

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 15 maart 2012

te Antwerpen, 12e kamer

(...)

4. Beoordeling

(...)

4.2. Ontvankelijkheid van de strafvordering

Beklaagde werpt in haar conclusies de onontvankelijkheid van de strafvordering op, om reden dat haar rechten van verdediging zouden geschonden zijn tijdens het door de interne inspectiedienst van KBC gevoerde onderzoek, alsmede tijdens het gerechtelijk onderzoek dat volgens beklaagde enkel à charge werd gevoerd en dat gebaseerd is op het resultaat van het intern onderzoek van KBC.

Samen met de eerste rechter, is het hof van oordeel dat er geen reden bestaat om de strafvordering onontvankelijk te verklaren, en dat er evenmin reden bestaat om de verklaringen door beklaagde tijdens het gerechtelijk onderzoek afgelegd zonder bijstand van een raadsman, als bewijs uit te sluiten.

Hiervoor wordt verwezen naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter, welke door beklaagde in hoger beroep niet weerlegd wordt en door het hof wordt beaamd en overgenomen, en aangevuld als volgt.

Het hof houdt bij de beoordeling van de strafzaak géén rekening met de besluiten van het intern onderzoek van KBC, noch met de door beklaagde ondertekende schuldbekentenis die kort nadien per aangetekend schrijven werd herroepen door beklaagde.

Er dient echter een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de vastgestelde bancaire verrichtingen inzake de aan- en verkoop van de betrokken waardepapieren door beklaagde, en anderzijds de door beklaagde afgelegde verklaringen tijdens het intern onderzoek en de conclusies die door KBC aan haar eigen intern onderzoek worden verbonden.

De vastgestelde bancaire verrichtingen inzake de aan- en verkoop van de betrokken waardepapieren, en de bestemming van de verkoopopbrengsten, zijn objectieve gegevens die blijken uit de voorgelegde geëigende bankdocumenten, die deel uitmaken van het strafdossier, waarover alle partijen tegenspraak hebben kunnen voeren tot en met de behandeling van de zaak in hoger beroep. Het hof stelt vast dat beklaagde in haar beroepsconclusies per tenlastelegging de beschikbare bankdocumenten bespreekt en toelicht, waarbij zij op geen enkel ogenblik de waarachtigheid en de bewijskracht van deze bankdocumenten in twijfel trekt. Tijdens het gerechtelijk onderzoek werden deze bankdocumenten mee in het onderzoek betrokken, zodat er geen enkele reden bestaat om deze objectieve stukken uit de debatten te weren.

Aangezien er onvoldoende duidelijkheid bestaat over de wijze waarop beklaagde in het kader van het intern onderzoek van KBC werd ondervraagd, houdt het hof bij de beoordeling van de schuldvraag geen rekening met de door beklaagde afgelegde en ondertekende verklaring d.d. 03.03.2008 (stukken 63-65), noch met de conclusies die door KBC aan haar eigen intern onderzoek worden verbonden.

Wanneer een werkgever mogelijke onregelmatigheden ontdekt die door één van haar werknemers gepleegd zouden zijn, heeft deze werkgever alleszins het recht om eerst een intern onderzoek te voeren naar de correctheid van haar vermoedens, alvorens beslissingen te nemen met verstrekkende gevolgen voor de werknemer, zoals een ontslag om dringende reden of het indienen van een strafklacht met burgerlijke partijstelling tegen de betrokken werknemer.

Het hof beoordeelt de schuld van beklaagde echter vanuit de inhoud van het strafdossier, waarover alle partijen voldoende tegenspraak hebben kunnen voeren na overleg met hun respectieve raadslieden.

Met betrekking tot het gebrek aan bijstand van een raadsman tijdens het eerste verhoor van beklaagde in het kader van het gerechtelijk onderzoek, verwijst het hof vooreerst naar de uitvoerige en oordeelkundige redengeving van de eerste rechter, welke door het hof wordt beaamd en overgenomen, en aangevuld als volgt.

In haar beroepsconclusies verwijst beklaagde uitvoerig naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die handelt over rechtszaken waarbij de beklaagde werd veroordeeld (mede) op basis van incriminerende verklaringen die deze beklaagde had afgelegd tijdens een politieverhoor zonder de bijstand van een raadsman.

In huidige zaak heeft beklaagde echter tijdens het gerechtelijk onderzoek géén zelf-incriminerende verklaringen afgelegd, en werd de veroordeling door de eerste rechter niet gesteund op de door haar afgelegde verklaringen. Het standpunt dat beklaagde in haar ondervragingen door de politie heeft ingenomen, komt erop neer dat zij van de diverse weerhouden klanten waardepapieren heeft gekregen als dank voor haar goede diensten. Dit standpunt heeft beklaagde overigens bevestigd ter zitting van het hof d.d. 16.02.2012, en dit standpunt wordt tevens in detail weergegeven in haar beroepsconclusies. In het kader van het gerechtelijk onderzoek dat thans ter beoordeling voorligt, is er geen sprake van een (gedeeltelijke) bekentenis door beklaagde.

Wanneer de verdachte geen zelf-incriminerende verklaringen aflegt, heeft de afwezigheid van de naleving van de cautieplicht niet noodzakelijk voor gevolg dat het eerlijke karakter van het proces in het gedrang komt (Cass. 6 september 2011, P.11.1075.N, www.juridat.be).

Bovendien stelt het hof vast dat beklaagde voor het eerst werd verhoord door de politie op 30.07.2008, zijnde ruim 4 maanden nadat beklaagde een raadsman had geconsulteerd. Naar aanleiding van het ontslag om dringende reden van beklaagde, werd er immers reeds op 13.03.2008 een aangetekend schrijven gericht door de raadsman van beklaagde aan N.V. KBC.

Na raadpleging van haar raadsman, was beklaagde derhalve voldoende ingelicht over haar rechten en plichten, met inbegrip van haar zwijgrecht. Ook had beklaagde tussen de diverse afgenomen verhoren (30.07.2008, 04.08.2008, 04.11.2008 en 08.11.2008) steeds de mogelijkheid om vrij haar raadsman te consulteren, en haar verdedigingsstrategie te bepalen. Beklaagde had bij de regeling van de rechtspleging ook de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen, waarvan zij echter geen gebruik heeft gemaakt.

Uit de voorliggende gegevens blijkt dat er kennelijk geen misbruik of dwang is gebruikt tijdens de verhoren van beklaagde, noch blijkt het dat de beklaagde zich op het ogenblik van de verhoren en tijdens het onderzoek in een kwetsbare positie bevond. Door het consulteren van een raadsman voorafgaand aan de start van het gerechtelijk onderzoek, en door de mogelijkheid om tussen haar diverse verhoren haar raadsman in alle vrijheid te consulteren en de mogelijkheid om bijkomende onderzoekshandelingen te vragen, blijkt dat het strafonderzoek regelmatig is verlopen en werden de rechten van verdediging van beklaagde en het eerlijke karakter van het proces, optimaal gevrijwaard.

Er is dan ook geen sprake van enige (onherstelbare) schending van de rechten van verdediging van beklaagde of van diens recht op een eerlijk proces, zodat de strafvordering door de eerste rechter volkomen terecht ontvankelijk werd verklaard.

4.3. Motivering ten gronde

4.3.1. Op strafrechtelijk gebied

4.3.1.1. tenlastelegging A.

(...)

4.3.1.2. tenlastelegging B.

(...)

Gelet op de ruime formulering van tenlastelegging B., waarbij de 3 mogelijke witwasmisdrijven van het oude art. 505, lid 1 Sw. voorzien werden (meer bepaald art. 505, lid 1, 2°, 3° en 4° Sw.), en gelet op de schuldigverklaring van beklaagde aan het basismisdrijf van tenlasteleggingen A.I t.e.m. A.X, is het duidelijk dat voor de tenlasteleggingen B.I, B.II en B.III enkel het witwasmisdrijf van art. 505, lid 1, 3° Sw. wordt bedoeld.

De loutere aanbieding van de verduisterde dividend- en/of interestcoupons ter inning (tenlastelegging B.I) en de loutere verkoop van de verduisterde en vervolgens gedeponeerde waardepapieren aan toonder (tenlastelegging B.II), telkens via de eigen bankrekeningen van beklaagde bij KBC BANK N.V., betreffen uitvoeringsmodaliteiten van het basismisdrijf misbruik van vertrouwen en kaderen in de bedrieglijke verduistering van deze waardepapieren en coupons door beklaagde. Beklaagde wordt derhalve vrijgesproken voor de tenlasteleggingen B.I en B.II.

De feiten onder tenlastelegging B.III zijn bewezen in hoofde van beklaagde op basis van de bevindingen van de Cel voor Financiële Informatieverwerking (kaft 15). In tegenstelling tot de verrichtingen vermeld onder de tenlasteleggingen B.I en B.II, werd de opbrengst van de onder tenlastelegging A.VII verduisterde effecten ten bedrage van 16.019,58 EUR niet gecrediteerd op één van de KBC-rekeningen van beklaagde, doch wel op de rekening nr. ... op naam van de ouders van beklaagde, waarna dit bedrag in de daaropvolgende maanden stelselmatig werd doorgesluisd naar een andere bankrekening van de ouders van beklaagde nr. ... (4.000 EUR op 22.12.2005), naar de bankrekening van de zus van beklaagde nr. ... (2.000 EUR op 22.12.2005) en in 4 schijven naar de bankrekening van beklaagde nr. ... (in totaal 9.000 EUR in deelstortingen op 11.01.2006, 12.01.2006, 31.01.2006 en 16.02.2006). Deze transacties hadden als enig doel om de illegale herkomst van de gelden te verdoezelen, hetgeen een inbreuk inhoudt tegen de bepalingen van art. 505, lid 1, 3° Sw.

Door herbelegging van een totale geldsom van 98.313,47 EUR, voortkomende als globaal vermogensvoordeel uit de misdrijven zoals voorzien onder tenlasteleggingen A.I tot en met A.X, heeft beklaagde deze gelden verheeld of verhuld, ofschoon zij op het ogenblik van de aanvang van de herbeleggingen de wederrechtelijke oorsprong ervan kende. De aldus gepreciseerde en heromschreven tenlastelegging B.IV.a is bewezen in hoofde van beklaagde.

(...)

Mots libres

  • 1. Strafrecht

  • recht van verdediging

  • uitsluiting van bewijs

  • intern onderzoek van bank

  • objectief vastgestelde bancaire verrichtingen

  • verklaringen afgelegd tijdens intern onderzoek en conclusies van intern onderzoek 2. Strafrecht

  • recht van verdediging

  • bijstand van een advocaat

  • geen zelf-incriminerende verklaringen

  • geen misbruik of dwang tijdens verhoor

  • verdachte niet in kwetsbare positie 3. Strafrecht

  • misbruik van vertrouwen

  • uitvoeringsmodaliteit van het basismisdrijf misbruik van vertrouwen

  • onderscheid met witwasmisdrijf