- Arrêt du 20 juin 2012

20/06/2012 - 2011PGA895

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1. Het plaatsen van reclamepanelen in strijd met de stedenbouwkundige vergunning is strafbaar (artikel 6.1.1.1° juncto 4.2.1.1° a VCRO).

2. Het gebruik van een reclamepaneel vereist niet dat de reclameaffiche (regelmatig) vervangen wordt. Zolang er op het reclamepaneel zichtbaar een reclameaffiche is bevestigd, is er een gebruik van het reclamepaneel.

3. Er bestaat geen wettelijke bepaling die stelt dat de herstelvordering moet worden ingesteld vóór het instellen van de strafvordering.

Voor het instellen van de herstelvordering zijn er geen substantiële pleegvormen bepaald. Het volstaat dat het bevoegde bestuur ondubbelzinnig haar wil en redenen te kennen heeft gegeven om de herstelvordering in te stellen, en dat partijen de gelegenheid hebben gehad dienaangaande tegenspraak te voeren.

De herstelvorderingen die in de loop van de strafprocedure werden ingesteld, dienen niet overgeschreven te worden in de registers van de hypotheekbewaarder en in het vergunningenregister.


Arrêt - Texte intégral

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 20 juni 2012

te Antwerpen, 12e kamer

(...)

4.4. Motivering ten gronde

4.4.1. Op strafrechtelijk gebied

4.4.1.1. tenlastelegging A.I

Na nieuw onderzoek ter terechtzitting door het hof, en door de stukken van het dossier, is de schuld van de beklaagde aan deze tenlastelegging zoals door de eerste rechter correct verbeterd, bewezen gebleven.

Het hof verwijst ter zake naar de objectieve vaststellingen van de gemeentelijke ambtenaar van de stad Antwerpen, die op 22.11.2007 heeft vastgesteld dat de hoogte van de door beklaagde geplaatste borden ongeveer 5,10 meter bedraagt, waar maximum 4 meter is voorgeschreven.

Uit de inhoud van het strafdossier blijkt dat beklaagde de feiten van de tenlastelegging A.I niet ernstig betwist, en zelfs uitdrukkelijk heeft erkend in haar schriftelijke verklaringen d.d. 17.01.2008 (stuk I.35) en 10.12.2007 (stuk I.38) alwaar zij stelt dat de hoogte van de borden 5 meter i.p.v. 4 meter bedroeg.

Beklaagde stelde tevens dat op 05.12.2007 de reclameborden werden geconformeerd aan de bouwverordening door de hoogte ervan te verlagen tot 4 meter, hetgeen een impliciete doch zekere erkenning van de inbreuk inhoudt, minstens voor wat betreft de incriminatieperiode van 31.07.2007 tot 01.09.2007.

Beklaagde kan niet gevolgd worden in haar standpunt dat de stedenbouwkundige vergunning d.d. 23.06.2006 niet zou vermelden dat de reclamepanelen in de nieuwe terreinafsluiting dienden geplaatst te worden.

In de stedenbouwkundige vergunning d.d. 23.06.2006, punt "2. beoordeling" (zie stuk I.12) staat eerst het voorwerp van de aanvraag vermeld, en vervolgens de wijze van plaatsing, en dit in de volgende bewoordingen:

"De aanvraag betreft het plaatsen van vier reclamepanelen en een terreinafsluiting.

De reclamepanelen worden geplaatst op twee locaties namelijk hoek ... en hoek ... in de nieuwe terreinafsluiting."

Tevens wordt bepaald dat het terrein volledig wordt afgesloten door een terreinafsluiting met een hoogte van twee meter.

Zowel op de door beklaagde opgestelde plannen (stukken I.1 en I.2), als op de bij de vergunningsaanvraag gevoegde computersimulatie (stuk 10b van het bundel van eiser tot herstel) zijn de reclamepanelen duidelijk geïntegreerd in de voorziene terreinafsluiting, en vormen zij aldus één vlak.

Bovendien bepaalt de stedenbouwkundige vergunning d.d. 23.06.2006, onder het punt "verordeningen" (zie stuk I.12), dat de gemeentelijke bouw- en woningverordening, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 26 maart 1986 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 mei 1986, van toepassing is. Art. 68 van de gemeentelijke bouw- en woningverordening bepaalde uitdrukkelijk dat reclamepanelen van dergelijke afmeting slechts als tijdelijke reclame aan of op bouwwerven vergund kunnen worden met een maximum hoogte van 4 meter.

Beklaagde bewijst niet dat in de weerhouden incriminatieperiode rond het bewuste terrein een afsluiting werd geplaatst. Integendeel, uit de foto's die als bijlage gevoegd werden bij het proces-verbaal d.d. 22.11.2007 (stuk I.24) blijkt dat er helemaal géén terreinafsluiting was geplaatst, en dat de reclamepanelen op een metalen paal stonden, los van enige werfafsluiting. Ter zitting van het hof d.d. 25.04.2012 stelde de raadsman van beklaagde dat er ter plaatse wellicht nooit een terreinafsluiting is geweest.

Het hof besluit op grond van bovenstaande elementen dat beklaagde in de weerhouden incriminatieperiode de 2 reclamepanelen heeft geplaatst in strijd met de stedenbouwkundige vergunning d.d. 23.06.2006, zodat tenlastelegging A.I (zoals verbeterd door de eerste rechter) bewezen is.

4.4.1.2. tenlasteleggingen A.II en B.I

(...)

Beklaagde heeft het bewuste reclamepaneel slechts verwijderd op 25.06.2008, waarbij het reclamepaneel tot deze datum door haar gebruikt bleef met een reclameaffiche, zoals blijkt uit het schrijven van beklaagde d.d. 26.06.2008 (stuk II.82). Door het bewust blijven gebruiken van een reclamebord, in een eerste fase in strijd met de bepalingen van de vergunning (te hoog en haaks op de gevellijn) en vanaf 28.02.2008 in een afsluiting, vergund als werfafsluiting zonder dat er een bouwwerf aanwezig was, heeft beklaagde ontegensprekelijk de stakingsbevelen d.d. 06.02.2008, 25.02.2008 en 18.03.2008 - respectievelijk bekrachtigd op 20.02.2008, 11.03.2008 en 03.04.2008 - doorbroken (tenlastelegging B.I).

Het gebruik van een reclamepaneel vereist niet dat de reclameaffiche (regelmatig) vervangen wordt. Zolang er op het reclamepaneel zichtbaar een reclameaffiche is bevestigd, is er een gebruik van het reclamepaneel.

De afgeleverde stedenbouwkundige vergunning d.d. 17.08.2007 vermeldt uitdrukkelijk als voorwaarde dat de reclame enkel geplaatst kan worden voor de duur van de werken, en dat deze samen met de werfafsluiting op het einde van de werken dient verwijderd te worden (stuk II.14). Het blijven gebruiken van het reclamepaneel nadat de werken waren beëindigd houdt een doorbreking in van de stakingsbevelen.

(...)

4.4.2. Wat betreft de herstelvordering van de eiser tot herstel

4.4.2.1. de ontvankelijkheid van de herstelvorderingen

Met betrekking tot de door beklaagde opgeworpen onontvankelijkheid van de herstelvorderingen, heeft de eerste rechter terecht vastgesteld dat er geen wettelijke bepaling bestaat, die stelt dat de herstelvordering zou moeten worden ingesteld vóór het instellen van de strafvordering.

Voor het instellen van de herstelvordering zijn er geen substantiële pleegvormen bepaald. Het volstaat dat het bevoegde bestuur ondubbelzinnig haar wil en redenen te kennen heeft gegeven om de herstelvordering in te stellen, en dat partijen de gelegenheid hebben gehad dienaangaande tegenspraak te voeren. De adviezen van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid werden eveneens voorzien.

De dagvaarding werd overgeschreven op het hypotheekkantoor op 29.03.2010, 07.04.2010 en 13.04.2010. De herstelvorderingen van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Antwerpen die in de loop van de strafprocedure werden ingesteld, dienen niet overgeschreven te worden in de registers van de hypotheekbewaarder en in het vergunningenregister. De verplichting tot overschrijving van het exploot tot inleiding van het geding in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn, beoogt immers de bescherming van derden. Door de overschrijving van de gedinginleidende dagvaarding, zijn de rechten van derden gevrijwaard. Herstelvorderingen die in de loop van het geding worden ingesteld, zijn overigens geen ‘exploten tot inleiding van het geding' zoals vermeld in art. 6.2.1. en 6.2.2. VCRO.

De herstelvorderingen zijn derhalve ontvankelijk.

(...)

Mots libres

  • 1. Strafrecht

  • Stedenbouwmisdrijf

  • Publiciteitsinrichting

  • Optrekken of plaatsen van een constructie in strijd met vergunning 2. Strafrecht

  • Stedenbouwmisdrijf

  • Publiciteitsinrichting

  • Voortzetting in strijd met het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of de beschikking in kortgeding

  • Gebruik 3. Strafrecht

  • Stedenbouwmisdrijf

  • Herstelvordering

  • Ontvankelijkheid

  • Geen substantiële pleegvormen

  • Herstelvordering ingesteld in de loop van de strafprocedure