- Arrêt du 19 septembre 2012

19/09/2012 - 2010AR3032

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Uitsluiting van de dekking van de schade, veroorzaakt door een verzekerde aan een andere verzekerde, met name aan personen die als inwonende bij de verzekeringnemer als verzekerde te beschouwen zijn. . Art. 6.2 van het KB BA-privé-leven houdt een onweerlegbaar vermoeden in van bedrog in verzekeringen.

Het onweerlegbaar karakter van het vermoeden van bedrog, zoals vervat in art. 6.2 KB B.A.-privé-leven en toegepast in art. 2.2 en 2.5 van de algemene polisvoorwaarden in kwestie, is niet in overeenstemming met de gelijkwaardigheid tussen de verbintenissen van de verzekeraar en van de verzekeringnemer

Krachtens art. 14 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen mogen de voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst geen enkele clausule bevatten die een inbreuk uitmaakt op de gelijkwaardigheid tussen de verbintenissen van de verzekeraar en van de verzekeringnemer.

Dergelijke ongelijkwaardige clausules moeten met toepassing van art. 19, §1 en 19bis van de wet van 09 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen worden geacht vanaf het sluiten van de verzekeringsovereenkomst te zijn opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de controlewet en de uitvoeringsbesluiten.

Aldus moet worden geacht dat art. 2.2 en 2.5 van de algemene polisvoorwaarden in overeenstemming te zijn met het beginsel van de gelijkwaardigheid van de verbintenissen van verzekeringnemer en de verzekeraar zodanig dat de bij de verzekeringnemer inwonende personen/verzekerden slechts van de hoedanigheid van derde-benadeelde kunnen worden uitgesloten na bewijs door de verzekeraar van de kwade trouw, het bedrog, de collusie of, in het algemeen, van de verzekeringsfraude van de verzekerde.

Na de heropening van de debatten kan het debat in beginsel enkel nog handelen over het door de rechter aangewezen onderwerp. Met toepassing van deze regel kunnen er in beginsel na de heropening van de debatten over dat bepaald onderwerp geen nieuwe vorderingen meer worden ingesteld buiten dat onderwerp. Het hof merkt evenwel op dat de zaak te dezen na heropening van de debatten werd behandeld door een anders samengestelde zetel dan deze die de heropening van de debatten had bevolen.

Artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond. Gezien de gewijzigde samenstelling van de zetel te dezen na de heropening van de debatten diende de nieuwe zetel de zaak ab initio te hernemen. In het proces-verbaal van openbare terechtzitting van 6 mei 2010 werd vermeld: "De zaak wordt hernomen in zijn huidige staat en samenstelling zetel".


Arrêt - Texte intégral

2010/AR/3032

AXA BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25, KBO-nummer 0404.483.367,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. SOL Ludwig, advocaat te 2300 TURNHOUT, Gemeentestraat 4/6

tegen de vonnissen van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 17 december 2009 en 03 juni 2010

tegen

1. G. H., optredende in eigen naam en als burgerlijk verantwoordelijke voor zijn destijds minderjarige dochter G. D., geboren in 1988

2. P. L., optredende in eigen naam en als burgerlijk verantwoordelijke voor haar destijds minderjarige dochter G. D.,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door Mr. JANSSENS Marina, advocaat te 2440 GEEL, Leeks 17

3. G. D., wonende te 2450 MEERHOUT, Molenberg 17,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. BECKERS René, advocaat te 2440 GEEL, Djepstraat 8

4. AG INSURANCE NV, voorheen FORTIS INSURANCE BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, E. Jacqmainlaan 53, KBO-nummer 0404.494.849,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. K. CROMMEN loco Mr. SCHUERMANS Luc, advocaat te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112

***

1. De feiten en voorafgaande akten van rechtspleging.

1.1. Op 11/08/1993 omstreeks 18u30 werd de toen nog minderjarige D G (°1988) te T. aangereden door een motorfiets, bestuurd door I. M.. Het kind stak de baan over nadat het het gestationeerde voertuig van haar ouders verlaten had. Ze werd door de aankomende motorfiets aangereden.

D. G. werd daarbij verwond met blijvend letsel (craniaal trauma met schedelfractuur).

H. G. en L. P., ouders van D. G., meenden dat Y. M. aansprakelijk was voor de aanrijding.

1.2. H. G. en L. P. gingen, "optredend als ouders van hun minderjarige dochter D G", op 02/08/1994 over tot de dagvaarding van de nv Axa Belgium om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.

Zij spraken de nv Axa Belgium aan als WAM-verzekeraar van P. J., eigenaar van de betrokken motorfiets. P. J. had zijn voertuig op het tijdstip van het voormelde ongeval uitgeleend aan I. M.

H. G. en L. P. vorderden, in voormelde hoedanigheid, een provisionele schadevergoeding en een medisch deskundigenonderzoek.

1.3. Op 03/04/1995 zijn P. J., I. M. en de bvba P L S vrijwillig in het geding tussengekomen.

Zij vorderden de veroordeling ten laste van H. G. en L. P., als ouders van de minderjarige D. G., tot de betaling van de vergoeding van de schade die zij n.a.v. het ongeval beweerden te hebben opgelopen.

P J vorderde een vergoeding van euro 3 322,02 (134.010,- : 40,3399), vermeerderd met rente en kosten.

I M vorderde een provisionele schadevergoeding van euro 4 957,87 (200.000,- : 40,3399), vermeerderd met rente en kosten, en een medisch deskundigenonderzoek.

De bvba P L S vorderde een provisionele schadevergoeding van euro 2 478,94 (100.000,- : 40,3399), vermeerderd met rente en kosten, en een boekhoudkundig deskundigenonderzoek.

1.4. De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval in haar vonnis van 03/06/1996 zowel bij I. M. voor 1/4de als bij H. G. en L. P. voor 3/4de gelegd.

De rechtbank oordeelde dat I. M. een fout beging door de dubbele voorzichtigheidsplicht van een bestuurder van een voertuig t.a.v. kinderen onvoldoende in acht te nemen.

Ten aanzien van H. G., L. P. en D. G. sprak de rechtbank zich uit in volgende bewoordingen: "P. en G. gaan evenmin vrij uit. Uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat zij manifest onvoldoende toezicht hebben uitgeoefend op hun dochtertje zodat zij eveneens aansprakelijkheid dragen krachtens art. 1384, lid 2 B.W. Aan de minderjarige zelf kan geen fout worden verweten gezien deze, gelet op haar zeer jeugdige leeftijd, niet toerekeningsvatbaar was."

Met verwijzing naar de aansprakelijkheid in solidum bij samenlopende fouten werd verzekeraar Axa Belgium veroordeeld tot integrale vergoeding van D. G. Er werd een medisch deskundigenonderzoek bevolen.

Aan de nv Axa Belgium werd voorbehoud verleend voor een regresvordering tegen H. G. en L. P, "in hun hoedanigheid van burgerlijk verantwoordelijken van de uit te keren schadevergoeding pro rata hun aansprakelijkheid...".

H. G. en L P werden veroordeeld tot integrale vergoeding van P J en van de bvba P L S en tot 3/4de van de schade van I M. Er werd een medisch deskundigenonderzoek bevolen m.b.t. I M en een boekhoudkundig deskundigenonderzoek m.b.t. de bvba P L S.

1.5. H. G. en L. P., "optredend als ouders van hun minderjarige dochter D. G.", hebben tegen dit vonnis op 09/09/1996 hoger beroep ingesteld.

1.6. Het hof heeft dit hoger beroep in zijn arrest van 08/03/2000 ongegrond verklaard. De zaak werd voor verdere afdoening terug gezonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.

1.7. De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout sprak zich in een vonnis van 08/02/2001 uit over de schade-eis van I. M..

H. G. en L. P. werden "als burgerlijk verantwoordelijken voor D. G." in solidum veroordeeld tot de betaling aan I. M. van de som van euro 4 386,38 (176.946,- : 40,3399), vermeerderd met rente en kosten.

1.8. Op 05/06/2002 legde Dr. J. Haeverans, aangesteld als gerechtsdeskundige in voormeld vonnis van 03/06/1996 zijn verslag m.b.t. D. G. neer.

Zijn eindadvies luidde:

"1. Tijdelijke werkonbekwaamheid:

100% vanaf 11.08.1993 tot en met 14/09/1993

50% vanaf 15/09/1993 tot en met 10.10.1993

25% vanaf 11/10/1993 tot en met 31/12/1993

20% vanaf 01/01/1994 tot en met 31/08/1995

2. Datum van voorlopig besluit: 01/09/1995

3. Blijvende invaliditeit: 15%

Er wordt besloten op datum van 01/09/1995 tot een blijvende invaliditeit van 15%. De blijvende werkonbekwaamheid dient geëvalueerd te worden op 18-jarige leeftijd met eventuele aanvullende onderzoeken.

4. Esthetische schade: 2 in de schaal van 1 op 7.

5. Reserve dient gemaakt voor posttraumatische epilepsie tot 15 jaar na de ongevalsdatum."

1.9. De vrederechter te Geel heeft op 09/09/2003 advocaat Kathleen Corsus als voogd ad hoc over D. G. aangesteld. Zij kwam in het geding tussen op 07/05/2004.

1.10. Op 28/12/2004 heeft de nv Axa Belgium een dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring uitgebracht tegen H. G. en L. P. in eigen naam.

Axa voerde aan dat er een tegenstrijdigheid van belangen was ontstaan tussen H. G. en L. P. en hun dochter D. en dat zij de uitgaven waarvoor zij moest instaan, kon vorderen van H. G. en L. P. in eigen naam wegens hun persoonlijke fouten. Hun veroordeling werd gevorderd tot de betaling van euro 1,00 provisioneel, vermeerderd met rente en kosten.

1.11. Op 09/03/2006 heeft D. G., meerderjarig geworden, het geding verder gezet.

1.12. Op 08/01/2007 hebben H. G. en L. P. een dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitgezonden tegen de nv Fortis Insurance Belgium, hun familiale verzekeraar. Deze verzekeraar had wel de partijen J., M. en P S vergoed maar meende geen waarborg te moeten verlenen m.b.t. de aanspraken van Axa Belgium.

1.13. Gerechtsdeskundige Dr. J. Haeverans heeft op 08/08/2008 een aanvullend verslag neergelegd.

Hij adviseerde een blijvende werkonbekwaamheid op 18 jaar van 50%.

1.14. Partijen hebben hun eisen en hun verweer na het deskundigenverslag van Dr. J. Haeverans opnieuw ingediend.

1.15. Het eerste bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 17/12/2009 heeft de eisen als volgt beoordeeld.

De eis van H. G. en L. P. in eigen naam tegen Axa Belgium, WAM-verzekeraar van het betrokken voertuig, werd gedeeltelijk gegrond verklaard door Axa Belgium te veroordelen tot de betaling van een hoofdsom van euro 493,47, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van 5% per jaar vanaf 17/10/2001 tot op de dag van de uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de betaling. Het betreft 1/4de van de medische en farmaceutische kosten, verplaatsingskosten, administratieve kosten, kledijschade en hulp van derden die, volgens de eerste rechter, door de huwgemeenschap G.-P. werden gedragen.

De eis van D. G. tegen de nv Axa Belgium werd reeds gedeeltelijk gegrond verklaard door de verzekeraar te veroordelen tot de betaling van een som van euro 7 324,48, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van 5% per jaar op de som van euro 4 824,50 vanaf 06/05/1994, op de som van euro 2 500,00 vanaf 30/06/1995 tot op de dag van de uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van betaling. Het debat werd heropend m.b.t. het verslag van ergoloog Dullers van 12/06/2008 en m.b.t. de schade in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid. De reeds toegekende vergoedingen slaan op de morele schade in de periode van tijdelijke invaliditeit, op het verlies van een schooljaar en van de mogelijkheid om het gewone onderwijs te volgen. Een vergoeding voor meerinspanningen werd afgewezen.

M.b.t. de eis van Axa Belgium tegen H. G. en L. P. werden de debatten heropend, meer in het bijzonder wat de rechtsgrond van die eis betreft, te weten art. 29bis WAM-wet en de toepasbaarheid van het subrogatoir verhaalsrecht op de ouders van het slachtoffer.

De beslissing over de eis van H. G. en L. P. tegen hun BA-verzekeraar, de nv Fortis Insurance Belgium, werd aangehouden.

1.16. Het tweede bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 03/06/2010 besliste als volgt.

Over de eis van D. G. werd geoordeeld dat haar blijvende arbeidsongeschiktheid moet worden vastgesteld op 50% en dat de daarvoor verschuldigde vergoeding bij gebreke van nuttig vergelijkingsmateriaal over een arbeidsinkomen, dat betrokkene nooit heeft genoten, moet worden begroot op basis van een forfait van euro 2 500,00 per punt. Volgens de eerste rechter moeten de werkloosheidsuitkeringen niet in mindering gebracht worden. De eerste rechter kende gerechtelijke interesten toe vanaf de uitspraak. De gevorderde vergoeding voor meerinspanningen werd afgewezen. Voor het verlies van economische waarde van de huishoudelijke arbeid werd een billijkheidsvergoeding toegekend van euro 50 000,00, vermeerderd met gerechtelijke interesten vanaf de uitspraak. Voor de morele schade in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid werd de splitsingsmethode toegepast met kapitalisatie van de toekomstige schade ten belope van een som van euro 49 357,13, vermeerderd met de gerechtelijke rente. De esthetische schade werd begroot op euro 1 000,00.

Ten aanzien van de eis van Axa Belgium tegen H. G. en L. P. verwierp de eerste rechter de exceptie van de verjaring. Er werd geoordeeld dat de eis van Axa Belgium ongegrond was bij gebreke van bewijs van eigen schade. De vergoedingen die zij uitkeerde tot nakoming van haar verplichtingen als verzekeraar werden niet als eigen schade aangenomen.

De eis van H. G. en L. P. tegen hun BA-verzekeraar Fortis Insurance Belgium werd zonder voorwerp verklaard.

De tusseneis van Axa Belgium tegen de nv Fortis Insurance Belgium werd onontvankelijk verklaard omdat deze werd ingesteld buiten de grenzen van de heropening van de debatten, zoals bevolen bij vonnis van 17/12/2009.

Aldus werd de nv Axa Belgium veroordeeld tot de betaling aan D. G. van de bijkomende som van euro 245 565,88, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van 5% per jaar op de som van euro 20 208,75 vanaf 16/01/2003, op de som van euro 1 000,00 vanaf 01/09/1995, tot op de dag van de uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

Aan D. G. werd voorbehoud verleend voor vorderingen betreffende het verlies van pensioenrechten en voor de fiscale weerslag op de uit te keren vergoedingen.

De nv Axa Belgium werd veroordeeld tot de proceskosten aan de zijde van D. G. en van H. G. en L. P. m.b.t. de tussen hen ingediende hoofdeisen.

De nv Axa Belgium werd eveneens veroordeeld tot de proceskosten aan de zijde van H. G. en L. P. m.b.t. de eis in tussenkomst en vrijwaring.

H. G. en L. P. werden veroordeeld tot de proceskosten aan de zijde van de nv Fortis Insurance Belgium m.b.t. hun eis in tussenkomst en vrijwaring.

1.17. De nv Axa Belgium, hierna in 't kort Axa genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 06/10/2010.

De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 12/06/2012.

2. De eisen in hoger beroep

2.1. Axa vordert dat wordt gezegd dat zij slechts kan gehouden zijn de schade van D. G. te vergoeden ten belope van 1/4de.

Axa vordert de cijfermatige herleiding van de aan D. G. in eerste aanleg toegekende vergoedingen.

Axa verzoekt rekening te houden met de provisies die inmiddels werden uitbetaald.

Axa vraagt H. G. en L. P. en D. G. te veroordelen tot de proceskosten van beide aanleggen.

Ondergeschikt dient Axa opnieuw haar tusseneis in vrijwaring in tegen H. G. en L. P. en stelt zij ook opnieuw een tusseneis in tegen de nv Fortis Insurance Belgium. Zij vordert dan de veroordeling van H. G. en L. P. en van de nv Fortis Insurance Belgium, solidair, in solidum minstens van de ene bij gebreke van de andere tot de betaling van de som van euro 16 632,40, vermeerderd met de wettelijke interesten op de som van euro 3 750,00 vanaf 18/01/2007, op de som van euro 5 382,40 vanaf 24/02/2010, op de som van euro 3 750,00 vanaf 25/05/2010 en op de som van euro 3 750,00 vanaf 18/10/2010.

Axa vordert bovendien de veroordeling van H. G. en L. P. en van de nv Fortis Insurance Belgium, solidair, in solidum minstens van de ene bij gebreke van de andere om haar te vrijwaren ten belope van 3/4de van alle sommen, waartoe zij zou veroordeeld worden in het voordeel van D. G., zowel in hoofdsom, interesten als kosten.

Axa concludeert tot de afwijzing van het incidenteel beroep van H. G. en L. P. en van D. G..

2.2. H. G. en L. P., hierna in 't kort G.-P. genoemd, hebben incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van 03/06/2010 en zij vorderen dat de eis in tussenkomst en gemeenverklaring van Axa, bij hervorming van het bestreden vonnis, ontoelaatbaar zou worden verklaard wegens verjaring.

Zij vragen, ondergeschikt, het hoger beroep van Axa alleszins ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen wat de afwijzing van de eis van Axa als ongegrond betreft. Ze verzoeken Axa te veroordelen tot de proceskosten van beide aanleggen.

Meer ondergeschikt vorderen G.-P. dat hun eis tot vrijwaring tegen de nv Fortis Insurance Belgium gegrond zou worden verklaard en deze zou worden veroordeeld tot de proceskosten van beide aanleggen.

2.3. D. G. verzoekt het hoger beroep van Axa als ongegrond af te wijzen.

Zij heeft incidenteel beroep ingesteld.

Zij vordert bij hervorming van de bestreden vonnissen Axa te veroordelen tot de betaling aan haar:

- van de som van euro 2 713,84 wegens meerinspanningen in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf de gemiddelde datum van het ongeval tot op de dag van het tussen te komen arrest en vanaf dan met de verwijlinteresten tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 9 996,00 wegens meerinspanningen in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 01/09/1995 tot op de dag van het tussen te komen arrest en vanaf dan met de verwijlinteresten tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 75 902,99 wegens morele schade in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf de gemiddelde datum op de som van euro 23 381,25 tot op de dag van het tussen te komen arrest en vanaf dan met de verwijlinteresten tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 298 382,10 wegens materiële schade in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 06/02/2006 op de som van euro 552,76 en vanaf de gemiddelde datum op de som van euro 53 160,68 tot op de datum van het tussen te komen arrest en vanaf dan met de verwijlinteresten tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 111 017,94, wegens verlies van de economische waarde van de huishoudelijke arbeid in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid,

- van de som van euro 1 500,00 wegens esthetische schade, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 11/08/1993 tot op de dag van het tussen te komen arrest en vanaf dan met de verwijlinteresten tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 4 000,0 wegens het verlies van een schooljaar, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 01/09/1995 tot op de dag van het tussen te komen arrest en vanaf dan met de verwijlinteresten tot op de dag van de betaling.

D. G. vraagt voorbehoud m.b.t. het verlies van pensioenrechten en de fiscale weerslag van de toegekende vergoedingen.

D. G. verzoekt Axa te veroordelen tot de proceskosten van beide aanleggen.

2.4. De nv AG Insurance, voorheen nv Fortis Insurance Belgium, in 't kort AG genoemd, verzoekt het hoger beroep van Axa en van G.-P. ongegrond te verklaren.

Zij besluit tot de bevestiging van de beroepen vonnissen en tot de veroordeling van Axa en van G.-P. tot de proceskosten van beide aanleggen.

3. Beoordeling

Het hoger beroep van Axa m.b.t. haar gehoudenheid in solidum ten aanzien van D. G..

3.1. Axa houdt voor dat D. G. slechts 1/4de van haar schade van haar kan recupereren. Axa verwijst naar het vonnis van 3 juni 1996 waarbij G.-P. voor 3/4de aansprakelijk werden geacht voor de schade van D. G.. Axa besluit dat D. G. haar schade ten belope van 3/4de moet verhalen op haar ouders G.-P..

D. G. besluit tot de bevestiging van de beoordeling van de gehoudenheid van Axa in de vonnissen van 3 juni 1996, 27 december 2009 en 3 juni 2010 waarbij Axa gehouden werd de schade van D. G. integraal te vergoeden.

3.2. De rechtbank van eerste aanleg te Turnhout besliste in haar vonnis van 3 juni 1996 dat Axa gehouden is, als schuldenaar in solidum bij samenlopende fouten, tot de integrale vergoeding van de schade van D. G..

Dit vonnis werd bevestigd door het arrest van dit hof van 8 maart 2000. Er werd geen bewijs geleverd van de betekening van dit arrest noch van een hiertegen ingestelde voorziening in cassatie. De rechtspleging werd inmiddels wel door Axa, door G.-P. en door alle andere betrokkenen zonder enig voorbehoud m.b.t. een voorziening in cassatie voortgezet zodat partijen daarin stilzwijgend hebben berust. Het tussenvonnis van 3 juni 1996 werd aldus definitief en is in kracht van gewijsde gegaan. Alleszins geniet dit tussenvonnis tussen onderhavige partijen gezag van gewijsde.

Door in het vonnis van 3 juni 1996 in eerste aanleg te beslissen dat D. G. haar schade integraal kan verhalen op Axa en door de bevestiging van deze beslissing in hoger beroep bij arrest van dit hof van 8 maart 2000 was de rechtsmacht over deze kwestie uitgeput zodanig dat de eerste rechter in de vonnissen van 17 december 2009 en van 3 juni 2010 niet anders meer kon oordelen en ook het hof daarover thans niet meer anders kan oordelen.

De gehoudenheid van Axa tot integrale schadevergoeding van D. G. staat dan ook vast.

Het hoger beroep van Axa is in dit onderdeel ongegrond.

De exceptie van de verjaring tegen de regres-(vrijwarings-) vordering van Axa tegen G.-P. - incidenteel beroep van G.-P..

3.3. Zoals vermeld, ging Axa op 28 december 2004 over tot de dagvaarding in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring van partijen G.-P. in het aanhangige geschil voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout gekend onder nummer 94/76223/A.

Door middel van deze dagvaarding vorderde Axa de veroordeling van partijen G.-P. om tussen te komen in het voormelde geding en tot de betaling aan haar van een provisionele schadevergoeding van euro 1,00, vermeerderd met verwijlinteresten, gerechtelijke intresten en proceskosten.

In deze dagvaarding zette Axa uiteen dat het aangewezen was dat partijen G.-P. in eigen naam in het geding zouden betrokken worden. Zij vermeldde dat deze partijen voordien slechts in het geding aanwezig waren handelend als ouders van hun minderjarige dochter D. G..

In haar conclusie, neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 23 juni 2006, heeft Axa gemeld dat haar dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring van 28 december 2004 overbodig was wat de gevorderde gedwongen tussenkomst betrof. Axa haalde aan dat de eerste rechter in het vonnis van 3 juni 1996 reeds had beslist dat partijen G.-P. zowel in de hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers als in de hoedanigheid van burgerlijk verantwoordelijken voor hun minderjarige dochter D. in het geschil betrokken waren. Axa heeft dan haar eis tegen partijen G.-P. aangepast en vorderde hun veroordeling, solidair, in solidum, minstens van de ene bij gebreke van de andere tot haar vrijwaring ten belope van 3/4de van de bedragen, zowel in hoofdsom, interesten als kosten, waartoe zij tot de betaling aan D. G. zou veroordeeld worden.

Partijen G.-P. hebben tegen deze eis in vrijwaring de exceptie van de verjaring ingediend.

De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis van 3 juni 2010 de exceptie van de verjaring afgewezen. De eis van Axa werd evenwel ongegrond verklaard.

3.4. In hoger beroep heeft Axa haar eis in vrijwaring tegen partijen G.-P. opnieuw ingediend en zij vordert er de toewijzing van. Partijen G.-P. hebben hiertegen de exceptie van de verjaring opnieuw laten gelden.

Partijen G.-P. gaan ervan uit dat Axa haar vordering slechts heeft ingediend door middel van de dagvaarding van 28 december 2004. Zij steunen hun exceptie van verjaring op artikel 2262bis, § 1 van het Burgerlijk Wetboek. Zij besluiten dat Axa haar eis laattijdig, meer bepaald meer dan 10 jaar na het ongeval van 11 augustus 1993, heeft ingesteld. Zij vorderen dat de eis verjaard zou worden verklaard. Zij poneren dat het feit dat aan Axa een voorbehoud voor het indienen van een regresvordering werd verleend in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 3 juni 1996 niet afdoet aan de verjaring.

3.5. Het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 3 juni 1996 werd integraal bevestigd door het arrest van dit hof van 8 maart 2000. Zoals voormeld is dit vonnis van 3 juli 1996 in kracht van gewijsde gegaan en geniet het alleszins gezag van gewijsde tussen de partijen.

Aldus moet worden aangenomen als vaststaand tussen de partijen:

- "G.-P. hebben de procedure ingeleid als ouders van hun minderjarige dochter D. G.. Bij gebrek aan nadere specifiëring omvat die kwalificatie zowel de hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers als deze van burgerlijk verantwoordelijken, zodat zij ook in deze laatste hoedanigheid in het geding zijn betrokken." Hierdoor moet als vaststaand worden aangenomen dat partijen G.-P. reeds van bij aanvang van de procedure ook in eigen naam in het geding betrokken waren.

- "M. die het zeer jeugdige kind van op geruime afstand kon waarnemen en dit ook heeft gedaan en die, volgens zijn verklaring het kind samen met P. zag stilstaan aan de auto ter hoogte van de deur van de bestuurder, had zijn snelheid echter drastisch moeten verlagen om praktisch stapvoets te rijden bij het naderen van het kind en alzo onmiddellijk als het ware ter plaatse tot stilstand te kunnen komen bij een plotse impulsieve beweging van het kind zoals in casu het ondoordacht oversteken van de rijbaan. Art. 40.2 wegcode legt aan een bestuurder immers de verplichting op dubbel voorzichtig te zijn ten aanzien van kinderen. Zo M., rekening houdende met die verplichting, zijn snelheid afdoende had aangepast dan was de aanrijding niet gebeurd. M. is dan ook aansprakelijk voor het ongeval." Hierdoor moet als vaststaand worden aangenomen dat Axa, als WAM-verzekeraar van het voertuig bestuurd door M., met toepassing van artikel 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomst gehouden is tot vergoeding van de door haar verzekerde veroorzaakte schade aan de zijde van D. G..

- "P. en G. gaan evenmin vrijuit. Uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat zij manifest onvoldoende toezicht hebben uitgeoefend op hun dochtertje zodat ze eveneens aansprakelijkheid dragen krachtens art. 1384, lid 2 B.W. Aan de minderjarige zelf kan geen fout worden verweten gezien deze, gelet op haar zeer jeugdige leeftijd, niet toerekeningsvatbaar was." Hierdoor moet als vaststaand worden aangenomen dat de destijds nog minderjarige D. G. zelf een objectief onrechtmatige daad beging in oorzakelijk verband met haar schade, doch dat deze fout haar wegens haar jeugdige leeftijd niet toerekenbaar was. Partijen G.-P. dragen hiervoor ten aanzien van derden-benadeelden een persoonlijke aansprakelijkheid krachtens de toepassing van artikel 1384, 2de van het Burgerlijk Wetboek. Er werd echter niet tot een gedeelde aansprakelijkheid beslist. Zoals blijkt uit de hierna aangehaalde bewoordingen van het vonnis van 3 juni 1996 werd tot een aansprakelijkheid in solidum beslist tussen degenen die door hun samenlopende fouten de schade van D. G. veroorzaakten. Deze beoordeling impliceert met zekerheid dat de rechtbank een persoonlijke fout van G.-P. in de zin van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek in oorzakelijk verband met de schade van D. G. heeft aangenomen. Deze fout werd als volgt omschreven: "manifest onvoldoende toezicht op hun dochtertje". Het feit dat art. 1382-83 van het Burgerlijk Wetboek niet uitdrukkelijk werden vermeld doet daaraan niet af.

- " Gelet op de gehoudenheid in solidum bij samenlopende fouten kan de schade van de minderjarige D. G. integraal worden verhaald op de NV Axa Belgium, BA-verzekeraar van M.." Hierdoor moet als vaststaand worden aangenomen dat de schade van D. G. werd veroorzaakt door de "samenlopende fouten" van, enerzijds, I. M., bestuurder van het door Axa verzekerde motorrijtuig, en, anderzijds, van G.-P.. Er moet dan als vaststaand worden aangenomen dat Axa en G.-P. in solidum aansprakelijk zijn voor de schade die door D. G. werd opgelopen ingevolge het ongeval in kwestie.

- "Rekening houdende met de ernst en zwaarwichtigheid van de respectieve fouten wordt 1/4 van de aansprakelijkheid lastens M. en 3/4 lastens G. en P. gelegd." Hierdoor moet als vaststaand worden aangenomen dat in de onderlinge relatie tussen de schuldenaars in solidum van D. G. een verhouding van 1/4de ten laste van Axa en 3/4de ten laste van G.-P. bestaat.

- " Aan de NV Axa Belgium wordt voorbehoud voor regresvordering verleend opzichtens G. en P. in hun hoedanigheid van burgerlijk verantwoordelijken van de uit te keren schadevergoeding pro rata hun aansprakelijkheid zoals door haar gevorderd." Hierdoor moet als vaststaand worden aangenomen dat aan Axa een voorbehoud werd verleend van het recht om een regresvordering in te stellen ten laste van de medeschuldenaars partijen G.-P..

3.6. De tusseneis van Axa tegen G.-P. betreft het verhaal van de schuldenaar op zijn medeschuldenaars, die in solidum met deze medeschuldenaars is gehouden tot vergoeding van het slachtoffer/schuldeiser. Het gaat m.a.w. over een regresvordering. Het feit dat Axa haar rechtsvordering op G.-P. in de loop van de rechtspleging ook een vrijwaringsvordering heeft genoemd, doet daaraan niet af.

Deze rechtsvordering is ontstaan uit de gehoudenheid in solidum, vastgesteld in het voormelde tussenvonnis van 3 juni 1996. Het betreft geen rechtsvordering voortkomend uit een verzekeringsovereenkomst noch een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid in de zin van art. 2262bis, §1 , 2de lid van het Burgerlijk Wetboek, maar een persoonlijke rechtsvordering zoals bedoeld in art. 2262bis, §1, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, zodat de verjaringstermijn 10 jaar bedraagt.

De rechtsvordering van Axa ontstond krachtens het tussenvonnis van 3 juni 1996, d.i. vóór de inwerkingtreding op 27 juli 1998 van de wet van 10 juli 1998 en was bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet verjaard verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.

Wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen volgens art. 10 van de overgangsbepalingen van deze wet slechts te lopen vanaf haar inwerkingtreding zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn meer mag bedragen dan 30 jaar.

Axa heeft haar vordering tegen de G.-P. ingesteld door middel van haar dagvaarding van 28 december 2004, minstens door middel van haar conclusie neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 3 mei 2005.

De vordering van Axa werd derhalve alleszins ingesteld binnen de termijn van 10 jaar vanaf 27 juli 1998 en is tijdig ingesteld.

Het hof bevestigt dan ook de beslissing van de eerste rechter tot afwijzing van de verjaringsexceptie van partijen G.-P.. Deze beslissing steunt weliswaar op andere, hiervoor ontwikkelde gronden.

Het incidenteel beroep van G.-P. is in zoverre ongegrond.

De regresvordering van Axa tegen G.-P. - ten gronde.

3.7. In het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 3 juni 2010 werd geoordeeld dat Axa als schadeverzekeraar niet kan worden beschouwd als een benadeelde die eigen schade heeft geleden wegens de bedragen die hij dient uit te betalen naar aanleiding van het schadegeval. De eis van Axa tegen G.-P. werd dan ook afgewezen bij gebreke van bewijs van eigen schade.

Axa betwist deze beslissing. Axa verwijst naar het gezag van gewijsde van het vonnis van 3 juni 1996 en van het arrest van dit hof van 8 maart 2000, naar de hoofdelijkheid tussen daders van strafrechtelijke inbreuken, naar het regres van een medeschuldenaar van een hoofdelijke schuld tegen de andere medeschuldenaars als ook naar artikel 41 van de Wet op de landverzekeringsovereenkomst.

G.-P. besluiten tot de bevestiging van het bestreden vonnis van 3 juni 2010.

3.8. Axa steunt terecht op de toepassing van artikel 41 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst. Elke schadeverzekeraar, daarin begrepen de aansprakelijkheidsverzekeraar zoals Axa te dezen, die tot vergoeding van een benadeelde gehouden is, heeft in de regel de mogelijkheid de door hem betaalde vergoedingen terug te vorderen van degene die er volgens het gemeen recht aansprakelijk voor is. Dit gebeurt door de wettelijke subrogatie van de verzekeraar in de rechten van de verzekerde tegen de aansprakelijke derde tot beloop van de door hem betaalde som. Deze subrogatie laat de verzekeraar toe de rechten uit te oefenen die de aansprakelijke zelf op grond van het gemeen recht heeft tegen derden. Zij laat hem dus ook toe de rechten uit te oefenen die de aansprakelijke verzekerde heeft om van een derde mede- aansprakelijke die met hem in solidum gehouden is, zijn bijdragen in de schadelast te vorderen.

3.9. Het hof oordeelt dat Axa een regresvordering bezit ten laste van G.-P., beperkt tot de betalingen die Axa aan het slachtoffer daadwerkelijk heeft uitgevoerd en maximaal ten belope van het aandeel van deze laatsten (3/4de) in de aansprakelijkheid voor de schade van D. G..

De eis in tussenkomst en vrijwaring van G.-P. - incidenteel beroep van G.-P. en de tusseneis van Axa tegen AG - hoger beroep van Axa.

3.10. Op 8 januari 2007 hebben partijen G.-P. een dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring uitgezonden tegen de NV Fortis Insurance Belgium, hun BA-gezinsverzekeraar (polisnummer 08-62133149) en rechtsvoorganger van de NV AG Insurance.

De rechtsvoorganger van AG heeft in haar conclusie van 31 oktober 2008 besloten tot de ongegrondheid van de door G.-P. ingediende eis.

Het bestreden vonnis van 3 juni 2010 heeft de eis van G.-P. zonder voorwerp bevonden na te hebben geoordeeld dat de aanspraken van Axa tegen G.-P. ongegrond waren.

G.-P. hebben hun eis tegen hun aansprakelijkheidsverzekering AG opnieuw ingediend in hoger beroep voor het geval de eis van Axa tegen hen geheel of gedeeltelijk gegrond zou worden bevonden, wat thans het geval is.

3.11. Axa heeft in haar conclusie van 28 april 2010 een tusseneis ingediend tegen de rechtsvoorganger van AG. Axa besloot dat de rechtsvoorganger van AG, als aansprakelijkheidsverzekeraar van G.-P., gehouden is haar te vrijwaren ten belope van het aandeel van G.-P. in de aansprakelijkheid voor de schade van D. G..

De eis van Axa werd in het bestreden vonnis van 3 juli 2010 onontvankelijk verklaard. De eerste rechter stelde vast dat deze eis werd ingediend nadat de debatten werden heropend door het tussenvonnis van 17 december 2009. Er werd geoordeeld dat geen nieuwe eis kon worden ingesteld die niet binnen de grenzen van het onderwerp van de heropening van de debatten viel.

Axa is door deze beoordeling gegriefd en ze heeft opnieuw haar tussen- eis in vrijwaring tegen AG ingesteld.

AG besluit tot de bevestiging van het bestreden vonnis van 3 juli 2010. AG besluit dat, indien de tusseneis van Axa ontvankelijk zou worden bevonden, deze alleszins wegens verjaring moet worden afgewezen.

3.12. De tusseneis in vrijwaring van G.-P. tegen AG.

3.12.1. G.-P. maken aanspraak op de verzekeringswaarborg van de polis B.A.-gezin (polisnummer 08-62133149) die zij hadden gesloten met de NV Fortis Insurance Belgium, rechtsvoorganger van AG. AG werpt tegen dat ze niet tot deze verzekeringsprestatie gehouden is.

AG steunt haar verweer op artikel 2.5 van de algemene polisvoorwaarden, luidend als volgt: "overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 januari 1984 dekt de maatschappij de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privé-leven die ten laste van de verzekerden kan worden gelegd voor aan derden veroorzaakte schade, krachtens de artikels 1382-1386bis van het burgerlijk wetboek en gelijkaardige bepalingen van buitenlands recht, onder inachtneming van de hierna omschreven beperkingen." Volgens AG is er te dezen geen sprake van schade veroorzaakt door een verzekerde aan een derde. Schadelijder D. G. is volgens AG geen derde.

De algemene polisvoorwaarden in kwestie duiden immers in artikel 2.2 aan wie een derde is: "Elke andere persoon dan de verzekerden bepaald in punt 2.1.a), b), c) en d)..." Krachtens artikel 2.1.c) van de algemene polisvoorwaarden zijn verzekerd onder de polis alle bij de verzekeringnemer inwonende personen. Daaruit wordt door AG het besluit getrokken dat D. G., als een bij de verzekeringnemer inwonende persoon, niet de hoedanigheid heeft van een derde in de betekenis van de polis.

Volgens AG slagen G.-P. er niet in aan te tonen dat het onderhavige schadegeval onder dekking van de polis valt.

G.-P. betwisten niet dat de door AG aangehaalde bedingen deel uitmaken van de verzekeringsovereenkomst die partijen verbindt. Zij voeren aan dat deze bedingen strijdig zijn met de grondwettelijke regels van gelijkheid en van niet-discriminatie zodat ze geen toepassing mogen krijgen.

3.12.2. Zoals voormeld bakent artikel 2.5 van de algemene voorwaarden het veld af van de dekking van de gezinspolis. Daarbij wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven. Volgens artikel 3.2 van dit KB B.A.-privé-leven moeten (o.m.) als verzekerden worden beschouwd alle bij de verzekeringnemer inwonende personen.

Volgens artikel 6.2 van dit KB B.A.-privé-leven kan de schade veroorzaakt aan personen bedoeld bij artikel 3,2 van de dekking worden uitgesloten zelfs indien hun aansprakelijkheid niet in het geding komt.

Door in art. 2.5 van de algemene polisvoorwaarden te bedingen dat de burgerlijke aansprakelijkheid van de verzekerden voor aan derden veroorzaakte schade gedekt is en in art. 2.2 van de algemene polisvoorwaarden te bedingen dat de bij de verzekeringnemer inwonende personen geen derden zijn, werd gebruik gemaakt van de mogelijkheid van art. 3.2 en 6.2. van het KB B.A.-privé-leven tot uitsluiting van de dekking van de schade, veroorzaakt door een verzekerde aan een andere verzekerde, met name aan personen die als inwonende bij de verzekeringnemer als verzekerde te beschouwen zijn.

Deze uitsluiting van de hoedanigheid van een derde vindt een verklaring in de vrees van de verzekeraar voor een bedrieglijke verstandhouding tussen de verzekeringnemer/verzekerde en de bij hem inwonende persoon/verzekerde. Art. 6.2 van het KB BA-privé-leven houdt een onweerlegbaar vermoeden in van bedrog in verzekeringen.

De nauwe band die M.tal bestaat tussen de verzekeringnemer en de bij hem/haar inwonende personen, zoals te dezen de band tussen de ouders en een inwonend minderjarig kind, rechtvaardigt in zekere mate de vrees op collusie. Het onweerlegbaar karakter van het vermoeden van bedrog, zoals vervat in art. 6.2 KB B.A.-privé-leven en toegepast in art. 2.2 en 2.5 van de algemene polisvoorwaarden in kwestie, is niet in overeenstemming met de gelijkwaardigheid tussen de verbintenissen van de verzekeraar en van de verzekeringnemer. De verzekeraar wordt door de bij de verzekeringnemer inwonende personen/verzekerden zonder meer uit te sluiten van de hoedanigheid van derde, immers niet alleen bevrijd van de last van het bewijs van bedrog of collusie van de verzekeringnemer, wat in verzekeringszaken tot zijn normale bewijslast behoort, maar bovendien wordt de verzekeringnemer zelfs niet de mogelijkheid van het tegenbewijs geboden. Krachtens art. 14 van het koninklijk besluit van 22 februari 1991 houdende algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen mogen de voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst geen enkele clausule bevatten die een inbreuk uitmaakt op de gelijkwaardigheid tussen de verbintenissen van de verzekeraar en van de verzekeringnemer.

Dergelijke ongelijkwaardige clausules moeten met toepassing van art. 19, §1 en 19bis van de wet van 09 juli 1975 betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen worden geacht vanaf het sluiten van de verzekeringsovereenkomst te zijn opgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de controlewet en de uitvoeringsbesluiten.

Aldus moet worden geacht dat art. 2.2 en 2.5 van de algemene polisvoorwaarden in overeenstemming te zijn met het beginsel van de gelijkwaardigheid van de verbintenissen van verzekeringnemer en de verzekeraar zodanig dat de bij de verzekeringnemer inwonende personen/verzekerden slechts van de hoedanigheid van derde-benadeelde kunnen worden uitgesloten na bewijs door de verzekeraar van de kwade trouw, het bedrog, de collusie of, in het algemeen, van de verzekeringsfraude van de verzekerde.

In onderhavig geval bewijst de verzekeraar AG geen bedrog of collusie aan de zijde van de verzekeringnemer G.-P. en de benadeelde, verzekerde D. G.. Integendeel wordt door de concrete omstandigheden van het ongeval, in het bijzonder door het vaststaand onvoldoende toezicht van G.-P. op hun dochtertje D., afdoende door G.-P. bewezen dat er van bedrog of collusie of van welke verzekeringsfraude dan ook bij de totstandkoming van de schade absoluut geen sprake was.

3.12.3. De tusseneis in vrijwaring van G.-P. tegen AG komt aldus gegrond voor ten belope van de door de verzekeringsovereenkomst gewaarborgde sommen. Vermits geen van partijen de bijzondere polisvoorwaarden heeft overgelegd, kan het hof niet cijfermatig oordelen over de omvang van de gewaarborgde sommen.

3.13. De tusseneis van Axa tegen AG.

3.13.1. Volgens Axa oordeelde de eerste rechter in het bestreden vonnis van 3 juni 2010 ten onrechte dat haar tusseneis tegen AG onontvankelijk was omdat het onderwerp van deze tusseneis, ingediend na heropening van debatten, bevolen bij tussenvonnis van 17/12/2009, buiten het onderwerp viel van deze heropening. Axa houdt voor dat haar tusseneis wel degelijk binnen het onderwerp van heropening van de debatten viel. Zij vordert dat haar eis ontvankelijk en met toepassing van artikel 86 van de Wet op de landverzekeringsovereenkomst ook gegrond zou worden verklaard.

AG besluit tot de bevestiging van de beoordeling van de eerste rechter.

3.13.2. Het tussenvonnis van 19 december 2009 heeft het onderwerp van de heropening van de debatten omschreven als volgt:

"- partijen toe te laten het verslag van 12.06.2008 van ergoloog Angie Dullers betreffende opmerkingen op het verslag van ergoloog Renier Quintens aan de rechtbank voor te leggen;

- de NV Axa Belgium toe te laten standpunt in te nemen aangaande de rechtsgrond van haar vordering ten aanzien van de heer en mevrouw G.-P.;

- partijen toe te laten standpunt in te nemen aangaande de vraag of, indien de vordering van de nv Axa Belgium gesteund wordt op artikel 29, § 4 van de wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, terugvordering wel mogelijk is lastens de ouders van het slachtoffer overeenkomstig artikel 1384, lid 2 van het burgerlijk wetboek."

Blijkens haar conclusie van 28 april 2010 heeft Axa haar tusseneis tegen AG laten steunen op artikel 86 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, m.a.w. op grond van het eigen recht van de benadeelde tegen de B.A.-verzekeraar van de aansprakelijke. Na de heropening van de debatten kan het debat in beginsel enkel nog handelen over het door de rechter aangewezen onderwerp. Met toepassing van deze regel kunnen er in beginsel na de heropening van de debatten over dat bepaald onderwerp geen nieuwe vorderingen meer worden ingesteld buiten dat onderwerp. Het laat geen twijfel dat de tusseneis van Axa, zoals ingesteld bij haar conclusie van 28 april 2010, niet behoorde tot het onderwerp van de heropening van debatten zoals dat werd bevolen bij tussenvonnis van 19 december 2009.

Het hof merkt evenwel op dat de zaak te dezen na heropening van de debatten werd behandeld door een anders samengestelde zetel dan deze die de heropening van de debatten had bevolen.

Artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond. Gezien de gewijzigde samenstelling van de zetel te dezen na de heropening van de debatten diende de nieuwe zetel de zaak ab initio te hernemen. In het proces-verbaal van openbare terechtzittingen van 6 mei 2010 werd desbetreffend vermeld: "De zaak wordt hernomen in zijn huidige staat en samenstelling zetel". De eerste rechter heeft aldus impliciet maar zeker beslist de zaak ab initio te hernemen, rekening houdend met de geschilpunten waarover de rechtsmacht reeds was uitgeput en die de zaak tot haar "huidige staat" herleidde.

Ten onrechte heeft de eerste rechter evenwel geoordeeld dat de "huidige staat" van de zaak ook inhield dat het debat beperkt was tot het onderwerp van de heropening van de debatten, bevolen bij tussenvonnis van 17 december 2009. De hervatting van de behandeling van de zaak ab initio heeft tot gevolg dat er wordt gehandeld alsof de zaak nog niet eerder in beraad werd genomen, althans wat betreft die punten waarover nog geen eindbeslissing werd gewezen. In die omstandigheden kon Axa rechtsgeldig haar tusseneis tegen AG indienen door middel van haar conclusie van 28 april 2010.

Deze tusseneis werd ten onrechte onontvankelijk verklaard.

3.13.3. AG heeft laten gelden dat de tusseneis van Axa niet toewijsbaar is wegens verjaring.

Axa betwist de beweerde verjaring. Met verwijzing naar artikel 35, §3bis van de wet op de landverzekeringsovereenkomst besluit zij dat haar eis ten opzichte van AG niet verjaard is zolang haar eisen ten aanzien van partijen G.-P. niet verjaard zijn.

3.13.4. Axa vorderde in haar conclusie van 28 april 2010, waarbij zij in eerste aanleg haar tusseneis tegen AG indiende, in het geval zij zou worden gehouden tot de volledige vergoeding van D. G., de veroordeling van AG om haar te "vrijwaren" ten belope van al haar betalingen aan D. G. in zoverre deze 1/4de van de schade van D. G. zouden overstijgen.

Axa heeft art. 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomst aangewezen als rechtsgrond van haar eis.

Aldus oefent Axa, die door haar betalingen zal gesubrogeerd zijn in de rechten van het slachtoffer dat ze vergoedde of nog zal vergoeden, het eigen recht van dat slachtoffer (D. G.) uit tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de (mede-)aansprakelijken G.-P..

De vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar, verjaart met toepassing van artikel 34, §2, 1ste lid van de Wet op de landverzekeringsovereenkomst door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, dan begint de verjaringstermijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van 10 jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd (artikel 34, § 2, 2de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst).

De verjaring van de vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar is onafhankelijk van de vordering van deze benadeelde tegen de aansprakelijke zelf.

De verjaringstermijn van 10 jaar betreft een verval, zodat deze niet vatbaar is voor stuiting of schorsing.

In onderhavige zaak had het schade verwerkende feit plaats op 11 augustus 1993. Axa heeft haar tusseneis tegen AG ingesteld door middel van haar conclusie van 28 april 2010.

Tussen het schadeverwekende feit en het indienen van de vordering verstreek dus meer dan 10 jaar zodat deze vordering van Axa alleszins is getroffen door verjaring.

De schade van D. G.

3.14. De morele schade in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid/invaliditeit.

In het bestreden tussenvonnis van 17 december 2009 werd deze schadepost begroot op de som van euro 4 824,50, vermeerderd met de vergoedende intresten naar rato van een rentevoet van 5% per jaar vanaf de gemiddelde datum van 6 mei 1994.

D. G. besluit tot de bevestiging van deze schadebegroting.

Axa houdt voor deze vergoeding ( euro 4 824,50) te hebben betaald op 24 februari 2010.

Tegen deze beslissing van het bestreden tussenvonnis van 17 december 2009 werden derhalve geen rechtsmiddelen ingesteld.

3.15. Extra-inspanningen van D. G. in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid/invaliditeit.

3.15.1. De eis van D. G. tot vergoeding van de extra- inspanningen die zij beweert geleverd te hebben bij het volgen van de lessen in het kleuter- en lager onderwijs, werd in het bestreden vonnis van 17 december 2009 ongegrond verklaard. De eerste rechter oordeelde dat de schade die voortvloeide uit de beweerde extra- inspanningen bij het volgen van de lessen op school, reeds afdoende werd vergoed door de schadeloosstelling wegens morele schade in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

D. G. tekende tegen deze beslissing incidenteel beroep aan. Zij vordert thans een vergoeding van euro 2 713,84, in hoofdsom.

Axa besluit tot de bevestiging van het bestreden vonnis. In ondergeschikte orde voert Axa aan dat aan D. G. hoogstens een vergoeding kan worden toegekend van euro 1 655,22, vermeerderd met rente naar rato van 5% per jaar vanaf de gemiddelde datum van 7 september 1994.

3.15.2. D. G. ging na haar ongeval van 11 augustus 1993 op 15 september 1993 opnieuw naar de kleuterschool. Zij volgde de lessen gedurende halve dagen. Vanaf 11 oktober 1993 ging zij opnieuw hele dagen naar school. Zij vordert een vergoeding vanaf 15 september 1993 tot 31 augustus 1995 naar rato van euro 17,50 bij 100% arbeidsongeschikt. In die periode was zij:

- 50% tijdelijk arbeidsongeschikt vanaf 15 september 1993 tot en met 10 oktober 1993,

- 25% vanaf 11 oktober 1993 tot en met 31 december 1993,

- 20% vanaf 1 januari 1994 tot en met 31 augustus 1995.

De extra-inspanningen die een slachtoffer levert bij het hernemen van een economisch waardeerbare activiteit op een ogenblik dat het nog arbeidsongeschikt is, op een niveau dat de arbeidsgeschiktheid overtreft, moet worden beschouwd als een vergoedbare materiële schade. Niettegenstaande de studiearbeid van de leerlingen niet onmiddellijk noch rechtstreeks gerelateerd is aan het verwerven van hun inkomen, zijn hun schoolse inspanningen om een opleiding te volgen en bij voltooiing daarvan een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven toch te beschouwen als een economisch waardeerbare activiteit. De waardering van deze schoolse economische activiteit wordt beïnvloed zowel door de aard en het niveau van de gevolgde opleiding als door de aard en de omvang van de geleverde extra-inspanningen.

Het is te dezen aan te nemen dat D. G. wegens de aard van de opgelopen letsels (een schedelfractuur) tijdens het helingsproces extra-inspanningen heeft moeten leveren bij het volgen van de lessen in de school. Het betroffen echter lessen in het kleuteronderwijs en in het eerste leerjaar van het lager onderwijs. De economische waarde van deze schoolse activiteit is uiteraard eerder beperkt. D. G. levert bovendien geen bewijs van vergoedbare extra-inspanningen gedurende de vakanties in de voormelde periode.

Deze omstandigheden maken het niet mogelijk om tot een cijfermatig juiste waardering te komen met toepassing van een forfaitair dagtarief, zoals door D. G. wordt gevorderd. Er dringt zich dan ook een schaderaming op naar redelijkheid en billijkheid.

Het hof begroot deze schade euro 750,00, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum van 08/09/1994 naar rato van een rentevoet van 5% per jaar tot op de dag van de onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke rente naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

Het incidenteel beroep van D. G. is in zoverre gedeeltelijk gegrond.

3.16. Extra-inspanningen van D. G. in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid/invaliditeit vanaf de consolidatie op 01/09/1995 tot aan het einde van haar secundaire studies op 05/02/2006.

3.16.1. D. G. houdt voor dat zij na de consolidatie van haar verwondingen op 1 september 1995 tot op het einde van haar studies extra-inspanningen heeft moeten leveren. Zij vordert daarvoor een vergoeding voor een periode van 3808 dagen naar rato van euro 17,50 × 15% per dag of een som van euro 9 996,00 (hoofdsom).

In het bestreden vonnis werd deze eis afgewezen.

D. G. vordert opnieuw de toewijzing van haar eis.

Axa besluit tot de bevestiging van het bestreden vonnis wat dit onderdeel betreft.

3.16.2. D. G. volgde in de bedoelde periode de lessen van het buitengewoon lager onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs. Zij wijst niet aan welke hinder zij ondervond bij het volgen van deze lessen noch welke extra-inspanningen zij heeft moeten leveren.

In het deskundigenonderzoek is voor de bedoelde periode een invaliditeit vastgesteld van 15%. Het advies van de gerechtsdeskundige met betrekking tot de blijvende arbeidsongeschiktheid (50%) betreft het tijdstip waarop D. G. de leeftijd van 18 jaar bereikte, m.a.w. vanaf de beëindiging van haar studies, en slaat op haar positie op de arbeidsmarkt (deskundigenverslag, p. 20). Het is niet aangetoond dat de invaliditeit van 15% zorgde voor leermoeilijkheden bij het volgen van de lessen in het buitengewoon lager onderwijs en in het buitengewoon secundair onderwijs noch dat zij wegens deze invaliditeit extra-inspanningen heeft geleverd.

Het hof treedt dan ook de beoordeling van de eerste rechter bij en verklaart dit onderdeel van de eis van D. G. ongegrond.

3.17. Materiële schade van D. G. in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid.

3.17.1. In het bestreden vonnis van 3 juni 2010 oordeelde de eerste rechter dat de blijvende arbeidsongeschiktheid van D. G. moet worden vastgesteld op 50%. Deze beoordeling steunde op het deskundigenverslag van Dr. Haeverans, die adviseerde overeenkomstig het verslag van ergoloog Angi Dullers.

D. G. aanvaardt deze beoordeling.

Axa daarentegen bestrijdt deze beoordeling en besluit dat de blijvende arbeidsongeschiktheid van D. G. hoogstens kan worden vastgesteld op 33%.

3.17.2. Axa voert aan dat de blijvende invaliditeit van D. G. werd vastgesteld op 15% terwijl haar blijvende arbeidsongeschiktheid door de eerste rechter werd geraamd op 50%. Dit opmerkelijke verschil is volgens Axa niet verantwoord. Axa laat haar standpunt steunen op de commentaren die ergoloog R. Quintens gaf op het verslag van ergoloog Dullers.

Ergoloog Quintens ging er van uit dat bij D. G. geen organische hersenletsels ten gevolge van het ongeval werden vastgesteld.

Volgens ergoloog Quintens ontbreekt de kennis van de vooraf bestaande toestand van D. G.. Zij was op het ogenblik van het ongeval 5,5 jaar. Er is geen informatie beschikbaar over haar schoolresultaten noch over haar leermogelijkheden in de toestand waarin zij zich bevond vóór het ongeval. Daaruit leidde hij af dat aannemelijk is dat betrokkene zowel in gunstige als ongunstige zin kon evolueren naar de arbeidsmarkt. Hij ging er daarom vanuit dat de haalbaarheid van de beroepsmogelijkheden van D. G. en de daaruit af te leiden verliezen ingevolge het ongeval moeten beschouwd worden vanuit de actueel vaststelbare toestand. Aldus liet hij zijn advies steunen op de capaciteiten die betrokkene had bij het einde van haar secundaire studies en op de daaruit voortkomende mogelijkheden op de algemene arbeidsmarkt. Hij besloot dat de lonen, die voor D. G. als haalbaar moeten worden beschouwd, vergeleken kunnen worden met het gemiddelde van de lonen van de M.t voorkomende werkposten op lager secundair niveau.

3.17.3. Het staat vast dat D. G. bij het ongeval voornamelijk een craniaal trauma en letsels aan rechterknie en -enkel opliep.

Op basis van psychotechnische onderzoeken werd zij verwezen naar het buitengewoon lager onderwijs voor leerlingen van type 1 (licht verstandelijk gehandicapt). Ook voor het secundair onderwijs werd zij ingedeeld als type 1-leerling en toegewezen aan het buitengewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 3, die voorbereidt op een tewerkstelling in het gewone arbeidscircuit.

Hoewel zij in theorie derhalve in aanmerking zou komen voor een tewerkstelling in het gewone arbeidscircuit, is het zeker dat een persoon met haar mentale handicap (ontwikkelingsstoornis) een zwakkere positie op de algemene arbeidsmarkt inneemt dan anderen met een enigermate vergelijkbare beroepsopleiding in het gewone onderwijs. Ergoloog Dullers heeft in dat verband terecht gewezen op de concrete verschillen tussen de tewerkstelling van personen met een mentale handicap zoals D. G. en de tewerkstelling van anderen zonder dergelijke handicap: "... De werkinhoud is veel minder gevarieerd. Elke doorbreking van de routine kan immers problematisch zijn. Het werktempo is doorgaans beduidend lager. Nieuwe en/of gewijzigde taken vergen aangepaste instructies en een langere leertijd. Emotionele aanpassing aan de werksituatie en de samenwerking met collega's vergen blijvend meer aandacht en begeleiding vanwege de oversten. Veel van de betreffende leerlingen zijn uiteindelijk aangewezen op een job in een beschermde werkplaats of op een andere pseudo-beschermde tewerkstelling. Ook betrokkene was voor haar stageplaats reeds aangewezen op een taak in de wasserij van een rusthuis, instelling waar ook haar moeder werkzaam was.".

Het hof oordeelt dat D. G. door middel van het deskundigenverslag van Dr. Haeverans, daarin begrepen het advies van ergoloog A. Dullers, afdoende aantoont dat haar beperkingen op de algemene arbeidsmarkt enerzijds liggen in de concrete taakinhoud en anderzijds in de geringere zelfstandigheid, vlotheid en flexibiliteit van de uitvoering van het werk alsmede in de beperkte mogelijkheden wat sociale aanpassing aan werksfeer en werkomstandigheden betreft. Bijkomend zijn er nog de beperkingen van louter fysieke aard ten gevolge van de restletsels aan de rechterenkel.

Het hof bevestigt het oordeel van de eerste rechter die op basis van het deskundigenverslag van Dr. Haeverans en daarin begrepen het advies van ergoloog A. Dullers tot het besluit kwam dat de blijvende arbeidsongeschiktheid van D. G. moet worden geraamd op 50%.

3.17.4. Met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de mentale handicap van D. G. heeft gerechtsdeskundige Dr. Haeverans in zijn verslag het advies opgenomen van Prof. Dr. D. Deboutte. Deze meldde aan de gerechtsdeskundige o.m.: "... het resultaat op het geheel van de intelligentietest is opnieuw zwak. Het profiel was echter erg disharmonisch. Er bleken een aantal gemiddelde scores o.a. op abstractievermogen. Dit wijst erop dat er toch geen sprake is van een algemene of ongedifferentieerde mentale retardatie. Als in het verbaal IQ geen rekening wordt gehouden met subtesten rekenen en cijfergeheugen blijkt D. over een normale, zwak gemiddelde intelligentie te beschikken. Het disharmonisch profiel wordt verder bevestigd in het neuropsychologisch bilan. Het profiel van sterkere kanten en specifieke uitvallen, de leerstoornissen, de motorische problemen en de problemen uit de tactiele perceptie wijzen in de richting van een NLD-syndroom (non verbal learning disabilities). Dit goed beschreven syndroom wordt gerekend onder de ontwikkelingsstoornissen. Qua etymologie is het geassocieerd met rechter hemisfeerproblematiek. Ook verworven rechter hemisfeerproblematiek kan tot een NLD-achtig beleid leiden. Of dit ook bij D. het geval is, is moeilijk definitief uit te maken. Er zijn immers geen premorbide gegevens bekend. Er is alleen het sterk argument van de ouders dat ze na het ongeval veranderd is. Ook zonder dit argument is het evenwel zeer aannemelijk dat de gevonden stoornissen zeker in belangrijke mate het gevolg zijn van het ongeval. We zien immers dat er niet alleen sprake is van een ernstige visuo-constructieve uitval maar dat de uitval op het vlak van de visuele perceptie nog extremer is. De resultaten zijn zo zwak en de fouten zo specifiek dat een dergelijke uitval, zelfs binnen een uitgesproken NLD-beeld, niet op een zo extreme wijze wordt verwacht. Dit soort problematiek wordt ook geassocieerd met posterieure, pariëto-occipitale letsels. Dit is net de plaats van het trauma bij D.. De hypothese wordt dan dat de uitval in de verwerking van het visuele materiaal leidt tot een ruimer NLD-achtig beeld. Dit leidt tot discrepante cognitieve ontwikkeling en tot de uitgesproken leerstoornissen. NLD gaat op emotioneel en sociaal niveau in de regel gepaard met onzekerheid, angst, problemen in aanpassing aan nieuwe situaties en problemen in sociaal functioneren. Ook deze problematiek is bij D. aanwezig." (deskundigenverslag Haeverans, p.9)

Het behoort D. G. te bewijzen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen haar verzwakte positie op de algemene arbeidsmarkt ingevolge haar mentale handicap en het ongeval. Dit bewijs houdt in dat zij het verschil aantoont tussen haar toestand voor en na het ongeval. Deze bewijslast moet echter in redelijkheid worden opgevat. Op het ogenblik van het ongeval was ze slechts 5,5 jaar. Ze ging nog naar de kleuterschool. Op die leeftijd wordt er normaal nog geen onderzoek gedaan naar de mentale gezondheid en de eventuele beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden. Dergelijke onderzoeken werden ten tijde van het ongeval normaal slechts gedaan wanneer er aanwijzingen waren van een mogelijke mentale handicap. Het gegeven dat dergelijke onderzoeken te dezen niet werden gedaan, het feit dat D. G. na het ongeval onmiddellijk werd doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs en de vaststelling dat de ontwikkelingsstoornis, zoals deze die bij haar werd gediagnosticeerd, in verband staat met posterieure, pariëto-occipitale letsels, die in de hersenen worden gelokaliseerd op de plaats waar D. een trauma opliep, vormen samen bepaalde gewichtige, met elkaar overeenstemmende vermoedens die volstaan tot het bewijs van haar bewering dat zij vóór het ongeval geen mentale handicap had.

Er wordt bovendien door Axa geen tegenbewijs geleverd van een vooraf bestaande toestand in de zin van een mentale beperking.

Het hof sluit zich dan ook aan bij de beoordeling door de eerste rechter dat de blijvende arbeidsongeschiktheid van D. G. van 50% in oorzakelijk verband staat met het ongeval dat haar op 11 augustus 1993 overkomen is.

3.17.5. In het bestreden vonnis van 3 juni 2010 werd de eis van D. G. tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens blijvende arbeidsongeschiktheid met toepassing van de splitsingsmethode en kapitalisatie van de vergoeding voor de toekomstige schade afgewezen. De eerste rechter oordeelde dat over onvoldoende gegevens werd beschikt om een kapitalisatieberekening te maken. Er werd beslist tot een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid van euro 125 000,00 (hoofdsom) op basis van euro 2 500,00 per punt.

Axa treedt de beoordeling van de eerste rechter bij wat de afwijzing van de kapitalisatie betreft. Zij betwist echter de begroting van de vergoeding zoals in eerste aanleg toegekend en besluit dat een som van euro 50 000,00 (hoofdsom) de schade wegens blijvende arbeidsongeschiktheid volledig vergoedt. Zij vordert de hervorming van het bestreden vonnis in die zin.

D. G. heeft incidenteel beroep ingesteld. Zij laat gelden dat bij de berekening van de schade wegens blijvende arbeidsongeschiktheid moet worden uitgegaan van het loon dat zij als bediende of als werkneemster met een gelijkaardige kwalificatie zou hebben verdiend, mocht het ongeval haar niet zijn overkomen. Dat loon is, volgens D. G., een objectieve parameter om haar verlies aan economische waarde en aan verdienvermogen te berekenen. Op basis van een netto-maandloon van euro 1 250 x 50% berekent D. G. vervolgens haar schade in de periode vanaf 6 februari 2006 tot en met 30 september 2012 en een gekapitaliseerde vergoeding met toepassing van een rentevoet van 2% voor de periode vanaf 1 oktober 2012 tot aan het einde van haar economische levensduur op 28 februari 2053. Haar eis heeft ze dan begroot op euro 298 382,10 (hoofdsom).

Ondergeschikt, vordert D. G. een forfaitaire vergoeding naar redelijkheid en billijkheid ten belope van euro 200.000 (hoofdsom).

Uiterst ondergeschikt besluit D. G. tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

3.17.6. De aanname van D. G. dat zij, zonder het ongeval, een loopbaan zou hebben uitgebouwd als bediende minstens als werkneemster met een gelijkaardige kwalificatie steunt enkel op veronderstellingen.

Volgens haar eigen toelichting heeft zij na het beëindigen van haar studies in het buitengewoon secundair onderwijs slechts sporadisch gedurende één maand gewerkt. Voor het overige was ze werkloos.

Het hof moet vaststellen dat elk concreet gegeven ontbreekt over de loopbaan die D. G. redelijkerwijze mocht verwachten op het tijdstip van het ongeval. Haar jeugdige leeftijd (5,5 jaar) op dat ogenblik brengt mee dat er van haar geen schoolresultaten bestaan van vóór het ongeval. Het is evenmin geweten welke talenten zij in zich had om te studeren en welk opleidingsniveau voor haar haalbaar was. Concrete en vaststaande elementen om de economische waarde van D. G. op de algemene arbeidsmarkt en haar potentieel verdienvermogen vóór het ongeval vast te stellen, ontbreken. Het staat alleen vast dat de blijvende gevolgen van het ongeval de economische waarde van D. G. en haar verdienvermogen hebben aangetast.

Wanneer elk concreet materieel bewijs ontbreekt van de inkomsten die het slachtoffer zou hebben verdiend of welke economische waarde het slachtoffer op de arbeidsmarkt zou hebben gehad indien het ongeval niet was gebeurd, wat te dezen het geval is, kan de materiële schade wegens blijvende arbeidsongeschiktheid niet worden vastgesteld door middel van kapitalisatie van een concreet doch slechts vermoedelijk inkomensverlies.

Het hof komt dan ook tot het besluit, zoals de eerste rechter, dat deze schadevergoeding moet worden vastgesteld naar redelijkheid en billijkheid.

Aldus raamt het hof de aan D. G. toekomende vergoeding wegens materiële schade in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid op euro 1 800,00 per punt, of in het totaal:

euro 1 800,00 x 50 = euro 90 000,00, hoofdsom vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van 5% per jaar vanaf 01/09/1995 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke rente naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

3.18. De morele schade in de periode van blijvende invaliditeit.

3.18.1. In het bestreden vonnis van 3 juni 2010 werd aan D. G. een vergoeding toegekend voor haar morele schade in de periode van blijvende invaliditeit met toepassing van de splitsingsmethode en de kapitalisatie naar rato van een rentevoet van 2% van een dagvergoeding van euro 25,00 x 15% vanaf de uitspraak van het vonnis tot op het einde van de mediaanlevensduur.

D. G. is het met de wijze van berekening van de schadevergoeding eens. Zij vordert echter bij wijze van incidenteel beroep de actualisering van de toegekende bedragen tot op de dag van de uitspraak van onderhavig arrest. Haar eis wordt dan begroot op een hoofdsom van euro 71.902,29.

Axa daarentegen betwist de splitsing- en kapitalisatiemethode. Zij meent dat een forfaitaire vergoeding naar rato van euro 991,57 per punt volstaat tot volledige compensatie van de morele schade van D. G.. Zij biedt dan ook de vergoeding aan van euro 991,57 x 15 = euro 14.873,61, vermeerderd met de vergoedende rente naar rato van 5% per jaar vanaf de datum van de consolidatie tot 31 december 2009 en vanaf dan met de wettelijke intresten.

Ondergeschikt betwist Axa ook de wijze van kapitalisatie zoals door de eerste rechter aangenomen. Zij meent dat de kapitalisatie op basis van euro 3,00 per dag met toepassing van de tabellen Levie met een jaarlijkse rente van 3% volledig schadedekkend is. In ondergeschikte orde biedt ze dan ook de betaling aan van een bedrag van euro 26.6771.

3.18.2. De morele schade bij blijvende invaliditeit is het gevolg van de blijvende weerslag van pijn of leed ingevolge de fysieke of psychische toestand van het slachtoffer. Morele schade is dus immaterieel, verbonden aan de invaliditeit en niet aan de arbeidsongeschiktheid.

Gerechtsdeskundige Dr. Haeverans heeft geadviseerd de blijvende invaliditeit van D. G. vanaf de consolidatie op 1 september 1995 vast te stellen op 15%.

Het morele leed van D. G. komt niet voort uit fysieke pijn. Het betreft het bewustzijn van een lichte mentale handicap en de confrontatie daarmee in diverse levensomstandigheden.

De schade-eis van D. G. gaat ervan uit dat het morele leed door haar vanaf de dag van de consolidatie, toen ze 7,5 jaar oud was, dagelijks, even intensief en ongewijzigd zal worden ervaren tot op het einde van haar levensloop.

Zij toont deze veronderstelling echter niet aan. Het is eerder aannemelijk dat zij niet dagelijks gedurende haar gehele verder leven in situaties zal terecht komen waarin ze in dezelfde mate moreel leed zal ondergaan. Het is bovendien aan te nemen dat in de loop van de jaren een zekere gewenning zal ontstaan.

Het hof stelt vast dat het advies van de gerechtsdeskundige (blijvende invaliditeit van 15%) door geen van partijen wordt betwist. Beide partijen nemen dit percentage over voor de berekening van de morele schade. Een invaliditeitsgraad van 15%, die geen betrekking heeft op fysieke pijnen, duidt op een onmiskenbaar doch eerder beperkt moreel leed.

In die omstandigheden oordeelt het hof dat de vergoeding voor het morele leed van D. G. ingevolge haar blijvende invaliditeit niet kan worden geraamd door de toekenning van een forfaitaire, onveranderde dagvergoeding vanaf de dag van de consolidatie tot op de dag van onderhavige uitspraak en vervolgens door de kapitalisatie van dezelfde dagvergoeding voor de toekomstige schade tot op het einde van haar te verwachten mediaanlevensduur. Te dezen oordeelt het hof dat de morele schade van D. G. ingevolge haar blijvende invaliditeit op gepaste, volledige en globale wijze wordt vergoed door de toekenning van een som, vastgesteld naar redelijkheid en billijkheid op euro 1 500,00 per punt, zijnde euro 1 500 x 15 = euro 22 500,00, vermeerderd met de vergoedende rente vanaf 1 september 1995 naar rato van de rentevoet van 5% tot op de onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op dag van de betaling.

3.19. Het verlies van economische waarde van de huishoudelijke arbeid in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid

3.19.1. In het bestreden vonnis van 3 juni 2010 werd aan D. G. een vergoeding toegekend van euro 50.000 (hoofdsom) tot compensatie van het verlies van economische waarde van de huishoudelijke arbeid. De eerste rechter hield daarbij rekening met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 50%.

D. G. heeft tegen deze beslissing incidenteel beroep ingesteld. Zij vordert een gekapitaliseerde vergoeding van euro 111 017,94 hoofdsom, te vermeerderen met de rente. Zij vordert deze vergoeding voor een periode vanaf 5 februari 2013 tot en met 5 januari 2073, zijnde vanaf haar 25ste levensjaar tot op het einde van haar te verwachten levensduur.

Zij gaat er vanuit dat zij vanaf haar 25 jaar zelfstandig zal gaan wonen en derhalve de taken als huishoudster ten volle zal moeten opnemen. Ondergeschikt vraagt ze een forfaitaire vergoeding van euro 80.000, hoofdsom, vermeerderd met rente. Nog meer ondergeschikt besluit zij tot de bevestiging van het vonnis van 3 juni 2010. Uiterst ondergeschikt vraagt ze voorbehoud voor een vordering tot vergoeding van de schade door het verlies van economische waarde van haar huishoudelijke arbeid vanaf het ogenblik dat ze niet meer bij haar ouders zou verblijven of zou kunnen verblijven.

Axa besluit tot een hervorming van het bestreden vonnis. Zij verwerpt de kapitalisatiemethode. Zij voert aan dat de blijvende invaliditeit en niet de arbeidsongeschiktheid in aanmerking moet worden genomen vermits deze laatste zich, volgens haar, niet richt naar de huishoudelijke taken doch enkel naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Zij biedt dan ook een vergoeding aan naar rato van euro 500,00 per punt, dit is euro 500,00 x 15 = euro 7 500,00, hoofdsom te vermeerderen met rente. Ondergeschikt, in het geval van toepassing van de kapitalisatiemethode komt Axa tot een berekening van de vergoeding ten belope van euro 8 017,51, hoofdsom.

3.19.2. De huishoudelijke schade is te aanzien als een vergoeding voor de aantasting van het potentieel met een economisch waardeerbare weerslag op de geschiktheid van de betrokkene tot het vervullen van huishoudelijke taken. Huishoudelijke schade hangt dus af van de aard van de letsels en van de invloed daarvan op het verrichten van huishoudelijke arbeid.

De gerechtsdeskundige heeft zich bij de raming van de blijvende arbeidsongeschiktheid ten belope van 50% gesteund op het advies van ergoloog Dullers. Daaruit is gebleken dat de toegang tot de algemene arbeidsmarkt voor D. G. ingevolge de blijvende letsels op ernstige wijze is beperkt. De taken die wel onder bepaalde voorwaarden binnen haar bereik liggen zijn voor het merendeel taken van huishoudelijke of verzorgende aard in werkposten zonder specifieke beroepsopleiding. Daarbij moet o.m. worden in acht genomen dat een normaal opgelegd werkritme, een grote flexibiliteit in de opdrachten, inzicht in afwijkende situaties en omgaan met de opmerkingen van de leiding, die hindernissen vormen voor het ten volle functioneren van D. G. in een professionele omgeving, precies in het huishouden in mindere mate aanwezig zijn. Het hof is dan ook van oordeel dat de blijvende arbeidsongeschiktheid van D. G. ten belope van 50%, die geldt voor de algemene arbeidsmarkt, niet zonder meer kan toegepast worden op de vaststelling van het verlies van de economische waarde van haar huishoudelijke arbeid. De aantasting van de geschiktheid tot het verrichten van huishoudelijke arbeid is zeker doch ongetwijfeld geringer dan de blijvende ongeschiktheid op de algemene arbeidsmarkt.

Blijkens de adresvermeldingen in de laatste conclusies van partijen, woont D. G. nog steeds in bij haar ouders. Haar aandeel in de huishoudelijke taken is derhalve sedert de consolidatie van haar letsels tot op heden eerder beperkt. Haar aanname dat ze vanaf 5 februari 2013 zelf volledig alleen zal moeten instaan voor haar huishouden is een erg onzekere veronderstelling. Het is bovendien hoogst onzeker dat zij deze huishoudelijke opdrachten dan alleen zou moeten blijven vervullen tot in 2073, wanneer ze de leeftijd van 75 jaar zal hebben bereikt.

Het hof sluit zich dan ook aan bij de beoordeling van de eerste rechter in zoverre deze besliste dat een jaarlijks basisbedrag voor deze schade vanaf 5 februari 2013 niet met enige mathematische zekerheid kan worden bepaald. Bij ontstentenis van voldoende concrete gegevens voor een kapitalisatie, oordeelt het hof dat het onmogelijk is om het in de toekomst zeker te lijden verlies van economische waarde van de huishoudelijke arbeid anders te bepalen dan naar redelijkheid en billijkheid.

Het hof begroot deze schade op euro 15.000, hoofdsom, vermeerderd met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de onderhavige uitspraak tot op de dag van de betaling.

3.19.3. Met betrekking tot het door D. G. gevraagde voorbehoud, gedraagt Axa zich naar de wijsheid van het hof.

Vermits het hof voor deze schadepost een effectieve vergoeding toekent, is het gevraagde voorbehoud zonder voorwerp.

3.20. Het verlies van een schooljaar.

3.20.1. In het bestreden vonnis van 17 december 2009 werd aan D. G. een vergoeding toegekend van euro 2 500,00, hoofdsom, vermeerderd met vergoedende rente naar rato van 5% per jaar vanaf 30 juni 1995.

D. G. heeft tegen deze beoordeling incidenteel beroep ingesteld en zij vordert een vergoeding van euro 4 000,00, hoofdsom.

Axa vraagt de hervorming van het bestreden vonnis en de afwijzing van de eis tot vergoeding van het verlies van een schooljaar.

3.20.2. Het is niet betwist dat D. G. het eerste leerjaar van de lagere school, dat volgde op haar ongeval van 11 augustus 1993 en dat ze aanvatte in het gewone onderwijs, heeft moeten overdoen in het buitengewoon onderwijs.

Voormeld is reeds als bewezen aangenomen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het ongeval van 11 augustus 1993 en de lichte mentale handicap waarmee D. G. sedertdien is geconfronteerd. Het feit dat zij het eerste leerjaar heeft moeten overdoen in het buitengewoon onderwijs is dan ook te aanzien als een rechtstreeks gevolg van het ongeval.

De schade die zij daardoor heeft opgelopen betreft het verlies van een kans om haar schoolse opleiding in een kortere tijd te doorlopen dan dat dit nu het geval is geweest. Daardoor heeft zij ook een kans verloren om zich eerder op de arbeidsmarkt aan te bieden.

Dit verlies van een kans heeft een materiële schade doen ontstaan, die door het hof naar redelijkheid en billijkheid wordt geraamd op euro 500,00, hoofdsom, vermeerderd met de vergoedende intresten naar rato van een rentevoet van 5% per jaar vanaf 1 september 1995 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

3.21. De esthetische schade.

3.21.1. De esthetische schade werd door gerechtsdeskundige Dr. Haeverans beschreven met betrekking tot de verwondingen ter hoogte van de rechterenkel en rechterknie. Deze schade werd door de gerechtsdeskundige begroot op 2 in de schaal van Julin, wat overeenstemt met zeer lichte esthetische schade. Er werd geen littekencorrectie voorzien.

In het bestreden vonnis van 3 juni 2010 werd voor deze esthetische schade aan D. G. een vergoeding toegekend van euro 1 000,00, hoofdsom vermeerderd met vergoedende intresten vanaf 1 september 1995.

D. G. heeft tegen deze beslissing incidenteel beroep ingesteld en vordert een vergoeding van euro 1 500,00.

Axa vordert de hervorming van het bestreden vonnis in die zin dat voor de esthetische schade slechts een bedrag zou worden toegekend van euro 743,68.

3.21.2. De littekens in kwestie betreffen een witachtig litteken van 6 cm op 3 cm aan de voorzijde van de rechterknie en een V-vormig litteken aan de buitenzijde van de rechterenkel met respectievelijke takken van 3 en van 4 cm. De inschaling van de omvang van deze schade door de gerechtsdeskundige als twee op zeven is door partijen niet aangevochten.

Het hof houdt rekening met de plaats van de littekens. Ook wordt in acht genomen dat de littekens voor de buitenwereld niet altijd zichtbaar zullen zijn omdat ze soms zullen bedekt zijn met kledij. De jeugdige leeftijd van het slachtoffer en haar geslacht worden tevens in aanmerking genomen.

Op grond van al deze elementen oordeelt het hof dat aan D. G. naar redelijkheid en billijkheid een vergoeding toekomt wegens esthetische schade van euro 1 500, hoofdsom te vermeerderen met de vergoedende intresten naar rato van een rentevoet van 5% per jaar vanaf de dag van de consolidatie van 30 juni 1995 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

3.22. Voorbehoud

D. G. vordert voorbehoud van haar rechten met betrekking tot het verlies aan pensioenrechten in de toekomst.

D. G. vraagt tevens voorbehoud van haar rechten met betrekking tot de eventuele fiscale en sociale lasten op de aan haar toegekende vergoedingen.

Axa gedraagt zich desbetreffend naar de wijsheid van het hof.

Het hof kent het gevraagde voorbehoud toe.

De proceskosten.

3.23. In eerste aanleg.

3.23.1. In het bestreden vonnis van 03/06/2010 werden de proceskosten van de hoofdeis van D. G. geheel ten laste van Axa gelegd.

Axa vordert deze kosten geheel ten laste van G.-P. en van D. G. te leggen.

D. G. vraagt deze kosten ten laste van Axa te behouden.

Het blijkt dat de schade-eis van D. G., zoals ingediend in eerste aanleg, slechts gedeeltelijk gegrond was. Zowel D. G. als Axa moesten onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk worden gesteld. Het is dan ook raadzaam de aan deze eis verbonden proceskosten om te slaan zodanig dat 3/4de van de kosten ten laste van Axa en 1/4de van de kosten ten laste van D. G. vallen.

3.23.2. In het bestreden vonnis van 03/06/2010 werden de proceskosten van de tusseneis in vrijwaring (regres) van Axa tegen G.-P. geheel ten laste van Axa gelegd. Het is thans gebleken dat deze eis gegrond was zodat de daaraan verbonden kosten ten laste van G.-P. moeten worden gelegd.

3.23.3. In het bestreden vonnis van 03/06/2010 werden de proceskosten van de tusseneis van G.-P. tegen de rechtsvoorganger van de nv AG Insurance geheel ten laste van G.-P. gelegd. Het is thans gebleken dat deze eis gegrond was zodat de daaraan verbonden kosten ten laste van de nv AG Insurance moeten worden gelegd.

3.24. In hoger beroep.

3.24.1. In hoger beroep worden Axa en D. G. in hun onderlinge vorderingen ieder omtrent enig geschilpunt in het ongelijk gesteld. Het is dan ook raadzaam de aan deze eis verbonden proceskosten om te slaan zodanig dat 3/4de van de kosten ten laste van Axa en 1/4de van de kosten ten laste van D. G. vallen.

3.24.2. In hoger beroep wordt de regresvordering van Axa tegen G.-P. gegrond verklaard. In dat verband zijn G.-P. de in het ongelijk gestelde partijen die in de proceskosten verbonden aan deze tusseneis moeten verwezen worden.

3.24.3. In hoger beroep wordt de tusseneis in vrijwaring van G.-P. tegen AG gegrond verklaard. AG is desbetreffend de in het ongelijk gestelde partij die in de proceskosten verbonden aan deze tusseneis moet verwezen worden.

3.24.4. In hoger beroep wordt de tusseneis van Axa tegen AG afgewezen wegens verjaring. Axa is desbetreffend de in het ongelijk gestelde partij die in de proceskosten verbonden aan haar tusseneis moet verwezen worden.

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de nv Axa Belgium toelaatbaar doch slechts gedeeltelijk gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van D. G. toelaatbaar doch slechts gedeeltelijk gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van H. G. en L. P. toelaatbaar doch slechts gedeeltelijk gegrond.

Het hof hervormt de bestreden vonnissen.

Het hof verklaart de schade-eis van D. G. tegen de nv Axa Belgium in volgende mate gegrond.

Het hof veroordeelt de nv Axa Belgium tot de betaling aan D. G.:

- het bestreden vonnis van 17 december 2009 in dit onderdeel bevestigend, van de som van euro 4 824,50, wegens morele schade in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid/invaliditeit, vermeerderd met de vergoedende intresten naar rato van een rentevoet van 5% per jaar vanaf de gemiddelde datum van 6 mei 1994 tot op 17 december 2009 en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 750,00, wegens extra-inspanningen in de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid/invaliditeit, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf de gemiddelde datum van 08/09/1994 naar rato van een rentevoet van 5% per jaar tot op de dag van de onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke rente naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 90 000,00, wegens materiële schade in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van 5% per jaar vanaf 01/09/1995 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke rente naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 22 500,00, wegens morele schade in de periode van blijvende invaliditeit, vermeerderd met de vergoedende rente vanaf 1 september 1995 naar rato van de rentevoet van 5% tot op de onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op dag van de betaling,

- van de som van euro 15 000,00, wegens het verlies van economische waarde van de huishoudelijke arbeid in de periode van blijvende arbeidsongeschiktheid, vermeerderd met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de onderhavige uitspraak tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 500,00, wegens het verlies van een schooljaar, vermeerderd met de vergoedende intresten naar rato van een rentevoet van 5% per jaar vanaf 1 september 1995 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling,

- van de som van euro 1 500,00, wegens esthetische schade, vermeerderd met de vergoedende intresten naar rato van een rentevoet van 5% per jaar vanaf de dag van de consolidatie van 30 juni 1995 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling,

na aftrek van de reeds betaalde provisies:

- ten belope van de som van euro 5 000,00, vermeerderd met de negatieve interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 18 januari 2007 tot op de dag van de betaling van het verschuldigd saldo,

- ten belope van de som van euro 7 176,53, vermeerderd met de negatieve interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 24 februari 2010 tot op de dag van de betaling van het verschuldigd saldo,

- ten belope van de som van euro 5 000,00, vermeerderd met de negatieve interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 25 mei 2010 tot op de dag van de betaling van het verschuldigd saldo,

- ten belope van de som van euro 5 000,00, vermeerderd met de negatieve interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 18 oktober 2010 tot op de dag van de betaling van het verschuldigd saldo.

Het hof verleent aan D. G. voorbehoud i.v.m. met haar rechten met betrekking tot het eventueel verlies aan pensioenrechten in de toekomst en i.v.m. met haar rechten met betrekking tot de eventuele fiscale en sociale lasten op de aan haar toegekende vergoedingen.

Het hof zegt voor recht dat H. G. en L. P. solidair gehouden zijn de nv Axa Belgium te vergoeden ten belope van 3/4de van de sommen die laatstgenoemde reeds aan D. G. betaald heeft of nog zal betalen in uitvoering van onderhavig arrest.

Het hof verklaart de tusseneis in vrijwaring van H. G. en L. P. tegen de nv AG Insurance toelaatbaar en in volgende mate gegrond.

Het hof veroordeelt de nv AG Insurance tot vrijwaring van H. G. en L. P. voor alle sommen, zowel hoofdsommen, interesten als kosten, die zij ingevolge onderhavig arrest in het kader van de regresvordering van de nv Axa Belgium gehouden zijn te betalen aan deze laatste, mits de eventuele beperking van de in de B.A.-gezinspolis nr. 08-62133149 bedongen gewaarborgde sommen.

Het hof verklaart de tusseneis van de nv Axa Belgium tegen de nv AG Insurance verjaard.

Het hof veroordeelt D. G. tot 1/4de en de nv Axa Belgium tot 3/4de van de proceskosten in eerste aanleg verbonden aan de schade-eis van eerstgenoemde. Deze kosten bedragen in hun geheel aan de zijde van:

- D. G.: de rechtsplegingsvergoeding van euro 10 000,00,

- de nv Axa Belgium: de rechtsplegingsvergoeding van euro 10 000,00.

Het hof veroordeelt H. G. en L. P. tot de proceskosten in eerste aanleg verbonden aan de tusseneis in vrijwaring (regres) van de nv Axa Belgium. Deze kosten bedragen aan de zijde van de nv Axa Belgium, bij gebreke van een ruimere opgave, de dagvaardingskosten van euro 146,12.

Het hof veroordeelt de nv AG Insurance tot de proceskosten in eerste aanleg verbonden aan de tusseneis in vrijwaring van H. G. en L. P.. Deze kosten bedragen aan de zijde van H. G. en L. P.: de dagvaardingskosten van euro 103,29 en de rechtsplegingsvergoeding van euro 1 320,00, overeenkomstig de actualisering van de gevorderde rechtsplegingsvergoeding.

Het hof veroordeelt D. G. tot 1/4de en de nv Axa Belgium tot 3/4de van de proceskosten in hoger beroep verbonden aan hun onderlinge vorderingen. Deze kosten bedragen in hun geheel aan de zijde van:

- D. G.: de rechtsplegingsvergoeding van euro 11 000,00,

- nv Axa Belgium: het rolrecht van euro 186,00 en de rechtsplegingsvergoeding van euro 11 000,00.

Het hof veroordeelt H. G. en L. P. tot de proceskosten in hoger beroep verbonden aan de regresvordering van de nv Axa Belgium. M.b.t. deze kosten werd geen opgave ingediend.

Het hof veroordeelt de nv AG Insurance tot de proceskosten in hoger beroep verbonden aan de tusseneis in vrijwaring van H. G. en L. P.. Deze kosten bedragen aan de zijde van H. G. en L. P. de rechtsplegingsvergoeding van euro 1 320,00, overeenkomstig de actualisering van de gevorderde rechtsplegingsvergoeding.

Het hof veroordeelt de nv Axa Belgium tot de proceskosten in hoger beroep verbonden aan haar tusseneis tegen de nv AG Insurance. Deze kosten bedragen aan de zijde van de nv AG Insurance de rechtsplegingsvergoeding van euro 1 320,00, overeenkomstig het gevorderde.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 19 september 2012 door

F. PEETERS Voorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

A. VERHAERT Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

Mots libres

  • 1.Verzekeringen- BA privéleven

  • uitsluiting dekking inwonende

  • controle op de verzekeringsondernemingen 2. Burgerlijke rechtspleging- heropening van de debatten- nieuw samengestelde zetel

  • omvang van het debat 3. Begroting schade : Extra-inspanningen, Economische waarde op de gehele arbeidsmarkt, Blijvende arbeidsongeschiktheid, Blijvende invaliditeit, Verlies economische waarde huishouden, Verlies van een schooljaar, Esthetische schade, Voorbehoud