- Arrêt du 14 février 2012

14/02/2012 - 2008kr163

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. Artikel 194 van het Gemeentedecreet laat de inwoners inderdaad toe op te treden voor de gemeente "mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken." Deze bepaling legt echter geen zakelijke zekerheidstelling op, zodat de persoonlijke borgstelling volstaat

II. Artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993 betreffende een

vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu bepaalt

dat voor elk debat over de grond van de zaak een

verzoeningspoging moet plaatshebben. De wet verbindt daaraan

geen sanctie. Uit de procedurestukken blijkt overigens voldoende

dat verzoening niet mogelijk is.

III. De stakingsrechter stelt met toepassing van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 het bestaan vast van een handeling "die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu".

IV. Om het bestaan vast te stellen van een kennelijke inbreuk zoals bedoeld in voormeld artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen. De beoordeling van de gevolgen van de inbreuk op het milieu is uiteraard een beoordeling in feite.

V. In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund (zoals in casu een moto-cross) die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen".


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2008/KR/163

INZAKE VAN :

1) De heer Emile S., wonende

2) De heer Daan D.,

3) De heer Jan W.,

4) Mevrouw Marleen D.,

5) De heer Adelin D.,

6) De heer Lode D.,

7) Mevrouw Hannelore C.,

8)

vertegenwoordigd door Meester H. SCHOUKENS loco Meester Peter DE SMEDT, advocaat te 9000 GENT, Kasteellaan 141,

9) De heer Steven V.,

in persoon verschijnende,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 maart 2008,

1ste kamer

TEGEN :

1) De VZW DWORP AUTO MOTOR CLUB DE TOEKOMST, (afgekort AMC DE TOEKOMST), waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1653 DWORP, Kareelveldlaan 12,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Dirk DE GREEF, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

2) De Gemeente GOOIK, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1755 GOOIK, in het gemeentehuis, Koekoekstraat 2,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Thomas EYSKENS loco Meester Dirk LINDEMANS, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3,

I. Artikel 194 van het Gemeentedecreet laat de inwoners inderdaad toe op te treden voor de gemeente "mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken." Deze bepaling legt echter geen zakelijke zekerheidstelling op, zodat de persoonlijke borgstelling volstaat

II. Artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993 betreffende een

vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu bepaalt

dat voor elk debat over de grond van de zaak een

verzoeningspoging moet plaatshebben. De wet verbindt daaraan

geen sanctie. Uit de procedurestukken blijkt overigens voldoende

dat verzoening niet mogelijk is.

III. De stakingsrechter stelt met toepassing van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 het bestaan vast van een handeling "die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu".

IV. Om het bestaan vast te stellen van een kennelijke inbreuk zoals bedoeld in voormeld artikel 1, eerste lid, van de wet van 12 januari 1993 moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen. De beoordeling van de gevolgen van de inbreuk op het milieu is uiteraard een beoordeling in feite.

V. In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund (zoals in casu een moto-cross) die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen".

_____________________________________________________

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 26 maart 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 1 augustus 2008. AMC DE TOEKOMST legt kopie voor van het exploot van betekening. De appellanten hebben hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 11 juni 2008. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

1.1.- De heren S., V., D., W., S. en D. en de dames D., V., T. en C., hierna de heer S. & Co genoemd, wonen allen in de buurt van de Kesterheide te Gooik waar de VZW AMC DE TOEKOMST jaarlijks een motorcrosswedstrijd organiseert.

De motorcrosswedstrijd werd voor het eerst in 1966 georganiseerd en sindsdien elk jaar opnieuw, een keer per jaar op een zondag in de maand mei van 9.00 uur tot 18.00 uur.

Het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse goedgekeurd bij K.B. van 3 maart 1977 bestemt de Kesterheide tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied.

Even voordien was het K.B. van 10 juni 1976 houdende maatregelen tot inrichting van wedstrijden, test- en oefenritten met voertuigen goedgekeurd, waarbij onder meer de uitbating van motorcrosswedstrijden aan een vergunningsplicht werd onderworpen.

De GEMEENTE GOOIK zet uiteen dat de VZW AMC DE TOEKOMST op 27 december 1977 de toelating zou hebben gevraagd om een motorcrosswedstrijd te organiseren op grond van het K.B. van 10 juni 1976 houdende maatregelen tot inrichting van wedstrijden, test- en oefenritten met voertuigen.

Bij beslissing die de Bestendige Deputatie op de 23ste van een niet nader gekende maand in het jaar 1978 nam, werd de toelatingsaanvraag ingediend bij verzoekschrift neergelegd op 27 december 1977, goedgekeurd en werd aan de VZW AMC DE TOEKOMST de toelating verleend om een motorcrosswedstrijd te organiseren te Kester, omloop Kesterheide.

Op 13 april 1992 keurt de GEMEENTE GOOIK de vergunningsaanvraag van de VZW AMC DE TOEKOMST goed voor de uitbating van een klasse II- inrichting bedoeld in rubriek 32.9 van de Indelingslijst bij het VLAREM I voor een termijn van vijf jaar.

Op 17 mei 1999 neemt de GEMEENTE GOOIK akte van de melding van de VZW AMC DE TOEKOMST voor de uitbating van een klasse III-inrichting bedoeld in rubriek 32.9 van de Indelingslijst, met name "een omloop waarop per jaar hoogstens een wedstrijd met bijhorende oefenritten, op de dag zelf of de dag ervoor plaatsvinden ".

De Vlaamse Regering beslist op 24 mei 2002 dat het gebied rond de Kesterheide wordt aangeduid als habitatrichtlijngebied.

Op 4 april 2007 dient de VZW AMC DE TOEKOMST een afwijkingsaanvraag in op artikel 5.32.10.2, 1 VLAREM.

Op 23 april 2007 neemt de GEMEENTE GOOIK akte van de melding van de VZW AMC DE TOEKOMST voor de uitbating van een klasse III-inrichting bedoeld in rubriek 32.9, 1° van de Indelingslijst van het VLAREM I.

Diezelfde dag meldt de GEMEENTE GOOIK aan de VZW AMC DE TOEKOMST dat een afwijkingsaanvraag van artikel 5.32.10.2 van het VLAREM II moet worden aangevraagd respectievelijk goedgekeurd door de bevoegde Minister.

Op 18 september 2007 neemt de Minister de beslissing dat de afwijkingsaanvraag van artikel 5.32.10.2, 1 VLAREM zonder voorwerp is.

De Minister motiveert zijn beslissing door erop te wijzen dat aangezien de inrichting al vergund was op 1 januari 1993 (besluit van 13 april 1992 van het college van burgemeester en schepenen van de GEMEENTE GOOIK) en er melding gedaan is als derde klasse inrichting (waarvan akte genomen is op 17 mei 1999), de inrichting beschouwd dient te worden als een bestaande inrichting en de verbodsregels conform artikel 5.32.10.2 § 4, 1ste lid Titel II VLAREM, niet van toepassing zijn op deze inrichting.

De heer S. & Co gaan er desondanks van uit dat die jaarlijks georganiseerde motorcrosswedstrijd een kennelijke inbreuk uitmaakt tegen de milieureglementering terwijl de GEMEENTE GOOIK niet in rechte zou optreden.

"

Het hof voegt toe dat mevrouw Hannelore C., een van de appellanten, een beroep heeft ingesteld voor de Raad van State tot nietigverklaring van de boven vermelde beslissing van de Minister van 18 september 2007. De Raad heeft bij arrest van 12 november 2009 (nr. 197.719) het beroep verworpen op grond van de overweging dat door de vergunning van 13 april 1992 de motorcrossomloop te beschouwen is als een bestaande inrichting in de zin van artikel 1.1.2. van Vlarem II.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Op 22 maart 2007 hebben de appellanten en Steven V., Ludo S., Rosette V. en Lies T., allen optredend namens de gemeente GOOIK met toepassing van artikel 194 van het Gemeentedecreet en op grond van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu de VZW AMC DE TOEKOMST gedagvaard voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel zoals in kort geding. GOOIK is vrijwillig tussengekomen.

De eisende partijen vorderden:

1. aan de VZW AMC DE TOEKOMST het verbod op te leggen om op de terreinen, gelegen te 1755 GOOIK, "Kesterheide ", tussen de Ninoofsesteenweg en de Kesterweg, kadastraal bekend als derde Afdeling, sectie A, 59 M en 52 L 2, motorwedstrijden te organiseren, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000.000,00 EUR per inbreuk,

2. de VZW AMC DE TOEKOMST te veroordelen om het terrein te herstellen in de vorige toestand en met name:

- binnen de maand na de betekening van het vonnis over te gaan tot afbraak en verwijdering van de houten omheiningen rondom het hoger gelegen gedeelte van de motorcrossomloop en van de constructies die jaarlijks worden gebruikt voor de bevestiging van reclamepanelen, ter hoogte van de startgrid, onder verbeurte van een dwangsom van 500,00 EUR per dag vertraging en per overtreding.

- binnen de drie maanden na neerlegging op de griffie van het rapport van de aan te stellen begeleidingscommissie en volgens haar richtlijnen tot verwijdering over te gaan van alle afval en verhardingen, dienstig als parking, die zich op het terrein en in de bodem ervan bevinden, met afgraving tot op de onderliggende natuurlijke bodem,

- binnen de zes maanden na neerlegging op de griffie van het rapport van de aan te stellen begeleidingscommissie over te gaan tot heraanplanting op het hoger gelegen deel van de motorcrossomloop volgens de richtlijnen van de aan te stellen begeleidingscommissie,

- Een bioloog en een landschapsarchitect aan te stellen als deskundigen die als begeleidingscommissie de vermelde richtlijnen zullen opstellen

3. Aan de VZW AMC DE TOEKOMST het verbod op te leggen om na het herstel van de vorige toestand werken of handelingen te (laten) stellen of en in stand te houden die strijdig zijn met de planologische bestemming van het terrein volgens het toepasselijk plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan of die de vegetatie, het reliëf en de andere natuurlijke kenmerken op het terrein rechtstreeks of onrechtreeks wijzigen, op verbeurte van een dwangsom van 1.000.000,00 EUR per overtreding en per dag;

4. Te zeggen voor recht dat het verbeuren van de dwangsom zal kunnen worden bewezen door alle middelen van recht en in ieder geval door vaststellingen van gerechtsdeurwaarder, en de gerechtsdeurwaarder bovendien te machtigen om deze vaststellingen te doen buiten de uren en dagen bedoeld in artikel 47 van het Gerechtelijk Wetboek.

Zij concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het verzoek tot vrijwillige tussenkomst van GOOIK.

De VZW AMC DE TOEKOMST concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering.

Ook GOOIK concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de eisende partijen niet ontvankelijk en veroordeelde hen tot betaling van de kosten.

3.3

In hoger beroep hernemen de appellanten ongeveer hun oorspronkelijke vordering. Zij verduidelijken met name dat zij de aanstelling van een begeleidingscommissie wensen vóór een beslissing over de maatregelen tot herstel van het terrein. Zij vragen geen dwangsom meer op het verbod op werken of handelingen na herstel van de vorige toestand. Ook de vraag tot veroordeling tot verwijdering van afval en verhardingen dienstig als parking handhaven zij niet.

AMC DE TOEKOMST concludeert tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep. Ondergeschikt vraagt zij voldoende tijd voor de uitvoering van de maatregelen en nog meer ondergeschikt vraagt zij het hof het advies in te winnen van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid.

GOOIK concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar tussenkomst suggereert zij een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. Ondergeschikt herneemt zij haar verweer, en vraagt zij te zeggen dat verbeurde dwangsommen moeten overgemaakt worden aan haar en niet aan de appellanten.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De wering van conclusies

AMC DE TOEKOMST vraagt de wering van de tweede syntheseconclusie van de appellanten omdat die conclusie niet beperkt is tot de stukken waarvoor met toepassing van artikel 748 §2 van het Gerechtelijk Wetboek een bijkomende conclusieronde was toegestaan. De beschikking van het hof van 4 januari 2011 heeft het onderwerp van de te nemen conclusies nochtans niet beperkt, en heeft ook het nemen van syntheseconclusies niet uitgesloten. AMC DE TOEKOMST heeft overigens kunnen antwoorden op de tweede syntheseconclusie van de appellanten, zodat er ook geen schending van de rechten van verdediging is die een wering van conclusies kan rechtvaardigen.

4.2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

AMC DE TOEKOMST concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Zij laat gelden dat de appellanten hebben nagelaten Ludo S., Rosette V. en Lies T., die aanwezig waren voor de eerste rechter, te betrekken in het hoger beroep terwijl het geding onsplitsbaar is (artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek). AMC DE TOEKOMST stelt daarbij evenwel ten onrechte de verschillende eisende partijen, formele procespartij, gelijk met GOOIK, de materiële procespartij, voor wie de eisende partijen voorhouden op te treden met toepassing van artikel 194 van het Gemeentedecreet. De materiële procespartij is betrokken in het hoger beroep, waarbij het zonder belang is door hoeveel personen zij met toepassing van artikel 194 van het Gemeentedecreet wordt vertegenwoordigd.

4.3 De grond van het hoger beroep

4.3.1 De ontvankelijkheid van de vordering

4.3.1.1 De rechtsmacht van de voorzitter

GOOIK laat gelden dat de rechter het gevorderde verbod niet kan uitspreken zonder te oordelen over de opportuniteit van een bestuurshandeling en dus zonder schending van de scheiding van de machten.

De voorzitter (en het hof in deze) heeft rechtsmacht voor het vaststellen, in overeenstemming met de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, van het bestaan van "een zelfs onder het strafrecht vallende handeling, die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu. Hij kan de staking bevelen van handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu". Dat die handelingen gebeurden in uitvoering of krachtens een beslissing die een bestuur heeft genomen in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid, doet daaraan niets af. Voorwerp van beoordeling is niet de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid, maar de inbreuk of de dreiging.

4.3.1.2 Het stilzitten van GOOIK

Ten onrechte verklaarde de eerste rechter de vordering van de appellanten niet ontvankelijk omdat zij niet bewijzen dat GOOIK heeft stilgezeten. Artikel 194 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 laat toe dat een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, "als het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt" . Uit de boven uiteengezette feiten blijkt voldoende dat GOOIK kennis had van de organisatie van een jaarlijkse cross door AMC DE TOEKOMST. Het staat vast dat GOOIK, vertegenwoordigd door het college, niet in rechte is opgetreden voordat de appellanten hebben gedagvaard. Het is dus zonder belang of de appellanten daarbij eerst nog GOOIK hebben uitgenodigd op te treden.

4.3.1.3 De tussenkomst van GOOIK

Terecht heeft de eerste rechter de vrijwillige tussenkomst van GOOIK ontvankelijk verklaard. De toepassing van artikel 194 van het Gemeentedecreet ontneemt immers aan de gemeente niet het recht om op te treden in rechte bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen met toepassing van artikel 193 van het Gemeentedecreet . Uit artikel 194, 3de lid zelf blijkt overigens al dat de gemeente kan tussenkomen: als zij niet tussenkomt, kan zij ook geen afstand doen. De gemeente kan tussenkomen, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen; haar tussenkomst heeft wel niet tot gevolg dat de inwoners niet langer het geding mogen voeren om de rechten van de gemeente te doen gelden . De tussenkomst van GOOIK strekt daar ook niet toe.

4.3.1.4 De zekerheidstelling

AMC DE TOEKOMST werpt op dat de vordering van de appellanten niet ontvankelijk is omdat zij geen zekerheid hebben gesteld. Zij meent dat hun toezegging in die zin in de dagvaarding niet volstaat.

Artikel 194 van het Gemeentedecreet laat de inwoners inderdaad toe op te treden voor de gemeente "mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken." Deze bepaling legt echter geen zakelijke zekerheidstelling op, zodat de persoonlijke borgstelling volstaat. De appellanten hebben dus aan deze verplichting voldaan door de vermelding in dagvaarding dat zij "om te voldoen aan de bij artikel 194, eerste lid, Gemeentedecreet vereiste zekerheidsstelling de kosten van het geding [zullen] dragen voor zover deze ten laste vallen van de Gemeente GOOIK, alsook instaan voor de veroordelingen die in het geding lastens de Gemeente GOOIK mochten worden uitgesproken."

4.3.1.5 Het belang van de gemeente

De appellanten en GOOIK zijn het erover eens dat de gemeente belang heeft bij dit geding. De appellanten steunen daarop hun toepassing van artikel 194 van de Gemeentewet, en GOOIK zelf steunt daarop haar tussenkomst.

Ten onrechte stelt GOOIK de vordering van de appellanten anderzijds gelijk met een actio ad futurum. Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt dat de organisatie van de cross jaarlijks en ononderbroken gebeurt, zodat het belang bij een vordering tot staking dadelijk is in de zin van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Er anders over oordelen en zeggen dat de stakingsvordering pas mogelijk is wanneer de bestreden handeling bezig is, zou de stakingsvordering van de wet van 12 januari 1993 grotendeels virtueel maken. Voor zoveel als nodig: een bevel tot staking impliceert per definitie een ingrijpen op toekomstig handelen.

4.3.1.6 De verzoeningspoging

Artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu bepaalt dat voor elk debat over de grond van de zaak een verzoeningspoging moet plaatshebben. De wet verbindt daaraan geen sanctie. Uit de procedurestukken blijkt overigens voldoende dat verzoening niet mogelijk is.

4.3.2 De grond van de vordering

Zoals reeds aangehaald stelt de stakingsrechter met toepassing van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 het bestaan vast van een handeling "die een kennelijke inbreuk is of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu".

Om het bestaan vast te stellen van een kennelijke inbreuk zoals bedoeld in voormeld artikel 1, eerste lid, moet de rechter niet alleen nagaan of de inbreuk op wetsbepalingen betreffende de bescherming van het milieu met voldoende zekerheid vaststaat, maar moet hij tevens de gevolgen van die inbreuk op het milieu in aanmerking nemen . De beoordeling van de gevolgen van de inbreuk op het milieu is uiteraard een beoordeling in feite. De gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu zijn dus niet alleen aan de orde bij de beoordeling van de opportuniteit van de gevraagde maatregelen. Bij die laatste beoordeling zal de rechter beslissen na een belangenafweging.

4.3.2.1 De wetgeving inzake ruimtelijke ordening

Met betrekking tot de inbreuken op de wetgeving inzake ruimtelijke ordening werpt GOOIK terecht op dat de inrichting van het terrein vermoed wordt vergund te zijn met toepassing van artikel 4.2.14 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Artikel 4.2.14 § 2 bepaalt inderdaad dat worden geacht te zijn vergund de "bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn". Dat dit hier het geval is, vormt geen voorwerp van ernstige betwisting. Het vermoeden kan weerlegd worden "door een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie", maar dat blijkt in deze niet het geval. Overigens blijkt niet dat AMC DE TOEKOMST, die geen eigenaar is van het terrein, zelf constructies of reliëfwijzigingen heeft aangebracht.

De appellanten laten gelden dat de organisatie van de cross niet verenigbaar is met de bestemming als landschappelijk waardevol gebied.

Geïntimeerden beroepen zich evenwel terecht op de uitzondering voor recreatief medegebruik, bepaald in artikel 4.4.4.§1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: "In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen".

In deze moet inderdaad aangenomen worden dat de impact van de motorcross niet van aard is de verwezenlijking van de algemene bestemming in het gedrang te brengen. Het valt niet in te zien hoe de jaarlijkse cross op een terrein dat daartoe sinds 1966 wordt gebruikt en dat daarvoor sinds decennia is ingericht, de verwezenlijking als landschappelijk waardevol gebied zou aantasten. Die bestemming is inderdaad gebeurd op een ogenblik dat het terrein reeds was ingericht en gebruikt voor de cross, zodat een voortzetting van dat gebruik nu niets wijzigt aan de waarde van het landschap.

Uit het bovenstaande volgt dat er geen inbreuk is op de wetgeving inzake ruimtelijke ordening.

Ten overvloede zou een inbreuk op de wetgeving inzake ruimtelijke ordening in deze ook niet kunnen aangemerkt worden als kennelijk in de zin van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993. De appellanten leveren niet het bewijs van concrete ernstige gevolgen op het milieu en meer bepaald de ruimtelijke ordening. Het gaat om een jaarlijkse maar korte gebeurtenis die zich al jaren daar voordoet. Het kan niet zonder meer vermoed worden dat het verder doorgaan van deze sportmanifestatie een belangrijke impact heeft op het milieu en meer bepaald de ruimtelijke ordening. Het terrein is klaarblijkelijk al decennia ingericht met het oog op de motorcross, en het kan niet verondersteld worden dat de jaarlijkse cross daaraan iets verandert.

Er is dus geen kennelijke inbreuk of ernstige dreiging in de zin van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993.

4.3.2.2 Milieuhygiëne

De appellanten verwijzen naar artikel 5.32.10.2 Vlarem II, naar luid waarvan het verboden is motorcrosswedstrijden te organiseren in een gebied dat is aangeduid als speciale beschermingszone op basis van de Europese Habitatrichtlijn. Artikel 5.32.10.2.§4 bepaalt evenwel dat die verbodsbepalingen niet gelden voor bestaande inrichtingen. In zijn reeds vermelde arrest van 12 november 2009 (nr. 197.719) heeft de Raad van State terecht geoordeeld dat gelet op de vergunning van 13 april 1992 de motorcrossomloop te beschouwen is als een bestaande inrichting in de zin van artikel 1.1.2. van Vlarem II.

De appellanten vragen de vergunning(en) op grond waarvan de omloop wordt beschouwd als een bestaande inrichting buiten toepassing te laten met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. De exceptie van onwettigheid kan er echter niet toe strekken het feit van de vergunning te schrappen uit de werkelijkheid. Dit klemt des te meer voor een beslissing die meer dan 20 jaar geleden is genomen en die geen voorwerp is geweest van een administratief beroep.

De appellanten houden voor dat een milieuvergunning nodig is voor het organiseren van meerdere motorcrosswedstrijden, maar het blijkt niet dat in deze sprake is van meerdere motorcrosswedstrijden. Dat een wedstrijd verloopt in verschillende fases of onderdelen, categorieën of manches doet daaraan niets af. De omloop komt derhalve voor als inrichting van klasse 3 in de zin van artikel 32.9.1° van de indelingslijst, waarvoor een melding volstaat en geen milieuvergunning vereist is.

Aan het bovenstaande moet worden toegevoegd dat ook op dit vlak niet blijkt dat een inbreuk bestaande uit de inrichting van de motorcross moet worden aangemerkt als kennelijk in de zin van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993, bij gebrek aan bewijs van concrete ernstige gevolgen op het milieu. Het gaat zoals vermeld om een jaarlijkse maar korte gebeurtenis die zich al jaren daar voordoet. Het kan niet zonder meer vermoed worden dat het verder doorgaan van deze sportmanifestatie een belangrijke impact heeft op het milieu of de toestand inzake milieuhygiëne werkelijk bedreigt. Het locale milieu waarvoor de appellanten stellen op te komen is overigens in beginsel de resultante van het bestaan ter plaatse van de jaarlijkse manifestatie.

Er is dus geen kennelijke inbreuk of ernstige dreiging in de zin van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993.

4.3.2.3 Het afvalstoffendecreet

De appellanten maken op dit punt melding van een storting in 1992 en 1993 van bouw- en sloopafval voor het nivelleren van delen van het terrein voor de omloop en een parkeerterrein. Die stortingen maken volgens de appellanten inbreuken uit op artikel 12 van het Vlaams decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen.

Het blijkt echter niet dat AMC DE TOEKOMST deze inbreuken heeft begaan, zodat een veroordeling tot herstel lastens haar niet aan de orde is. Deze inbreuken hebben overigens ook geen relevantie voor de gevraagde staking van de organisatie van de motorcross; of de cross doorgaat of niet doet niets af aan het feit van een aflopend misdrijf van 20 jaar geleden.

Voor zoveel als nodig: het blijkt niet dat de organisatie van de motorcrosswedstrijd waarvan de staking wordt gevraagd werkelijk inbreuken zal meebrengen op het afvalstoffendecreet die concrete ernstige gevolgen op het milieu vormen.

Er is dus geen kennelijke inbreuk of ernstige dreiging in de zin van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993.

4.3.2.4 Het natuurbehoud

De appellanten werpen op dat de organisatie van de motorcross inbreuken meebrengt op de wetgeving inzake natuurbehoudsrecht. Zij voeren aan dat AMC DE TOEKOMST artikel 36ter §3 §4 en §5 schendt van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

Naar luid van artikel 36ter § 3 moet "een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, [...] onderworpen [...]worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. [...] De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. [...]" §4 luidt: "De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan." Daarbij geldt als vergunningsplichtige activiteit "een activiteit waarvoor op grond van een wet, decreet of besluit, een vergunning, toestemming of machtiging vereist is" (artikel 2, 46° decreet natuurbehoud). De vereisten van artikel 36ter gelden met andere woorden niet waar geen vergunning toestemming of machtiging vereist is. Zoals hoger vermeld geniet de inrichting van de omloop het vermoeden van stedenbouwkundige vergunning en is geen milieuvergunning vereist.

Bovendien blijkt niet dat de motorcrosswedstrijd in casu een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone zal veroorzaken, om de eenvoudige reden dat de natuurlijke kenmerken van het gebied zoals al vermeld zijn gevormd terwijl de omloop bestond en werd gebruikt. De jaarlijkse wedstrijd heeft de afgelopen decennia niet de aanwezigheid belet van flora en fauna die aan het gebied het biologisch waardevol karakter hebben gegeven dat de aanduiding als habitatrichtlijngebied heeft verantwoord. Het gebruik als motorcrossomloop lag overigens net aan de oorsprong van bepaalde kenmerken; AMC DE TOEKOMST houdt voor en de appellanten weerleggen niet dat de graslanden die nu als waardevol worden aangemerkt zijn ontstaan door het jaarlijks inzaaien na de cross.

De beperkte impact van de jaarlijkse motorcrosswedstrijd op de natuurlijke kenmerken wordt geheel bevestigd in de "passende beoordeling" die AMC DE TOEKOMST niettemin heeft laten opstellen door D+A CONSULT. De conclusie daarvan luidt als volgt:

"De eenmalige (jaarlijkse) organisatie van de Omloop op de Kesterheide veroorzaakt geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Speciale beschermingszone (boshabitats). De omloop van het parcours is immers buiten het eigenlijke boshabitatgebied gelegen en de organisatie neemt de nodige voorzorgmaatregelen om mogelijke schadelijke milieueffecten tot een minimum te herleiden. Met de organisatie van de Omloop en de huidige flankerende maatregelen worden de huidige habitats die intentioneel genieten van de speciale bescherming vanuit het Habitatrichtlijngebied 'Hallerbos en nabije boscomplexen met brongebieden en heide' - deelgebied 8: Kesterheide-Lombergbos niet significant verstoord in de instandhoudingsdoelstellingen zoals geformuleerd voor de SBZ-H ."

Dat de studie is besteld door AMC DE TOEKOMST impliceert niet dat zij onjuist is; zoals vermeld bepaalt artikel 36ter §3 van het Natuurbehouddecreet dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het opstellen van de passende beoordeling.

De appellanten voeren aan dat AMC DE TOEKOMST minstens de plicht schendt die is vastgelegd in artikel 14 van het Natuurbehoudsdecreet tot het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijze kunnen worden gevergd om vernietiging of schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen . Het blijkt echter niet dat aan AMC DE TOEKOMST een concrete inbreuk kan worden verweten op deze niet alleen open maar ook bijzonder vage norm. De maatregelen die AMC DE TOEKOMST neemt, bijvoorbeeld het weren van te luide motoren, het afsluiten van een deel van het gebied, of het laten afspuiten van motoren boven een opvangbekken, zijn overigens in detail beschreven in de "passende beoordeling" . Zij komen voor als voldoend aan de eisen van artikel 14.

Ook op dit vlak is er dus geen kennelijke inbreuk of ernstige dreiging in de zin van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993.

4.3.2.5 De bosbescherming

De appellanten werpen op dat AMC DE TOEKOMST door de verstoring van de rust in het bos en de beschadiging van bomen inbreuk maakt op artikel 97 van het Bosdecreet van 13 juni 1990. Artikel 97 §2 verbiedt met betrekking tot de privébossen inderdaad onder meer (3) de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren en (5) bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel.

AMC DE TOEKOMST betwist niet dat in het verleden kappingen zijn uitgevoerd door de eigenaar (en niet door haar) maar stelt dat die daarvoor een vergunning had; de appellanten lijken dat niet te betwisten. Met betrekking tot de rust in het bos moet inderdaad aangenomen worden dat de motorcross op zich strijdt met de rust die de rest van het jaar in het bos heerst, maar GOOIK en AMC DE TOEKOMST werpen terecht op dat de rust van de bezoekers op dat moment alleszins niet wordt gestoord, omdat die net met het oog op de cross naar het bos komen.

Zo op dit vlak inbreuken op milieuwetgeving kunnen worden verondersteld, blijkt evenwel niet dat die kunnen aangemerkt worden als kennelijk in de zin van artikel 1 van de Wet van 12 januari 1993. De korte rustverstoring doet niets af aan de rust die in beginsel de rest van het jaar aanwezig is, en voor zover de vegetatie wordt beschadigd bij de wedstrijd, mag aangenomen worden dat die zich nadien ongestoord kan herstellen; zoals vermeld maakt AMC DE TOEKOMST melding van jaarlijkse inzaaiing van grasland (uit de foto's blijkt dat het gebied onder meer stukken bevat met aanwezigheid van bomen en grassen). Het lijkt ook onwaarschijnlijk dat de flora en fauna die zich ter plaatse hebben ontwikkeld in de 45 jaar dat er jaarlijks een motorcross wordt gehouden worden bedreigd door de motorcross die er jaarlijks wordt gehouden. De appellanten bewijzen in elk geval geen ernstige of blijvende schade op dat vlak.

De vordering is dus ongegrond.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat, gelet op de niet-waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van de appellanten ontvankelijk maar slechts gedeeltelijk gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis behalve voor zover het beslist over de tussenkomst van GOOIK en over de kosten, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van de appellanten ontvankelijk maar ongegrond;

Het veroordeelt de appellanten tot de betaling van de kosten van het hoger beroep begroot

- in hoofde van eerste geïntimeerde op euro 1.320,00 rechtsplegings-vergoeding en

- in hoofde van tweede geïntimeerde op euro 1.320,00 rechtsplegings-vergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

14/02/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Motocross. Organisatie. Vergunning. Art. 194 Gemeentedecreet. Optreden van inwoners voor de gemeente. Artikel 12 januari 1993 inzake de bescherming van het leefmilieu. Voorafgaande verzoeningspoging: vereiste en sanctie. Stakingsrechter. kennelijke inbreuk. Gevolgen van de inbreuk op het milieu. Ruimtelijke ordening. Bosdecreet.