- Arrêt du 6 mars 2012

06/03/2012 - 2009AR3060

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het behoort aan advocaten hun ereloon met een billijke gematigdheid vast te stellen. De adviezen van de Raad van de Orde dienen aangezien te worden als adviezen in de zin van artikel 962 Ger.W. en hebben derhalve geen enkel obligatoir karakter. Uit de redactie van huidig artikel 446ter Ger.W. blijkt bovendien duidelijk dat niet enkel de Raad van de Orde maar ook de rechtbanken toezicht hebben op de ereloonstaten met inachtneming van de belangrijkheid van de zaak, de aard van het werk en het bekomen resultaat.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/3060

INZAKE VAN :

De heer A. H., wonende te

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 juni 2009,

vertegenwoordigd door Meester SCHREURS loco Meester Bernard RENSON, advocaat te 1040 BRUSSEL, Jachtlaan 132,

1ste kamer

TEGEN :

De naamloze vennootschap LA POSTERIE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9600 RONSE, Louis Pasteurlaan 13, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0434.691.840, woontkiezende te 1170 BRUSSEL, Residentie "Chateau Les Fougères", Grand Veneur 4, appartement 2de verdieping,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Dirk BOURGUIGNON, advocaat te 1740 TERNAT, Statiestraat 38,

SAMENVATTING.

Het behoort aan advocaten hun ereloon met een billijke gematigdheid vast te stellen. De adviezen van de Raad van de Orde dienen aangezien te worden als adviezen in de zin van artikel 962 Ger.W. en hebben derhalve geen enkel obligatoir karakter. Uit de redactie van huidig artikel 446ter Ger.W. blijkt bovendien duidelijk dat niet enkel de Raad van de Orde maar ook de rechtbanken toezicht hebben op de ereloonstaten met inachtneming van de belangrijkheid van de zaak, de aard van het werk en het bekomen resultaat.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 juni 2009, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 18 november 2009;

• de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 30 juni 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 31 augustus 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van XXX en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 15.781,49 euro uit hoofde van het saldo van zijn staat van kosten en erelonen van 8 maart 2000 plus de intresten vanaf deze datum.

1.2. De eerste rechter heeft bij tussenvonnis van 21 oktober 2002 de zaak voor advies verzonden naar de Raad van de Franstalige Orde van advocaten bij de balie van Brussel.

1.3. Een advies werd ter griffie neergelegd op 27 januari 2004. Een ‘verbeterend' advies werd neergelegd ter griffie op 27 november 2007.

Hierna herleidde appellant zijn vordering in hoofdsom tot 10.281,49 euro gezien geïntimeerde inmiddels een bedrag had betaald van 5.500 euro "voor slot van alle rekening".

1.4. De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Hij oordeelde dat de staat van appellant in elk geval niet kon worden begroot op een bedrag in hoofdsom en intresten dat het door geïntimeerde reeds betaalde bedrag van 6.506,80 euro zou overstijgen.

1.5. In hoger beroep herneemt appellant zijn vordering zoals ingesteld voor de eerste rechter na de (gedeeltelijke) betaling vanwege geïntimeerde.

1.6. Geïntimeerde vraagt de integrale bevestiging van het bestreden vonnis.

II. De relevante feiten.

2.1. Appellant vraagt betaling van het saldo van zijn ereloonstaat van 8 maart 2000.

De betwisting had betrekking op het verlijden van een authentieke akte. Geïntimeerde had op 19 februari 1997 twee appartementen gekocht van IRD die naliet binnen de voorziene termijn de authentieke akte te verlijden.

IRD ging uiteindelijk failliet en de curator weigerde op zijn beurt over te gaan tot het verlijden van die authentieke akte.

De curator wierp op dat de twee appartementen in kwestie geschat werden op een totaal van 15.650.000 BEF terwijl in de onderhandse verkoopsovereenkomst de koopsom bepaald werd op 14.200.000 BEF. Hij achtte zich - als derde partij - verder niet gebonden door de aangegane overeenkomst omdat deze niet geregistreerd werd.

Bij vonnis van 14 september 1998 bekwam de curator van de rechtbank van koophandel de toelating om de beide appartementen te verkopen aan de geschatte prijs.

2.2. Hierop deed geïntimeerde beroep op appellant als raadsman.

Appellant tekende derdenverzet aan tegen voornoemde machtigingsbeslissing. Dat verzet werd bij vonnis van 23 december 1999 afgewezen en geïntimeerde werd bovendien veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

Geïntimeerde beweert niet op de hoogte te zijn gebracht van de beslissing van 23 december 1999 en dat appellant hoger beroep aantekende zonder uitdrukkelijk hiertoe gemandateerd te zijn.

Zij vroeg hierop aan appellant zijn tussenkomst op te schorten waarop appellant op 28 januari 2000 geïntimeerde liet weten dat hij zijn tussenkomst in dat dossier stop zette. Op 8 maart 2000 volgde een eindfactuur voor een bedrag van 15.781,49 euro .

2.3. Op verzoek van de eerste rechter heeft de Raad op 23 januari 2004 een eerste advies medegedeeld waarin gesteld werd dat de staat van 8 maart 2000 overdreven was en diende herleid te worden met 8.649,99 euro voor wat het ereloon betreft en met 624,69 euro voor wat de kosten betreft. De Raad adviseerde bijgevolg de ereloonstaat te herleiden tot in totaal 6.506,80 euro .

Geïntimeerde betaalde hierop een bedrag van 5.500 euro "tot slot van alle rekening".

2.4. Gezien volgens appellant dit advies foute gegevens bevatte, werd een tweede advies opgesteld op 6 november 2007 waarin tot het besluit werd gekomen dat de staat van 8 maart 2000 niet (meer) overdreven was.

III. Bespreking.

3.1. Uit de stukken van het dossier blijkt o.a. het volgende:

- Op 22 februari 1999 schreef een medewerker aan appellant dat na nazicht van de terzake geldende rechtspraak en rechtsleer gebleken is dat een onderhandse verkoopsovereenkomst - bij gebreke aan overschrijving - niet tegenstelbaar is aan de curator en de gewone schuldeisers omdat zij als derden aangezien worden t.a.v. de koper;

- Hij merkte in diezelfde brief op dat een dergelijke conclusie moeilijk te vertellen zal zijn aan de cliënt en stelde voor een minnelijke regeling aan te gaan met de curator;

- Hierop antwoordde appellant dat er geen sprake was de cliënt op de hoogte te brengen dat zijn zaak "naar de vaantjes" was, dat in die zaak moest "gevochten" worden en dat er bijgevolg conclusies dienden opgesteld te worden;

- Bij schrijven van 6 maart 1999 deelde diezelfde medewerker de gevraagde conclusie mede en herhaalde hij absoluut niet in te zien op welke gronden het derdenverzet zou kunnen ontvangen worden;

- Op 10 mei 1999 schreef de curator aan appellant dat hij betreurde dat er geprocedeerd werd i.p.v. te proberen een minnelijke regeling te treffen; de handelwijze van appellant omschreef hij als "dilatoir en irrationeel";

- Na de melding van appellant dat hij hoger beroep zou instellen tegen het vonnis van 23 december 1999, omschreef de curator in zijn brief van 17 januari 2000 diens beslissing als "perseverare diabolicum";

- Bij schrijven van 27 januari 2000 liet geïntimeerde aan haar raadsman weten ontgoocheld te zijn over de gang van zaken, hem geen opdracht te hebben gegeven om hoger beroep aan te tekenen en inmiddels zelf onderhandelingen aangevat te hebben met de curator.

3.2. Uit wat hieraan voorafgaat, blijkt dat appellant een totaal nutteloze procedure heeft ingesteld als gevolg waarvan zijn cliënt ook nog veroordeeld werd tot het betalen van een schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

Kort na de uitspraak van 23 december 1999 is geïntimeerde bovendien zelf tot een akkoord gekomen met de curator wat andermaal aantoont dat geïntimeerde weinig baat had aan de tussenkomst van appellant als professioneel.

Gelet op de bewoordingen van de curator in zijn brief van 17 januari 2000 kan appellant niet ernstig menen dat het door hem - buiten mandaat - ingestelde hoger beroep geïntimeerde in een betere onderhandelingspositie zou geplaatst hebben.

Even onterecht houdt hij - in de gegeven omstandigheden - voor dat de kans dat het vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden, minstens m.b.t. het tergend en roekeloos karakter van de vordering, reëel was.

3.3. Voor een dergelijke - weinig professionele tussenkomst - vroeg appellant bijkomend een bedrag van 15.781,49 euro . De uitbetaalde provisie van 1.363,41 euro was reeds in mindering gebracht.

Een dergelijke staat van kosten en ereloon voldoet niet aan wat bepaald is in artikel 446ter Ger.W., met name dat het aan advocaten behoort hun ereloon met een billijke gematigdheid vast te stellen.

3.4. Het gebrek aan billijke gematigdheid werd overigens ook reeds vastgesteld door de Franstalige Raad van de Orde.

In zijn advies neergelegd op 27 januari 2004 werd de ereloonstaat van appellant in totaal herleid tot 6.506,80 euro gezien de ereloonstaat van 8 maart 2000 de grenzen van een billijke gematigdheid overschreed.

Dit bedrag werd inmiddels vereffend door geïntimeerde (1.363,41 euro + 5.500 euro ).

3.5. In een later advies neergelegd op 21 november 2007 besliste de Franstalige Raad van de Orde - anders samengesteld - weliswaar dat de betwiste ereloonstaat wel voldeed aan de vereiste van billijke gematigdheid maar met dit advies kan geen rekening gehouden worden.

Het is niet duidelijk hoe dit "nieuwe" advies tot stand is kunnen komen. Bovendien werd dit neergelegd meer dan 3 jaar na het vorige advies en meer dan 5 jaar na het tussenvonnis van 21 oktober 2002 waarin om advies werd gevraagd.

Volledigheidshalve wordt hierbij nog opgemerkt dat de adviezen van de Raad van de Orde dienen aangezien te worden als adviezen in de zin van artikel 962 Ger.W. en derhalve geen enkel obligatoir karakter hebben.

Uit de redactie van artikel 446ter Ger.W., zoals heromschreven bij wet van 21 juni 2006 , blijkt bovendien duidelijk dat niet enkel de Raad van de Orde maar ook de rechtbanken toezicht hebben op de ereloonstaten met inachtneming van de belangrijkheid van de zaak, de aard van het werk en het bekomen resultaat .

3.6. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd in zoverre hierin de staat van kosten en ereloon in totaal begroot wordt op 6.506,80 euro , vastgesteld wordt dat geïntimeerde deze staat in hoofdsom en intresten inmiddels vereffend had en derhalve de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.7. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding van 1.100 euro wat het basisbedrag uitmaakt gelet op de omvang van het gevorderde.

Na indexatie wordt dit 1.210 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot in hoofde van geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

06/03/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Rechten en plichten van advocaten. Begroting van hun ereloon: criteria. Juridische waarde van een advies terzake van de Raad van de Orde. Bevoegdheid van de rechtbanken bij de gegroting van het ereloon van advocaten.