- Arrêt du 2 avril 2012

02/04/2012 - 2009AR1148

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Een van de legatarissen van een restlegaat in de zin van algemene legatarissen dient zich rekenschap te geven van het feit dat het achterhouden of verzwijgen van gelden en waarden een impact had op de samenstelling en de omvang van dit restlegaat. Hiertegen weegt niet op dat deze legataris een ander besluit zou getrokken hebben op grond van de eventuele redenering dat, vermits de drie algemene legatarissen in casu geen voorbehouden erfgenamen en zelfs geen wettelijke erfgenamen waren, zijn houding van verzwijgen en achterhouden van gelden geen impact zou hebben op de rechten van diens twee algemene colegatarissen. Dit excuus vormt eerder een drogreden of minstens een niet-verschoonbare vergissing in hoofde van de heler die zich trouwens had kunnen bevragen bij een advocaat of notaris.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/1148

INZAKE VAN :

De heer J.S.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te L. op 27 januari 2009,

vertegenwoordigd door Meester LIMME loco Meester Jos MOMBAERS, advocaat te 3300 X., O.L.V. Broedersstraat 3,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer B. W.,

2) Mevrouw V. W.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Patrick GROUWELS, advocaat te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 60

Artikel 792 BW. Heling. Toepassingsvoorwaarden. Inroepen van een drogreden door de heler.

Een van de legatarissen van een restlegaat in de zin van algemene legatarissen dient zich rekenschap te geven van het feit dat het achterhouden of verzwijgen van gelden en waarden een impact had op de samenstelling en de omvang van dit restlegaat. Hiertegen weegt niet op dat deze legataris een ander besluit zou getrokken hebben op grond van de eventuele redenering dat, vermits de drie algemene legatarissen in casu geen voorbehouden erfgenamen en zelfs geen wettelijke erfgenamen waren, zijn houding van verzwijgen en achterhouden van gelden geen impact zou hebben op de rechten van diens twee algemene colegatarissen. Dit excuus vormt eerder een drogreden of minstens een niet-verschoonbare vergissing in hoofde van de heler die zich trouwens had kunnen bevragen bij een advocaat of notaris.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te L. (7de kamer), na tegenspraak uitgesproken op 27 januari 2009, bij exploot van 30 maart 2009 aan appellant betekend;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 29 april 2009 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van appellant, op 15 januari 2010 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van geïntimeerden, op 11 februari 2010 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 februari 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellant stelt hoger beroep in tegen het eerste bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden, ingesteld bij dagvaarding van 23 maart 2005, ontvankelijk en deels verklaart en notaris S. met standplaats te X. aanstelt om over te gaan tot de vereffening van de nalatenschap van mevrouw A. S., overleden te X. op 26 maart 2000, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en rekening houdend met de beslissingen in het vonnis.

Het bestreden vonnis stelt bovendien notaris Valkeniers met standplaats te X. aan met de opdracht en bevoegdheden bepaald in artikel 1209, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Verder wordt de tegenvordering van huidige appellant ontvankelijk maar ongegrond verklaard en worden de gerechtskosten ten laste van de massa gelegd.

2. In de motieven van het bestreden vonnis verwerpt de eerste rechter de exceptio obscuri libelli en oordeelt de rechtbank dat huidige geïntimeerden wel degelijk blijk geven van het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid om hun vordering in te stellen.

Ten gronde oordeelt de eerste rechter dat het onwaarschijnlijk is dat de overledene zo kort na het opstellen van haar testament en zonder aanwijsbare redenen, huidige appellant zou hebben begiftigd via handgiften van de gelden en titels die in zijn bezit zijn en dat dit bezit dubbelzinnig is en gebrekkig met het gevolg dat huidige appellant het bewijs van de beweerde handgiften zelf moet leveren, waarin hij niet slaagt zodat de gerevindiceerde titels en gelden tot de nalatenschap van de overledene behoren. Deze nalatenschap, met inbegrip van gezegde titels en gelden, moet volgens het testament verdeeld worden.

Verder zegt de eerste rechter dat er geen toepassing moet gemaakt worden van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek (uitsluiting van de erfgenaam bij heling van erfgoederen).

Met het oog op de vereffening en verdeling van de nalatenschap worden ten slotte, zoals hierboven uiteengezet, notarissen aangesteld.

3. Appellant vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en zijn oorspronkelijke tegenvordering daarentegen gegrond te verklaren en dienvolgens geïntimeerden te veroordelen tot betaling aan appellant van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding ten bedrage van een euro provisioneel, met veroordeling van geïntimeerden in alle kosten.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

4. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

Zij stellen een beperkt incidenteel beroep in waarbij zij vragen te zeggen voor recht dat appellant, in toepassing van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek, vervallen is van enig recht of aandeel in de weggemaakte of verborgen zaken die deel uitmaken van de nalatenschap.

In zoverre geïntimeerden concluderen tot het aanstellen door het hof van een notaris met de opdracht de nalatenschap van A. S. samen te stellen en om over te gaan tot de vereffening en verdeling ervan, is deze vordering zonder voorwerp nu de eerste rechter deze vordering al ingewilligd heeft.

II. Relevante feitelijke gegevens

5. Het geschil heeft betrekking op de nalatenschap van A. S., geboren te X. op 27 augustus 1907, en op 93-jarige leeftijd overleden te X. op 26 maart 2000.

Zij was weduwe van C. (overleden in 1955) en, na haar tweede huwelijk in 1983, van O., overleden op 22 maart 2000, dus vier dagen vόόr A. S.

De overledene heeft geen kinderen nagelaten.

Geïntimeerden zijn de kinderen van Chr. S., nicht van de de cujus.

Appellant is de neef van de de cujus, zoon van R. S., broer van A S..

A. S. was bovendien de meter zowel van appellant als van eerste geïntimeerde.

6. Bij eigenhandig testament, gedagtekend op 16 juli 1999, heeft A. S.:

• haar echtgenoot O. "die (haar) sinds meer dan zes maanden verlaten heeft" volledig onterfd;

• aan appellant haar appartement te X., G.straat 65, eerste verdieping, gelegateerd "doch zonder de inhoud ervan";

• aan appellant ook twee appartementen alsook twee garages gelegateerd uit haar eigendom te Gr., te kiezen door hem;

• aan geïntimeerden het overige van haar onroerende goederen gelegateerd, "t.t.z. vier appartementen en het gebouw te Gr., die echter geen garage hebben";

• aan appellant en elke geïntimeerde een derde van haar andere goederen "als geld en andere goederen" gelegateerd.

Het testament werd op 20 april 2000 aan notaris S. met standplaats te X. afgegeven en door hem geopend.

De geldigheid van het testament wordt door geen enkele partij betwist.

7. A. S. had aan appellant een volmacht verleend op haar rekeningen. Appellant had tevens de sleutels van haar woning. Appellant voerde alle bankverrichtingen voor zijn tante uit.

8. Na het overlijden werden het geld ("849.383 BEF elk voor het geld dat beschikbaar was op haar rekening + coupons") en een paar effecten minnelijk tussen partijen verdeeld (zie document door partijen op 29 juli 2000 opgesteld en ondertekend en op 5 augustus 2000 aangevuld door een geschrift houdende ontvangst van de aldaar opgesomde stukken).

Bij beschikking van 6 oktober 2000 heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te L. de drie algemene testamentaire rechtsopvolgers van wijlen mevrouw A. S. in bezit gesteld, conform artikel 1008 van het Burgerlijk Wetboek.

Op 24 november 2000 hebben partijen de aangifte van nalatenschap van wijlen A. S. (alsook van wijlen haar echtgenoot Louis O.) ondertekend.

Notaris S. informeerde de partijen bij brief van 14 november 2002 dat de fiscus een onderzoek had ingesteld m.b.t. niet aangegeven roerende waarden. Vanaf dan maakte appellant gewag van gekregen geld en "handgiften van aandelen voor een totaal bedrag van ongeveer 25.000.000 BEF", "omdat (hij) haar petekind en enige contactpersoon was". Hij zou hierover voor de notaris niets hebben gezegd, enerzijds "omdat zijn tante A. (hem) gevraagd had niet over de handgiften en die aandelen te spreken", anderzijds, "om de successierechten te ontlopen" .

9. Geïntimeerden legden op 15 mei 2003 klacht neer met aanstelling als burgerlijke partijen bij onderzoeksrechter Z. te L.

De Raadkamer te L. beval bij beschikking van 17 december 2004 nieuwe onderzoeksdaden. Bij beschikking van 1 september 2006 werd de buitenvervolgingstelling uitgesproken.

10. Bij exploot van 23 maart 2005 hebben geïntimeerden appellant voor de eerste rechter gedagvaard. Hun vordering strekte ertoe (1) een notaris te laten aanstellen om de te verdelen massa van de nalatenschap samen te stellen en om over te gaan tot de vereffening en verdeling van deze nalatenschap (2) te zeggen voor recht dat huidige appellant, in toepassing van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek, vervallen is van enig recht of aandeel in de weggemaakte of verborgen zaken die deel uitmaken van deze nalatenschap, o.m. de in het exploot opgesomde effecten.

III. Bespreking

1°. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden - Hoedanigheid

11. Appellant laat gelden dat huidige geïntimeerden de kleinkinderen zijn van de broer van wijlen A. S., die dus hun groottante was. Volgens appellant zouden zij dan ook geen reservataire erfgenamen zijn en kunnen zij dan ook overeenkomstig artikel 921 van het Burgerlijk Wetboek geen vordering tot inkorting instellen.

12. Het Hof stelt vast dat de oorspronkelijke vordering strekte tot uitonverdeeldheidtreding uit de opengevallen nalatenschap van A. S.. Uit haar testament blijkt dat er drie algemene legatarissen zijn ingevolge het restlegaat.

Welnu, om de vordering tot uitonverdeeldheidtreding in te stellen op grond van artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek en tevens om de toepassing van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek te vorderen dienen de (testamentaire) erfgenamen geen reservataire erfgenamen te zijn. In casu hebben geïntimeerden, zijnde twee van de drie algemene legatarissen, gelet op hun rechten in de nalatenschap, wel de vereiste hoedanigheid om deze twee vorderingen (op grond van artikelen 815 en 792 van het Burgerlijk Wetboek) in te stellen tegen de derde algemene legataris, appellant. Appellant bewijst niet het bestaan van een overeenkomst in de zin van art. 816 van het Burgerlijk Wetboek.

Wat meer bepaald hun vordering op grond van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek betreft, raakt het verweer van appellant - namelijk dat A. S. hem door middel van handgiften heeft willen begunstigen en dat de beslissing van de raadkamer te L. inzake zijn buitenvervolgingstelling het voldoende bewijs zou inhouden van rechtsgeldige handgiften aan hem gedaan, en, a fortiori, van diens deugdelijk bezit - de gegrondheid van deze vordering en niet de ontvankelijkheid ervan.

Het Hof besluit dat geïntimeerden wel de vereiste hoedanigheid hebben om de voormelde beide vorderingen in te stellen. Vermis ze algemene legatarissen zijn hebben ze het vereiste belang en hoedanigheid om deze vorderingen in te stellen die betrekking hebben op het actief van de nalatenschap en dus op de omvang van hun algemene legaten.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

2°. Inhoud van het testament

13. Appellant stelt verder (1) dat uit het testament zou blijken dat de testatrice hem meer wou begunstigen dan de andere twee legatarissen, en dat dit ook blijkt uit haar opdracht op een bankdocument en (2) dat de beslissing van de raadkamer te L. het bewijs inhoudt van de rechtsgeldigheid van de handgiften aan hem gedaan.

Uit het testament kunnen echter geen andere gevolgtrekkingen afgeleid worden dan de beschikkingen die er staan. Men kent overigens de echte beweegredenen niet van de testatrice betreffende de bijzondere legaten die ze vermaakte. Meer bepaald kan men uit de eventuele grotere bevoordeling van de appellant bij de bijzondere legaten vervat in het testament geen argument putten in verband met mogelijke latere handgiften aan appellant gedaan.

Verder trekt appellant verkeerde besluiten uit diens buitenvervolgingstelling. De beslissing van de raadkamer te L. houdt geenszins het bewijs in van de beweerde handgiften aan hem gedaan en van de rechtsgeldigheid van zijn bezit. De buitenvervolgingstelling betreft alleen de vraag of er al dan niet voldoende aanwijzingen zijn voor een vervolging op strafrechtelijk vlak: het gaat om aanwijzingen in verband met het misdrijf van misbruik van vertrouwen dat een veel beperkter toepassingsveld heeft dan het burgerrechtelijk misdrijf van heling (art. 792 van het Burgerlijk Wetboek).

3°. Ten gronde - Deugdelijk bezit en handgift

14. Appellant, die zich op het bezit over de effecten beroept, stelt terecht dat geïntimeerden, die beweren dat het bezit gebrekkig is, overeenkomstig artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zulks dienen te bewijzen .

Om tot eigendom te leiden is een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit vereist (artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek ) .

Dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek. Het bezit dat te goeder trouw is en regelmatig in de zin van artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek verschaft immers een volwaardige en afdoende titel aan de bezitter - begiftigde . De bezitter kan zich beroepen op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek zonder dat hij onmiddellijk de schenking als titel en oorsprong van zijn bezit hoeft in te roepen. De bezitter geniet immers op basis van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek het vermoeden een rechtsgeldige titel te bezitten . De bezitter kan dus perfect in hoofdorde artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek inroepen en aanwenden, en slechts ondergeschikt de handgift.

De oorspronkelijke eisers die de bewijslast dragen, moeten aantonen dat het bezit niet deugdelijk is in de zin van art. 2229 van het Burgerlijk Wetboek en dat de beweerde handgiften onwaarschijnlijk zijn.

15. Te dezen heeft de eerste rechter terecht geoordeeld:

- dat het erg onwaarschijnlijk is dat, in de periode van augustus tot november 1999, de overledene handgiften zou hebben gedaan ten belope van 2.500.000 BEF (bedragen die door appellant zelf met gebruik van de volmacht die A. S. hem had gegeven werden afgehaald);

- dat het onwaarschijnlijk is dat ze kort na het opstellen van haar testament, terwijl ze in het ziekenhuis lag (in september en december 1999), haar aandelen heeft willen schenken aan appellant (400.153 euro via KBC, en 164.135 euro via Fortis);

- dat het onwaarschijnlijk is dat Mevrouw S., die in haar testament een restlegaat stipuleerde voor elk van de drie partijen gelijkelijk elk een derde, kort nadien al haar geld en waardepapieren aan appellant alleen zou hebben geschonken. Appellant toont niet aan welke feiten de testatrice ertoe zouden hebben gebracht haar zienswijze in zulke grote mate te herzien. Kortom, het is onwaarschijnlijk dat wijlen Mevrouw A. S. appellant, zo kort na het opmaken van haar testament en zonder aanwijsbare reden, zou begiftigd hebben via handgiften van de gelden en de titels.

Even terecht heeft de eerste rechter vastgesteld:

- dat er geen geschriften of getuigen van de beweerde handgiften ondanks hun omvang, voorhanden zijn;

- dat de eenzijdige bewering van appellant door geen enkel objectief gegeven gestaafd wordt;

- dat de nota van A. S. op een bankdocument, waarop zij vraagt bepaalde stukken af te geven aan verweerder, niet duidelijk en ondubbelzinnig wijst op een handgift, maar bijvoorbeeld evengoed te verklaren is in het kader van de financiële verrichtingen die appellant voor mevrouw S. deed, zeker toen zij ziek was en regelmatig in het ziekenhuis lag.

Het valt bovendien op dat appellant nogal weinig concrete details verstrekt nopens de omstandigheden waarin A. S. de beweerde handgiften zouden hebben gedaan.

Het eigendomsvermoeden van artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek is te dezen doorbroken nu het bezit van appellant niet openbaar was; het hof stelt immers vast dat appellant maandenlang het bezit van de kwestieuze gelden en aandelen verborgen heeft gehouden. Het is overigens slechts naar aanleiding van een onderzoek van de fiscus in 2002 en tevens in het kader van het strafonderzoek dat appellant heeft moeten toegeven in het bezit te zijn van de litigieuze gelden en effecten, wat het openbaar en niet heimelijk karakter van het bezit tegenspreekt.

Het bezit was bovendien dubbelzinnig, dit laatste gelet op de volmacht die appellant vanwege A. S. had . Het bezit is immers dubbelzinnig wanneer het door omstandigheden, op verschillende manieren kan worden verklaard.

Geïntimeerden slagen in deze omstandigheden erin te bewijzen - door middel van vermoedens in de zin van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek - dat het bezit van appellant niet deugdelijk is.

16. In deze omstandigheden dient appellant zelf de beweerde handgiften te bewijzen, nu hij zich, zoals uiteengezet, niet kan beroepen op artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek.

Appellant moet dus de animus donandi (de intentie om te geven) in hoofde van A. S. bewijzen, desgevallend door middel van een begin van schriftelijk bewijs dat zou aangevuld worden door het bewijs door middel van getuigen en vermoedens . Welnu, de vermelding door Mevrouw A. S. op een bankdocument volstaat zeker niet als begin van schriftelijk bewijs van een schenking, gelet op andere mogelijke verklaringen voor deze nota.

Appellant beroept zich op allerlei verklaringen van getuigen die echter alleen de goede verstandhouding tussen A. S. en appellant bevestigen maar geenszins enige intentie van A. S. om hem te bevoordelen met zo belangrijke handgiften die haaks staan op haar nogal recente beschikkingen in haar testament.

Het feit dat de verweerder niet correctioneel vervolgd werd voor bedrieglijk wegmaken of verduisteren bewijst het bestaan van een handgift evenmin.

De beweerde handgiften zijn dan ook niet bewezen. Bijgevolg behoren de gelden en effecten waarop de geïntimeerden aanspraak maken tot de nalatenschap van A. S. en dienen zij verdeeld te worden in het kader van de bevolen vereffening en verdeling.

4°. Het incidenteel beroep - Heling

17. De eerste rechter oordeelde in zijn bestreden vonnis dat artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek inzake de heling in casu niet toepasselijk is op appellant. Heling vereist immers bedrieglijk inzicht, een handelen te kwader trouw. Te dezen wordt, volgens de eerste rechter, de kwade trouw in hoofde van appellant niet bewezen nu hij kon denken dat, vermits er te dezen geen erfgenamen zijn met een voorbehouden erfdeel, hij niet verplicht was van de betwiste gelden en titels melding te maken omdat er geen inkorting ervan kon geschieden.

18. Artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

"De erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al verwerpen zij deze, toch blijven zij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken."

De wetgever zelf geeft geen definitie van begrip ‘heling'. Om van heling van goederen van de nalatenschap in de zin van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek te kunnen spreken, moeten, blijkens de huidige rechtsleer en rechtspraak, volgende vier voorwaarden cumulatief zijn vervuld, namelijk: (i) het wegmaken of verborgen houden van goederen (ii) die tot de nalatenschap behoren, (iii), met bedrieglijk inzicht, (iv) door een erfgenaam .

Het bedrieglijke inzicht betreft een bedrog dat erop gericht is de gelijkheid tussen de echtgenoten te verstoren of de schuldeisers van de nalatenschap te bedriegen .

Heling vereist niet dat er een notariële boedelbeschrijving van de nalatenschap is opgemaakt. Kortom, de inventaris is geen grondvoorwaarde voor de toepassing van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek .

19. Appellant heeft kennelijk niet onmiddellijk noch spontaan gewag gemaakt van de litigieuze goederen, blijkens diens eigen verklaringen tijdens het strafonderzoek; hij maakte er slechts gewag van na een bijkomend onderzoek van de fiscus in 2002 en tevens in het kader van het strafonderzoek. Zijn opvallend stilzwijgen tegenover de colegatarissen en bij notaris S. maken appellant schuldig aan artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek; hij vervulde zijn meldingsplicht niet.

Zelfs op het ogenblik dat de drie algemene legatarissen een akkoord maakten over de financiële verdeling van het vermogen van Mevrouw S., namelijk op 29 juli 2000, verzwijgt appellant nog (steeds) het bestaan van de litigieuze gelden en waardepapieren. Op appellant rustte de verplichting om van in het begin juiste en volledige informatie te verschaffen, wat hij te dezen zeker niet heeft gedaan.

Appellant heeft te dezen daadwerkelijk met bedrieglijk inzicht goederen van de nalatenschap weggemaakt of verborgen gehouden, meer bepaald de bovenvermelde gelden en effecten.

20. De heler kan de sanctie van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek vermijden: om de sanctie van artikel 792 BW te ontlopen, dient het berouw van de heler tijdig en spontaan te zijn. Te dezen heeft appellant gewag gemaakt van de betwiste gelden en effecten, alleen toen hij niet meer anders kon ingevolge het fiscaal onderzoek bij de bankinstelling, en ingevolge het strafrechtelijk onderzoek. Appellant bevindt zich derhalve niet in de voorwaarden van het berouw om de sanctie van artikel 792 BW te ontlopen.

Dit verzwijgen door appellant, van de betwiste gelden en waardepapieren, vormt een intentioneel handelen met als doel het verborgen houden ervan ten aanzien van diegenen die er belang bij hadden van die daden kennis te hebben. Dit verzwijgen en de afwezigheid van een tijdig en spontaan berouw hebben tot gevolg dat de sanctie van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek op hem wel dient toegepast te worden, element waarmee de boedelnotaris zal dienen rekening te houden bij het opmaken van diens ontwerp van vereffening en verdeling van de nalatenschap van A. S..

21. Het Hof kan de motivering en het besluit van de eerste rechter in zijn bestreden vonnis, inzake de niet-toepasselijkheid van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek niet bijtreden. Immers, het testament bevat een restlegaat van al de goederen waarover A. S. niet heeft beschikt door middel van bijzondere legaten, die betrekking hadden uitsluitend op onroerende goederen. Het is derhalve voor de hand liggend dat alle roerende goederen deel uitmaakten van het restlegaat vermaakt aan de drie legatarissen. Appellant diende zich dan ook rekenschap te geven dat het achterhouden of verzwijgen van gelden en waarden een impact had op de samenstelling en de omvang van dit restlegaat, en dat zijn onwettige houding een inbreuk zou maken op de door de testatrice uitdrukkelijk en duidelijk gewilde gelijkheid van de drie algemene legatarissen wat dit algemeen restlegaat betreft. Hiertegen weegt niet op dat appellant een ander besluit zou getrokken hebben op grond van de eventuele redenering dat, vermits de drie legatarissen geen voorbehouden erfgenamen en zelfs geen wettelijke erfgenamen waren, zijn houding van verzwijgen en achterhouden van gelden geen impact zou hebben op de rechten van diens twee colegatarissen. Dit excuus vormt eerder een drogreden of minstens een niet-verschoonbare vergissing in hoofde van appellant die zich trouwens had kunnen bevragen bij een advocaat of notaris. Artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek is derhalve wel op hem toepasselijk, in tegenstelling met hetgeen staat in het bestreden vonnis

Het incidenteel beroep is op dit punt gegrond.

...

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

...

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de toepassing verwerpt van artikel 792 van het Burgerlijk Wetboek en, opnieuw rechtsprekende, zegt voor recht dat, met toepassing van dit artikel, de heer J.S. geen aandeel kan maken in de weggemaakte of verduisterde goederen van de nalatenschap die de aangestelde notaris zal dienen weder samen te stellen.

Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.

....

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

02/04/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Heling. Recel. Toepassingsvoorwaarden. Drogreden ingeroepen door de heler.