- Arrêt du 15 mai 2012

15/05/2012 - 2006AR2973

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1. Wanneer de echtscheiding is uitgesproken vóór de datum van de inwerkingtreding van de echtscheidingswet van 27 april 2007, en de schuldige echtgenoot nadien, verliest de onschuldige echtgenoot het voordeel van de contractuele erfstelling. Dit is niet strijdig met artikel 2 BW.

2. Ingevolge het overgangsrecht van de wet van 14 juli 1976 zijn de nieuwe vergoedingsregelen niet van toepassing bij de vereffening van een oud stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten.

3. Nieuw artikel 875bis Ger. W.: toepasbaarheid bij de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke verdeling, o.a. voor de schatting van een onroerend goed. Voor gewone goederen kan de notaris-vereffenaar de schatting doen en is de aanstelling van een deskundige (in casu) niet nodig.

4. Artikel 2277 BW. De wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar in artikel 2277 BW is niet toepasselijk op een woonstvergoeding. Geen intrest is van rechtswege verschuldigd voor de woonstvergoeding

5. Artikel 832 BW. De feitenrechter oordeelt soeverein over het al dan niet gevoeglijk verdeelbaar karakter van de onverdeelde goederen.

6. De boedelrechter kan geen dwangsom uit te spreken lastens de notaris-vereffenaar.

7. Artikel 6.1 EVREM inzake de redelijke termijn geldt ook voor de notariële fase bij een gerechtelijke verdeling.

8. Artikel 870 BW. De notaris-vereffenaar stelt terecht dat de kosten van de boedelbeschrijving voorgeschoten door een ex-echtgenoot ten laste van de massa dienen gelegd te worden.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2006/AR/2973

INZAKE VAN :

Mevrouw D. V.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 september 2006,

vertegenwoordigd door Meester DELAHAYE loco Meester Jan STIJNS, advocaat te 3001 LEUVEN, Ubicenter, Philipssite 5/2,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw G. D., wonende te 8340 DAMME, Juliaan Opdedrinckstraat 3, in haar hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen de heer P. V., overleden op 2 mei 2008,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester VANDEGEJUCHTE loco Meester Guillaume DEKNUDT, adcvocaat te 8790 WAREGEM, Franklin Rooseveltlaan 172-174

IN AANWEZIGHEID VAN :

1) De heer F. V.,

2) De heer E. V.,

3) Mevrouw V. V.,

in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van P. V., overleden op 2 mei 2008,

gedwongen tussenkomende partijen, vertegenwoordigd door Meester DELAHAYE loco Meester Jan STIJNS, advocaat te 3001 LEUVEN, Ubicenter, Philipssite 5/2,

Art. 1207-1224 Ger. W. Procedure van gerechtelijke verdeling.

1) Contractuele erfstelling en impact van de echtscheidingwet van 27 april 2007.

2) Huwelijksvermogensstelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten: overgangsbepalingen van de huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976.

3) Artikel 875bis Ger W. inzake het deskundigenonderzoek: toepasselijk bij gerechtelijke verdeling.

4) Artikel 2277 BW inzake de verjaringstermijn van vijf jaar: niet toepasselijkheid bij de woonstvergoeding. 5) Artikel 832 BW: beoordeling van de al of niet gevoeglijke verdeling in natura: soevereine appreciatie van de feitenrechter.

6) Dwangsom: niet toepasselijk op de notaris-vereffenaar

7) De procedure van de gerechtlijke verdeling en de afhandeling ervan binnen een redelijke termijn.

8) Tenlastellegging van de kosten van de notariële boedelbeschrijving

1. Wanneer de echtscheiding is uitgesproken vóór de datum van de inwerkingtreding van de echtscheidingswet van 27 april 2007, en de schuldige echtgenoot nadien, verliest de onschuldige echtgenoot het voordeel van de contractuele erfstelling. Dit is niet strijdig met artikel 2 BW.

2. Ingevolge het overgangsrecht van de wet van 14 juli 1976 zijn de nieuwe vergoedingsregelen niet van toepassing bij de vereffening van een oud stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten.

3. Nieuw artikel 875bis Ger. W.: toepasbaarheid bij de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke verdeling, o.a. voor de schatting van een onroerend goed. Voor gewone goederen kan de notaris-vereffenaar de schatting doen en is de aanstelling van een deskundige (in casu) niet nodig.

4. Artikel 2277 BW. De wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar in artikel 2277 BW is niet toepasselijk op een woonstvergoeding. Geen intrest is van rechtswege verschuldigd voor de woonstvergoeding

5. Artikel 832 BW. De feitenrechter oordeelt soeverein over het al dan niet gevoeglijk verdeelbaar karakter van de onverdeelde goederen.

6. De boedelrechter kan geen dwangsom uit te spreken lastens de notaris-vereffenaar.

7. Artikel 6.1 EVREM inzake de redelijke termijn geldt ook voor de notariële fase bij een gerechtelijke verdeling.

8. Artikel 870 BW. De notaris-vereffenaar stelt terecht dat de kosten van de boedelbeschrijving voorgeschoten door een ex-echtgenoot ten laste van de massa dienen gelegd te worden.

(...)

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. Huidige appellante - oorspronkelijke eiseres - uit hierna volgende zwarigheden op de staat van vereffening opgesteld door notaris Z. en neergelegd ter griffie op 15 december 2004:

a) Te zeggen voor recht dat niet kan worden overgegaan tot de openbare verkoop van het onroerend goed zolang de mogelijkheid van de verdeling in natura niet ten gronde is onderzocht aan de hand van een actuele waarde van het onroerend goed en het opmaken van de vergoedingsrekeningen tussen de eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen;

b) Te zeggen voor recht dat de waardestukken Generale Bank t.b.v. 377.000 BEF of 9.345,58 euro en vermeld in de staat onder "4. Gelden op rekeningen" dezelfde zijn als deze vermeld onder "5. Waarborg kaskrediet";

c) Te zeggen voor recht dat zij geen woonstvergoeding verschuldigd is en verder:

i. In ondergeschikte orde: ingeval zij een woonstvergoeding dient te betalen, bij de berekening rekening moet gehouden worden met de aan haar retroactief toe te kennen onderhoudsbijdrage;

ii. In meer ondergeschikte orde: er geen rekening kan gehouden worden met een permanente bewoning, zodat slechts een vergoeding voor maximum 8/12 in rekening kan gebracht worden;

iii. In nog meer ondergeschikte orde: bij de bepaling van de woonstvergoeding er rekening moet gehouden worden met de inwoning van de kinderen in de voormalige echtelijke woning;

iv. In uiterst ondergeschikte orde: een nieuwe deskundige ( niet de heer B. ) aan te stellen om de verhuurwaarde van de voormalige echtelijke woning te schatten;

v. In ieder geval te beslissen dat zij geen woonstvergoeding meer kan verschuldigd zijn sedert het overlijden van de heer P. V.;

d) Een nieuwe deskundige ( niet de heer B. ) dient aangesteld te worden om niet alleen de huurwaarde van de voormalige echtelijke woning te schatten maar tevens de waarde van de bouwgrond en van de voormalige echtelijke woning;

e) Geïntimeerde dient het door P. V. weggemaakte bedrag van 3.182.886 BEF ofwel 78.901,68 euro , evenals bepaalde effecten, te restitueren aan de gemeenschap/onverdeeldheid, plus de intresten vanaf 4 februari 1992;

i. In ondergeschikte orde, vooraleer hieromtrent te oordelen, te zeggen voor recht dat geïntimeerde, conform artikel 877 Ger.W., de nodige stukken dient bij te brengen omtrent de financiering van de woning in Damme;

f) De door haar betaalde brandverzekering en de onroerende voorheffing tot op datum van de effectieve verdeling dienen in rekening gebracht te worden;

g) Een vergoeding t.b.v. 15.000 euro is verschuldigd ingevolge door haar aan de woning uitgevoerde werken, met name de werken aan de voortuin, de facturen van Thiry, kasticket Brico, facturen Mertens, Home Market, Hubo, Ashley, Verlinden, Zemstverhuur, Interleuven en Huis Bertels;

i. In ondergeschikte orde: voor zover deze kosten als zodanig niet worden aangehouden, deze kosten af te houden van de door haar eventueel verschuldigde woonstvergoeding.

h) De door de heer P. V. ontvreemde ES - waardestukken ad 7.060,35 euro , evenals bepaalde effecten, zijn aan de gemeenschap/onverdeeldheid verschuldigd plus intresten;

i) Het is niet bewezen dat appellante na 4 februari 1992 een bedrag van 1.737,25 euro ontvangen zou hebben van de fiscus.

1.2. Geïntimeerde, oorspronkelijke verweerder (= P. V. voor wie thans zijn echtgenote en zijn 3 kinderen uit een eerste huwelijk het geding verder zetten), stelde een tegeneis in en vroeg:

a) te zeggen voor recht dat in het kader van huidige vereffening en verdeling dient overgegaan te worden door de instrumenterende notaris tot de openbare verkoop in twee percelen van de beide onroerende goederen binnen een termijn van 4 maanden na betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag vertraging, waarna verder gehandeld zal worden als naar recht;

b) Ondergeschikt, de zaak terug te zenden naar de instrumenterende notaris voor aanpassing van zijn staat;

c) Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.

1.3. De eerste rechter heeft de vorderingen van partijen in de volgende mate gegrond verklaard:

a) Gezegd wordt voor recht dat de ontvangen teruggave van belastingen door Daniella V., zijnde 1.737,25 euro , niet bij het actief dient gevoegd te worden;

b) Gezegd wordt voor recht dat 7.060,35 euro als bedrag voor de door P. V. terug te betalen ES stukken bij het actief dient opgenomen te worden;

c) De instrumenterende notaris wordt gemachtigd om conform de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek over te gaan tot de openbare tekoopstelling van de onroerende goederen, zijnde de woning op en met grond en tuin gelegen te ... gekadastreerd sectie C, nr. 25/z/4 en deel van nr. 25/a/5 en het perceel bouwgrond gelegen te ... gekadastreerd sectie C deel van nr. 25/a/5;

d) Gezegd wordt voor recht dat de intresten op het nettobedrag van de vergoedingsrekening dienen verrekend te worden vanaf 4 februari 1992.

De zaak werd alsdan terug gezonden naar de instrumenterende notaris om na openbare tekoopstelling een aanvullende staat van vereffening en verdeling op te stellen hierbij rekening houdend met de opmerkingen van de rechtbank.

1.3. Het hoger beroep van appellante beoogt de toekenning te horen bekomen van haar aanvankelijke aanspraken in zoverre deze niet toegekend werden door de eerste rechter.

Zij vraagt bovendien voorafgaandelijk te zeggen voor recht dat huidige procedure geschorst wordt in afwachting van:

a) De afstand van geding vanwege geïntimeerde, minstens de doorhaling van de procedure tot hoger beroep ingesteld door wijlen P. V. bij het hof van beroep te Brussel tegen het vonnis uitgesproken op 2 januari 1995 door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (A.R. rn. 1995/AR/533);

b) De verduidelijking van de erfaanspraken van partijen in de nalatenschap van wijlen P. V..

1.4. Bij incidenteel beroep vraagt geïntimeerde D.:

a) Te zeggen voor recht dat wat de ES - waardestukken betreft, er geen reden is om de tegenwaarde ervan voor vergoeding vanwege haar aan de gemeenschap in rekening te brengen;

b) Wat de gemeenschappelijke auto Jetta betreft, het uiteindelijk advies van de instrumenterende notaris te bevestigen en derhalve te zeggen voor recht dat partij V. in hoofdsom een vergoeding verschuldigd is aan de gemeenschap t.b.v. 2.000 euro , plus de intresten;

c) Wat de door mevrouw V. uitgebate handelszaak betreft, vast te stellen dat partij V. hiervoor aan de gemeenschap een vergoeding dient te betalen van 2.500 euro , plus de intresten;

d) Wat de gedane terugbetaling aan de fiscus betreft, zo nodig na toepassing van artikel 877 Ger.W., te zeggen voor recht dat mevrouw V. gehouden is tot inbreng in de gemeenschap van een bedrag van 1.737,25 euro , plus de intresten;

e) Te zeggen voor recht dat appellante een woonstvergoeding verschuldigd is voor de periode tijdens de echtscheidingsprocedure, de periode van vereffening - verdeling en na het overlijden van de heer V., plus de intresten;

f) Te zeggen voor recht dat de notaris ertoe gehouden is de waarde van de onroerende goederen - alsmede de huurwaarde ervan - aan te passen aan de huidige prijzen van de vastgoedmarkt;

g) Te zeggen voor recht dat - voor zoveel als nodig - voor wat betreft de periode voorafgaand aan de overschrijving van de echtscheiding, het vonnis a quo, ingevolge een kennelijke materiële vergissing, dient verbeterd te worden bij toepassing van de artikelen 794, 798 en 799 Ger.W. en dat dient gezegd te worden voor recht dat de eerste rechter in werkelijkheid - en terecht - heeft beslist dat mevrouw V. ook een bewoningsvergoeding verschuldigd is voor de periode tussen de inleiding en de overschrijving van de echtscheiding zoniet, indien het vonnis a quo zou moeten beschouwd worden als hebbende gezegd voor recht dat mevrouw V. geen bewoningsvergoeding verschuldigd zou zijn voor die welbepaalde periode, het vonnis op dit punt te hervormen en te beslissen dat mevrouw V. deze bewoningsvergoeding wel verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen;

h) Te zeggen voor recht dat de notaris binnen een korte tijdspanne na het tussen te komen arrest, dient over te gaan tot de openbare verkoop van de beide onroerende goederen gelegen te ...;

1.5. Bij arrest uitgesproken op 3 april 2007 werd het verzoek van de heer P. V. om, alvorens over de grond van de zaak uitspraak te doen, de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis toe te staan ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.6. Bij exploot betekend ten verzoeke van geïntimeerde op 6 oktober 2008 werden de consorten V. gedagvaard in gedwongen tussenkomst en vrijwaring in hun hoedanigheid van erfgenamen van hun vader, P. V..

De consorten V. distantiëren zich in hun conclusie uitdrukkelijk van het standpunt ingenomen door geïntimeerde en sluiten ze zich aan bij de stelling ontwikkeld door appellante die hun moeder is.

2. Relevante feiten:

2.1. Mevrouw V. (= appellante) en de heer P. V. (= oorspronkelijke geïntimeerde) - overleden op 2 mei 2008, hangende de procedure in hoger beroep - zijn volgens een akte verleden op 14 mei 1960 bij het ambt van notaris De Kesel op 21 mei 1960 in het huwelijk getreden onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten.

2.2. Op 4 februari 1992 legde mevrouw V. een verzoekschrift neer tot echtscheiding; Deze echtscheiding werd toegestaan bij vonnis van 21 december 1992 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven in het voordeel van mevrouw V..

In dit vonnis werd tevens aan mevrouw V. voorbehoud verleend voor het vorderen van een persoonlijk onderhoudsgeld, werd de vereffening en verdeling bevolen van de huwgemeenschap, werd de heer Z. aangesteld als instrumenterende notaris, werd de heer V. aangesteld als tweede notaris zoals bepaald in artikel 1209 §3 Ger.W. en werd de tegeneis ingesteld door de heer V. ontvankelijk verklaard maar vooraleer ten gronde te beslissen het getuigenbewijs toegelaten.

Dit vonnis werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 6 mei 1993.

Bij vonnis van 2 januari 1995 werd de tegeneis ingesteld door de heer V. ongegrond verklaard.

Hiertegen tekende de heer V. op 17 februari 1995 hoger beroep aan .

2.3. Op 14 juni 1994 ving de instrumenterende notaris zijn werkzaamheden aan en de staat van vereffening werd opgesteld op 4 oktober 2004. Op 16 november 2004 werd een P.V. opgesteld van mededeling van de staat van vereffening aan partijen en hebben partijen beweringen en zwarigheden op voormelde staat geuit.

Op 13 december 2004 heeft de instrumenterende notaris advies uitgebracht betreffende de geuite beweringen en zwarigheden.

Eén en ander werd neergelegd ter griffie op 15 december 2004.

2.4. Bij vonnis van 26 september 1995 werd de vordering van mevrouw V. tot preferentiële toewijzing van de gezinswoning, gelegen in ... afgewezen maar werd de vraag tot aanstelling van een deskundige om de verkoopwaarde en de huurwaarde van die woning te bepalen gegrond verklaard.

De heer B. werd als deskundige aangesteld en legde zijn verslag neer op 6 mei 1996.

2.5. In de loop van 1998 werd door mevrouw V. een procedure gestart tot het bekomen van onderhoudsgeld wat echter afgewezen werd.

In deze procedure werd wel aan partijen het verbod opgelegd de gemeenschappelijke goederen te verkopen, te vervreemden, te verplaatsen of met enig zakelijk recht te bezwaren zonder instemming van de andere.

2.6. Hangende huidige procedure werd door mevrouw V. nog een klacht neergelegd tegen de heer V. wegens ( a ) het afleggen van een valse eed bij de boedelbeschrijving en ( b ) wegens het bedrieglijk verduisteren of verspillen van goederen en gelden ten hare nadele.

M.b.t. de tenlastelegging ( a ) besliste de raadkamer op 29 maart 2002 dat er geen reden tot vervolging was en m.b.t. de tenlastelegging ( b ) de strafvordering vervallen was door verjaring.

2.7. Geïntimeerde (= tweede echtgenote van de heer P. V. ) en de gedwongen tussenkomende partijen (= kinderen van de heer P. V. uit zijn eerste huwelijk) zetten het geding thans verder voor wijlen P. V..

Uit het tweede huwelijk zijn geen kinderen geboren.

3. Beoordeling:

3.1. Om de gerechtigheden van de beide ex - echtgenoten in de ontbonden gemeenschap te kennen, is de tekst van het huwelijkscontract relevant alsook de rechtsgevolgen van de toenmalige artikelen 299 en 300 B.W. alsmede van de echtscheidingswet van 27 april 2007, in werking getreden op 1 september 2007.

Hierbij wordt vooreerst vastgesteld dat het huwelijkscontract - bij de opsomming van de huwelijksvoordelen - geen melding maakt van een bedongen opschortende voorwaarde.

Bijgevolg rijst dan de vraag of de eerste echtgenote, D. V., die de echtscheiding op grond van bepaalde feiten in haar voordeel bekwam, vervallen is van de voordelen bedoeld in de oude artikelen 299 en 300 B.W., ingevolge de inwerkingtreding van de latere echtscheidingswet van 27 april 2007.

3.2. M.b.t. de contractuele erfstellingen die, overeenkomstig het oude artikel 300 B.W. behouden bleven voor een echtgenoot die de echtscheiding vóór 1 september 2007 heeft verkregen, maar die nog geen uitwerking kenden bij gebrek aan overlijden van de schuldige echtgenoot, wordt aangenomen dat deze op 1 september 2007 vervallen.

Vermits de rechtsgevolgen van de contractuele erfstelling pas volledig zullen voltrokken zijn bij een overlijden dat zal plaatsvinden na de inwerkingtreding van een nieuwe wet, is deze zienswijze niet in strijd met artikel 2 B.W., zodat aan de nieuwe wet geen retroactviteit wordt toegekend.

3.3. Hieruit volgt dat V. het voordeel van haar contractuele erfstelling heeft verloren sinds de inwerkingtreding van de echtscheidingwet van 27 april 2007.

Deze wet strekte er immers toe het voordeel van de contractuele erfstellingen af te schaffen zowel voor de schuldige als voor de onschuldige echtgenoot in de zin van de artikelen 299 en 300 B.W.

Bovendien is er geen inbreuk op artikel 2 B.W. inzake de niet - retroactiviteit omdat het probleem betrekking heeft op de nog lopende gevolgen van de echtscheiding en een nieuwe wet er onmiddellijk uitwerking op heeft. De eerste echtgenote had de voordelen van de contractuele erfstelling gehad, indien haar ex-man overleden was voor de datum van het in werking treden van de echtscheidingswet van 27 april 2007, wat in deze niet het geval is.

Mevrouw D. V. is dus het voordeel van de twee contractuele erfstellingen - vervat in de artikelen 5 en 6 van het huwelijkscontract - kwijt omdat haar ex - echtgenoot overleden is na de inwerkingtreding van de echtscheidingswet van 27 april 2007.

3.4. In haar conclusie neergelegd op 15 februari 2012 vordert V. het volgende:

"voorafgaandelijk voor recht te zeggen dat de huidige procedure wordt geschorst in afwachting van:

1) De afstand van geding vanwege geïntimeerde op hoofdberoep, minstens de doorhaling van de procedure tot hoger beroep ingesteld door wijlen de heer P. V. bij het hof van beroep te Brussel, tegen het vonnis uitgesproken op 2 januari 1995 door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (gekend onder rolnummer 1995/AR/533,

2) De verduidelijking van de erfaanspraken van partijen in de nalatenschap van wijlen de heer P. V.."

3.5. Deze vordering tot schorsing van de procedure is echter ongegrond omdat:

- Uit wat hier voren werd uiteengezet, blijkt dat beide echtgenoten het voordeel van hun contractuele erfstelling zijn verloren en dit sinds het inwerking treden van de echtscheidingwet van 27 april 2007;

- Het thans duidelijk is dat V. geen wettelijke, testamentaire of contractuele erfrechten kan laten gelden in de nalatenschap van wijlen Frans V. zodat diens nalatenschap ingevolge diens testament toekomt voor één vierde in volle eigendom en drie vierde in vruchtgebruik aan zijn tweede echtgenote Mevrouw D. en aan elk van zijn drie kinderen respectievelijk voor één vierde in blote eigendom (dit blijkt overigens uit de akte van bekendheid en uit de aangifte van de nalatenschap); de erfaanspraken van de partijen in de nalatenschap van P. V. zijn dus duidelijk.

3.6. De echtgenoten hebben in deze een conventioneel stelsel van scheiding van goederen met een beperkte gemeenschap van aanwinsten zoals blijkt uit hun notarieel huwelijkscontract van 14 mei 1960.

Artikel 1, 3° van de overgangsbepalingen van de latere huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976 is derhalve van toepassing.

Di houdt in dat alle oude bepalingen inzake het actief van de gemeenschap en inzake de ontbinding, vereffening, verdeling en vergoedingen van toepassing blijven op dit stelsel. De nieuwe bepalingen inzake het passief, de rechten van de schuldeisers en het bestuur werden slechts vanaf 28 september 1977 op dit stelsel van toepassing.

De vergoedingen en de intresten erop zijn onderworpen aan de bepalingen van het oude huwelijksvermogensrecht en dus niet van het nieuwe huwelijksvermogensrecht.

De intresten i.v.m. de vergoedingen worden wel beheerst door eenzelfde principe. Het nieuwe artikel 1436 B.W. herneemt immers hetzelfde principe als het oude artikel 1473 B.W. De vergoedingen brengen van rechtswege intrest op vanaf de datum van de retroactieve ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding tot op de dag van het inleiden van de procedure tot echtscheiding.

3.7. Het nieuwe artikel 1435 B.W. inzake de re - evaluatie van de vergoedingen is niet van toepassing gelet op voormeld overgangsrecht. Appellante verwijst dan ook ten onrechte naar gezegde bepaling.

Het oude huwelijksvermogensrecht inzake vergoedingen (toepasselijk ingevolge artikel 1,3° van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976) voorzag het principe van het nominalisme (dus zonder herwaardering ) en dit laatste principe geldt dan ook in deze.

Bij toepassing van artikel 1, 3° van de overgangsbepalingen van de huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976 is het immers zo - met betrekking tot o.a. oude conventionele stelsels van scheiding van goederen met welk danige gemeenschap van aanwinsten - dat in beginsel het oude huwelijksvermogensrecht van toepassing blijft en dat het nieuwe huwelijksvermogensrecht uitsluitend volgende drie materies beheerst: het bestuur van de vermogens, het passief van de gemeenschap en de rechten van de schuldeisers.

Hieruit volgt dat het oude huwelijksvermogensrecht van toepassing is op o.a. alle aangelegenheden van ontbinding, vereffening en verdeling van de oude gemeenschappen van aanwinsten - zoals hier het geval is - en dat derhalve ook de oude vergoedingsregels van toepassing blijven. Kortom, de gemeenschap heeft in deze recht op vergoeding maar het nieuwe en huidige artikel 1433 B.W. komt hierbij niet in aanmerking.

3.8. M.b.t. de ingeroepen zwarigheden wordt het volgende gesteld (...)

3.8.5. Woonstvergoeding (artikel 577-2, §5 B.W.):

3.8.5.1. De echtscheiding heeft in de onderlinge verhoudingen tussen de echtgenoten een terugwerkende kracht, in deze tot 4 februari 1992 (art. 1278, tweede lid Ger. W.).

Er is derhalve een woonstvergoeding verschuldigd vanaf 4 februari 1992 door de echtgenoot die het exclusief gebruik van de gezinswoning had en dit op grond van het gemeenrecht inzake mede - eigendom - meer bepaald artikel 577-2, §5, eerste lid B.W. - tenzij deze kan aantonen dat het gratis gebruik neerkomt op een uitvoering in natura vanwege de andere echtgenoot van diens hulpplicht en bijdrage in de lasten van het huwelijk zoals vervat in de artikelen 213 en 221 B.W.

Tijdens de echtscheidingsprocedure was echtgenoot V. werkloos en putte de echtgenote inkomsten uit haar textiel - handelszaak.

De exclusieve gratis bewoning kan derhalve geenszins kaderen binnen de hulp en bijdrageplichten in natura vanwege de heer V..

Er is evenmin afdoend bewezen dat V. behoeftig was in de zin van de artikelen 213 en 221 B.W. De echtgenote die terzake nooit iets gevraagd heeft, kan niet retroactief een onderhoudsuitkering vorderen in de vorm van een gratis bewoningsrecht van de vroegere gezinswoning.

Na de echtscheiding vervallen bovendien de echtelijke verplichtingen voorzien in voornoemde artikelen 213 en 221 B.W.

Het feit dat V. kinderen had, is irrelevant voor het beoordelen van het al dan niet verschuldigd zijn van een woonstvergoeding.

Na het definitief worden van de echtscheiding is V. bijgevolg een woonstvergoeding verschuldigd, zelfs al beheerde ze feitelijk het onverdeeld goed. Ze kan wel beheerskosten inbrengen maar niet voorhouden dat de tegenprestatie voor het onderhoud bestaat in het exclusieve gebruik van de vroegere gezinswoning.

Het overlijden van de heer P. V. heeft geen enkel impact op het verschuldigd zijn van een bezettingsvergoeding; een woonstvergoeding blijft verschuldigd zolang de onverdeeldheid bestaat.

3.8.5.2. De berekening van de woonstvergoeding voor de beheersrekening bij de gerechtelijke verdeling kan gebeuren op basis van de helft van de verhuurwaarde zoals geschat door deskundige B., plus indexatie.

De verjaringstermijn van vijf jaar is niet toepasselijk op een woonstvergoeding.

3.8.5.3. Mevrouw V. is bijgevolg een woonstvergoeding verschuldigd op basis van het gemeenrecht inzake de mede - eigendom (art. 577-2, §5) en dit sinds de aanvang van de echtscheidingsprocedure op 4 februari 1992 tot aan het ophouden van de onverdeeldheid of tot het vertrek van V. uit de woning.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd in de mate dat het strijdig is met het voormelde . De boedelnotaris dient zijn staat van vereffening tevens aan te passen in de mate dat hij strijdig is met het voormelde.

3.8.5.4. Mevrouw D. vordert intresten op de verschuldigde woonstvergoeding.

Appellante repliceert terecht dat de woonstvergoeding geen vergoeding in de huwelijksvermogensrechtelijke betekenis van het woord is zodat de woonstvergoeding geenszins van rechtswege intresten opbrengt. (...)

3.8.9. Waarde van de onroerende goederen/openbare verkoop:

3.8.9.1. Volgens appellante zijn de schattingen uitgevoerd door deskundige B. op 6 mei 1996 achterhaald en vraagt zij de aanstelling van een nieuwe deskundige - schatter.

Het nieuw artikel 875bis Ger. W. dat werd ingevoerd bij een wet van 15 mei 2007 voerde een grondige hervorming in van het gerechtelijk deskundigenonderzoek.

Uit artikel 875bis Ger. W. volgt dat het deskundigenonderzoek thans nadrukkelijk als een subsidiair bewijsmiddel moet beschouwd worden.

De rechter dient bijgevolg in elk dossier - alvorens een gerechtelijk deskundigenonderzoek te bevelen - na te gaan of hij de gewenste technische informatie (zoals de waarde van een goed) niet op een andere, eenvoudiger, goedkopere of snellere manier kan achterhalen.

Voornoemd artikel 875bis Ger. W. geldt ook in het kader van de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke verdeling. De notaris - vereffenaar is vaak in staat zelf de (‘gewone') goederen te schatten zodat er dan geen opportuniteit bestaat om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren door een derde.

Er is dan ook geen reden voorhanden om tot aanstelling over te gaan van een nieuwe deskundige gelet op de principes van de proceseconomie en rekening er mee houdende dat de onderhavige gerechtelijke verdeling al twintig jaar aansleept.

Bovendien brengt appellante geen argumenten aan ter staving van de stelling dat de boedelnotaris niet in staat zou zijn zelf de (verhuur)waarde van het betrokken goed behoorlijk te schatten.

3.8.9.2. Appellante verzet zich verder ten stelligste tegen een openbare verkoping. De boedelnotaris is van oordeel dat een gevoeglijke verdeling van de nalatenschap in twee loten mogelijk is.

De boedelrechter is integendeel van oordeel dat een gevoeglijke verdeling in natura in de zin van artikel 827 B.W. niet mogelijk is en besluit dat om die reden de veiling van de bedoelde onroerende goederen moet worden bevolen.

3.8.9.3. Ingeval van verdeling in natura zouden de kavels zeer ongelijk samengesteld zijn qua soorten goederen gezien de twee onroerende goederen - het woonhuis en de grond ernaast - een zeer uiteenlopende waarde hebben waardoor de oplegsom tot meer dan 50% van de waarde van het huis zal oplopen.

Artikel 832 B.W. inzake het vormen en samenstellen van de kavels bepaalt overigens dat men - zo mogelijk - in elke kavel een gelijke hoeveelheid roerende goederen, onroerende goederen, rechten of schuldvorderingen van gelijke aard en gelijke waarde dient op te nemen.

De zinsneden in artikel 832 B.W., namelijk ‘zoveel mogelijk' en ‘zo mogelijk' geven te kennen dat de wetgever aan de rechter de bevoegdheid verleent terzake vrij te oordelen. De rechter oordeelt m.a.w. op soevereine wijze over het al of niet gevoeglijk verdeelbaar karakter van de goederen.

3.8.9.4. De eerste rechter heeft dan ook - in de gegeven de omstandigheden - terecht de openbare verkoping bevolen op grond van artikel 1220 Ger. W.

Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd in zoverre hierin bevolen wordt over te gaan tot de gerechtelijke verkoping van de twee onroerende goederen omdat zij niet in natura verdeelbaar zijn.

3.8.10. Artikel 6.1 EVRM, de redelijke termijn en de gerechtelijk aangestelde notaris gelast met een gerechtelijk bevolen openbare verkoping:

3.8.10.1. Geïntimeerde vroeg in eerste aanleg voor recht te zeggen dat in het kader van de huidige vereffening -verdeling diende te worden overgegaan door de instrumenterende notaris tot de openbare verkoop in twee percelen van beide onroerende goederen, binnen de termijn van vier maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis en dit op verbeurte door de notaris van een dwangsom van 1.000 euro per dag vertraging.

In hoger beroep vordert geïntimeerde bij wijze van incidenteel beroep nog enkel "dat de notaris niet enkel wordt gemachtigd, maar ook wordt bevolen om over te gaan tot deze openbare verkoping en dit binnen een korte termijnspanne na het tussen te komen arrest".

3.8.10.2. Vooreerst wordt opgemerkt dat het vereiste van het verloop van een geding binnen een redelijke termijn, zoals bepaald in artikel 6.1 EVRM, ook betrekking heeft op de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke vereffening - verdeling en dat ook de gerechtelijk aangestelde boedelnotaris voor de verrichtingen binnen deze rechtspleging artikel 6.1 EVRM inzake de redelijke termijn in acht moet nemen voor al zijn ambtsverrichtingen en dus ook voor het houden van de openbare verkoping zoals voorzien in de artikelen 1211 en 1220 Ger. W.

Vanuit die optiek is het dus overbodig aan de boedelnotaris te bevelen "om over te gaan tot deze openbare verkoping en dit binnen een korte termijnspanne na het tussen te komen arrest".

De notaris is bovendien - bij de organisatie van een openbare verkoping - afhankelijk van de handelwijze van diverse derden gezien de notaris diverse inlichtingen (o.a. inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, bodemverontreiniging en - sanering, identiteit, huwelijkscontract, hypothecaire inlichtingen, titel of titels van eigendom, enz.) dient in te winnen bij verscheidene instanties en personen.

Eisen dat een openbare verkoping moet gehouden worden "op een korte termijnspanne na het tussen te komen arrest" is bijgevolg niet verenigbaar met de opzoekingsplicht van de notaris die hierbij afhankelijk is van derden.

3.8.10.3. Vervolgens wordt opgemerkt dat de boedelnotaris niet ambtshalve kan handelen. Het is steeds de meest gerede partij die de boedelnotaris moet vragen tot openbare verkoping over te gaan.

Zonder de opdracht van een der deelgenoten kan de boedelnotaris niet overgaan tot de gerechtelijk bevolen openbare verkoping. De eerste rechter heeft dan ook terecht de boedelnotaris gemachtigd om over te gaan tot openbare verkoop.

3.8.10.4. Dit onderdeel van het incidenteel beroep van geïntimeerde D. is bijgevolg ongegrond.

3.8.11. Intresten:

3.8.11.1. De eerste boedelrechter verwijst ten onrechte naar het huidig artikel 1436 B.W.

Bij toepassing van artikel 1, 3° van de overgangsbepalingen van de huwelijksvermogens wet van 14 juli 1976 is in beginsel t.a.v. o.a. oude conventionele stelsels van scheiding van goederen met welk danige gemeenschap van aanwinsten ook het oude huwelijksvermogensrecht van toepassing.

Het nieuwe huwelijksvermogensrecht beheerst uitsluitend de volgende drie materies: het bestuur van de vermogens, het passief van de gemeenschap en de rechten van de schuldeisers.

Hieruit volgt dat het oude huwelijksvermogensrecht van toepassing blijft op alle aangelegenheden van ontbinding, vereffening en verdeling van de oude gemeenschappen van aanwinsten - zoals hier het geval is - en dat derhalve ook de oude vergoedingsregelen van toepassing blijven.

In deze worden de intresten op vergoedingen niet door het huidige artikel 1436 B.W. beheerst maar wel door het oude artikel 1473 B.W. al is weliswaar de inhoud van deze beide voorschriften identiek.

3.8.11.2. De eerste rechter oordeelt wel terecht - evenwel bij toepassing van het oude artikel 1473 B.W. juncto artikel 1278, tweede lid Ger. W. - dat de - echte huwelijksvermogensrechtelijke - vergoedingen intrest opbrengen vanaf de dag van de retroactieve ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, zijnde vanaf 4 februari 1992, datum van het neerleggen van het verzoekschrift tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten (art. 229 B.W.) door V.

3.8.11.3. De eerste rechter heeft even terecht de zaak terug gezonden naar de instrumenterende notaris om na de openbare verkoping een aanvullende staat van vereffening - verdeling op te stellen rekening houdende met de opmerkingen van de rechtbank, waaronder m.b.t. de intresten.

Anatocisme is hierbij niet aan de orde gezien de voorwaarden hiervoor voorzien in artikel 1154 B.W. niet verwezenlijkt zijn.

3.8.12. Procedurekosten (...)

3.8.12.1. De boedelnotaris stelt terecht dat de kosten van de boedelbeschrijving, voorgeschoten door mevrouw V., ten laste van de massa dienen gelegd te worden (= artikel 870 B.W.).

(...)

Gelet op de aard van het geschil worden de kosten van hoger beroep ten laste gelegd van de massa.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

(...)

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate (...)

Zegt voor recht dat intresten aan de wettelijke intrestvoet verschuldigd zijn op het nettobedrag van het saldo van de onderlinge vergoedingsrekeningen en dit vanaf 4 februari 1992 - datum van het neerleggen van het verzoekschrift tot echtscheiding - tot aan de datum van de definitieve betaling ervan bij toepassing van het oude artikel 1473 B.W.

Zegt voor recht dat mevrouw V. een woonstvergoeding verschuldigd is op basis van het gemeenrecht inzake de mede - eigendom (art. 577-2, §5) en dit sinds de aanvang van de echtscheidingsprocedure, zijnde op 4 februari 1992, tot aan het ophouden van de onverdeeldheid of tot haar vertrek uit de vroegere gezinswoning.

Bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.

Verzendt deze zaak - bij toepassing van artikel 1223 Ger. W. - terug naar de boedelnotaris opdat hij, na de boven bedoelde gerechtelijke openbare verkoping, een aanvullende staat van vereffening - verdeling zou opmaken, rekening houdend met de richtlijnen van de eerste rechter in het bestreden vonnis - in de mate dat ze niet hervormd worden door onderhavig arrest - en rekening houdende met alle opmerkingen en richtlijnen voorkomende in huidig arrest.(...)

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

15/05/2012, aar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Mots libres

  • Gerechtelijke verdeling. echtscheidingswet van 27 april 2007. Gevolgen van de echtscheiding. Behoud of verlies van het voordeel van een contractele erfstelling. Overgangsrecht. Woonstvergoeding: Intresten en Verjaring. Notaris: dwangsom?