- Arrêt du 22 mai 2012

22/05/2012 - 2009AR324

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het feit dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 B.W.

Het bezit dat te goeder trouw is en regelmatig in de zin van artikel 2279 B.W. verschaft immers een volwaardige en afdoende titel aan de bezitter - begiftigde. De bezitter kan zich beroepen op artikel 2279 B.W. zonder dat hij onmiddellijk de schenking als titel en oorsprong van zijn bezit hoeft in te roepen. De bezitter geniet immers op basis van artikel 2279 B.W. het vermoeden over een rechtsgeldige titel te beschikken. De bezitter kan dus perfect in hoofdorde artikel 2279 B.W. inroepen en slechts ondergeschikt de handgift. Indien de bezitter zich niet kan beroepen op artikel 2279 B.W., mag hij nog altijd pogen een rechtmatige titel, zoals een schenking, desgevallend een handgift, in te roepen, maar dan draagt hijzelf de bewijslast hiervan. Het bezit is dubbelzinnig wanneer het door de concrete omstandigheden op verschillende manieren kan worden verklaard.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/324

INZAKE VAN :

1) De heer J. L. C.,

2) De heer Vital C.,

3) De heer J. D.,

4) Mevrouw A. D.,

in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van wijlen de heer I. V., in leven wonende ..., overleden te X op 26 februari 2009,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 november 2008,

vertegenwoordigd door Meester Guido BOOGMANS, advocaat te 1840 LONDERZEEL, Patattestraat 65,

1ste kamer

TEGEN :

De heet J. C.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Anneleen VAN HOUT, advocaat te 1850 GRIMBERGEN, 's Gravenmolenstraat 50,

Het feit dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 B.W.

Het bezit dat te goeder trouw is en regelmatig in de zin van artikel 2279 B.W. verschaft immers een volwaardige en afdoende titel aan de bezitter - begiftigde. De bezitter kan zich beroepen op artikel 2279 B.W. zonder dat hij onmiddellijk de schenking als titel en oorsprong van zijn bezit hoeft in te roepen. De bezitter geniet immers op basis van artikel 2279 B.W. het vermoeden over een rechtsgeldige titel te beschikken. De bezitter kan dus perfect in hoofdorde artikel 2279 B.W. inroepen en slechts ondergeschikt de handgift. Indien de bezitter zich niet kan beroepen op artikel 2279 B.W., mag hij nog altijd pogen een rechtmatige titel, zoals een schenking, desgevallend een handgift, in te roepen, maar dan draagt hijzelf de bewijslast hiervan. Het bezit is dubbelzinnig wanneer het door de concrete omstandigheden op verschillende manieren kan worden verklaard.

_____________________________________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 november 2008, beslissing die betekend werd op 6 januari 2009;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 5 februari 2009;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 18 maart 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 13 april 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 26 maart 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe de heer I. V. - rechtsvoorganger van appellanten - te horen veroordelen tot afgifte van een reeks waardepapieren - opgesomd in de dagvaarding - en voor wat de reeds vervallen waardepapieren en coupons betreft hem te horen veroordelen tot betaling van de tegenwaarde ervan, geraamd op 165.000 euro , plus de nalatigheidsintresten sedert 5 oktober 2000, datum van de ingebrekestelling, en de gerechtelijke intresten.

De heer I. V. stelde een tegeneis in en vroeg de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 20.037,06 euro , zijnde de tegenwaarde van de op 23 maart 2000 vervallen kasbon ASLK, plus de vergoedende intresten sedert 6 juni 2000 en van een bedrag van 1.289,05 euro plus de moratoire intresten sedert 5 april 2001, datum van de ingebrekestelling, en de gerechtelijke intresten.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de hoofdeis ontvankelijk en gegrond verklaard, (2) de heer V. veroordeeld tot afgifte van de gevorderde effecten met aangehechte coupons, (3) ingeval van tegeldemaking van voormelde effecten de heer V. veroordeeld tot betaling van de tegenwaarde ervan, geraamd op 165.000 euro , (4) de heer V. veroordeeld tot betaling van verwijlintresten vanaf 24 oktober 2000 en de gerechtelijke intresten, (5) de tegenvordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard, (6) de heer C. veroordeeld tot betaling van een bedrag van 1.289,05 euro plus de moratoire intresten vanaf 5 april 2001 en de gerechtelijke intresten en (7) de heer C. veroordeeld tot ¾ en de heer V. tot ¼ van de dagvaardingskosten.

1.3. In hoger beroep vragen appellanten (1) de notariële volmacht van 29 december 1999 en het openbaar testament van diezelfde datum nietig te verklaren en derhalve vast te stellen dat het eigenhandig testament van 15 november 1996 volle uitwerking heeft en (2) dienvolgens de hoofdeis af te wijzen als ongegrond.

Voor het overige hernemen appellanten hun tegeneis zoals ingesteld voor de eerste rechter.

1.4. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en bij wijze van incidenteel beroep de oorspronkelijke dagvaardingskosten integraal ten laste te leggen van appellanten.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat I. V., zijnde de oom van geïntimeerde en oorspronkelijke verweerder, houder was van een aantal kasbons die eigendom waren van mevrouw J. V., zijnde de zuster van I. en de tante van geïntimeerde.

Mevrouw J. V. overleed kinderloos op 18 oktober 2002 en bij eigenhandig testament van 15 november 1996 verklaarde zij al haar bezittingen en huis te schenken aan I. V., zijnde haar broer die ongehuwd was en ook kinderloos.

2.3. I. V. overleed inmiddels op 26 februari 2009 en volgens zijn authentiek testament van 25 november 2002 komt zijn volledige nalatenschap toe aan de vier erin vermelde algemene legatarissen, zijnde de partijen die thans het geding voor hem verder zetten.

De vier legatarissen hebben allen verklaard de nalatenschap te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving volgens hun verklaring ter griffie van 2 juni 2009.

Voor twee van die vier algemene legatarissen was I. V. hun grootoom.

2.4. Mevrouw J. V. had tevens een zuster, J. V., die gehuwd was met F. C.. Beiden zijn inmiddels overleden.

Zij hadden samen drie kinderen, waaronder J. C., zijnde huidige geïntimeerde.

2.5. Op 3 april 1998 ondertekende geïntimeerde een schuldbekentenis waarin hij erkende 150.000 BEF ontvangen te hebben van I. V. ten titel van lening en waarbij de eerste terugbetaling ad 21.000 BEF, voorzien op 20 augustus 1999, kwijt gescholden werd voor bewezen diensten.

Na de hospitalisatie van J. V. in juni 1999 werd zij opgevangen door geïntimeerde.

Het wordt niet betwist dat I. er bleef voor zorgen dat de opbrengsten van de coupons aan zijn zus J. uitbetaald bleven.

2.6. Op 29 december 1999 liet J. V. een notarieel testament opstellen waarbij zij al haar vorige testamenten en uiterste wilsbeschikkingen herriep en waarbij zij geïntimeerde als algemene legataris aanstelde van haar ganse nalatenschap.

Op die datum werd tevens bij notariële akte een algemene volmacht toegekend aan geïntimeerde en zijn echtgenote om voor haar alle daden te stellen in verband met haar vermogen.

2.7. Op 30 mei 2000 ontving de bankbediende coupons ter inning en een vervallen kasbon ASLK ad 650.000 BEF vanwege I. V. met als opdracht deze te verzilveren en te herbeleggen in kasbons van drie jaar.

Op 6 juni 2000 werd de nieuwe kasbon ter vervanging van de vervallen kasbon door de bank afgegeven aan geïntimeerde in zijn hoedanigheid van algemene volmachthouder.

III. Bespreking.

3.1. Appellanten (I. V. en nadien zijn rechtsopvolgers) houden voor dat de zeventien (16 + 1) kasbons, voorwerp van de revindicatievordering van geïntimeerde, hen rechtmatig toebehoren ingevolge het deugdelijk bezit van I. en ingevolge handgift aan hem vanwege J..

Zij stellen dat geïntimeerde niet het bewijs levert dat het bezit van I. ondeugdelijk zou zijn.

3.2. Om iets door verjaring te verkrijgen, is vereist een voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar, niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar (= art. 2229 B.W.).

Enkel een bezit te goeder trouw en zonder gebreken leidt tot eigendom overeenkomstig voornoemde bepaling.

Het bezit wordt vermoed deugdelijk te zijn. Wie aanvoert dat een bezit aangetast is door gebreken - zoals dubbelzinnigheid - draagt dus de bewijslast hiervan . Het bewijs van de ondeugdelijkheid van het bezit kan - als materieel feit - gebeuren met alle middelen van recht, met inbegrip van vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, namelijk met gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van artikel 1353 B.W.

3.3. Het feit dat het bezit zijn oorsprong heeft in een gift of handgift ontneemt de bezitter niet het recht zich te beroepen op artikel 2279 B.W.

Het bezit dat te goeder trouw is en regelmatig in de zin van artikel 2279 B.W. verschaft immers een volwaardige en afdoende titel aan de bezitter - begiftigde . De bezitter kan zich beroepen op artikel 2279 B.W. zonder dat hij onmiddellijk de schenking als titel en oorsprong van zijn bezit hoeft in te roepen.

De bezitter geniet immers op basis van artikel 2279 B.W. het vermoeden over een rechtsgeldige titel te beschikken . De bezitter kan dus perfect in hoofdorde artikel 2279 B.W. inroepen en slechts ondergeschikt de handgift. Indien de bezitter zich niet kan beroepen op artikel 2279 B.W., mag hij nog altijd pogen een rechtmatige titel, zoals een schenking, desgevallend een handgift, in te roepen, maar dan draagt hijzelf de bewijslast hiervan.

3.4. Geïntimeerde dient bijgevolg het bewijs bij te brengen dat het bezit van I. niet deugdelijk is in de zin van art. 2229 B.W.

Uit de stukken van het dossier blijkt o.a. het volgende:

- Op 30 mei 2000 overhandigde I. aan de bediende van de bank van J. V., met name de heer S., coupons ter inning evenals een kasbon ALSK (nr. 2228.612.563.304.51-465) met nominale waarde van 650.000 BEF die vervallen was met opdracht om die kasbon te verzilveren en te herbeleggen in kasbons van drie jaar . S. gaf de nieuwe kasbon aan F. C., algemene volmachtdrager van J. V.;

- Op 5 en 24 oktober 2000 ontving I. eerst een informele en vervolgens een formele ingebrekestelling vanwege J. V. en/of haar volmachtdrager F. C. met de vraag tot afgifte over te gaan van haar kasbons;

- M. richtte namens het echtpaar F. C. een soortgelijke ingebrekestelling aan I.. Hij tekende ook verzet aan tegen de 17 (16+1) effecten, gevolgd door een publicatie in het Officieel Bulletin van de met verzet aangetekende waarden;

- J. V. legde klacht neer tegen I. V. die weliswaar gevolgd werd door een buitenvervolgingstelling bij beslissing van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

De enkele beheersdaden gesteld door I. (in verband met de vruchten of intresten) bewijzen in deze niet onbetwistbaar of ondubbelzinnig dat hij eigenaar was van de portefeuille.

De niet-aangifte van de waardepapieren in de aangifte van de nalatenschap van J. V. vormt evenmin een afdoend bewijsmiddel inzake het beweerde verlies van het eigendomsrecht van J. V. gezien in beginsel een dergelijke fiscale aangifte alleen voor fiscale doeleinden moet opgesteld worden en een dergelijke aangifte bijgevolg - in beginsel - geen burgerrechtelijke gevolgen heeft.

Het document van 15 november 1996 is geen bewijs van een gift van hand tot hand, nu het een eigenhandig testament vormt, gelet op de termen "de enige erfgenaam"

I. verklaarde overigens zelf dat hij de vervallen kasbons en coupons telkens moest terugbrengen naar J. V. waaruit haar eigendomsrecht blijkt.

De effectenportefeuille zelf werd ook nooit op naam van I. overgeschreven.

3.5. Er zijn bijgevolg in deze voldoende, precieze, zwaarwichtige of ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens waaruit afgeleid kan worden dat de effectenportefeuille met de zestien in het bestreden vonnis opgegeven waardepapieren steeds verder de eigendom van J. V. zijn gebleven.

Het eigendomsvermoeden van artikel 2279 B.W. is derhalve doorbroken omdat het bezit van I. niet deugdelijk is in de zin van voornoemde bepaling. Zijn bezit is dubbelzinnig daar hem enkel een beperkte beheersopdracht toevertrouwd werd. Het bezit is dubbelzinnig wanneer het door de concrete omstandigheden op verschillende manieren kan worden verklaard.

3.6. Het behoort derhalve aan I. het bewijs te leveren van de beweerde handgiften, nu hij zich niet kan beroepen op artikel 2279 B.W.

I. V. moet dus de animus donandi (de intentie om te geven) in hoofde van J. V. bewijzen.

Het feit dat hij niet correctioneel vervolgd werd voor bedrieglijke wegmaking of verduistering bewijst het bestaan van een handgift niet.

Uit de vaststelling dat J. alle verrichtingen met de bank zelf is blijven doen alleen al kan de afwezigheid van animus donandi afgeleid worden.

3.7. Derhalve behoren de door geïntimeerde gerevindiceerde kasbons nog steeds tot het vermogen van J. V. en na haar overlijden tot haar opengevallen nalatenschap.

Hiertegen werpen appellanten op dat geïntimeerde zich schuldig zou gemaakt hebben aan erfenisbejaging en misbruik zou hebben gemaakt van de hoge leeftijd en de wankele gezondheidstoestand van J. V..

Om die reden vragen zij - voor het eerst in hoger beroep - het testament van 29 december 1999 alsmede de notariële volmacht van dezelfde datum nietig te verklaren als gevolg waarvan het testament van 15 november 1996 terug van kracht zou worden waarin I. als enige erfgenaam werd aangeduid.

Appellanten bewijzen niet ten genoegen van recht dat geïntimeerde zich meester heeft gemaakt van de nalatenschap van zijn tante d.m.v. suggestie en captatio. Zij beperken zich tot eenzijdige verdachtmakingen, insinuaties en allusies die nergens steun vinden in de objectieve gegevens van het dossier.

In deze gaat het bovendien om een notarieel testament en een notariële volmacht waarbij de instrumenterende notaris gehouden is naar de werkelijke bedoelingen van de erflater te peilen.

Uit de verschillende ingebrekestellingen en uit de neergelegde klacht blijkt integendeel dat I. nooit aanstalten heeft gemaakt om de portefeuille van J. V. aan haar terug te geven en hij het eerder was die uit was op de nalatenschap van zijn zuster.

Er is dan ook geen reden voorhanden om voornoemd testament en volmacht nietig te verklaren. Het testament van 15 november 1996 blijft zijn volle uitwerking hebben en geïntimeerde is als enige legataris gerechtigd om afgifte te vorderen van de kasbons in kwestie.

3.8. De eerste rechter oordeelde terecht dat het bedrag van 165.000 euro als tegenwaarde van de te gelde gemaakte kasbons aangenomen kon worden.

Dit bedrag werd overigens in eerste aanleg niet betwist door I. V. terwijl thans wordt voorgehouden - zonder enige vorm van bewijsvoering - dat het slechts om 135.000 euro zou gaan.

3.9. De intresten beginnen te lopen vanaf de eerste formele aangetekende ingebrekestelling die dateert van 24 oktober 2004.

Informele aanmaningen blijven inderdaad buiten beschouwing zoals de eerste rechter terecht gesteld heeft.

3.10. Geïntimeerde betwist niet het bedrag van 1.289,05 euro verschuldigd te zijn aan I. V..

Hij vraagt overigens de bevestiging van het bestreden vonnis op dat punt.

3.11. Wat de vervallen kasbon ALSK betreft blijkt afdoend uit het dossier dat voormelde bankbediende S. een nieuwe kasbon (in herbelegging van de vervallen kasbon die door de heer V. op 30 mei 2000 aan deze bankbediende werd afgegeven) op 6 juni 2000 overhandigd heeft aan de heer F. C. in zijn hoedanigheid van algemene volmachtdrager van J. V..

Deze nieuwe kasbon komt aan hem toe in zijn hoedanigheid van algemene legataris die trouwens beschikt over het bezitsrecht ingevolge de artikelen 1004 en 1008 B.W. bij gebreke aan voorbehouden erfgenamen.

3.11. Geïntimeerde vraagt bij wijze van incidenteel beroep de dagvaardingskosten volledig ten laste te leggen van appellanten.

De vordering van geïntimeerde werd in eerste aanleg integraal toegekend en de tegeneis van appellanten werd voor het merendeel afgewezen.

De eerste rechter legde niettemin ¾ van de dagvaardingskosten ten laste van geïntimeerde en slechts ten beloop van ¼ ten laste van appellanten.

In de gegeven omstandigheden komt het meer billijk voor ¾ van de dagvaardingskosten ten laste leggen van appellanten waarbij slechts ¼ ten laste blijft van geïntimeerde.

3.12. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg integraal bevestigd behalve voor wat de verdeling van de dagvaardingskosten betreft.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.13. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding van 5.000 euro wat het niet - geïndexeerd basisbedrag is gelet op de omvang van de oorspronkelijke hoofdvordering.

Na indexatie wordt dit 5.500 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat ¾ van de dagvaardingskosten ten laste wordt gelegd van appellanten en de overige ¼ ten laste blijft van geïntimeerde.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, in hun geheel begroot

- in hoofde van henzelf op euro 5.686 (186 rolrecht + 5.500 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 5.500 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

22/05/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Bezit. Eigendom op basis van bezit. Goede trouw. Deugdelijkheid. Voorwaarwaarden