- Arrêt du 22 mai 2012

22/05/2012 - 2011AR2012

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Bij toepassing van artikel 19, lid 2 Ger. W. kan een rechter, - indien het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is - een maatregel nemen met het oog op de voorlopige regeling van de toestand van partijen; deze maatregel kan worden bevolen zelfs indien er geen sprake is van enige urgentie.

Opdat de rechter de gegrondheid en de opportuniteit van de gevorderde voorlopige maatregel, zoals bedoeld in nieuw artikel 19, lid 2 Ger. W., zou kunnen beoordelen, dient hij de rechten van de partijen "prima facie" (= op eerste gezicht) vast te stellen.

Bij de toepassing van artikel 19, lid 2 Ger.W. dient de rechter bovendien te vermijden vooruit te lopen op de beslechting ten gronde. Een beslissing alvorens recht te doen heeft overigens - in principe - geen gezag van gewijsde.

In het kader van artikel 19, lid 2 Ger. W. kan de rechter uitspraak doen - maarv alleen prima facie - over het ipr-probleem inzake de toepasselijke wet op het wettelijk huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten.

Het gaat - in casu - niet op om, op basis van artikel 19, tweede lid Ger. W., de wettelijke erfrechten van de weduwe als enige vruchtgebruikster van een onroerend goed gedeeltelijk en tijdelijk te ontnemen of op te schorten, mede gelet op de onderzoeksplicht van de notarissen bij akten die op het hypotheekkantoor worden over- of ingeschreven en op hun beroepsplicht van nauwgezetheid (art. 47 Org. W. Not).


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2011/AR/2691

INZAKE VAN :

1) De heer H. H., wonende te

2) De heer P. H., wonende te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 juni 2010,

vertegenwoordigd door Meester Patrick HOFSTRÖSSLER, en Meester Sibylle TAILLIEU, advocaten te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw R. L. T., wonende te 3090 O., ...dreef 125,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Alain VAN GEEL, advocaat te 1000 BRUSSEL, havenlaan 86 C/419.

ARTIKEL 19, lid 2 Ger. W. Maatregel alvorens recht te doen. Maatregelen ter tijdelijke beperking van de rechten van de langstlevende echtgenoot. IPR. Vaststelling van de toepasselijke wet op het huwelijksvermogensstelsel, althans prima facie, in het kader van artikel 19, lid 2 Ger. W.

Bij toepassing van artikel 19, lid 2 Ger. W. kan een rechter, - indien het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is - een maatregel nemen met het oog op de voorlopige regeling van de toestand van partijen; deze maatregel kan worden bevolen zelfs indien er geen sprake is van enige urgentie.

Opdat de rechter de gegrondheid en de opportuniteit van de gevorderde voorlopige maatregel, zoals bedoeld in nieuw artikel 19, lid 2 Ger. W., zou kunnen beoordelen, dient hij de rechten van de partijen "prima facie" (= op eerste gezicht) vast te stellen.

Bij de toepassing van artikel 19, lid 2 Ger.W. dient de rechter bovendien te vermijden vooruit te lopen op de beslechting ten gronde. Een beslissing alvorens recht te doen heeft overigens - in principe - geen gezag van gewijsde.

In het kader van artikel 19, lid 2 Ger. W. kan de rechter uitspraak doen over de toepasselijke wet - prima facie - op het wettelijk huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten.

Het gaat - in casu - niet op om, op basis van artikel 19, tweede lid Ger. W., de wettelijke erfrechten van de weduwe als enige vruchtgebruikster van een onroerend goed gedeeltelijk en tijdelijk te ontnemen of op te schorten, mede gelet op de onderzoeksplicht van de notarissen bij akten die op het hypotheekkantoor worden over- of ingeschreven en op hun beroepsplicht van nauwgezetheid.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 7 juni 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 24 oktober 2011;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 29 februari 2012.

• de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 30 maart 2012.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 2 april 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe (1) het eigenhandig testament van 8 augustus 1990 nietig te horen verklaren, (2) te horen zeggen voor recht dat het Belgisch erfrecht van toepassing is en (3) in ondergeschikte orde, een notaris te horen aanstellen om over te gaan tot de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap en de nalatenschap van de heer F. H., overleden op 3 april 2005.

Geïntimeerde gedroeg zich naar de wijsheid wat het testament betreft en vroeg verder in hoofdorde de overige vorderingen van appellanten ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde, vroeg zij, voor zoveel als nodig, X. met standplaats te O. aan te stellen als boedelnotaris voor de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap gevolgd door de vereffening en verdeling van de nalatenschap.

1.2. De eerste rechter heeft (1) het eigenhandig testament van wijlen F. H. en van geïntimeerde, gedateerd op 8 augustus 1990, nietig verklaard, (2) gezegd voor recht dat het Nederlandse recht van toepassing was op het huwelijksvermogenstelsel van de echtgenoten H. - T., (3) de vereffening en verdeling bevolen van eerst het huwelijksvermogenstelsel en nadien van de nalatenschap, (4) X. met standplaats te O. aangesteld als boedelnotaris en (5) notaris F. V. aangesteld om de afwezige, niet verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen.

1.3. In hoger beroep vragen appellanten (1) te zeggen voor recht dat het Belgische recht van toepassing is op het huwelijksvermogenstelsel van de echtgenoten H. - T. en (2) Y aan te stellen als boedelnotaris.

1.4. In huidige procedure vorderen appellanten bij toepassing van artikel 19, tweede lid Ger.W., alvorens recht te doen, geïntimeerde te verbieden om m.b.t. het onroerend goed gelegen te O., ...dreef 125, zonder de voorafgaande goedkeuring en medewerking van henzelf, over te gaan tot enige daad van vervreemding of bezwaring met zakelijke rechten, tot enige juridische dan wel structurele feitelijke wijziging betreffende het goed, evenals elke vorm van verhuring ervan en dit totdat de vereffening - verdeling van de nalatenschap van de heer H. H. zal zijn afgewikkeld.

Geïntimeerde vraagt deze vordering ongegrond te verklaren.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die nuttig zijn voor de beoordeling van huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellanten de broers zijn van F. H.. Geïntimeerde is zijn echtgenote.

Geïntimeerde huwde met F. H. in Den Haag op 9 november 1968. Volgens geïntimeerde verbleven zij ook in Den Haag van 24 september 1968 t.e.m. 26 september 1974 wat echter betwist wordt door appellanten.

2.3. F. H. kocht ongeveer 1 maand voor zijn huwelijk, met name op 1 oktober 1968, een onroerend goed aan in O., ...dreef 125, voorwerp van huidige betwisting.

Deze woning werd later de gezinswoning van het echtpaar H. - T..

2.4. F. H. had ook nog twee zussen doch deze hebben, kort na het overlijden van hun broer, afstand gedaan van al hun eventuele rechten die ze zouden hebben in de nalatenschap van hun broer ten voordele van zijn echtgenote.

III. Discussie.

3.1. De essentie van het dispuut bestaat hierin te weten of op het huwelijksvermogenstelsel van het echtpaar H. - T. het Nederlandse recht dan wel het Belgische recht van toepassing is wat een invloed heeft op het statuut van de gezinswoning.

Indien het Nederlandse recht van toepassing is, valt de gezinswoning in de gemeenschap terwijl bij toepassing van het Belgische recht deze gezinswoning een eigen goed is van F. H..

In dit laatste geval kunnen appellanten de blote eigendom doen gelden op de desbetreffende eigendom. Indien het goed echter wordt beschouwd als een gemeenschapsgoed kunnen appellanten hierop geen erfrechten doen gelden.

3.2. Artikel 19, lid 2 Ger. W. houdt als basisprincipe in dat alvorens recht te doen, de rechter, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel dan wel om de toestand van de partijen voorlopig te regelen.

Bij toepassing van artikel 19, lid 2 Ger. W. kan een rechter, bijgevolg - indien het bestaan van een recht voldoende waarschijnlijk is - een maatregel nemen met het oog op de voorlopige regeling van de toestand van partijen; deze maatregel kan worden bevolen

zelfs indien er geen sprake is van enige urgentie.

Opdat de rechter de gegrondheid en de opportuniteit van de gevorderde voorlopige maatregel, zoals bedoeld in nieuw artikel 19, lid 2 Ger. W., zou kunnen beoordelen, dient hij de rechten van de partijen "prima facie" (= op eerste gezicht) vast te stellen.

Bij de toepassing van artikel 19, lid 2 Ger.W. dient de rechter bovendien te vermijden vooruit te lopen op de beslechting ten gronde zoals terecht wordt opgeworpen door geïntimeerde. Een beslissing alvorens recht te doen heeft overigens - in principe - geen gezag van gewijsde.

Voornoemde bepaling is ook van toepassing in het kader van de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke verdeling nu er geen wetsvoorschrift bestaat die het tegenovergestelde bepaalt.

Art. 19, lid 2 Ger. W., dat de rechter machtigt "alvorens recht te doen" maatregelen te bevelen ten einde de toestand van de partijen te regelen, kan ook voor het eerst in hoger beroep toegepast worden.

3.3. De Belgische rechter, bij wie een vordering tot gerechtelijke vereffening - verdeling van de gemeenschap en van de nalatenschap aanhangig is gemaakt, dient het Belgische Internationaal Privaatrecht en dus de Belgische verwijzingsregels toe te passen.

De Belgische wetgever heeft inmiddels het interne Belgische recht inzake internationaal privaatrecht gecodificeerd, namelijk bij de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van Internationaal Privaatrecht, hierna afgekort WIPR genoemd. Deze wet trad in werking op 1 oktober 2004.

3.4. Voor echtgenoten, gehuwd vóór 1 oktober 2004 - de zogenoemde ‘oude huwelijken' wat in deze het geval is - zijn verder de oude, voorheen van toepassing zijnde verwijzingsregels inzake huwelijksvermogensrecht van toepassing.

Alleen op de ‘nieuwe huwelijken' - dus voltrokken sedert 1 oktober 2004 - dienen de nieuwe verwijzingsregels vervat in het WIPR te worden toegepast. In de parlementaire voorbereiding van het WIPR staat overigens duidelijk het volgende vermeld: "Zo zijn de bepalingen van het wetboek inzake het huwelijksvermogensrecht maar toepasselijk op huwelijken gesloten na zijn inwerkingtreding."

3.5. Volgens de oude Belgische nationaliteitswetgeving - geldend tot 1 januari 1985 - inzake de impact van het huwelijk van een niet - Belgische vrouw met een Belg, verkreeg de niet - Belgische echtgenote automatisch diens Belgische nationaliteit door het huwelijk. Dit is dus het geval voor geïntimeerde die op 9 november 1968 in het huwelijk is getreden met de Belg F. H..

Vanaf 1 januari 1985 trad het nieuwe Belgische wetboek van nationaliteit in werking. De personen echter die op 31 december 1984 reeds Belg waren geworden op grond van de vroegere regels op de toekenning van de Belgische nationaliteit verloren hierbij niet de Belgische nationaliteit. Het nieuwe Belgische wetboek van nationaliteit van 1984 heeft derhalve geen impact op de verworven Belgische nationaliteit van geïntimeerde noch op de verwijzingsregels ter bepaling van haar wettelijk huwelijksvermogensstelsel.

3.6. De echtgenoten H. - T. dienen derhalve - prima facie - geacht te worden gehuwd te zijn onder het Belgisch wettelijk huwelijksvermogensstelsel, zelfs al is hun gemeenschappelijke Belgische nationaliteit louter het gevolg van hun huwelijk aangegaan op 9 november 1968.

Uitsluitend deze aanknopingsfactor van de gezamenlijke Belgische nationaliteit is in deze relevant. De plaats waar het huwelijk voltrokken is (= Den Haag/Nederland), de Nederlandse nationaliteit van de aanstaande echtgenote en zelfs de eventuele eerste echtelijke verblijfplaats van de echtgenoten in Nederland, zijn dus - prima facie - irrelevant voor het bepalen van het wettelijk vermogensstelsel van de echtgenoten H. - T..

3.7. Uit dit alles volgt dat de echtgenoten H. - T. onderworpen zijn aan het Belgische huwelijksvermogensrecht.

Concreet zou dit inhouden dat zij gehuwd zijn onder het oude Belgische wettelijke huwelijksvermogensstelsel van de roerende goederen en de aanwinsten (zijnde het wettelijk huwelijksvermogensstelsel in België) en dat zij sedert 28 september 1977 gehuwd zijn - zonder retroactiviteit - onder het nieuwe wettelijke Belgische huwelijksvermogensstelsel ingevoerd bij de (Belgische) huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976 daar er - tot op heden - geen akte van handhaving noch een wijzigingsakte wordt voorgelegd (artikel 1 van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976).

3.8. Krachtens artikel 78 van het WIPR wordt de erfopvolging beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had.

De vererving van onroerende goederen wordt beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied het onroerend goed is gelegen.

Deze principes van het WIPR hebben ogenschijnlijk tot gevolg dat de nalatenschap van F. H. beheerst wordt door het Belgisch erfrecht:

- voor alle roerende goederen, vermits zijn laatste gewone verblijfplaats in België gelegen is,

- voor alle in België gelegen onroerende goederen, precies uit hoofde van hun ligging in België.

3.9. Op alle voornoemde goederen van de nalatenschap van F. H. zou toepassing kunnen gemaakt worden van artikel 745bis, § 1, tweede lid B.W.

Vermits F. H. geen afstammelingen naliet, verkrijgt zijn echtgenote, Mevrouw T., op het eerste gezicht de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en bovendien het vruchtgebruik van diens eigen vermogen.

De blote eigendom van alle eigen goederen van wijlen F. H. gaat ogenschijnlijk naar zijn vier broers en zusters.

Geïntimeerde verkrijgt - nog steeds prima facie - naast het vruchtgebruik op het eigen vermogen van de overledene, de volle eigendom van het deel (zijnde diens helft) van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, beheerst door het Belgisch huwelijksvermogensrecht.

Dat gemeenschappelijk deel bevat dus de goederen van de Belgische oude wettelijke gemeenschap tot en met 27 september 1977 en de goederen van het Belgische nieuwe wettelijk gemeenschappelijk vermogen sinds 28 september 1977 (ingevolge artikel 1,2° van de overgangsbepalingen van de huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976).

3.10. Het huis gelegen te O., ...dreef 125, is door F. H. aangekocht ongeveer één maand voor de voltrekking van zijn huwelijk, zodat dit onroerend goed ogenschijnlijk een eigen goed van hem is en bijgevolg niet in de wettelijke goederengemeenschap van de echtgenoten is gevallen.

Bij het overlijden van F. H. verwerft zijn weduwe, Mevrouw T., in principe dit onroerend goed niet in volle eigendom maar heeft zij recht op het erfrechtelijk vruchtgebruik ervan met alle modaliteiten voorzien in artikel 745ter tot 745 septies B.W.

3.11. Appellanten vragen een voorafgaande maatregel te bevelen om het onroerend goed gelegen te O., ...dreef 125, gekadastreerd Wijk N, nummer 41/R/30 met een oppervlakte van 63a95ca veilig te stellen in afwachting van de uitkomst van de vereffening - verdeling van de nalatenschap van wijlen F. H. en van de hieraan voorafgaande vereffening van diens huwelijksvermogensstelsel.

Hier voren werd reeds aangegeven dat geïntimeerde het vruchtgebruik heeft van het voormelde onroerend goed en dat enkel de blote eigendom ervan toekomt aan appellanten.

Dit zou dan betekenen dat de rechtsverhoudingen tussen appellanten en geïntimeerde beheerst worden door de wetsvoorschriften vervat in het Burgerlijk Wetboek en elders inzake vruchtgebruik.

In die optiek zou geïntimeerde thans reeds haar vruchtgebruik mogen verkopen maar niet de blote eigendom die - althans prima facie - toebehoort aan H. en P. H.. In diezelfde optiek zou geïntimeerde reeds thans de burgerlijke en natuurlijke vruchten van dit onroerend goed kunnen innen en zou zij bevoegd zijn om dit onroerend goed te verhuren.

Geïntimeerde kan bijgevolg in principe - als enige vruchtgebruikster - alle wettelijke rechten van vruchtgebruiker uitoefenen mits naleving van alle haar wettelijke verplichtingen uit dien hoofde.

Bovendien heeft geïntimeerde principieel ook van rechtswege het bezitsrecht van de opengevallen nalatenschap van haar overleden man vanaf diens overlijden.

3.12. Gelet op de inhoud van de gevraagde voorlopige maatregel op grond van artikel 19, tweede lid Ger W., rijst de concrete vraag of er in deze wel voldoende argumenten zijn om bepaalde wettelijke rechten van geïntimeerde voor een bepaalde tijd en in een bepaalde mate gerechtelijk tijdelijk te ontnemen of op te schorten.

Het behoort immers in een dergelijke aangelegenheid een gepaste afweging te maken van de belangen van de gedingpartijen.

De wettelijke bepalingen inzake de rechten en plichten van de vruchtgebruiker, onder andere de artikelen 578 tot 624 B.W., bieden een voldoende bescherming aan de eventuele blote eigenaars tijdens de vereffening van de nalatenschap van F. H..

Het gaat immers niet op de wettelijke rechten van geïntimeerde - als enige vruchtgebruikster van het voormelde onroerend goed - gedeeltelijk en tijdelijk te ontnemen of op te schorten.

De specifieke gevorderde maatregel op grond van artikel 19, lid 2 Ger. W. is niet nuttig en is niet vereist om de belangen van de eventuele blote eigenaars en vruchtgebruiker bijkomend gerechtelijk te beschermen.

De wettelijke bescherming volstaat, onverminderd de mogelijke toepassing van de wettelijke bepalingen inzake het kortgeding door de eventuele blote eigenaars in geval van feitelijkheden begaan door Mevrouw T. als meer dan waarschijnlijke enige vruchtgebruikster (artikel 584 Ger. W.).

Hierbij wordt beklemtoond dat voor wat daden van beschikking betreft inzake rechtshandelingen die op het hypotheekkantoor over- of ingeschreven moeten worden en dus het voorwerp van een notariële akte dienen uit te maken een bijkomende bescherming openstaat in die zin dat de notarissen ook de titels van eigendom nauwgezet dienen te onderzoeken vooraleer zij een dergelijke akte verlijden.

3.13. In de gegeven omstandigheden wordt de gevorderde maatregel dan ook afgewezen als zijnde ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de gevorderde maatregel ontvankelijk doch ongegrond.

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

22/05/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Vonnis alvorens recht te doen. Vaststelling, prima facie, van de rechten van de partijen. Vaststelling prima facie van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten