- Arrêt du 22 mai 2012

22/05/2012 - 2007AR1803

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikel 39, eerste lid Ger. W. bepaalt dat wanneer de geadresseerde bij een lasthebber woonplaats heeft gekozen de betekening en de kennisgeving mogen geschieden aan die woonplaats. Deze bepaling verplicht niet te betekenen op de gekozen woonplaats als de geadresseerde in België woont. Overigens bepaalt artikel 39 geen sanctie.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2007/AR/1803

INZAKE VAN :

De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister van Onderwijs en Vorming, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Martelaarsplein 19,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 27 mei 2003,

vertegenwoordigd door Meester Patricia STALPAERT, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 181,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw V. V., wonende te 2830 WILLEBROEK, Mechelsesteenweg 261,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Georges MEEUS, advocaat te 2830 WILLEBROEK, Mechelsesteenweg 26,

SAMENVATTING

Artikel 39, eerste lid Ger. W. bepaalt dat wanneer de geadresseerde bij een lasthebber woonplaats heeft gekozen de betekening en de kennisgeving mogen geschieden aan die woonplaats. Deze bepaling verplicht niet te betekenen op de gekozen woonplaats als de geadresseerde in België woont. Overigens bepaalt artikel 39 geen sanctie.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 27 mei 2003.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 1 juni 2007. De VLAAMSE GEMEENSCHAP heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 29 juni 2007. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

1. Eiseres V. V. vraagt dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP zou veroordeeld worden om haar het bedrag te betalen van 2.149.417 BEF of thans 53.282,66 EUR als vergoeding voor de schade die zij beweert geleden te hebben door de foutieve beslissingen van begin 1982 van de toenmalige minister van Nationale Opvoeding.

2. Uit het voorgelegde arrest van de Raad van State blijkt

- dat eiseres bij ministeriële beslissing de dato 7 juli 1981 met ingang van 1 september 1981 toegelaten werd tot de stage in het ambt van leraar bijzondere vakken H.S.O., en als lerares steno¬dactylo aangesteld aan het Rijksinstituut voor secundair onderwijs te Heist-op-den-Berg.

- dat zij met een brief van 26 februari 1982 in kennis gesteld werd van de beslissingen van de Minister waarbij haar stage wordt ingetrokken, en waarbij ze in een tijdelijk ambt wordt aangesteld als lerares steno-dactylo H.S.O. aan het K.A. te Aarschot.

In zijn arrest van 24 juni 1986 heeft de Raad van State de laatste vermelde beslissingen van de Minister (de intrekking van de toelating tot de stage en de intrekking van de aanstelling in het R.I.S.O. te Heist-op-den-Berg) vernietigd.

Bij Ministerieel besluit van 21 januari 1987 heeft de Minister van Onderwijs mevrouw V. met terugwerkende kracht tot 1 januari 1981 toegelaten tot de stage in het wervingsambt van lerares bijzondere vakken H.S.O., en bij Koninklijk Besluit van 13 mei 1987 werd zij vervolgens vast benoemd in dit wervingsambt met ingang van 1 september 1982. Bij Ministerieel Besluit van 1 juli 1987 werd zij dan, met ingang van 1 september 1982 geaffecteerd in een volledige betrekking aan het Koninklijk Technisch Atheneum (vroeger R.I.S.O.) te Heist-op-den-Berg.

4. Eiseres voert aan dat zij, door de onterechte (en vernietigde) beslissing van de Minister gedurende de periode 1981 - 1987 een verlies van wedde, vakantiegeld en eindejaarspremies geleden heeft van 1.373.264 BEF + 91.575 BEF, volgens door haar neergelegde berekeningen.

Verweerster, de VLAAMSE GEMEENSCHAP, stelt dat volgens haar eigen berekeningen voor de periode van 1981 tot en met 1987 een tekort aan wedde werd uitbetaald ten bedrage van 822.357 BEF, terwijl er 92.000 BEF te weinig eindejaarspremies en vakantiegeld werd toegekend. Verweerster gaat blijkbaar akkoord met de toekenning van een saldo van 480.935 BEF, zijnde het te weinig uitbetaalde (822.357 + 92.000) verminderd met het vervangingsinkomen (433.422 BEF) dat eiseres inmiddels uitbetaald kreeg.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde mevrouw V. de veroordeling van de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot de betaling aan haar van 2.149.417 BEF of 53.282,66 EUR plus de verwijlinteresten sedert 1 oktober 1983, de gerechtelijke interesten en de kosten.

De VLAAMSE GEMEENSCHAP concludeerde aanvankelijk tot de ongegrondheid van de vordering en nadien tot de beperking ervan tot 11.902,06 EUR.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van mevrouw V. gedeeltelijk gegrond en veroordeelde de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot betaling aan mevrouw V. van 11.902,06 EUR, volgens zijn overwegingen provisioneel, plus de vergoedende intresten vanaf 1 januari 1985 tot 1 januari 1990 en vanaf 1 januari 2000, en met de gerechtelijke intresten op de aldus berekende sommen vanaf de uitspraak. Alvorens recht te spreken over het overige van de vordering stelde hij een deskundige aan voor een onderzoek van het verlies van mevrouw V..

3.3

In hoger beroep concludeert de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering; ondergeschikt tot de beperking van de vordering tot 11.902,06 EUR.

Mevrouw V. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Mevrouw V. werpt op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat de akte van hoger beroep gericht is aan haar woonplaats hoewel zij in de akte van dagvaarding woonplaats heeft gekozen bij de gerechtsdeurwaarder. Artikel 39 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt echter alleen dat aan de gekozen woonplaats mag betekend worden. Dat verplicht niet te betekenen op de gekozen woonplaats als de geadresseerde in België woont . Overigens bepaalt artikel 39 geen sanctie, en voor zoveel als nodig blijkt uit het verweer van mevrouw V. voldoende dat de akte haar heeft bereikt.

Mevrouw V. werpt op dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP heeft berust in het vonnis, wat zij afleidt uit een brief van dier raadsman en uit haar stilzitten tot het vonnis vier jaar na de uitspraak werd betekend.

De bedoelde brief van de raadsman van de VLAAMSE GEMEENSCHAP van 23 september 2003 luidt: "Bij deze bevestig ik u dat mijn cliënte besloten heeft om te berusten in het tussengekomen vonnis. Ik zou u dank weten mocht u mij de afrekening willen meedelen" . Dat is een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige mededeling dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP berust. Toch kan de brief niet gezien worden als een uitdrukkelijke berusting in de zin van artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek, omdat dit een akte veronderstelt "ondertekend door de partijen of haar bijzonder gevolmachtigde". Het blijkt niet dat de advocaat van de VLAAMSE GEMEENSCHAP beschikte over een bijzondere volmacht. Mevrouw V. besefte dit overigens, wat blijkt uit de vraag van haar advocaat van 3 oktober 2003 aan de advocaat van de VLAAMSE GEMEENSCHAP om een officiële akte van berusting .

De brief kan ook niet beschouwd worden als duidend op een stilzwijgende berusting in de zin van artikel 1045 van het Gerechtelijk Wetboek, omdat hij niet wordt bevestigd door andere overeenstemmende feiten. Het stilzitten volstaat daartoe niet; het blijkt niet dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP de provisionele veroordeling heeft uitgevoerd of dat de deskundige in werking is gesteld.

Het hoger beroep is dus ontvankelijk.

4.2 De grond van het hoger beroep

4.2.1 De ontvankelijkheid van de vordering

De VLAAMSE GEMEENSCHAP werpt op dat de vordering verjaard is met toepassing van artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.

Op de zitting van 21 november 2011 heeft het hof partijen uitgenodigd standpunt in te nemen met betrekking tot artikel 2244, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 25 juli 2008. Op de zitting van 30 januari 2012 heeft de VLAAMSE GEMEENSCHAP zich op dit punt naar de wijsheid gedragen.

Naar luid van artikel 2244, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek heeft een beroep tot vernietiging van een administratieve handeling bij de Raad van State dezelfde gevolgen ten opzichte van de vordering tot herstel van de schade veroorzaakt door de vernietigde administratieve handeling als een dagvaarding voor het gerecht, met name burgerlijke stuiting. Mevrouw V. heeft op 26 april 1982 een verzoekschrift tot vernietiging ingediend voor de Raad van State wat heeft geleid tot het arrest van 24 juni 1986; zij heeft voor de burgerlijke rechter gedagvaard op 21 maart 1989. Dit is dus binnen de termijn van 5 jaar bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.

De vordering is dus ontvankelijk.

4.2.2 De grond van de vordering

Ten onrechte betwist de VLAAMSE GEMEENSCHAP de toekenning van vergoedende intresten vanaf 1 januari 2000. De toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek impliceert de vergoeding van de hele schade, en de vergoedende intresten strekken tot vergoeding van de schade uit de laattijdigheid van de betaling van de hoofdsom van de schadevergoeding. De eerste rechter heeft de periode van de intresten beperkt, maar mevrouw V. stelt daarover geen incidenteel hoger beroep in. Anders dan de VLAAMSE GEMEENSCHAP aanvoert, is er geen reden om de loop van de intresten nog meer te beperken op grond van enig dralen van mevrouw V..

De eerste rechter heeft terecht een deskundige aangesteld om de berekeningen van partijen te onderzoeken. Het feit dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP beschikt over een gespecialiseerd departement, brengt niet mee dat mevrouw V. gehouden is de berekeningen van de VLAAMSE GEMEENSCHAP te aanvaarden.

De VLAAMSE GEMEENSCHAP betwist ook het bestaan van morele schade. Dat de eerste rechter daarover niet heeft beslist, belet het hof niet daarover te oordelen, nu het hoger beroep in beginsel de zaak zelf aanhangig maakt bij de rechter in beroep (artikel 1068, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek). Mevrouw V. maakt op geen enkele wijze duidelijk waarin haar morele schade bestaat. Die morele schade kan niet vermoed worden, nu mevrouw V. gelijk heeft gehaald voor de Raad van State, en nu haar situatie formeel grotendeels werd geregulariseerd bij besluiten van 1987 met terugwerkende kracht tot 1981 en 1982. De vordering met betrekking tot morele schade is dus ongegrond.

5 De kosten

Het hoger beroep van de VLAAMSE GEMEENSCHAP is slechts zeer gedeeltelijk gegrond, zodat zij moet beschouwd worden als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 1.210,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van de VLAAMSE GEMEENSCHAP ontvankelijk en slechts gedeeltelijk gegrond in volgende mate:

Hervormt het vonnis voor zover het niet beslist over de vergoeding van morele schade, en spreekt opnieuw recht als volgt: verklaart de vordering van mevrouw V. tot vergoeding van morele schade ongegrond.

Zendt de zaak terug naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Veroordeelt de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot de betaling van de kosten van het hoger beroep begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 1.396 (186 rolrecht + 1.210 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

22/05/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door V. DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Mots libres

  • Artikel 39 Ger. W. Keuze van woonplaats. Rechtsgevolgen. Quid bij beteklingen en kennisgeving op de echte woonplaats? Onderscheid tussen mogelijkheid of verplichting.