- Arrêt du 11 septembre 2012

11/09/2012 - 2008AR111

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De precontractuele aansprakelijkheid is in de regel gegrond op artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek en, volgens sommige auteurs, op het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt of nog het principe van de goede trouw.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2008/AR/111

INZAKE VAN :

1) De heer A. H.,

2) De BVBA DE MOSTEN, voorheen VICTORIA CHAMPIGNONS DE MOSTEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2328 H.-MEERSELDREEF, Nieuwdreef 1D, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0438.180.177,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 september 2007,

de eerste in persoon verschijnende, beide vertegenwoordigd door Meester Eddy GLAUDE, advocaat te 3440 ZOUTLEEUW, Stationstraat 7, en door Meester Roel HENDRICKX, advocaat te 2900 SCHOTEN, Sint-Cordulastraat 19 bus 2,

1ste kamer

TEGEN :

1) De C.V.B.A. ELECTRABEL GREEN PROJECTS FLANDERS, WONDELGEM H. HOOGLEDE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Regentlaan 8, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0862.382.557,

2) De C.V.B.A. ELECTRABEL GREEN FLANDERS PROJECTS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Regentlaan 8, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0465.399.763,

eerste en tweede geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Philippe DENIS, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 240,

3) De naamloze vennootschap ENDLESS ENERGY, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Derbystraat 43, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0458.343.113,

derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester T. RUMMENS loco Meester Stefaan VAN HECKE, advocaat te 9000 GENT, Onderbergen 57,

4) De naamloze vennootschap DSCONSULTING, voorheen WESTENWIND, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0460.106.830, in faillissement, vertegenwoordigd door Meester Herlinda GALAUDE, advocaat te 9000 GENT, Willem van Nassaustraat , in haar hoedanigheid van curator, hiertoe aangesteld bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent van 20 maart 2006,

vierde geïntimeerde, niet verschijnende ;

De precontractuele aansprakelijkheid is in de regel gegrond op artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek en, volgens sommige auteurs, op het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt of nog het principe van de goede trouw.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het tussenarrest van 31 januari 2012 en de in dit arrest vermelde procedurestukken alsook de niet vermelde vierde beroepsconclusie van eerste en tweede geïntimeerden;

- de aanvullende, tevens syntheseconclusie na tussenarrest van appellanten, op 26 april 2012 ter griffie van het hof neergelegd;

- de tweede conclusie na heropening der debatten van eerste en tweede geïntimeerden, op 8 mei 2012 ter zitting neergelegd;

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 8 mei 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Bij het tussenarrest heeft het hof partijen bevolen bijkomende stukken neer te leggen, meer bepaald:

- aan eerste en tweede geïntimeerden bevolen om een integrale kopie over te leggen (1) van de notulen van de vergaderingen van het directiecomité van Wind- en Waterkracht Vlaanderen van 15 maart 2001 en 27 april 2001 en (2) van de notulen van de vergadering gehouden op 21 maart 2001;

- aan tweede appellante bevolen om een kopie over te leggen van de notulen van de processen-verbaal van de vergaderingen van haar bestuursorgaan tijdens de periode 1999 tot en met 2004.

2. Partijen hebben op 28 februari 2012, respectievelijk op 29 februari 2012 stukken ter griffie neergelegd.

3. Na het tussenarrest van 31 januari 2012 vorderen appellanten hen het voordeel toe te kennen van het petitum zoals gesteld in de vroeger genomen besluiten ten gronde.

Appellanten vragen bovendien, alvorens recht te doen, volgende personen als getuigen op te roepen ten einde hen te horen over de inhoud en het voorwerp van de besprekingen die op 21 maart 2001 hebben plaatsgevonden tussen appellanten en de vertegenwoordigers van Electrabel: aan de zijde van Electrabel mevrouw Ann G. en de heren H. D., J. B. en G. F., en aan de zijde van appellanten de heer A. H. en zijn echtgenote C. alsook hun boekhouder, de heer W. V.

4. Eerste en tweede geïntimeerden volharden eigenlijk in de conclusie die zij voor het tussenarrest hebben neergelegd.

II. Relevante feitelijke gegevens

5. Desbetreffend verwijst het hof naar de uiteenzetting in het tussenarrest van 31 januari 2012.

III. Bespreking

1°. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

6. Zoals uiteengezet in het tussenarrest besluiten de eerste en tweede geïntimeerden tot de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering.

In eerste aanleg hadden zij het belang in hoofde van eerste appellant betwist en een exceptie obscuri libelli voorgedragen.

In de beroepsconclusie van eerste en tweede geïntimeerden wordt geen bijzonder middel ontwikkeld ter ondersteuning van de beweerde niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering.

7. Appellanten hebben oorspronkelijk gedagvaard in betaling van schadevergoeding. De omstandigheid dat deze schadevergoeding uitsluitend aan tweede appellante zou toekomen, raakt de gegrondheid en niet de ontvankelijkheid van de vordering.

Voor het overige heeft de eerste rechter oordeelkundig beslist dat de oorspronkelijke dagvaarding wel degelijk de vermeldingen opneemt die bij artikel 702 van het Gerechtelijk Wetboek zijn vereist, inclusief een korte samenvatting van de middelen van de vordering.

De oorspronkelijke vordering werd terecht ontvankelijk verklaard.

2°. Ten gronde

8. In zover gegrond op enig intellectueel eigendomsrecht van appellanten op het project van een windturbinepark gelegen te H., heeft het hof al bij het tussenarrest van 31 januari 2012 de vordering afgewezen.

9. Bij het tussenarrest (p. 8, nummer 10) heeft het hof al het volgende vastgesteld:

Het kan aanvaard worden dat de heer H. als eerste tot het idee kwam om een windturbine te H. te laten aanleggen en dat hij hiervoor én met de overheid contact opnam met het oog op het verkrijgen van contractuele subsidies én met Vestas Nederland Windtechnologie BV, leverancier van turbines, met welke partij (appellanten) op 9 februari 2000 een overeenkomst onder opschortende voorwaarden sloten.

In een latere fase is het tweede geïntimeerde die het windturbinepark heeft gerealiseerd (...).

10. Appellanten stellen dat de overname zonder betaling van enige vergoeding van het project waarvan zij de grondleggers zijn, minstens een vorm uitmaakt van aanhaking, dan wel van slaafse nabootsing of een daad van oneerlijke mededinging. Door het overnemen van de know how van appellanten en van de isnpanningen die zij hebben gedaan konden geïntimeerden zich immers een concurrentieel voordeel verschaffen t.a.v. andere mogelijke gegadigden.

Alleszins werpen geïntimeerden terecht op dat er weinig gelijkenissen bestaan tussen het oorspronkelijk concept van appellanten aangaande één windturbine van 600 kW gecombineerd met een dieselaggregaat op hun eigendom en het finaal verwezenlijkte windmolenpark van 6 windturbines (in een eerste fase) van 2.000 kW elk, ingeplant langs de autosnelweg E 19. Er is dus geen sprake van slaafse nabootsing van het project van appellanten.

Het verschaffen van een concurrentieel voordeel is evenmin bewezen. Het gerealiseerde windmolenpark van eerste en tweede geïntimeerden sluit overigens op zich niet de realisatie van een windturbine uit op het terrein van appellanten.

Aanhaking of parasitaire mededinging zou bovendien veronderstellen dat eerste en tweede geïntimeerden misbruik zouden hebben gemaakt van de faam en bekendheid van een concurrent of onrechtmatig profijt hebben gehaald uit bepaalde investeringen en uit de vindingrijkheid van een concurrent. Dit is te dezen niet het geval.

11. Beide partijen blijken het eens te zijn om vast te stellen dat zij wel nauwe herhaalde contacten hebben genomen om tot een vorm van samenwerking in een project van plaatselijk windmolenpark te geraken maar dat zij finaal geen overeenkomst hebben kunnen bereiken, ook al werden ontwerpteksten opgesteld.

In hun tweede conclusie na heropening van de debatten stellen eerste en tweede geïntimeerden zelfs dat er "tal van versies van contractteksten zijn geredigeerd". Het is in die precontractuele fase dat er aan appellanten voorstellen werden gedaan die bij gebrek aan wilsovereenstemming over de essentiële elementen van een overeenkomst niet zijn uitgemond in enige concrete contractuele verbintenis. Meer bepaald geven partijen toe dat er geen akkoord werd bereikt noch over de aanduiding van de windturbine(s) die aan appellanten zou(den) worden toegewezen, noch over de financiële voorwaarden voor het verwerven van bepaalde turbine(s), noch over de juridische draagwijdte van de rechten van appellanten (eigendomsrechten, opstalrechten, aandeel in het maatschappelijk kapitaal van de EGPFWHH).

Appellanten beroepen zich niet op de uitvoering van enige overeenkomst met geïntimeerde partijen. Zij beroepen zich daarentegen op een precontractuele fout in hoofde van geïntimeerden, welke rechtsgrond precies impliceert dat er geen contract is tot stand gekomen.

12. De precontractuele aansprakelijkheid is in de regel gegrond op artikelen 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek en, volgens sommige auteurs, op het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt of nog het principe van de goede trouw .

Appellanten verwijten aan eerste en tweede geïntimeerden dat zij, nadat een principeakkoord werd bereikt, aan appellanten niet de keuze tussen de zes windturbines hebben gelaten doch enkel de duurste hebben aangeboden, samen met een aantal onredelijk hoge kosten en geen reële alternatief hebben geboden, ook niet als toen een variabel deel in het maatschappelijk kapitaal van een coöperatieve vennootschap werd voorgesteld. Aldus zouden appellanten het succesvol afronden van de onderhandelingen hebben verhinderd.

13. Zoals hierboven uiteengezet, werden tussen partijen onderhandelingen gevoerd over een samenwerking in het project van een windmolenpark te H.. Er werden zelfs in de periode 2000 - 2002 ontwerpen van overeenkomsten tot oprichting van tijdelijke vereniging opgesteld die echter noch door appellanten noch door geïntimeerden werden goedgekeurd.

Het toewijzen van een welbepaalde windturbine en de financiële tegenprestatie van appellanten voor deze operatie maakten echter in het bijzonder nooit het voorwerp van een werkelijk principeakkoord uit.

Aldus is het e-mailbericht van 12 januari 2004 beperkt tot een "voorstel van aankoopoptiecontract en terugkoopcontract voor groene energie en stroomcertificaten", zonder een werkelijk akkoord over het principe van toewijzing van een bepaalde turbine te impliceren, en nog minder het recht voor appellanten om de turbine te kiezen of de prijs ervoor te bepalen.

Appellanten leggen de nadruk op de vergadering van 21 maart 2001 maar het is na het tussenarrest gebleken dat er geen eigenlijke notulen bestaan van deze vergadering zodat er onzekerheid blijft over het ware voorwerp en het resultaat van deze vergadering die elke partij op eigen wijze interpreteert.

Het komt niet opportuun over om de beweerdelijk aanwezige personen als getuigen te laten oproepen om hun versie te geven over de inhoud en het voorwerp van deze niet genotuleerde bespreking van meer dan 11 jaar geleden, mede gelet op het feit dat alle aanwezige personen bij deze vergadering voor rekening van een van de partijen zijn opgetreden en er geen onpartijdige rol speelden.

Appellanten stellen dat, op een bepaald moment, het klimaat is verslechterd maar dit is wellicht gebeurd wanneer partijen niet enkel het principe van een samenwerking bespraken maar de invulling van dit voornemen, dit is de keuze van de toe te wijzen turbine en de financiële voorwaarden van de beoogde samenwerking.

14. Een brutale breuk door eerste en tweede geïntimeerden van de onderhandelingen wordt niet aangetoond.

Wanneer partijen geen akkoord hadden bereikt over de keuze van de turbines en de financiële voorwaarden van hun samenwerking, hebben eerste en tweede geïntimeerden op 3 juli 2003 een alternatief voorstel gedaan in de zin van de inbreng van het windturbinepark in een op te richten vennootschap (een zgn. Special Purpose Vehicle) waarin appellanten een aandeel in het maatschappelijk kapitaal zouden verwerven dat zou overeenkomen met de waarde van één windmolen in H.. Op deze datum was het project van het windmolenpark al in de uitvoeringsfase nu een langer uitstel het verval van de milieuvergunning dreigde voor gevolg te hebben.

Appellanten zijn echter niet ingegaan op dit voorstel en hebben dit bij e-mailbericht van 24 september 2003 bevestigd en uitgelegd.

Daarna hebben eerste en tweede geïntimeerden een aankoopoptie voor de overname van een windturbine voor de prijs van 3.100.000 euro aangeboden maar appellanten hebben deze prijs "belachelijk hoog" bevonden. Geïntimeerden leggen een nota voor ter verantwoording van de vraagprijs van 3,1 miljoen euro voor de meest zuidelijke windturbine van het project H.. Appellanten tonen niet aan dat geïntimeerden met opzet een irrealistisch voorstel hebben willen formuleren of dat zij gelet op de handelwijze van geïntimeerden oprecht en redelijk mochten vertrouwen in een concreet meer gunstige overnameprijs (van 2,3 miljoen euro).

Op 2 maart 2004 heeft tweede geïntimeerde nog een ultiem voorstel gedaan bestaande in het verwerven van een participatie van maximaal 10 % in het (risicodragend) aandelenkapitaal van EGPF voor het bedrag van 55.000 euro per procent. Appellanten hebben hun interesse in dat "ultiem voorstel" bevestigd en tweede geïntimeerde heeft haar voorstel op 22 april en 23 juli 2004 bevestigd, zij het "onder voorbehoud van een positieve besluitneming door de bestuursorganen". Zij stelden een termijn voor de aanvaarding van dit voorstel maar hebben later aanvaard deze termijn te verlengen. Over dit laatste voorstel hebben partijen finaal geen akkoord bereikt.

Deze bereidheid van eerste en tweede geïntimeerden om toch een overeenkomst op andere basissen af te sluiten toont de goede wil van deze partijen aan en spreekt de wil tegen om abrupt, ontijdig en zonder enige uitleg of reden een einde te stellen aan de onderhandelingen of om misbruik te maken van het recht om vrij een overeenkomst al dan niet af te sluiten.

Het bewijs van een culpa in contrahendo wordt in de concrete omstandigheden van de zaak niet geleverd. In de stukken die na het tussenarrest van 31 januari 2012 werden neergelegd kan het hof evenmin een bewijs van een dergelijke fout vinden.

15. Appellanten zijn in hun conclusie bijzonder onduidelijk wat de precieze quasi-delictuele fout betreft die zij ten laste van derde geïntimeerde leggen. Zij wijzen op de rol van de heer Frederik De Smet, die zowel voor Wind- en Waterkracht Vlaanderen (WWV), thans tweede geïntimeerde, als voor derde geïntimeerde, vertegenwoordiger in België van Vestas Nederland Windtechnologie, zou zijn opgetreden. Appellanten blijken van oordeel te zijn dat deze persoon zich in een situatie van belangenconflict bevond en dat hij gebruik heeft kunnen maken van voorkennis. Het hof meent te begrijpen dat appellanten aan derde geïntimeerde, via de heer De Smet, verwijten dubbel spel te hebben gespeeld om mee te werken aan de overname door eerste en tweede geïntimeerden van hun project van windturbines te H..

Appellanten beperken zich tot insinuaties zonder concrete feitelijke elementen of stukken aan te geven die hun verwijten zouden staven.

Het hof leidt uit de stukken af dat, in een eerste fase, derde geïntimeerde (N.B. de heer De Smet was gedelegeerd bestuurder van derde geïntimeerde) is opgetreden als vertegenwoordiger in België van Vestas Nederland voor het afsluiten op 9 februari 2000 van de koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde van 10 Vestas windturbines, overeenkomst die, zoals uiteengezet, nooit uitgevoerd is geworden.

In een tweede fase heeft de N.V. Westenwind (N.B. de heer De Smet was tevens zaakvoerder van de CVBA Westenwind, later N.V. geworden) haalbaarheidstudies uitgevoerd voor rekening van Wind- en Waterkracht Vlaanderen in het kader van een op te richten tijdelijke vereniging waarin appellanten zouden deelnemen. Er werd echter geen overeenkomst, inz. geen overeenkomst i.v.m. projectontwikkeling, gesloten tussen N.V. Westenwind of derde geïntimeerde enerzijds en appellanten anderzijds.

Zoals geweten is er finaal geen overeenkomst tot stand gekomen tussen appellanten en de eerste en tweede geïntimeerden.

Op 30 december 2002 werd Wind- en Waterkracht Vlaanderen omgevormd in Electrabel Green Projects Vlaanderen (EGPF, tweede geïntimeerde). Vanaf dan, maakte de heer D. niet langer deel uit van de Raad van Bestuur en is mevrouw A. G. projectleider voor het windmolenpark te H. geworden. De onderhandelingen tussen appellanten en de eerste en tweede geïntimeerden met betrekking tot het oprichten van een tijdelijke vereniging werden dan ook niet langer gevoerd door de heer D. of door derde geïntimeerde en er kan haar geen fout worden ten laste gelegd in verband met de latere mislukking van de besprekingen.

Enige voorkennis in hoofde van derde geïntimeerde over het aanvraagdossier van appellanten impliceert geen fout van derde geïntimeerde nu de gegevens van het aanvraagdossier geen enkele invloed hebben gehad op het finaal volledig verschillende en op een andere locatie gelegen project dat eerste en tweede geïntimeerden hebben gerealiseerd.

16. Appellanten bewijzen evenmin dat derde geïntimeerde tekort kwam in haar verplichting haar hulp te bieden met het oog op de goedkeuring van haar vergunningaanvragen. Zij blijken overigens de vermeende contractuele aansprakelijkheid van derde geïntimeerde in hoedanigheid van vertegenwoordiger van Vestas Nederland te verwarren met de quasi-delictuele aansprakelijkheid van derde geïntimeerde.

Het verwijt van appellanten is, voor zoveel als bewezen, quod non, vreemd aan de zorgvuldigheidsplicht van derde geïntimeerde en, voor zoveel appellanten hun vordering zouden steunen op de contractuele verplichtingen uit de overeenkomst van 9 februari 2000 afgesloten met Vestas Nederland, wat appellanten niet duidelijk verklaren, dan dienen zij zich te richten tot hun medecontractant.

17. Het wordt ten slotte niet aangetoond dat derde geïntimeerde voor rekening van Electrabel is opgetreden met het oog op de afstand van opstalrechten, en dat zij bijvoorbeeld brieven zou hebben rondgestuurd naar omwonenden of contracten zou hebben opgesteld. Enige fout in het voeren van onderhandelingen of belangenvermenging worden geenszins bewezen.

18. Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond.

19. Het incidenteel beroep en de incidentele vordering van geïntimeerden strekkende tot de veroordeling van appellanten tot betaling van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en hoger beroep zijn ongegrond.

Het wordt immers niet aangetoond dat appellanten hun vordering hebben ingesteld of hoger beroep hebben ingesteld in zulke omstandigheden dat iedere rechtsonderhorige, in dezelfde concrete omstandigheden als appellanten geplaatst, zich zou onthouden hebben de zaak ter beoordeling van de rechtbank of van het hof voor te leggen. Appellanten maken immers gewag van allerlei contacten die, ondanks ver gevorderde onderhandelingen, tot geen overeenkomst hebben geleid. De omstandigheid dat zij geen buitencontractuele fout in hoofde van appellanten bewijzen impliceert geen lichtzinnige procesvoering.

20. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellanten, zijnde de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partijen.

De rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 .

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 16.500 euro. Er wordt aan eerste en tweede geïntimeerden één enkele rechtsplegingsvergoeding toegekend nu zij samen door dezelfde raadsman werden vertegenwoordigd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

De arresten van 3 november 2009 en 31 januari 2012 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep, de incidentele beroepen en de incidentele vorderingen ongegrond.

Veroordeelt appellanten tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellanten samen op euro 16.686 (186 euro rolrecht + 16.500 euro rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van eerste en tweede geïntimeerden samen op 16.500 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van derde geïntimeerde op 16.500 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van vierde geïntimeerde op nihil.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/9/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Precontractuele aansprakelijkheid. Grondslag.