- Arrêt du 1 mars 2012

01/03/2012 - 2008-AR-2189

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Aansprakelijkheid - art. 1386 BW:

Instorting van een gebouw in de zin van artikel 1386 van het burgerlijk wetboek is de val van hetzij het geheel, hetzij van een gedeelte van de materialen die het gebouw vormen. Het neerstorten van een leuning of balustrade valt onder het begrip ‘instorting van een gebouw' in de zin van deze wetsbepaling.

Aansprakelijkheid - art. 1384 lid 1 en art. 1386 BW:

Er is geen reden waarom de aansprakelijkheid van de eigenaar op grond van artikel 1386 van het burgerlijk wetboek zou uitsluiten dat de bewaarder van een gebrekkig gebouw (of een deel daarvan) niet zou kunnen worden aansprakelijk gesteld op grond van artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek.


Arrêt - Texte intégral

HOF VAN BEROEP

TE GENT

***

1e kamer

***

terechtzitting

van

01 maart 2012

TUSSENARREST

________________

(o.a. samenvoeging van

de zaken 2008/AR/2189

en 2009/AR/23)

_________________________

(bevestiging aanstelling

deskundige

dr. E. Mattheeuws,

Beverlaai 20,

8500 Kortrijk -

opvolging deskundigen-

onderzoek op

20.09.2012, 14.00 uur)

_________________________

2008/AR/2189

in de zaak van:

F.T.D. INTERNATIONAL N.V.,

met maatschappelijke zetel te 8560 WEVELGEM, Bankstraat 13,

ingeschreven met KBO-nummer 0447.461.295,

appellante,

hebbende als raadsman mr. CASIER Philippe, advocaat te 8500 KORTRIJK, Louis Verweestraat 2,

tegen:

D............. G........................, zelfstandig schoonmaker,

wonende te ..........................................,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DE JAEGERE Marie-Dominique, advocaat te 8500 KORTRIJK, Groeningestraat 33

en

2009/AR/23

in de zaak van:

D.............. G................., zelfstandig schoonmaker,

wonende te ..........................................,

appellant,

hebbende als raadsman mr. DE JAEGERE Marie-Dominique, voornoemd,

tegen:

1. T..................... F...................,

wonende te ...............................,

eerste geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. LAMBERT Luc, advocaat te 8500 KORTRIJK, Beheerstraat 40

2. FTD INTERNATIONAL N.V.,

met maatschappelijke zetel te 8560 MOORSELE, Bankstraat 13,

ingeschreven met KBO-nummer 0477.461.295,

tweede geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. CASIER Philippe, voornoemd,

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 28 augustus 2008 (zaak 2008/AR/2189) heeft N.V. F.T.D. International tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 26 mei 2008, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zevende kamer.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 6 januari 2009 (zaak 2009/AR/23) heeft G.............. D....................... hoger beroep ingesteld tegen hetzelfde vonnis.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

bijzonderste gegevens

1. G............D.................... (geïntimeerde in de zaak 2008/AR/2189 en appellant in de zaak 2009/AR/23) heeft op 22 juni 2005 reinigingswerken uitgevoerd aan de gevel van de woning aan de ......................., bewoond door F.........T.......(eerste geïntimeerde in de zaak 2009/AR/23). Toen hij de overstap wilde maken van een ladder naar een balkon, is de arduinen dorpel van het balkon afgebroken en viel G....... D............. 8 à 9 meter naar beneden. Hij liep diverse breuken op, waardoor hij werkongeschikt was.

G............ D............... stelt F............. T......... aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van dit ongeval op basis van de artikelen 1382, 1384 en 1386 van het burgerlijk wetboek. Met dagvaarding van 17 oktober 2005 vordert hij diens veroordeling tot betaling van een provisionele schadevergoeding van euro 10.000,00, met de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

N.V. F.T.D. International (appellante in de zaak 2008/AR/2189 en tweede geïntimeerde in de zaak 2009/AR/23), eigenaar van het kwestieus gebouw, is bij verzoekschrift neergelegd op 1 december 2005 vrijwillig in het geding tussengekomen.

Bij niet-bestreden tussenvonnis van 9 januari 2006 wordt ir. M.............V............................. aangesteld als deskundige, belast met een onderzoek naar de oorzaak van de breuk van het balkon van de woning.

De deskundige legt zijn verslag neer op 30 januari 2007. Daarin komt hij tot de vaststelling dat G................ D............... er kon van uitgaan dat de balustrade van het balkon voldoende stevig was om er zich aan vast te klampen en over de reling te klauteren. Volgens hem is de oorzaak van het ongeval een (verborgen) gebrek in de balustrade. De middelste baluster blijkt vroeger reeds gebroken te zijn geweest en de twee stukken werden aan elkaar gekleefd met een laag mortel. De kwaliteit van deze verbinding was echter onvoldoende en door de kracht die door G........... D.............. werd uitgeoefend, zijn de handgreep en het bovenste deel van de centrale baluster naar beneden gekomen.

2. Het bestreden vonnis weerhoudt de aansprakelijkheid van de eigenaar van het gebouw, F.T.D. International, op grond van artikel 1386 van het burgerlijk wetboek. Als gevolg hiervan dient volgens de eerste rechter de mogelijke toepasselijkheid van artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek niet verder te worden onderzocht.

De vordering ten aanzien van F........... T..................... wordt als ongegrond afgewezen, terwijl F.T.D. International wordt veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding van euro 5.000,00 aan G.............. D................ Dr. E. M............... wordt aangesteld als deskundige om advies te verstrekken omtrent de door het slachtoffer geleden schade.

3. F.T.D. International kan zich niet neerleggen bij deze beslissing. Met het door haar ingesteld hoger beroep beoogt zij de afwijzing van de tegen haar gestelde vordering, minstens vraagt zij dat gezegd wordt voor recht dat G................. D............... zelf voor 50 % medeaansprakelijk is voor het schadegeval.

Zij haalt daartoe aan dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1386 van het burgerlijk wetboek niet is voldaan:

- het loskomen van de balustrade kan niet worden beschouwd als een instorting in de zin van deze wetsbepaling;

- de ‘instorting' moet het gevolg zijn van een constructiegebrek of een gebrek aan onderhoud. Dit is hier niet het geval, omdat het stuk arduin door een overbelasting naar beneden is gekomen;

- de schade die G........... D................. heeft opgelopen, is ontstaan nadat het stuk arduin naar beneden was gevallen en is er geen gevolg van;

- ondergeschikt, voor zover toepassing zou gemaakt worden van artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek, dient niet zij, maar F....... T............. te worden beschouwd als de bewaarder van de woning.

4. G............... D................... is het evenmin eens met het vonnis, omdat volgens hem ten onrechte de aansprakelijkheid van F.............. T................. op grond van artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek niet werd onderzocht.

Het door hem ingesteld hoger beroep strekt, na voeging van de beide zaken, tot de solidaire, minstens in solidum veroordeling van F....... T................ en F.T.D. International tot betaling van een provisie van euro 28.500,00, met de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

5. F............. T...................... besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en de volledige bevestiging van het bestreden vonnis.

Volgens hem is een cumulatieve toepassing van de artikelen 1384, lid 1 en 1386 van het burgerlijk wetboek uitgesloten. Bovendien is er geen sprake van een gebrek en spreekt de deskundige ten onrechte van een ‘terras met balustrade', nu de balustrade een louter ornamentele functie heeft.

beoordeling

1. De beide hogere beroepen zijn gericht tegen hetzelfde vonnis, zodat de zaken dienen te worden samengevoegd.

2. Over de feitelijke omstandigheden van het ongeval bestaat geen betwisting. Bij het uitvoeren van reinigingswerken aan de gevel van het gebouw, wilde G.............. D.......... van zijn ladder overstappen op het balkon dat zich op de vooruitbouw van het gelijkvloers en de eerste verdieping bevindt. Om over de balustrade te klauteren, greep hij zich vast aan de horizontale handgreep van de balustrade. Hierdoor is dat stuk van de arduinen handgreep gekanteld en naar beneden gekomen, samen met het bovenstuk van de middenste baluster, hetgeen de val van G................. D.................. heeft veroorzaakt.

‘Instorting van een gebouw' in de zin van artikel 1386 van het burgerlijk wetboek is de val van hetzij het geheel, hetzij van een gedeelte van de materialen die het gebouw vormen. Het neerstorten van een leuning of balustrade valt onder het begrip ‘instorting van een gebouw' in de zin van deze wetsbepaling.

Tevergeefs werpt F.T.D. International op dat de afgebroken balustrade slechts een sierstuk of ornament is. Vooreerst is dit zonder belang voor de beoordeling van het begrip ‘instorting van een gebouw' en bovendien blijkt deze opmerking onjuist, aangezien uit de foto's kan worden afgeleid dat ter hoogte van de tweede verdieping een deur toegang geeft tot het balkon dat met een arduinen balustrade is afgezet. Dat dit balkon weinig of niet werd betreden doet niet ter zake.

Het is evenmin van belang dat het slachtoffer niet werd gewond door het vallend stuk arduin. Het volstaat dat de schade, in casu de opgelopen verwondingen, het gevolg zijn van de instorting, hetgeen in deze vaststaat. De val waarbij de verwondingen werden opgelopen, is immers veroorzaakt door de instorting, met name het (gedeeltelijk) afbreken van de arduinen balustrade.

Om te besluiten tot de aansprakelijkheid van de eigenaar dient bovendien vast te staan dat de instorting te wijten is aan een verzuim van onderhoud of aan een gebrek in de bouw.

Ook hierover kan geen twijfel bestaan. Gerechtsdeskundige ir. V................. heeft immers vastgesteld dat de middenste baluster, waarop de afgebroken handgreep rustte, in een slechte toestand was. Klaarblijkelijk was er vroeger reeds een breuk geweest aan die baluster en werd gepoogd de twee stukken aan elkaar te kleven met een mortellaag. De kwaliteit van deze verbinding was evenwel onvoldoende, want er was geen enkele kleef tussen de mortellaag en de te verbinden delen. De bouw vertoonde derhalve een gebrek.

Tenslotte kan in hoofde van G........ D............. geen fout worden weerhouden welke afbreuk zou doen aan de aansprakelijkheid van F.T.D. International als eigenaar van het gebouw.

Een normale, niet gebrekkige balustrade uit arduin is volgens de gerechtsdeskundige een stevige constructie, waarvan kan en mag worden verwacht dat ze is opgebouwd volgens de regels van de kunst en een stabiel geheel vormt. G........... D.................... mocht er terecht van uitgaan dat hij zich mocht vastklampen aan de arduinen reling om er over te klimmen.

Dienvolgens is er geen reden om te besluiten dat G.............. D............zelf voor een deel aansprakelijk is voor het schadegeval en dient de eerste rechter te worden bijgetreden waar hij de aansprakelijkheid van F.T.D. International als eigenaar van het gebouw heeft weerhouden op grond van artikel 1386 van het burgerlijk wetboek.

3. De door een deel van de rechtspraak gevolgde zienswijze dat een cumul tussen artikel 1384, lid 1 en artikel 1386 van het burgerlijk wetboek niet mogelijk is en dat de toepassing van artikel 1386 uitsluit dat artikel 1384, lid 1 kan worden toegepast, wordt door het hof niet bijgetreden.

Er zijn geen overtuigende argumenten die een dergelijk verbod verantwoorden en er is geen reden waarom de aansprakelijkheid van de eigenaar op grond van artikel 1386 van het burgerlijk wetboek zou uitsluiten dat de bewaarder van een gebrekkig gebouw (of een deel daarvan) niet zou kunnen worden aansprakelijk gesteld op grond van artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek.

In het voorliggend geval is het gebouw eigendom van een vennootschap en wordt het (zonder schriftelijke overeenkomst) bewoond door een bestuurder van deze vennootschap, F...... T........ Zoals F.T.D. International in haar appelconclusie schrijft is zij "in werkelijkheid niets anders dan de fiscale verpakking van de gezinswoning van medeverweerder T.......". Deze laatste moet worden beschouwd als de bewaarder van het gebouw, die er leiding, controle en toezicht op uitoefent. In dit verband kan ook worden verwezen naar de verklaring die F........... T.......... heeft afgelegd in het kader van het strafonderzoek, waarin hij onder meer bevestigt dat hij aan G.............. D............ opdracht had gegeven om reinigingswerken uit te voeren aan ‘zijn' woning. Voorts blijkt ook dat andere onderhoudswerken aan de woning werden uitgevoerd in opdracht en voor rekening van F............ T..... (stuk 4 - dossier F.T.D. International).

Onder het vorig randnummer werd reeds geoordeeld dat het balkon van het gebouw behept was met een gebrek en dat het argument dat de balustrade een louter ornamentele functie zou hebben niet relevant en bovendien onjuist is.

Door de slechte verbinding tussen de twee delen van de balustrade vertoonde het geheel een gebrek en dit abnormaal kenmerk was de oorzaak van de schade geleden door G............ D................., die, zoals eveneens hiervoor geoordeeld, er op mocht vertrouwen dat de constructie stevig genoeg was om zijn gewicht te torsen.

Bijgevolg dient te worden besloten tot de ketenaansprakelijkheid van F....... T........ op grond van artikel 1384, lid 1 van het burgerlijk wetboek, zodat hij in solidum met F.T.D. International gehouden is tot vergoeding van de door G......... D........................ geleden schade.

4. Mede gelet op de langdurige arbeidsongeschiktheid, die blijkt uit de voorgelegde medische attesten, kan aan G............. D............. een provisionele schadevergoeding worden toegekend van euro 20.000,00.

De aanstelling van dr. E. M.................... dient te worden bevestigd.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken;

Voegt de zaken gekend onder algemene rolnummers 2008/AR/2189 en 2009/AR/23 samen.

Verklaart het hoger beroep van F.T.D. International toelaatbaar, doch ongegrond.

Verklaart het hoger beroep van G........... D............. toelaatbaar en gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het een deskundigenonderzoek beveelt, en opnieuw wijzende:

Verklaart de vordering van G.............. D............ ten aanzien van N.V. F.T.D. International en F........... T................. gegrond.

Veroordeelt N.V. F.T.D. International en F............ T................ in solidum om aan G............... D............... een provisioneel bedrag te betalen van euro 20.000,00.

Bevestigt de aanstelling als deskundige van dr. E. M....................,

.......................,

tel. ...........................,

alsmede de hem concreet gegeven opdracht, volgens de volgende aangepaste modaliteiten,

met name:

* het slachtoffer, G.............. D..........., wonende te ......................, te onderzoeken;

* de partijen te aanhoren, kennis te nemen van de verklaringen, de stukken en de bundels die partijen hem overeenkomstig artikel 972bis, § 1, 2e lid Ger.W. zullen overmaken, alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden;

* in een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag, neer te leggen ter griffie van dit hof:

1. de aard van de letsels en de eventuele ondergane behandeling te beschrijven en na te gaan of deze letsels in oorzakelijk verband staan met het ongeval;

2. advies te geven nopens de aard, de duur en de evolutie van het genezingsproces en, in voorkomend geval, de duur van de hospitalisatie, alsmede over de ernst van de geleden pijnen;

3. advies te geven over de duur en de graden van de tijdelijke, volledige en gedeeltelijke invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid en de weerslag ervan op de beroepsactiviteit en/of op de andere levenssferen van het slachtoffer;

4. te bepalen of hulp van derden in deze periode nodig was/is in de huishouding of daarbuiten, rekening houdende met de bestaande en beschikbare hulpmiddelen;

5. advies te geven over het tijdstip waarop het slachtoffer redelijkerwijze, weze het gedeeltelijk, zijn professionele en andere activiteiten kon hernemen en aan te geven of deze herneming van de activiteiten al dan niet met het leveren van meerinspanningen gepaard ging;

6. de datum van de consolidatie vast te stellen;

7. de graad van blijvende invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid te bepalen, de weerslag ervan op de beroepsactiviteit en/of op de andere levenssferen van het slachtoffer, hierbij rekening houdende met het beroep van het slachtoffer;

8. te bepalen of hulp van derden nodig is in de huishouding of daarbuiten, rekening houdend met de bestaande en beschikbare hulpmiddelen;

9. vast te stellen of de opgelopen letsels na de consolidatie nog medicatie en/of medische of paramedische behandelingen noodzaken of louter op comfort gericht zijn; desgevallend de aard en de termijn ervan te bepalen en de omvang van de eraan verbonden kosten te ramen;

10. bij prothesen de noodzakelijke vernieuwingen te bepalen;

11. de gebeurlijke esthetische schade te beschrijven en zo mogelijk te bepalen volgens de gebruikelijke zevendelige schaal, bij voorkeur geïllustreerd door fotomateriaal;

12. de eventuele weerslag van de esthetische schade op de uitoefening van de beroepsactiviteit te beschrijven;

13. advies te verstrekken of de eventuele blijvende littekens door middel van plastische chirurgie voor verbetering vatbaar zijn en welke de kostprijs, de pijn en de risico's van een dergelijke operatie zijn, alsook de duur van de invaliditeit die uit deze ingreep zou voortvloeien;

14. alle dienstige vragen van partijen te beantwoorden;

15. partijen pogen te verzoenen;

dit alles met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 962 e.v. Ger.W., hetgeen onder meer inhoudt dat:

- alle verrichtingen tegensprekelijk dienen te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daaraan deel te nemen, tenzij de partijen hem hiervan uitdrukkelijk zouden vrijstellen, gelet op het uiterst technisch karakter van sommige verrichtingen;

- een voorverslag, omvattende alle elementen van de besluitvorming én een ontwerp van besluiten, zal dienen opgemaakt te worden, dat aan alle partijen in voorlezing dient verstuurd te worden, met redelijke termijn voor het formuleren van opmerkingen;

- het eindverslag elke tijdige opmerking van de partijen, geformuleerd na de toezending van het voorverslag, dient te beantwoorden.

Zegt verder dat dit arrest door de griffie binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden.

Zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren.

Zegt dat, bij gebreke van een installatievergadering:

- de deskundige na de kennisgeving overeenkomstig artikel 972 §1, tweede lid van het gerechtelijk wetboek of, in voorkomend geval, na kennisgeving van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987 Ger.W., over vijftien dagen beschikt teneinde de plaats, de dag en het uur van zijn werkzaamheden mee te delen en hiervan kennis zal geven bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden;

- de deskundige in de loop van zijn opdracht zelf zal bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers;

- de deskundige aan de partijen zelf een raming zal laten geworden van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of tenminste van de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden;

- het bedrag van het voorschot, dat door F.T.D. International nv en T............ F.................. elk voor de helft ter griffie van het hof of bij de kredietinstelling die partijen gezamenlijk zullen hebben gekozen, dient te worden geconsigneerd, wordt bepaald op 1.000,00 euro en dat de consignatie dient te gebeuren binnen de maand na de kennisgeving bedoeld in artikel 972, § 2 van het gerechtelijk wetboek;

- het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige wordt bepaald op 750,00 euro; het vrijgegeven deel wordt doorgestort naar de deskundige van zodra het voorschot in consignatie werd gegeven;

- de termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op 6 maanden vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 972bis, § 2, tweede lid Ger.W. ("Indien alle partijen of hun raadslieden om uitstel verzoeken, dan moet de deskundige dit toestaan. In alle andere gevallen kan hij het uitstel weigeren of toestaan en geeft hij de rechter bij gewone brief kennis van zijn beslissing.").

De deskundige wordt gewezen op de verplichting om op een gemotiveerde wijze verlenging te vragen van deze termijn mocht het eindverslag niet tijdig kunnen worden neergelegd (artikel 974, § 2 van het gerechtelijk wetboek).

Wijst kamervoorzitter Dirk Floren, of bij diens verhindering zijn plaatsvervanger, aan om het verder verloop van de onderzoek te volgen, overeenkomstig artikel 973 van het gerechtelijk wetboek, inzonderheid m.b.t. de naleving van de termijnen en het in acht nemen van de tegenspraak.

Stelt de zaak op de zitting van donderdag 20 september 2012 om 14.00 uur voor opvolging van het deskundigenonderzoek.

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

D. FLOREN, kamervoorzitter,

B. WYLLEMAN, raadsheer,

L. TAVERNIER, raadsheer,

en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op EEN MAART TWEEDUIZEND EN TWAALF,

bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier.

Mots libres

  • Aansprakelijkheid