- Arrêt du 22 mai 2012

22/05/2012 - 2011-AR-0409

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Voor het berekenen van een gerechtelijke termijn in geval van kennisgeving bij aangetekende en gewone brief, is de datum bepaald overeenkomstig artikel 53bis, 2° Ger.W. in die termijn inbegrepen. Die regeling houdt klaarblijkelijk geen schending in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

5be kamer

________

terechtzitting

van

22-05-2012

BELASTINGEN

Nr.2011/AR/409

in de zaak van:

BEVERNAGE INVEST N.V.,

met maatschappelijke zetel te 8640 VLETEREN, Woestendorp 45; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0439.040.509,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. CARTON Serge, advocaat te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus 1 (Stockhouderskasteel)

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te

1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. LEYNS Gerd loco mr. VAN ACKER Elie, advocaat te 9030 MARIAKERKE, Brugsesteenweg 591

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 8 februari 2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, op 23 november 2010 werd uitgesproken.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 24 april 2012, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.

Het hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante heeft blijkbaar voor het aanslagjaar 2007 nagelaten om tijdig een aangifte in de vennootschapsbelasting in te dienen.

De taxatiedienst ging voor dat aanslagjaar 2007 op 12 juni 2009 over tot vestigen van een aanslag in de vennootschapsbelasting op naam van de appellante onder kohierartikel 00892000478.

Het aanslagbiljet werd verzonden op 16 juni 2009.

Op 16 september 2009 heeft de geïntimeerde de appellante aangemaand om tot betaling van de aanslag over te gaan. Daarop heeft de appellante geantwoord door een aangifte in te dienen die volgens haar de juiste cijfers bevat om de aanslag te berekenen.

Op 4 januari 2010 diende de appellante vervolgens een bezwaarschrift in tegen de genoemde aanslag.

In zijn directeurbeslissing van 2 februari 2010 wees de geïntimeerde het bezwaar af als onontvankelijk wegens laattijdigheid. Tevens werd geoordeeld dat de voorwaarden om een ambtshalve ontheffing te verlenen niet vervuld waren.

Die directeurbeslissing werd per aangetekende brief van 2 februari 2010 (datum afgifte aan de diensten van De Post) ter kennis van de appellante gebracht.

Met een verzoekschrift van 5 mei 2010 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

In het vonnis van 23 november 2010 heeft de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge de vordering van de appellante onontvankelijk verklaard en de appellante veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten, vastgesteld op nul euro.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt aan het hof:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Het bestreden eindvonnis teniet te doen en opnieuw rechtdoende de vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren.

In hoofdorde

Bijgevolg het aanslagbiljet met kohierartikel 00892000478 te vernietigen.

De beslissing dd. 2 februari 2010 voor het aanslagjaar 2007 op grond van de hiervoor weergegeven argumenten teniet te doen.

Geïntimeerde zich te zien en te horen veroordelen tot het terugbetalen aan appellante van de belasting ten bedrage van 10.341,03 euro, meer de wettelijke intresten vanaf datum van betaling van de belasting tot op de datum van neerlegging van het verzoekschrift, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum van neerlegging van huidig verzoekschrift tot de datum van algehele terugbetaling.

Minstens de aanslag te ontheffen voor het gedeelte van de aanslag die niet in overeenstemming is met de door appellante ingediende aangifte.

Te zeggen voor recht dat de aanslag slechts geldig en uitvoerbaar mag verklaard worden indien deze in overeenstemming is met de door appellante oorspronkelijk ingediende aangifte.

Geïntimeerde te veroordelen tot het terugbetalen aan appellante van het gedeelte van de aanslag die niet in overeenstemming is met de door appellante ingediende aangifte, meer de wettelijke intresten vanaf datum betaling belasting tot op de datum van neerlegging van het verzoekschrift, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum van neerlegging van huidig verzoekschrift tot de datum van algehele terugbetaling.

In ondergeschikte orde

Appellante ambtshalve ontheffing te verlenen en aldus de aanslag te ontheffen voor het gedeelte van de aanslag die niet in overeenstemming is met de door appellante ingediende aangifte.

Te zeggen voor recht dat de aanslag slechts geldig en uitvoerbaar mag verklaard worden indien deze in overeenstemming is met de door appellante oorspronkelijk ingediende aangifte.

Geïntimeerde te veroordelen tot het terugbetalen aan appellante van het gedeelte van de aanslag die niet in overeenstemming is met de door appellante ingediende aangifte, meer de wettelijke intresten vanaf datum betaling belasting tot op de datum van neerlegging van het verzoekschrift, meer de gerechtelijke intresten vanaf datum van neerlegging van huidig verzoekschrift tot de datum van algehele terugbetaling.

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide instanties, op heden aan de zijde van appellante begroot op:

Kosten:

- Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 1.100 euro

- Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 1.100 euro

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde formuleert in zijn syntheseconclusie zijn vordering waarmee hij aan het hof vraagt:

• Het hoger beroep onontvankelijk te verklaren;

• Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 23/10/2010 te bevestigen;

• Appellante te veroordelen tot de kosten waaronder begrepen de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.210,00 euro.

Op de openbare terechtzitting van 24 april 2012 heeft de geïntimeerde evenwel, bij monde van zijn advocaat, afstand gedaan van de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep.

4. De betwistingen tussen de partijen

4.1. De ontvankelijkheid van de gerechtelijke vordering

De eerste rechter heeft geoordeeld dat de termijn van drie maanden waarover de appellante overeenkomstig artikel 1385undecies, 2de lid Ger.W. beschikte om haar gerechtelijke vordering in te stellen, beginnen lopen is op 5 februari 2010 om te eindigen op 4 mei 2010. De gerechtelijke vordering die pas op 5 mei 2010 werd ingesteld, werd daarom onontvankelijk verklaard.

De appellante voert aan dat de eerste rechter artikel 53bis, 2° Ger.W. geschonden heeft door de datum van 5 februari 2010 in de termijn van drie maanden te begrijpen. De stelling van de appellante is dat, wanneer artikel 53bis, 2° Ger.W. vastlegt dat de termijn moet berekend worden vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de aangetekende brief aan de postdiensten overhandigd werd, de termijn van drie maanden van artikel 1385undecies, 2de lid Ger.W. overeenkomstig 52, 1ste lid Ger.W. — vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan — pas de dag volgend op die derde werkdag moet worden gerekend.

De appellante kan nochtans niet gevolgd worden in haar stelling.

Artikel 53bis Ger.W. luidt als volgt:

Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend:

1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;

2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

Er bestaat geen betwisting over dat de geïntimeerde zijn directeurbeslissing van 2 februari 2010 met een aangetekende brief nog diezelfde dag afgegeven aan De Post heeft ter kennis gebracht aan de appellante. De geïntimeerde legt daarvan het bewijs voor.

De toepasselijke bepaling is dan ook artikel 53bis, 2° Ger.W.

De appellante beroept zich niet op het tegenbewijs van het wettelijk vermoeden dat de termijn moet berekend worden vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten werd overhandigd.

De betwisting slaat uitsluitend op de vraag of die ‘derde werkdag' al dan niet inbegrepen is in de termijn van drie maanden voorzien in artikel 1385undecies, 2de lid Ger.W.

Anders dan de appellante aanvoert, moet na toepassing van artikel 53bis, 2° Ger.W. niet nogmaals de regel van artikel 52 Ger.W. toegepast worden. Artikel 53bis Ger.W. voorziet in de twee behandelde gevallen wel degelijk wat de eerste dag is van de in aanmerking te nemen termijn. De wetgever heeft daarbij al rekening gehouden met het principe dat de termijn, wanneer hij geïnitieerd wordt door een akte of een gebeurtenis, niet op de dag zelf van die akte of gebeurtenis mag beginnen lopen (de achterliggende idee is dat die akte en gebeurtenis ergens ‘in de loop van de dag' plaatsvinden waardoor geen volledige dag meer beschikbaar is). Dat blijkt overduidelijk uit artikel 53bis, 1° Ger.W.: in het scenario dat daar wordt behandeld, namelijk dat waarin de werkelijke datum van het aanbieden van de brief aan de geadresseerde bewezen is, wordt de termijn gerekend vanaf de eerste dag volgend op de dag van het aanbieden van de brief, precies zoals bedoeld in artikel 52, 1ste lid, 2de zin Ger.W. Die dag is inbegrepen in de termijn; de termijn begint immers op die dag te lopen, niet (nog eens) op de dag die volgt op die dag.

Ook de ‘derde werkdag' bepaald in artikel 53bis, 2° Ger.W. is inbegrepen in de termijn: de termijn begint op die dag te lopen.

De appellante vraagt aan het hof om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

Schendt artikel 53bis, 2° Ger.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien dit artikel zo dient geïnterpreteerd te worden dat de termijn die begint te lopen vanaf een kennisgeving bij aangetekende brief of bij gewone brief, begint te lopen op de derde werkdag (= datum vermoedelijke aanbieding) zelf die volgt op de dag waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd en dus niet op de dag die volgt op voormelde derde werkdag, dit terwijl artikel 53bis, 1° Ger.W. de termijn laat lopen vanaf de eerste dag die volgt op de dag waarop de brief effectief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde?

Het is nochtans overduidelijk dat er geen onverantwoorde ongelijke behandeling is naar gelang artikel 53bis, 1° Ger.W. dan wel artikel 53bis, 2° Ger.W. toepasselijk is.

In het eerste geval is er een objectief vaststelbaar moment waarop de postbeambte de brief op het adres van de geadresseerde heeft aangeboden, terwijl dat in het tweede geval niet zo is. In het eerste geval ligt met andere woorden de ‘akte of gebeurtenis' die relevant is voor het ontvangen van de zending, vast in de tijd, terwijl dat in het tweede geval minder vast is. In beide gevallen heeft de wetgever slechts een vermoeden ingesteld; de datums bepaald in artikel 53bis Ger.W. zijn immers niet noodzakelijk onmiddellijk aansluitend op de effectieve ontvangst door de geadresseerde. Precies wegens het hoger vermelde verschil in een vaste datum waarop de zending op het adres van de geadresseerde wordt aangeboden, heeft de wetgever de aanvang van de termijn anders geregeld.

Cruciaal is evenwel dat de wetgever in de beide gevallen bepaald heeft op welke dag de termijn begint te lopen (zie hoger). In de voorgestelde prejudiciële vraag gaat de appellante er ten onrechte van uit dat de datum die overeenkomstig artikel 53bis, 2° Ger.W. wordt bepaald, de datum van ‘vermoedelijke aanbieding' zou zijn. De wetgever heeft een vermoeden ingesteld waarin hij de datum van ‘vermoedelijke aanbieding' in het midden laat (en kan laten), precies door meteen de datum voor het vertrek van de te berekenen termijn vast te stellen. Er zou kunnen aangenomen worden dat de wetgever de datum van aanbieding situeert op de dag voor de derde werkdag; zoals gezegd, bepaalt de wet daarover niets, maar is dat niet relevant omdat de wet in de beide gevallen bepaalt op welke dag de termijn begint te lopen.

In die omstandigheden is het klaar dat er geen schending is, zodat er geen reden is om de prejudiciële vraag te stellen (artikel 26, §2, 3de lid Bijz. W. Grondw.H.).

Vermits de aangetekende brief op 2 februari 2010, een dinsdag, aan De Post werd overhandigd, viel de derde werkdag volgend op die dag op vrijdag 5 februari 2010. Die vrijdag 5 februari 2010 is de eerste dag van de termijn van drie maanden.

Terecht heeft de eerste rechter, overeenkomstig artikel 54 Ger.W., vastgesteld dat de laatste dag van de termijn van drie maanden viel op dinsdag 4 mei 2010. Die dag was een weekdag en geen feestdag.

Het verzoekschrift dat pas op woensdag 5 mei 2010 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge werd neergelegd, werd buiten de termijn van drie maanden neergelegd.

De eerste rechter heeft de gerechtelijke vordering dan ook met reden onontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep is ongegrond.

4.2. De overige betwistingen

Vermits de gerechtelijke vordering onontvankelijk is, kan het hof geen uitspraak doen over de andere punten van betwisting.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits — volgens de geïntimeerde in zijn syntheseconclusie en de bevestiging door de partijen op de openbare terechtzitting van 24 april 2012 — de waarde van de vorderingen bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 1.210,00 euro toepasselijk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante: nihil

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.210,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op TWEEËNTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN TWAALF.

Aanwezig de Heren:

D.Vandeputte, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M.Vanderbeeken, griffier.

Mots libres

  • artikel 53bis,2° Ger.W.