- Arrêt du 11 janvier 2013

11/01/2013 - 2010PGA001836

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het koninklijk besluit van 22 februari 2001 omschrijft de bevoegdheden van de ambtenaren van het F.A.V.V..

De ambtenaren van het F.A.V.V. hebben een autonome en verregaande bevoegdheid om vaststellingen te doen binnen het domein van hun expertise. Hierbij heeft de wetgever hen zeer ruime bevoegdheden verleend om zelfs zonder voorafgaande machtiging van een (onderzoeks)rechter doorzoekingen uit te voeren op elke plaats waar aanwijzingen/bewijzen kunnen aangetroffen worden van inbreuken die betrekking hebben op de door hen te controleren materie. De wet voorziet hierop slechts één uitzondering namelijk indien deze doorzoeking betrekking zou hebben op plaatsen die "uitsluitend" als woning dienen. Alleen in dat geval is een voorafgaande machtiging nodig van de politierechter en kan de doorzoeking enkel geschieden tussen vijf uur 's ochtends en negen uur 's avonds.

Nu de aanwezigheid van de leden van het F.A.V.V. enkel strekte tot bijstand van de leden van de F.G.P. Mechelen in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek dienden zij niet voorafgaand te beschikken over een machtiging van de politierechter.

De bijstand door het F.A.V.V. was verantwoord gelet op de aard van het onderzoek dat betrekking had op fraude met vlees en meer bepaald met het opstellen van valse stukken door het manipuleren van het vermelde gewicht wat de traceerbaarheid van het vlees bemoeilijkt.


Arrêt - Texte intégral

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 11 januari 2012

te Antwerpen, 10e kamer

(...)

Ontvankelijkheid van de strafvordering:

Beklaagden hierin bijgetreden door de eerste rechter menen dat de strafvordering onontvankelijk is nu de bewijsgaring op onrechtmatige wijze zou verlopen zijn.

Beklaagden hernemen hun argumentatie in graad van beroep waarbij onder meer gesteld wordt dat de onderzoeksdaden van het F.A.V.V. niet gedekt waren door de saisine van de onderzoeksrechter en beroepen zich op een inbreuk op de onschendbaarheid van de woning zoals gewaarborgd door artikel 15 van de Grondwet en op een schending van de eerbiediging van het privé leven zoals gewaarborgd door artikel 8 van E.V.R.M. en artikel 17 van het B.U.P.O..

De bevoegdheid van het F.A.V.V. wordt omschreven in artikel 4 van de wet van 04 februari 2000. Het agentschap heeft tot doel de veiligheid van de voedselketen en de kwaliteit van het voedsel te controleren teneinde de gezondheid van de consumenten te beschermen. Met het oog hierop is het agentschap belast met het uitwerken, toepassen en controleren van maatregelen die betrekking hebben op de analyse en de beheersing van de risico's die de gezondheid van de consumenten kunnen schaden. In het belang van de volksgezondheid is het agentschap onder meer bevoegd voor:

- de controle, het onderzoek en de keuring van de voedselproducten en hun grondstoffen in alle stadia van de voedselketen, en dit in het belang van de volksgezondheid;

- de controle en de keuring van de productie, de verwerking, de bewaring, het vervoer, de handel, de in- en uitvoer, de productie-, verwerking-, verpakking-, verhandeling-, opslag- en verkoopplaatsen van de voedselproducten en hun grondstoffen alsmede alle andere plaatsen waar zich elk product of elke materie behorend tot de bevoegdheden van het Agentschap kunnen bevinden of waar zich zaken kunnen bevinden die toelaten inbreuken vast te stellen;

- de integratie van en uitwerking van traceer- en identificatiesystemen van de voedselproducten en hun grondstoffen in de voedselketen en de controle erop;

- het toezicht op de naleving van de wetgeving betreffende alle schakels van de voedselketen.

Het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende de organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen omschrijft in artikel 3 de bevoegdheden van de ambtenaren van het agentschap onder meer als volgt:

In de uitoefening van hun bevoegdheden kunnen de ambtenaren op elk moment elke plaats betreden en doorzoeken waar zich producten kunnen bevinden evenals elke plaats waar bewijzen van het bestaan van een inbreuk mogelijk kunnen worden aangetroffen.

Het bezoek aan lokalen die uitsluitend als woning dienen is slechts toegestaan tussen vijf uur 's ochtends en negen uur 's avonds en kan slechts gebeuren met verlof van de rechter van de politierechtbank.

Ze kunnen ter plaatse elk document, elke uitleg of inlichting doen verschaffen die ze nodig achten voor het uitoefenen van hun controleopdracht, en alle nuttige vaststellingen doen, eventueel met de medewerking van deskundigen, gekozen uit een door de Minister samengestelde lijst.

Indien stukken, documenten of informatiedragers worden meegenomen, wordt hiervan terstond een gedetailleerde inventaris opgemaakt waarvan een kopie aan de houder wordt afgeleverd.

Ze kunnen, bij de uitoefening van hun opdracht, de hulp van de politiemacht inroepen.

De ambtenaren van het F.A.V.V. hebben op grond van de hierboven aangehaalde rechtsgronden een autonome en verregaande bevoegdheid om vaststellingen te doen binnen het domein van hun expertise. Hierbij heeft de wetgever hen zeer ruime bevoegdheden verleend om zelfs zonder voorafgaande machtiging van een (onderzoeks)rechter doorzoekingen uit te voeren op elke plaats waar aanwijzingen/bewijzen kunnen aangetroffen worden van inbreuken die betrekking hebben op de door hen te controleren materie. De wet voorziet hierop slechts één uitzondering namelijk indien deze doorzoeking betrekking zou hebben op plaatsen die "uitsluitend" als woning dienen. Alleen in dat geval is een voorafgaande machtiging nodig van de politierechter en kan de doorzoeking enkel geschieden tussen vijf uur 's ochtends en negen uur 's avonds.

De onschendbaarheid van de woning zoals gewaarborgd door artikel 15 van de Grondwet en door artikel 8 van het E.V.R.M. en artikel 17 van het B.U.P.O. kan slechts onder bepaalde strikte voorwaarden worden opgeheven. In casu zijn er geen elementen die toelaten te twijfelen aan de legaliteit, de legitimiteit en de noodzakelijkheid van het door de onderzoeksrechter afgeleverde rechterlijk bevel tot huiszoeking in het kader van zijn dossier 2007/016. De validiteit van dit bevel tot huiszoeking wordt op zich ook niet in twijfel getrokken. De beschikking maakt uitdrukkelijk melding waar de doorzoeking diende te gebeuren, door wie de doorzoeking diende te gebeuren, op grond van welk misdrijf en omschreef ook duidelijk het voorwerp van de doorzoeking.

Uit de opgestelde processen verbaal blijkt dat de doorzoeking in zijn totaliteit gebeurde onder leiding van de Federale Gerechtelijke Politie zowel wat betreft het eigenlijke woongedeelte als wat betreft de "aanhorigheden". Het staat ook vast dat de ambtenaren van het F.A.V.V. bijstand verleenden bij de doorzoeking van de aanhorigheden die duidelijk gebruikt werden in het kader van de activiteiten van de B.V.B.A. G.

Beklaagden werpen op dat de huiszoeking de facto gebeurde onder leiding van het F.A.V.V. waardoor de leden van de F.G.P. Mechelen hun mandaat geheel of ten dele zouden gedelegeerd hebben aan de ambtenaren van het F.A.V.V. .

Deze stelling van beklaagden vindt geen steun in het dossier noch in het onderzoek ter terechtzitting. Beklaagden steunen hun oordeel onder meer op de inhoud van het aanvankelijk proces verbaal van de het F.A.V.V.. Dit proces verbaal vermeldt echter uitdrukkelijk dat de ambtenaren van het F.A.V.V. zich begeven naar de woning ..straat.. in het bijzijn van de leden van de F.G.P. Mechelen teneinde hen op verzoek van de onderzoeksrechter "bij te staan". Het verlenen van "bijstand" wijst op de ondergeschikte en niet leidende rol van deze ambtenaren. Er zijn geen

tekstuele argumenten noch feitelijke gronden om dit gegeven ernstig in twijfel te trekken.

Het gegeven dat de ambtenaar van het F.A.V.V. vervolgens de vaststellingen die gebeurden en die aanleiding hebben gegeven tot het opstellen van zijn proces verbaal uitvoerig toelicht laat evenmin toe te besluiten dat hierdoor de leiding over de doorzoeking uit handen werd gegeven door de F.G.P.. Het is niet meer dan logisch dat de ambtenaren hun vaststellingen toelichten in een omstandig proces verbaal. Hiervoor kan verwezen worden naar artikel 3 § 4 van het Koninklijk Besluit van 22 februari 2001. Deze vaststellingen hadden betrekking op nieuwe inbreuken, vreemd aan het gevoerde onderzoek, door de F.G.P. Mechelen en die aan het licht kwamen tijdens de door het F.A.V.V. verleende bijstand. Het is in die context dat het kantschrift van 22 april 2008 van de procureur des Konings te Mechelen aan zijn ambtsgenoot te Turnhout moet gelezen worden. De vermeldingen in het post factum opgestelde proces verbaal van 08 december 2009 van de F.G.P. Mechelen zoals aangehaald door de beklaagden doet hieraan op geen enkele wijze afbreuk.

Het proces verbaal van de F.G.P. Mechelen dat werd opgesteld naar aanleiding van de huiszoeking bevestigt eveneens dat de doorzoeking gebeurde onder haar leiding en met bijstand van de ambtenaren van het F.A.V.V.. De vermelding dat de leden van het F.A.V.V. overgingen tot het doorzoeken van de aanhorigheden laat niet toe te besluiten dat voor dit onderdeel van de doorzoeking de leiding uit handen gegeven werd door de F.G.P. Mechelen. Uit het proces verbaal blijkt immers dat door de vaststellers van de F.G.P. een volledig en gedetailleerd overzicht wordt gegeven van de doorzochte aanhorigheden en van de verrichtingen die gesteld werden door de ambtenaren van het F.A.V.V.. Hieruit volgt dat de leden van de F.G.P. de facto aanwezig waren bij deze doorzoeking minstens deze volledig mee opvolgden en zo te allen tijde de leiding van de huiszoeking behielden. Zelfs indien zij niet de hele tijd fysiek zouden aanwezig geweest zijn op dezelfde plaatsen dan de ambtenaren van het F.A.V.V. dan nog houdt dit gegeven op zich geen feitelijke of juridische delegatie in van hun bevoegdheden. Alles verliep dus zowel in rechte als in feite onder leiding en toezicht van de F.G.P. Mechelen.

In een navolgend proces verbaal van de F.G.P. Mechelen wordt ten overvloede bevestigd dat de doorzoeking, ook in de "aanhorigheden", steeds gebeurde onder leiding en toezicht van de F.G.P. Mechelen. Er worden geen overtuigende elementen aangevoerd die toelaten hieraan te twijfelen.

Van enige inhoudelijke tegenstrijdigheid tussen het aanvankelijk proces verbaal van het F.A.V.V. en de door de F.G.P. Mechelen opgestelde processen verbaal is bijgevolg gelet op het voorgaande geen sprake. Integendeel alle processen verbaal ondersteunen de stelling dat de huiszoeking plaatsvond onder leiding en toezicht van de leden van de F.G.P. Mechelen zoals voorzien in de beschikking tot huiszoeking. De rol van de leden van het F.A.V.V. beperkte zich tot het verlenen van bijstand.

De vermelding op de neerleggingsstaat gevoegd bij proces verbaal 2290/08/0067 van 04 april 2008 dat de inbeslagname gebeurde door een ambtenaar van het F.A.V.V. laat evenmin toe te besluiten dat de doorzoeking die plaatsvond gebeurde onder de leiding van deze ambtenaar. Deze neerlegging gebeurde logischerwijze door de ter zake bevoegde ambtenaar en niet door de F.G.P. Mechelen. Het gaat immers om vaststellingen van nieuwe feiten die behoren tot de bevoegdheid van het F.A.V.V.. Het opmaken van een inventaris en het neerleggen van de in beslaggenomen zaken is een wettelijke verplichting voor deze ambtenaren. Indien stukken, documenten of informatiedragers worden meegenomen, wordt hiervan terstond een gedetailleerde inventaris opgemaakt waarvan een kopie aan de houder wordt afgeleverd en dit conform artikel 3 § 3 van het koninklijk besluit van 22 februari 2001. Wat betreft de flacon oxytocine kan verwezen worden naar de inhoud van de brief d.d. 24 juni 2010 waarin vermeld wordt dat het flesje aangetroffen werd door de leden van de F.G.P. Mechelen en gelet op de aard ervan overhandigd werd aan de bevoegde ambtenaar van het F.A.V.V..

Nu de aanwezigheid van de leden van het F.A.V.V. strekte tot bijstand van de leden van de F.G.P. Mechelen in het kader van een lopend gerechtelijk onderzoek dienden zij niet voorafgaand te beschikken over een machtiging van de politierechter zoals voorzien in het Koninklijk Besluit van 22 februari 2001 houdende de organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen. Een dergelijke machtiging is volgens de bepalingen van dit Koninklijk Besluit enkel vereist om zich autonoom toegang te verschaffen in lokalen die uitsluitend als woning dienst doen. Van enig autonoom optreden was geen sprake.

De stelling van beklaagden dat de aanwezigheid van de ambtenaren van het F.A.V.V. enkel gericht was op het verrichten van autonome vaststellingen los van het gerechtelijk onderzoek houdt na studie van het dossier geen stand. Hun aanwezigheid was verantwoord en gewettigd in het kader van de te verlenen bijstand.

Bijkomend wordt geargumenteerd dat hoe dan ook de doorzoekingen de grenzen van het oorspronkelijke huiszoekingsmandaat, zoals gepreciseerd in het mandaat zelf, zouden overschreden hebben. Ook deze argumentatie kan geen doel treffen.

De bijstand door het F.A.V.V. was verantwoord gelet op de aard van het onderzoek 2007/016 dat betrekking had op fraude met vlees en meer bepaald met het opstellen van valse stukken door het manipuleren van het vermelde gewicht wat de traceerbaarheid van het vlees bemoeilijkt. De vermeldingen in het post factum opgestelde proces verbaal van 08 december 2009 van de F.G.P. Mechelen zoals aangehaald door de beklaagden doet hieraan op geen enkele wijze afbreuk. Bovendien wordt in dit proces verbaal de bijstand van de leden van het F.A.V.V. duidelijk gekoppeld aan de problematiek van het meergewicht waardoor de bijstand zonder twijfel gerelateerd is aan het gerechtelijk onderzoek dat op dat ogenblik gevoerd werd door de F.G.P. Mechelen.

Nu vaststaat dat de aanwezigheid van de ambtenaren van het F.A.V.V. gewettigd was zijn ook de toevallige vaststellingen van nieuwe feiten en de hiermee gepaard gaande inbeslagnames die gedaan werden tijdens deze regelmatige huiszoeking die echter met een ander doel was aangevangen geldig. Wanneer tijdens een huiszoeking andere misdrijven aan het licht komen dan deze waarop de huiszoeking betrekking had zijn deze vaststellingen geldig inzover deze misdrijven niet aan het licht kwamen door handelingen die het voorwerp van de huiszoeking of de grenzen van het huiszoekingsbevel te buiten gingen.

Zowel het doorzoeken van het eigenlijke woongedeelte als de aanhorigheden kaderden binnen de omschrijving van de afgeleverde beschikking tot huiszoeking en zijn in dit licht te verantwoorden. Wanneer gezocht wordt naar onder meer documenten in het kader van valsheid in geschriften is het volstrekt aanvaardbaar dat de volledige woning doorzocht wordt. Hoewel op eerste zicht het eerder onlogisch zou voorkomen dat relevante documenten zouden verborgen worden in een koelkast of een koelcel is dit op zich niet uit te sluiten. De doorzoeking van de koelkast en de koelcel kunnen dus niet beschouwd worden als een overschrijding van de grenzen van het bevel tot huiszoeking. De toevallige vaststellingen die de grondslag voor de huidige vervolgingen vormen werden bijgevolg gedaan tijdens deze volstrekt verantwoorde doorzoekingen onder meer van de koelkast die zich in de keuken bevond en de koelcel in de aanhorigheden. Gelet op deze vaststellingen waren ook de hierop volgende onderzoekshandelingen die gesteld werden door de ambtenaren van F.A.V.V. volstrekt legitiem en binnen de perken van hun duidelijk omschreven bevoegdheden.

Met betrekking tot het aantreffen van het flesje oxytocine in de koelkast van de keuken verduidelijkte de ambtenaar van het F.A.V.V. op 24 juni 2010 dat dit flesje werd aangetroffen door de leden van de F.G.P. Mechelen en vervolgens aan hen werd overgedragen. Er zijn geen redenen om aan deze gang van zake te twijfelen. Bovendien is het in het licht van het voorgaande niet relevant wie het flesje uiteindelijk aantrof. Dat het overhandigd werd aan de leden van het F.A.V.V. door de F.G.P. is eveneens logisch nu het flesje duidelijk geen verband hield met het door hen gevoerde onderzoek maar mogelijk wel een inbreuk opleverde behorende tot het specialisatiedomein van de aanwezige ambtenaren van het F.A.V.V..

Besluit : de vaststellingen die de grondslag vormen voor de huidige vervolging zijn niet tot stand gekomen door enige overschrijding of afwending van het op zich regelmatig aan de F.G.P. Mechelen afgeleverde bevel tot huiszoeking. Er zijn geen elementen die toelaten te besluiten dat de bevoegdheden van de F.G.P. onrechtmatig werden gedelegeerd noch zijn er aanwijzingen dat de vaststellingen het gevolg zouden zijn van een overschrijding van de draagwijdte van het afgeleverde huiszoekingsmandaat of dat de leden van het F.A.V.V. in het kader van de door hen verleende bijstand de grenzen van hun bevoegdheden zouden te buiten gegaan zijn zodat er geen redenen zijn om deze vaststellingen uit de debatten te weren, noch de strafvordering onontvankelijk te verklaren.

(...)

Mots libres

  • Strafrechtspleging

  • Bewijsverkrijging

  • Bijstand FAVV aan FGP

  • Onschendbaarheid woning

  • Leiding van het onderzoek

  • Aard gerechtelijk onderzoek.