- Arrêt du 18 mars 2013

18/03/2013 - 2011AR1206

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Artikel 809 B.W. bepaalt het volgende: "Schuldeisers die ten tijde van een eerste betaling niet bekend waren maar zich achteraf aanmelden, hebben verhaal op de betaalde legatarissen gedurende een termijn van drie jaar te rekenen van de dag dat de rekening is aangezuiverd en het overschot betaald. Zij hebben geen verhaal tegen de reeds betaalde schuldeisers, maar zijn gerechtigd van het nog niet verdeelde actief het uit te keren bedrag af te nemen dat bij de eerste verdelingen aan hun schuldvorderingen toekwam.

De beheerder, benoemd ingevolge de artikelen 803bis en 804, heeft dezelfde macht als die waarover de onder voorrecht aanvaardende erfgenaam zelf beschikte.

Hij heeft dezelfde verplichtingen als de erfgenaam; hij is ontslagen van borgstelling."

Het hof oordeelt dat uit dit artikel volgt dat de bijzondere legataris, die in het bezit wordt gesteld van zijn bijzonder legaat, door de reeds op datum van afgifte van het legaat bekende schuldeisers van de erflater, niet meer in betaling kan worden aangesproken. Het zijn enkel de op datum van afgifte van het legaat niet-bekende schuldeisers die zich kunnen beroepen op artikel 809 B.W.

Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 809 B.W. is niet voldaan.

De geïntimeerden waren bij de wettige erfgenamen bekende schuldeisers op datum van de afgifte van het legaat.

Dat de wettige erfgenamen afgifte deden van het legaat vóór de termijn bepaald in artikel 808 B.W., kan aan het voorgaande niets veranderen.

De voortijdige afgifte van het legaat heeft niet tot gevolg dat die nietig zou zijn

De voortijdige afgifte van het legaat heeft niet tot gevolg dat ze niet aan de eerste tot de derde geïntimeerde tegenwerpbaar zou zijn. Dit zou slechts het geval zijn indien aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1167 B.W. is voldaan, wat niet aangevoerd wordt.

Evenmin kunnen de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met de inkorting de eerste tot de derde geïntimeerde soelaas bieden. Overeenkomstig artikel 920 B.W. is er slechts sprake van inkorting van legaten indien deze het beschikbaar gedeelte overschrijden.

Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 882 in fine B.W. is niet is voldaan.


Arrêt - Texte intégral

2011/AR/1206

A. V. S., bediende, geboren te ... op ... en wonende in Nederland, te ..., doch keuze van woonst doende op het kantoor van zijn raadsman, mr. Jan Bouly, hierna vermeld;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. Jan Bouly, advocaat te 3920 Lommel, Lepel-straat 15;

tegen het vonnis van de 9e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 9 maart 2011, aldaar gekend onder nrs. A.R. 09/2249/A en 09/2852/A;

tegen:

1. A. C., bediende, geboren te ... op ... en wonende in Nederland, te ...;

2. W. J., huisvrouw, geboren te ... op ... en wonende in Nederland, te ...;

beiden vertegenwoordigd door mr. Frans Vereecken, advocaat te 3920 Lommel, Don Boscostraat 23;

3. NV CENTEA, met vennootschapszetel gevestigd te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 180 en ingeschreven in de kruispuntbank der on-dernemingen onder nr. 0404.477.528;

vertegenwoordigd door mr. David Caenepeel loco mr. Tom Arts,

advocaat te 3600 Genk, Stoffelsbergstraat 4;

4. P. C., notaris, wonende te ... en met standplaats gevestigd te ...;

vertegenwoordigd door mr. Sarah Klok loco mr. Guy Klok, advocaat te 3900 Overpelt, Burgemeester Van Lindtstraat 61;

geïntimeerden,

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de vorderingen van de partijen worden op juiste wijze uiteengezet in het bestreden vonnis. Het hof verwijst naar deze uiteenzetting en beschouwt ze als hernomen.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van 27 augustus 2009 dagvaarden A. C. en zijn echtgenote, W. J., de eerste en de tweede geïntimeerde, A. V. S., de appellant, en notaris P. C., de vierde geïntimeerde, voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

2.2. Bij exploot van 19 oktober 2009 dagvaardt de NV Centea, de derde geïntimeerde, A. V. S., de appellant, voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

2.3. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 9 maart 2011:

- verklaart de vordering van A. C. en W. J. toelaatbaar en gegrond als volgt:

- zegt voor recht ten overstaan van A. V. S. en notaris P. C. dat A. C., W. J. en de NV Centea moeten worden beschouwd als schuldeisers van de nalatenschap voor volgende bedragen:

- A. C. en W. J. voor het bedrag van 50.000,00 EUR meer verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 maart 2009 tot de datum van volledige betaling en meer de gerechtskosten;

- de NV Centea voor volgende bedragen:

a. het opeisbare overbruggingskrediet, per 15 juni 2009 begroot op 161.068,06 EUR;

b. nalatigheidsintresten aan de conventionele intrestvoet van 6,25% op de hoofdsom van 149.991,54 EUR;

c. gerechtelijke intresten aan de conventionele intrestvoet van 6,25% op de hoofsom van 149.991,54 EUR vanaf de datum van dagvaarding tot aan de algehele aanzuivering van de schuld;

d. gerechtskosten beslag;

e. de gerechtskosten;

- zegt tevens voor recht dat A. C., W. J. en de NV Centea voor deze be-dragen overeenkomstig artikel 809 B.W. op A. V. S. verhaal kunnen uitoefenen op de opbrengst van 156.000,00 EUR, afkomstig van het onroerend goed, voorwerp van het bijzonder legaat, zoals deze opbrengst zich onder derdenbeslag bevindt in de handen van notaris

P. C. en zegt dat deze opbrengst in de nalatenschap moet terugkeren om de schuldvorderingen van A. C., W. J. en de NV Centea te voldoen en dit voor zover de overige voorhanden zijnde activa van de nalatenschap daartoe niet zouden volstaan;

- wijst de vordering van A. C., W. J. en de NV Centea voor het meerde-re af;

- verklaart de tussenvordering van A. V. S. tegen notaris P. C. toelaat-baar maar ongegrond;

- veroordeelt A. V. S. tot de gedingkosten;

- verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

2.3. De appellant tekent tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 19 april 2011.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. De appellant vordert in zijn op 23 maart 2012 ter griffie neergelegde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen, hetzij te hervormen en opnieuw recht doende:

- de oorspronkelijke vordering van A. C., W. J. en de NV Centea toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- A. C., W. J. en de NV Centea te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen;

- ondergeschikt, notaris P. C. te veroordelen om hem te vrijwaren en tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1,00 EUR en de gedingkosten van beide aanleggen.

3.2. De eerste en de tweede geïntimeerde vorderen in hun op 14 mei 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellant te veroordelen tot de kosten van het geding;

- het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

3.3. De derde geïntimeerde vordert in haar op 28 juni 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

- het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande elk verhaal en zonder borg of kantonnement.

3.4. De vierde geïntimeerde vordert in zijn op 14 september 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep zo toelaatbaar, ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, betekend bij akte van 13 april 2011, en stelt vast dat door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij zijn op 19 april 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep.

4.2. De uitspraak ultra petita

4.2.1. De appellant werpt in de eerste plaats de nietigheid van het

bestreden vonnis op wegens schending van artikel 1138, 2° Ger. W. op grond waarvan de rechter geen uitspraak mag doen over niet-gevorderde zaken.

4.2.2. Het hof oordeelt dat door de terugkeer te bevelen van de opbrengst van het aan de appellant gelegateerde goed teneinde de vorderingen van de eerste tot de derde geïntimeerde te voldoen en dit voor zover de overige voorhanden zijnde activa van de nalatenschap daartoe niet zouden volstaan, de eerste rechter, met miskenning van artikel 1138, 2° Ger. W., uitspraak heeft gedaan over niet-gevorderde zaken. Het bestreden vonnis wordt vernietigd wat dit onderdeel betreft.

4.3. De grond van de betwisting

4.3.1. De eerste tot de derde geïntimeerde vorderen te zeggen voor recht dat zij voor hun schuldvorderingen op de nalatenschap van wijlen H. O., overeenkomstig artikel 809 B.W., op de appellant verhaal kunnen uitoefenen op de opbrengst van 156.000,00 EUR, afkomstig van het onroerend goed, voorwerp van het aan de appellant afgegeven bijzonder legaat, zoals deze zich onder derdenbeslag bevindt in de handen van de vierde geïntimeerde en te zeggen voor recht dat deze opbrengst in de nalatenschap moet terugkeren om hun respectieve schuldvorderingen te voldoen en dit voor zover de overige voorhanden zijnde activa van de nalatenschap daartoe niet zouden volstaan.

4.3.2. Ter terechtzitting heeft het hof ambtshalve de vraag gesteld of artikel 809 B.W. wel tot grondslag van deze vordering kan dienen.

De partijen hebben hierover ter terechtzitting van 28 januari 2013 mondeling standpunt ingenomen.

4.3.3. Artikel 809 B.W. bepaalt het volgende:

"Schuldeisers die ten tijde van een eerste betaling niet bekend waren maar zich achteraf aanmelden, hebben verhaal op de betaalde legatarissen gedurende een termijn van drie jaar te rekenen van de dag dat de rekening is aangezuiverd en het overschot betaald. Zij hebben geen verhaal tegen de reeds betaalde schuldeisers, maar zijn gerechtigd van het nog niet verdeelde actief het uit te keren bedrag af te nemen dat bij de eerste verdelingen aan hun schuldvorderingen toekwam.

De beheerder, benoemd ingevolge de artikelen 803bis en 804, heeft de-zelfde macht als die waarover de onder voorrecht aanvaardende erfgenaam zelf beschikte.

Hij heeft dezelfde verplichtingen als de erfgenaam; hij is ontslagen van borgstelling."

Het hof oordeelt dat uit dit artikel volgt dat de bijzondere legataris, die in het bezit wordt gesteld van zijn bijzonder legaat, door de reeds op datum van afgifte van het legaat bekende schuldeisers van de erflater, niet meer in betaling kan worden aangesproken. Het zijn enkel de op datum van afgifte van het legaat niet-bekende schuldeisers die zich kunnen beroepen op artikel 809 B.W.

De regel nemo liberalis nisi liberatus (vrij vertaald: niemand kan geldig geven, zolang hij betalen moet) kan bijgevolg door de bekende schuldeisers niet tegengeworpen worden aan de bijzondere legataris die de afgifte van het legaat bekwam (behoudens in geval van inkorting, waarover hierna meer.)

4.3.4. Het hof stelt vast dat:

- de wettige erfgenamen van wijlen H. O. de nalatenschap aanvaardden onder voorrecht van boedelbeschrijving op 17 februari 2009;

- de wettige erfgenamen op 27 maart 2009 vrijwillig afgifte deden van het bijzonder legaat aan de appellant;

- de NV Centea, A. C. en W. J., blijkens de aangifte van de nalatenschap van 23 maart 2009, vóór de afgifte van het legaat, als schuld-eisers van wijlen H. O. bekend waren bij de wettige erfgenamen.

Uit het voorgaande volgt dat de eerste tot de derde geïntimeerde geen verhaal kunnen uitoefenen op de appellant. Aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 809 B.W. is niet voldaan. De eerste tot de derde geïntimeerde waren bij de wettige erfgenamen bekende schuldeisers op datum van de afgifte van het legaat.

4.3.5. Dat de wettige erfgenamen afgifte deden van het legaat vóór de termijn bepaald in artikel 808 B.W., kan aan het voorgaande niets veranderen.

Anders dan de derde geïntimeerde aanvoert, heeft de voortijdige afgifte van het legaat niet tot gevolg dat die nietig zou zijn. Hiervoor is geen rechtsgrond voorhanden.

Evenmin heeft de voortijdige afgifte van het legaat tot gevolg dat ze niet aan de eerste tot de derde geïntimeerde tegenwerpbaar zou zijn. Dit zou slechts het geval zijn indien aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1167 B.W. is voldaan. De eerste tot de derde geïntimeerde voeren evenwel niet aan dat de afgifte van het legaat door de wettige erfgenamen gebeurde met bedrieglijke benadeling van hun rechten.

4.3.6. Evenmin kunnen de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in ver-band met de inkorting de eerste tot de derde geïntimeerde soelaas bie-den. Overeenkomstig artikel 920 B.W. is er slechts sprake van inkorting van legaten indien deze het beschikbaar gedeelte overschrijden. Wijlen H. O. had evenwel geen erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent. Van inkorting kan dan ook geen sprake zijn. De eerste tot de derde geïntimeerde beroepen zich dan ook vruchteloos op de artikelen 922, 926, 927, 1009 en 1024 B.W.

4.3.7. De eerste en de tweede geïntimeerde beroepen zich ook tevergeefs op artikel 882 in fine B.W. dat het volgende bepaalt:

"Schuldeisers van een deelgenoot kunnen, om te beletten dat de verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich ertegen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt; zij hebben het recht op eigen kosten in de verdeling tussen te komen; tegen een voltrokken verdeling echter kunnen zij niet opkomen, behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met miskenning van een door hen gedaan verzet".

Het hof kan niet anders dan vaststellen dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 882 in fine B.W. niet is voldaan. De eerste en de tweede geïntimeerde zijn schuldeisers van de nalatenschap van wijlen H. O. en niet van de appellant.

4.3.8. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van de eerste tot de derde geïntimeerde ongegrond is bij gebrek aan rechtsgrond.

4.4. De gedingkosten

4.4.1. Als de in het ongelijk gestelde partijen, worden de eerste en de tweede geïntimeerde enerzijds en de derde geïntimeerde anderzijds veroordeeld elk tot de helft van de gedingkosten van de appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. De gedingkosten worden vastgesteld zoals hierna bepaald.

4.4.2. In eerste aanleg strekte de vordering van de eerste en de tweede geïntimeerde tegen de vierde geïntimeerde enkel tot de gemeenverklaring van de uitspraak. Dienaangaande kan de vierde geïntimeerde niet als in het gelijk gestelde partij worden aanzien. Hij heeft geen recht op enige rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, ook niet ten laste van de appellant, die in hoofdorde geen vordering tegen hem instelde.

4.4.3. De appellant dient de gedingkosten in hoger beroep van de vierde geïntimeerde te betalen. Hij stelde tegen hem hoger beroep in, maar in hoofdorde geen vordering.

In zijn relatie tot de vierde geïntimeerde dient de appellant dan ook te worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. De rechts-plegingsvergoeding wordt in hoger beroep vereffend op het basistarief van 1.320,00 EUR.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond in de hierna bepaalde mate:

- vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de terugkeer beveelt van de opbrengst van het aan de appellant gelegateerde goed teneinde de vorderingen van de eerste tot de derde geïntimeerde te voldoen en dit voor zover de overige voorhanden zijnde activa van de nalatenschap daartoe niet zouden volstaan;

- hervormt voor het overige het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep van de appellant als volgt:

- verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de eerste tot de derde geïntimeerde tegen de appellant ongegrond;

- veroordeelt de eerste en de tweede geïntimeerde enerzijds en de derde geïntimeerde anderzijds elk tot de helft van de gedingkosten van de appellant in eerste aanleg en in hoger beroep en de appellant tot de gedingkosten in hoger beroep van de vierde geïntimeerde, vastgesteld als volgt:

aan de zijde van de appellant:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 5.000,00 EUR

- verzoekschrift hoger beroep: 186,00 EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 5.000,00 EUR

aan de zijde van de vierde geïntimeerde:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.320,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ACHTTIEN MAART TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Erfenissen

  • bijzondere legataris

  • art 809 BW

  • termijn vrijwillige aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving

  • art. 920 BW inkorting van legaat (neen)

  • art 882 BW