- Arrêt du 15 avril 2013

15/04/2013 - 2011AR1465

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Overeenkomstig artikel 94 van de Ziekenhuiswet, in de versie die van toepassing is in deze zaak, dekt het budget van het ziekenhuis op forfaitaire wijze alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis en omschrijft de Koning de in het eerste lid van voormeld artikel 94 bedoelde kosten. Dit gebeurde bij het KB van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen.

Artikel 95 van de Ziekenhuiswet somt op limitatieve wijze de kosten op die niet in het budget van het ziekenhuis zijn begrepen.

Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis die bij het KB van 25 april 2002 worden omschreven als gedekt door het budget van financiële middelen en die niet opgenomen zijn in artikel 95 van de Ziekenhuiswet, in de verpleegdagprijs zijn begrepen.

De discussie tussen de partijen spitst zich toe op de vraag of "cable assy cocr" en de "shell with multi holes porous 56mm" courante geneesmiddelen zijn, met dien verstande dat overeenkomstig artikel 1, B, g) van het KB van 6 juni 1960 als geneesmiddel wordt beschouwd.

Uit de facturen leidt het hof af dat de "cable assy cocr" en de "shell with multi holes porous 56mm" niet courant in het ziekenhuis ter beschikking zijn, maar individueel moeten besteld worden naarmate de noodzaak zich hiertoe voordoet.

Er moet worden aangenomen dat de bij de appellante ingebrachte niet-actieve implantaten geen courante geneesmiddelen zijn, maar geneesmiddelen die worden aangekocht in functie van de specifieke behoeften van de patiënt.

De behandelende geneesheer kon al de financiële gevolgen van de revisie van de heupprothese niet op voorhand kennen en bijgevolg evenmin bespreken met de appellante. In de gegeven omstandigheden is er geen sprake van enige tekortkoming aan de informatieverplichting en bijgevolg evenmin van enig recht op schadevergoeding in hoofde van de appellante.


Arrêt - Texte intégral

CASSATIE ARREST d.d. 29/09/2014 (C.13.0394.N)

2011/AR/1465

H. M., zonder beroep, geboren te ... en wonende te ...;

appellante,

vertegenwoordigd door mrs. Frederik Erdman & Frank Impens, advo-caten te 2000 Antwerpen, Amerikalei 25-27 bus 16;

tegen het vonnis van de 11e B kamer van de rechtbank van eerste aan-leg te Antwerpen van 4 februari 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 08/5086/A;

tegen:

VZW UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS ANTWERPEN, met zetel gevestigd te 2610 Wilrijk-Antwerpen, Wilrijkstraat 10, met administratieve zetel te 2610 Wilrijk-Antwerpen, Universiteitsplein 1 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0874.619.603;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Danni Kerremans loco mr. Geert Van

Grieken, advocaat te 2970 's Gravenwezel, Wijnegemsesteenweg 83-85;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de vordering van de geïntimeerde worden op juiste wijze uiteengezet in het bestreden vonnis. Het hof verwijst naar deze uiteenzetting en beschouwt ze als hernomen.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van 14 juli 2008 dagvaardt de geïntimeerde de appellante voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

2.2. Het bestreden vonnis van 4 februari 2011:

- verklaart de vordering van de geïntimeerde toelaatbaar en gegrond als volgt:

- veroordeelt de appellante om 2.294,55 EUR te betalen aan de geïntimeerde, vermeerderd met de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet, op de som van 2.255,51 EUR vanaf 14 juli 2008 tot de dag van de volledige betaling;

- veroordeelt de appellante tot de gedingkosten.

2.3. De appellante tekent tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 12 mei 2011.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. De appellante vordert in haar op 26 april 2012 ter griffie neergelegde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht doende:

- de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ongegrond te verklaren;

- de geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen.

3.2. De geïntimeerde vordert in haar op 6 februari 2013 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellante te veroordelen tot de gedingkosten in hoger beroep.

4. Beoordeling

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij haar op 12 mei 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep.

4.2. De grond van de betwisting

4.2.1. Het geschil tussen de partijen betreft in de eerste plaats de vraag of de "cable assy cocr" (een omwindkabel) en de "shell with multi holes porous 56mm" (een onderdeel van het buitengedeelte van de prothese) die bij de appellante werden ingebracht al dan niet gedekt zijn door het budget van financiële middelen overeenkomstig de ten tijde van de ingreep van toepassing zijnde wetgeving, met name artikel 94 en 95 van de Wet op de Ziekenhuizen en het KB van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen.

De appellante meent van wel, de geïntimeerde bestrijdt dit standpunt.

4.2.2. Overeenkomstig artikel 94 van de Ziekenhuiswet, in de versie die van toepassing is in deze zaak, dekt het budget van het ziekenhuis op forfaitaire wijze alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis en omschrijft de Koning de in het eerste lid van voormeld artikel 94 bedoelde kosten. Dit gebeurde bij het KB van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen.

Artikel 95 van de Ziekenhuiswet somt op limitatieve wijze de kosten op die niet in het budget van het ziekenhuis zijn begrepen.

Uit de samenhang van die bepalingen volgt dat alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis die bij het KB van 25 april 2002 worden omschreven als gedekt door het budget van financiële middelen en die niet opgenomen zijn in artikel 95 van de Ziekenhuiswet, in de verpleegdagprijs zijn begrepen.

4.2.3. Het hof stelt vast dat niet betwist is dat de "cable assy cocr" en de "shell with multi holes porous 56mm" niet-actieve implantaten zijn in de zin van artikel 13,2° van het KB van 25 april 2002, die door de verwijzing naar punt B van artikel 1,1° van het KB van 6 juni 1960, beschouwd worden als geneesmiddelen en dat ze, in de mate dat ze te beschouwen zijn als courante geneesmiddelen, gedekt zijn door het budget van financiële middelen.

De discussie tussen de partijen spitst zich bijgevolg toe op de vraag of "cable assy cocr" en de "shell with multi holes porous 56mm" courante geneesmiddelen zijn, met dien verstande dat overeenkomstig artikel 1, B, g) van het KB van 6 juni 1960 als geneesmiddel wordt beschouwd:

"het materieel voor vervanging of inwendige prothese, d.w.z. elk product of toestel, van welke aard ook, met uitzondering van de bestanddelen van menselijke oorsprong, bestemd om door een heelkundige bewerking gedurende geruime tijd of definitief in het organisme binnengebracht te worden (maar met uitzondering van de actieve implanteerbare hulpmiddelen.)".

De appellante meent van wel, de geïntimeerde van niet.

4.2.4. Bij gebrek aan definitie in de wet dient courant te worden uitgelegd volgens het gewoon taalgebruik. Het Van Dale Middelgroot Woordenboek Nederlands omschrijft courant als "gangbaar, in omloop".

In de conclusies van de geïntimeerde leest het hof het volgende:

"De noodzaak aan bovenvermelde materialen werd duidelijk tijdens de operatie van appellante waarna de chirurg in dienst van concluante ze per stuk aankocht."

De geïntimeerde overlegt de facturen aangaande de aankoop van de

betrokken niet-actieve implantaten. Blijkens de inhoud van de facturen werden ze door de verkoper geleverd in de operatiekamer.

Uit deze facturen leidt het hof af dat de "cable assy cocr" en de "shell with multi holes porous 56mm" niet courant in het ziekenhuis ter beschikking zijn, maar individueel moeten besteld worden naarmate de noodzaak zich hiertoe voordoet.

Er moet dan ook worden aangenomen dat de bij de appellante ingebrachte niet-actieve implantaten geen courante geneesmiddelen zijn, maar geneesmiddelen die worden aangekocht in functie van de specifieke behoeften van de patiënt.

Net zoals de eerste rechter komt het hof bijgevolg tot het besluit dat de door het ziekenhuis aangerekende niet-actieve implantaten niet gedekt zijn door het budget van financiële middelen.

4.2.5. In de tweede plaats voert de appellante aan dat er sprake is van een tekortkoming aan de informatieverplichting in hoofde van de geïntimeerde. De door haar aangestelde verzorgende geneesheer zou haar niet hebben ingelicht over de financiële gevolgen van de ingreep. Daardoor zou zij bevrijd zijn van haar verbintenis de kostprijs van voormelde niet-actieve implantaten te betalen.

4.2.6. De eventuele tekortkoming van de geïntimeerde aan haar informatieverplichting, ontneemt haar niet het recht op de betaling van haar verpleegnota. Wel zou de geïntimeerde, indien de tekortkoming bewezen wordt geacht, gehouden zijn tot vergoeding van de schade die de appellante daardoor zou hebben geleden.

4.2.7. Behalve in geval van hoogdringendheid, onmogelijkheid te informeren of weigering om geïnformeerd te worden, verstrekt een zorgvuldige arts de patiënt op voorafgaande en duidelijke wijze de inlichtingen vereist om met kennis van zaken te kunnen instemmen met de voorziene medische tussenkomst.

Deze inlichtingen hebben niet alleen betrekking op het doel, de aard, de graad van urgentie, de duur, de frequentie, de voor de patiënt relevante tegenaanwijzingen, nevenwerkingen en risico's verbonden aan de tussen-komst, de nazorg en de mogelijke alternatieven, maar ook op de finan-ciële gevolgen.

4.2.8. In deze zaak oordeelt het hof dat het de behandelende geneesheer niet kan ten kwade geduid worden dat hij de appellante niet heeft ingelicht over al de financiële gevolgen van de ingreep. Deze waren hem immers op voorhand niet bekend. De specifieke uit te voeren behandelwijze van de heupprothese van de appellante was afhankelijk van de vaststellingen van de behandelende geneesheer in de operatiekamer. Het is pas tijdens de operatie dat kwam vast te staan welke de specifieke problemen waren aan de heupprothese van de appellante en op welke wijze en met welke materialen daaraan kon verholpen worden. De behandelende geneesheer kon bijgevolg al de financiële gevolgen van de revisie van de heupprothese niet op voorhand kennen en bijgevolg evenmin bespreken met de appellante.

In de gegeven omstandigheden is er geen sprake van enige tekortkoming aan de informatieverplichting en bijgevolg evenmin van enig recht op schadevergoeding in hoofde van de appellante.

4.2.9. Het hof besluit dat de vordering van de geïntimeerde gegrond blijft.

4.2. De gedingkosten

Als de in het ongelijk gestelde partij, dient de appellante de gedingkosten van het hoger beroep te dragen.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellante tot de gedingkosten in hoger beroep, aan de zijde van de geïntimeerde vastgesteld als volgt:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 440,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van VIJFTIEN APRIL TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Artikel 94 en 95 ziekenhuiswet

  • KB 6 juni 1960

  • heupprothese

  • niet actieve implantaten

  • niet courante geneesmiddelen