- Arrêt du 6 mai 2013

06/05/2013 - 2012AR1353

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het akkoord van de geïntimeerde met de datum van eigendomsoverdracht vooropgesteld in de ontwerpakte van notaris V. blijkt uit de uitvoering door de geïntimeerde van dat akkoord, welke uitvoering een buitengerechtelijke bekentenis impliceert. Een buitengerechtelijke bekentenis is onherroepelijk (vgl. artikel 1356 B.W.).

Het bewijs ligt voor van wilsovereenstemming tussen de partijen omtrent alle essentiële bestanddelen van de verkoopovereenkomst waaronder de eigendomsoverdracht. Die overeenkomst strekt de partijen tot wet (artikel 1134, eerste lid B.W.).

Door de eigendomsoverdracht aan de geïntimeerde van de verkochte gronden zijn van dan af aan de appellante geen concessievergoedingen meer verschuldigd en is de concessieovereenkomst beëindigd.

Ten aanzien van de verkoper verkrijgt de koper van rechtswege de eigendom, hoewel de zaak nog niet is geleverd en de prijs nog niet is betaald. Enig afwijkend beding in verband met de overgang van het genot wordt door de appellante niet bewezen.

Bij artikel 1153 B.W. wordt voorgeschreven dat moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet (zijnde de enige schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de uitvoering van verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom) slechts verschuldigd is te rekenen vanaf de datum van de ingebrekestelling.De appellante bewijst geen ingebrekestelling.


Arrêt - Texte intégral

2012/AR/1353

NV DE SCHEEPVAART, met vennootschapszetel gevestigd te 3500 Hasselt, Havenstraat 44 en ingeschreven in de kruispuntbank der onder-nemingen onder nr. 0216.173.309;

appellante,

vertegenwoordigd door mr. Willem Slosse, advocaat te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 59;

tegen de vonnissen van de 5e kamer van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 15 maart en 28 juni 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. A/10/01044;

tegen:

NV WAFELBAKKERIJ MOESEN, met vennootschapszetel gevestigd te 3630 Maasmechelen, Scheepstraat 12 en ingeschreven in de kruispunt-bank der ondernemingen onder nr. 0401.332.649;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Kristof Vanhove in eigen naam en tevens loco mr. Luc Linders, beiden advocaat te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- op 10 november 2000 sluit de appellante met de geïntimeerde een concessieovereenkomst met betrekking tot het gebruik van een aantal gronden van het Vlaamse Gewest, gelegen te Bilzen, aan het Albertkanaal; de overeenkomst wordt gesloten voor een duur van vijftig

opeenvolgende jaren met ingang van 1 november 2000; de geïntimeerde is gehouden om jaarlijks en vooraf een retributie te betalen ten bedrage van 7.780,14 EUR, exclusief btw, geïndexeerd en herzienbaar;

- in de loop van 2007 beslist de appellante tot een herziening van de tarieven voor de grondverhuur met ingang van 1 november 2008, respectievelijk 1 november 2009; tegelijk starten onderhandelingen met betrekking tot de aankoop van de in concessie gegeven gronden door de geïntimeerde; op 25 juni 2008 bekomt de appellante goedkeuring van de bevoegde Vlaamse minister om de gronden te verko-pen tegen de prijs van 20,00 EUR/m²; bij brief van 22 september 2008 gelast de appellante notaris V. te M. met de redactie van een ontwerpakte; bij brief van 17 december 2008 bevestigt de geïntimeerde haar akkoord ten aanzien van notaris V. met de aankoop van de gronden aan 20,00 EUR/m²; de notariële verkoopakte wordt evenwel niet verleden op de daartoe voorziene datum (4 februari 2009);

- op 12 november 2008 heeft de appellante inmiddels aan de geïnti-meerde een factuur gestuurd ten bedrage van 16.053,87 EUR voor de verhoogde retributie over de periode van 1 november 2008 tot 31 oktober 2009; in een begeleidende brief bij deze factuur staat te lezen: "Indien de afhandeling van deze verkoop binnen deze facturatieperiode valt, zullen de betaalde bedragen voor de resterende periode (na datum aankoopakte) worden gecrediteerd en aan u teruggestort"; de factuur wordt op 30 januari 2009 door de geïntimeerde gedeeltelijk voldaan voor een bedrag van 4.179,40 EUR (zijnde het bedrag daarvan dat overeenstemt met de concessievergoedingen verschuldigd voor de periode 1 november 2008 - 4 februari 2009); bij brief van 4 februari 2009 verzoekt de appellante om ook het openstaand saldo ten bedrage van 11.874,47 EUR te vereffenen, aangezien de notariële verkoopakte op die datum niet werd verleden; een aanmaning volgt bij brief van 1 april 2009 tussen de raadslieden;

- op 17 november 2009 stuurt de appellante aan de geïntimeerde een factuur ten bedrage van 23.846,26 EUR voor de verhoogde retributie over de periode van 1 november 2009 tot 31 oktober 2010;

- een aanmaning voor beide facturen volgt bij brief van 11 februari 2010 tussen de raadslieden; daarin worden aan de geïntimeerde te-vens inbreuken op de concessievoorwaarden verweten (verplaatsing van de maatschappelijke zetel naar Maasmechelen en het niet meer gebruiken van het in concessie genomen onroerend goed);

- bij brief van 12 maart 2010 tussen de raadslieden worden de aanspraken van de appellante geprotesteerd (omdat de geïntimeerde van oordeel is reeds tot aankoop van de percelen te zijn overgegaan).

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden tussenvonnis op 15 maart 2011 op tegenspraak verleend door de rechtbank van koophandel te Tongeren:

- worden de vorderingen toelaatbaar verklaard;

- wordt, alvorens daarover ten gronde te oordelen, bevolen:

i. aan beide partijen: de overlegging van de ontwerpakte die door notaris V. zou verleden worden op 4 februari 2009;

ii. aan de geïntimeerde: kenbaar te maken of zij alle voorwaarden in die ontwerpakte aanvaardt;

- wordt de heropening van de debatten bevolen en de zaak daartoe naar een latere terechtzitting verzonden;

- en wordt de uitspraak over alle overige vorderingen en middelen aangehouden.

2.2. Bij het bestreden eindvonnis op 28 juni 2011 op tegenspraak verleend door dezelfde rechtbank:

- wordt de vordering van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond verklaard;

- wordt de tegenvordering van de geïntimeerde ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard:

- wordt de appellante veroordeeld tot terugbetaling aan de geïntimeerde van het bedrag van 4.179,40 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 15 september 2010 tot de datum van de algehele betaling;

- wordt voor recht gezegd dat de appellante haar medewerking dient te verlenen aan het verlijden van de notariële aankoopakte conform de ontwerpakte van notaris V., inzake artikel 9 daarvan gewijzigd zoals aldaar nader bepaald;

- wordt voor recht gezegd dat, bij gebrek aan vrijwillige medewerking van de appellante binnen de termijn van één maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, dit vonnis zal gelden als eigendomstitel met het oog op de overschrijving ervan door de meest gerede partij op het bevoegde hypotheekkantoor;

- en wordt de appellante veroordeeld tot de gedingkosten.

2.3. Bij haar op 2 mei 2012 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" tekent de appellante hoger beroep aan tegen de hierboven bedoelde vonnissen van 15 maart en 28 juni 2011.

2.4. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 4 maart 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van haar op 26 februari 2013 ter griffie neergelegde "syntheseberoepsconclusies" vraagt de appellante:

- haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het vonnis van 28 juni 2011 te hervormen;

- opnieuw te oordelen;

- haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg:

i. de geïntimeerde te veroordelen tot betaling van het bedrag van 36.641,15 EUR, vermeerderd met de verwijlintrest aan 8% per maand voor de betrokken bedragen tot de datum van de dagvaarding en met de gerechtelijke intrest vanaf de dagvaarding tot de datum van de algehele betaling;

ii. de concessieovereenkomst van 10 november 2000 te ontbinden ten laste van de geïntimeerde;

- de tegenvordering van de geïntimeerde ongegrond te verklaren; in ondergeschikte orde, de geïntimeerde te veroordelen tot betaling van verwijlintrest op de verkoopprijs van 118.320,00 EUR vanaf 4 februari 2009 tot de datum van algehele betaling;

- in ieder geval, de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

3.2. Bij haar op 1 maart 2013 ter griffie neergelegde "syntheseberoepsconclusie" vraagt de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante nietig, niet toelaatbaar en niet ontvankelijk te verklaren, minstens wat betreft het hoger beroep

tegen het tussenvonnis van 15 maart 2011;

- dat hoger beroep in elk geval ongegrond te verklaren;

- dienvolgens de bestreden vonnissen te bevestigen;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden vonnissen van 15 maart en 28 juni 2011, waarvan de akte van betekening van 2 april 2012 (in verband met het eindvonnis) wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen die vonnissen tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend. Dat laatste geldt in het bijzonder ook wat het tussenvonnis van 15 maart 2011 betreft, gelet op de motivering daarvan.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. Aangaande het al dan niet tot stand gekomen zijn van een verkoopovereenkomst

4.2.1.1. De betwisting tussen de partijen betreft in eerste orde de vraag of met betrekking tot de gronden waarvan sprake tussen de partijen al dan niet een verkoopovereenkomst is tot stand gekomen. De appellante meent van niet, terwijl de geïntimeerde het tegendeel staande houdt.

4.2.1.2. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat beide partijen erover ak-koord gaan dat de notariële verkoopakte in principe moe(s)t worden ver-leden overeenkomstig de ontwerpakte opgesteld door notaris V. Onenigheid bestaat alleen omtrent de clausule betreffende de eigendomsoverdracht gesteld als volgt:

"...

9) Eigendom - gebruik.

De koper is eigenaar van het goed vanaf vandaag.

...".

Meer bepaald kan de appellante zich vinden in die clausule, terwijl de geïntimeerde thans laat gelden dat, bij gebrek aan andersluidend beding, de eigendomsoverdracht heeft plaatsgehad op het ogenblik van de totstandkoming van de verkoopovereenkomst tussen de partijen, d.i. op 11 maart 2008 (datum waarop het vroegere aanbod van de appellante door de geïntimeerde schriftelijk werd aanvaard), hetgeen de enige en uitsluitende reden zou zijn waarom de geïntimeerde geweigerd heeft haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële verkoopakte.

4.2.1.3. Het hof stelt vast dat niet wordt aangetoond dat de geïntimeerde die betwisting zou hebben gevoerd vooraleer het onderhavige geding werd ingeleid. Het tegendeel is het geval. Op 30 januari 2009 heeft de geïntimeerde de factuur van 12 november 2008 van de appellante gedeeltelijk voldaan voor een bedrag van 4.179,40 EUR, zijnde een bedrag dat overeenstemt met de concessievergoedingen verschuldigd voor de periode 1 november 2008 - 4 februari 2009. Daaruit blijkt dat de geïntimeerde ermede akkoord was dat het eigendomsrecht op de betrokken gronden pas overging op 4 februari 2009. Mocht het anders zijn in die zin dat dit eigendomsrecht reeds op 11 maart 2008 aan haar zou overgedragen zijn, dan bestond er voor de geïntimeerde immers geen enkele aanleiding meer toe op 30 januari 2009 nog over te gaan tot betaling van concessiegelden die tot 4 februari 2009 verschuldigd waren. Met andere woorden: het akkoord van de geïntimeerde met de datum van eigendomsoverdracht vooropgesteld in de ontwerpakte van notaris V. blijkt uit de uitvoering door de geïntimeerde van dat akkoord, welke uitvoering een buitengerechtelijke bekentenis impliceert. Een buitengerechtelijke bekentenis is onherroepelijk (vgl. artikel 1356 B.W.). De geïntimeerde kan daarop thans niet meer terugkomen door de datum van eigendomsoverdracht van de betrokken gronden alsnog te betwisten.

4.2.1.4. Gelet op het bewijs van het aanvankelijk akkoord van de geïnti-meerde, ook met de hierboven geciteerde clausule, staat vast dat indertijd tussen de partijen effectief een verkoopovereenkomst is tot stand gekomen waarvan de inhoud is neergelegd in de ontwerpakte van notaris V. Dat ook over de bijzondere voorwaarden betwisting zou hebben bestaan, wordt door de geïntimeerde zelf formeel ontkend en door de appellante niet bewezen. De geïntimeerde had aan notaris V. vóór 4 februari 2009 trouwens reeds de verkoopprijs en de aktekosten overgemaakt. Het feit dat de notariële akte op 4 februari 2009 uiteindelijk niet werd verleden, verandert niets aan wat voorafgaat. Het bewijs ligt voor van wilsovereenstemming tussen de partijen omtrent alle essentiële bestanddelen van de verkoopovereenkomst waaronder de eigendomsoverdracht op 4 februari 2009. Die overeenkomst strekt de partijen tot wet (artikel 1134, eerste lid B.W.).

4.2.2. De gevolgen van het bestaan van een verkoopovereenkomst met de hierboven bedoelde inhoud op de gegrondheid van de onderscheiden vorderingen

4.2.2.1. Uit wat voorafgaat volgt in eerste orde dat de oorspronkelijke vordering van de appellante ertoe strekkende de geïntimeerde te doen veroordelen tot betaling van concessievergoedingen (36.641,15 EUR in hoofdsom) verschuldigd voor de periode na 4 februari 2009, ongegrond is. Om dezelfde reden is de oorspronkelijke vordering van de appellante ertoe strekkende de concessieovereenkomst van 10 november 2000 te doen ontbinden ten laste van de geïntimeerde, zonder voorwerp.

Door de eigendomsoverdracht aan de geïntimeerde van de verkochte gronden op 4 februari 2009 zijn van dan af aan de appellante geen con-cessievergoedingen meer verschuldigd en is de concessieovereenkomst beëindigd.

Dat ook de appellante dat steeds zo begrepen heeft, blijkt uit haar brief van 12 november 2008 gericht aan de geïntimeerde waarin staat te lezen:

"...

Momenteel is een dossier lopende om deze gronden aan u te verkopen. Indien de afhandeling van deze verkoop binnen deze facturatieperiode valt, zullen de betaalde bedragen voor de resterende periode (na datum aankoopakte) worden gecrediteerd en u teruggestort.

...".

De appellante heeft trouwens de gedeeltelijke betaling van 4.179,40 EUR zonder voorbehoud aanvaard. Bovendien wordt in de ontwerpakte van notaris V. (dit conform instructies hem daartoe door de appellante zelf gegeven bij telefaxbericht van 22 september 2008) uitdrukkelijk bedongen:

"...

3) gezien door onderhavige akte zowel de grond als de gebouwen in handen komen van de koper, neemt voormelde concessieovereenkomst de dato tien november tweeduizend van rechtswege een einde".

De bepaling van artikel 1583 B.W. kan daaraan niets veranderen. Ten aanzien van de verkoper verkrijgt de koper van rechtswege de eigendom, hoewel de zaak nog niet is geleverd en de prijs nog niet is betaald. Enig afwijkend beding in verband met de overgang van het genot wordt door de appellante niet bewezen.

4.2.2.2. In tweede instantie volgt uit wat hierboven reeds uiteengezet werd dat de oorspronkelijke tegenvordering van de geïntimeerde die tot voorwerp heeft de terugbetaling aan de geïntimeerde van het bedrag van 4.179,40 EUR, meer intrest, ongegrond is. De geïntimeerde heeft immers het verschuldigd zijn van concessievergoedingen tot 4 februari 2009 aan-vaard.

4.2.2.3. Eveneens ongegrond is verder de tegenvordering van de geïntimeerde ertoe strekkende de appellante te doen veroordelen om haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële verkoopakte conform de ontwerpakte van notaris V., zoals door de geïntimeerde gewijzigd inzake artikel 9. Omtrent die wijziging is er immers geen wilsovereenstemming tussen de partijen.

4.2.2.4. Blijft tenslotte de ondergeschikte vordering van de appellante ertoe strekkende de geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens gebrek aan medewerking aan het verlijden van de notariële akte, schadevergoeding bestaande in de verwijlintrest op de verkoopprijs van 118.320,00 EUR te rekenen vanaf 4 februari 2009 tot op het ogenblik van de algehele betaling (wegens laattijdige ontvangst van de verkoopprijs).

Het staat vast dat de geïntimeerde een contractuele wanprestatie heeft begaan door te weigeren haar medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële verkoopakte conform de ontwerpakte van notaris V. en door na te laten de verkoopprijs te betalen.

De ontwerpakte van notaris V. bevat geen schadebeding. Er dient ter za-ke bijgevolg toepassing te worden gemaakt van het gemeen recht (artikelen 1146 e.v. B.W.). Bij artikel 1153 B.W. wordt voorgeschreven dat moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet (zijnde de enige schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de uitvoering van verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom) slechts verschuldigd is te rekenen vanaf de datum van de ingebrekestelling.

De appellante bewijst geen ingebrekestelling (tot betaling van de verkoopprijs) voorafgaand aan het instellen bij haar op 11 september 2012 ter griffie neergelegde "beroepsconclusies", van de vordering in rechte strekkende tot toekenning van moratoire intrest op de verkoopprijs.

Bijgevolg wordt de geïntimeerde veroordeeld tot betaling van (gerechtelijke) moratoire intrest aan de wettelijke rentevoet op 118.320,00 EUR

te rekenen vanaf 11 september 2012 tot de datum van de effectieve betaling.

4.2.3. Aangaande de kosten van de beide aanleggen

4.2.3.1. Beide partijen werden omtrent enig geschilpunt in het ongelijk gesteld. De kosten van de beide aanleggen worden bijgevolg omgeslagen over de partijen en wel als volgt: drie vijfden ten laste van de geïntimeerde en twee vijfden ten laste van de appellante.

4.2.3.2. Conform de opgave door de partijen wordt de rechtsplegingsvergoeding in elk van beide aanleggen vereffend op 3.000,00 EUR.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk en gegrond als volgt:

- hervormt de bestreden vonnissen;

- oordeelt opnieuw;

- verklaart de vorderingen van de appellante ontvankelijk en gegrond als volgt:

- verklaart de tegenvorderingen van de geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond;

- veroordeelt de geïntimeerde tot betaling aan de appellante van

de gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke rentevoet op 118.320,00 EUR vanaf 11 september 2012 tot de datum van de algehele betaling;

- veroordeelt de appellante tot twee vijfden en de geïntimeerde tot drie vijfden van de kosten van de beide aanleggen en vereffent die kosten als volgt:

o aan de zijde van de appellante:

 de dagvaarding en het rolrecht: 249,60 EUR

 de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg: 3.000,00 EUR

 het rolrecht hoger beroep: 186,00 EUR

 de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 3.000,00 EUR

o aan de zijde van de geïntimeerde:

 de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg: 3.000,00 EUR

 de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 3.000,00 EUR

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover raadsheer R. LYEN mede beraadslaagd heeft en die thans wettig verhinderd is, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens artikel 785 Ger. W., tekenen de raadsheer, dd. voorzitter en de andere raadsheer die mede hebben beraadslaagd en de griffier.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZES MEI TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Eigendomsoverdracht- buitengerechtelijke bekentenis- koop/verkoop- wilsovereenstemming- moratoire intrest-ingebrekestelling vereist