- Arrêt du 24 juin 2013

24/06/2013 - 2011AR2522

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De algemene zorgvuldigheidsnorm bedoeld bij artikel 1383 B.W. vereist meer bepaald dat men zijn handelwijze niet alleen bepaalt in functie van het eigen belang, maar dat men tevens voorzorgen neemt om schade aan andermans persoon of goederen te voorkomen. De vraag welke mate van voorzorg men moet in acht nemen om anderen niet te schaden, wordt daarbij beantwoord aan de hand van de abstracte vergelijking van de gedraging van de betrokkene met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon (de goede huisvader) geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader (vgl. Cass. 26 juni 1998, Arr. Cass. 1998, 773).

De geïntimeerde verwijt aan de appellante een gebrek aan voorzorg, hoofdzakelijk door aanhoudend te weigeren hem toekomende gelden vrij te geven, ondanks de reeds tussen partijen overeengekomen dading.

Met de appellante is het hof van oordeel dat de geïntimeerde in gebreke blijft een afdoende bewijsvoering te doen van de aan de appellante verweten onzorgvuldigheid.

Het wordt niet betwist dat de procedure van vereffening-verdeling jarenlang geschorst was bij toepassing van artikel 4, Voorafg. Tit., W. Sv. (strafklacht met burgerlijke partijstelling), zonder dat de appellante (noch haar voorganger) in kennis werden gesteld van de afloop van die strafprocedure.

Anders dan de geïntimeerde laat gelden, heeft de appellante zich niet anders gedragen dan als een normaal zorgvuldige en omzichtige notaris, geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden, door slechts na grondig nazicht van het dossier en na wederzijds schriftelijk akkoord van de betrokken partijen over te gaan tot de uitbetaling van de gelden, voorwerp van hun overeenkomsten van dading. Terecht heeft de appellante daarbij geëist dat door de partijen een regeling werd getroffen omtrent alle aspecten van de zaak.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep Antwerpen - eerste kamer

2011/AR/2522

C. S., notaris, met standplaats gevestigd te ...;

appellante,

vertegenwoordigd door mr. Irène Dijkmans, advocaat te 2431 Laakdal (Veerle), Oude Geelsebaan 96/1;

tegen het vonnis van de 1e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 28 juni 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/1523/A;

tegen:

P. SM., gemeentewerker, geboren op ... en wonende te ...;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Benedicte Avontroodt loco mr. Inge Faes,

advocaat te 2870 Puurs, Violetstraat 32-33;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- de appellante is (krachtens KB van 13 januari 2006 en eedaflegging op 28 februari 2006) de opvolgster van wijlen notaris P. H. te ... die bij vonnis van 20 november 1995 door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen werd gelast met de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap en de nalatenschappen van de ouders van de partijen SM. waaronder de geïntimeerde;

- de geïntimeerde verwijt de appellante beroepsfouten in de uitvoering van dat gerechtelijk mandaat en vordert op grond daarvan schadeloosstelling.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 28 juni 2011 op tegenspraak verleend door de 1e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen:

- wordt de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard;

- wordt de appellante veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde van een provisionele schadevergoeding ten bedrage van 1,00 EUR;

- wordt, alvorens verder ten gronde recht te spreken, conform de artikelen 877 e.v. Ger. W., aan de appellante bevolen om door neerlegging ter griffie een volledige en duidelijk leesbare kopie van alle rekeninguittreksels en bewerkingen op de rubriekrekeningen voor de partijen SM., vergezeld van alle onderliggende stavingsstukken, bij het dossier van de rechtspleging te voegen;

- wordt de zaak voor verdere afhandeling uitgesteld naar een latere

terechtzitting;

- en wordt de beslissing over de gedingkosten aangehouden.

2.2. Bij haar op 29 augustus 2011 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" tekent de appellante hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 28 juni 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. behandeld op de terechtzitting van 27 mei 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van haar op 26 september 2012 ter griffie neergelegde "syntheseberoepsconclusie" vraagt de appellante:

- haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen;

- de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren, met veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen.

3.2. Bij zijn op 26 november 2012 ter griffie neergelegde "synthesebesluiten in hoger beroep" vraagt de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- de appellante te veroordelen tot betaling van de gederfde wettelijke intrest op het totale bedrag van 147.773,89 EUR vanaf de datum van de oorspronkelijk afgesloten dading (26 september 2007), meer de gerechtelijke intrest;

- de appellante tevens te veroordelen tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van 10% op de voormelde hoofdsom, meer de conventionele en gerechtelijke intrest;

- ondergeschikt, een deskundige aan te stellen tot correcte begroting van de geleden schade;

- de appellante te veroordelen tot de kosten van het geding;

- en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg, noch aanbod van kantonnement.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 28 juni 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De geïntimeerde vordert van de appellante schadeloosstelling op quasi-delictuele grondslag. Die aansprakelijkheidsvordering van de geïntimeerde is gebaseerd op beroepsfouten die de appellante zou hebben begaan naar aanleiding van de uitvoering van een gerechtelijk mandaat (van boedelnotaris inzake de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap en van de nalatenschappen van de ouders van de partijen SM) waarmee de (rechtsvoorganger van de appellante) bij vonnis van 20 november 1995 gelast werd door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. De appellante betwist iedere aansprakelijkheid ter zake.

4.2.2. Degene die schadevergoeding vordert bij toepassing van de artikelen 1382-1383 B.W. moet bewijzen dat door degene die hij aansprakelijk acht een fout/onzorgvuldigheid werd begaan in oorzakelijk verband met de schade op vergoeding waarvan hij aanspraak maakt. De geïntimeerde draagt bijgevolg de bewijslast van een fout/onzorgvuldigheid van de

appellante, van vergoedbare schade en van het oorzakelijk verband tussen beide. Aangezien het hier gaat om het bewijs van rechtsfeiten, kan de geïntimeerde aan die bewijslast voldoen door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen.

4.2.3. Aangaande de fout en/of onzorgvuldigheid van de appellante

4.2.3.1. De fout/onzorgvuldigheid waarvoor een schadeverwekker op

basis van de artikelen 1382-1383 B.W. aansprakelijk kan zijn, bestaat in een gedraging die, ofwel, behoudens onoverwinnelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een rechtsnorm, waarbij de betrokkene verplicht is iets niet te doen of iets op bepaalde manier wel te doen (artikel 1382 B.W.), ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van de normaal zorgvuldige en omzichtige persoon, die in dezelfde concrete omstandigheden verkeert (artikel 1383 B.W.).

4.2.3.2. De geïntimeerde verwijt de appellante geen schending van een wel bepaalde rechtsnorm, doch wel een tekortkoming aan de algemene zorgvuldigheidsnorm. De algemene zorgvuldigheidsnorm bedoeld bij artikel 1383 B.W. vereist meer bepaald dat men zijn handelwijze niet alleen bepaalt in functie van het eigen belang, maar dat men tevens voorzorgen neemt om schade aan andermans persoon of goederen te voorkomen. De vraag welke mate van voorzorg men moet in acht nemen om anderen niet te schaden, wordt daarbij beantwoord aan de hand van de abstracte vergelijking van de gedraging van de betrokkene met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon (de goede huisvader) geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader (vgl. Cass. 26 juni 1998, Arr. Cass. 1998, 773).

4.2.3.3. Meer bepaald verwijt de geïntimeerde aan de appellante een gebrek aan voorzorg, hoofdzakelijk door aanhoudend te weigeren hem toekomende gelden vrij te geven, ondanks de reeds tussen partijen overeengekomen dading.

Met de appellante is het hof van oordeel dat de geïntimeerde in gebreke blijft een afdoende bewijsvoering te doen van de aan de appellante verweten onzorgvuldigheid.

Het wordt niet betwist dat de procedure van vereffening-verdeling jarenlang geschorst was bij toepassing van artikel 4, Voorafg. Tit., W. Sv. (strafklacht met burgerlijke partijstelling), zonder dat de appellante (noch haar voorganger) in kennis werden gesteld van de afloop van die strafprocedure. Eerst bij brief van 13 maart 2007 werd het onderhavige dossier bij de appellante opnieuw geactiveerd door de raadsman van L. SM.

Weliswaar werd tussen de partijen SM. op 26 september 2007 een overeenkomst van dading gesloten aangaande de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap en van de nalatenschappen van hun ouders. Maar, bij die dading, afgesloten buiten aanwezigheid van de appellante om, werd geen rekening gehouden met de nog aan de appellante verschuldigde kosten en erelonen. In de gegeven omstandigheden was die overeenkomst van dading (die overigens eerst in januari 2008 aan de appellante werd medegedeeld) niet uitvoerbaar, aangezien de contractpartijen zich daarbij meer gelden uitkeerden dan bij de appellante beschikbaar. Bij brief van 11 maart 2008 heeft de appellante de raadslieden van de partijen SM. daarvan in kennis gesteld.

Uit de voorgelegde stukken blijkt verder dat eerst op 8 december 2008 tussen de partijen een akkoord bestond met een voorlopige regeling, bestaande in:

- de uitbetaling van 140.000,00 EUR aan de geïntimeerde;

- de betaling van de kostenstaat van de appellante ten bedrage van 1.537,00 EUR (wettelijk barema) en 500,00 EUR (dossierkosten) door L. SM. (geen partij inzake);

- het gerubriceerd blijven van het saldo.

Reeds op 2 januari 2009 werd het bedrag van 140.000,00 EUR door de appellante overgemaakt op de derdenrekening van de raadsman van de geïntimeerde.

Op 18 maart 2010 hebben de partijen een tweede overeenkomst van dading gesloten, waarin ook het lot van de kosten van het kantoor van wijlen notaris H. en de bestemming van het saldo van de rubriekrekening worden geregeld. Die nieuwe overeenkomst van dading werd pas op 17 mei 2010 aan de appellante meegedeeld. De uitbetaling door de appelante aan de geïntimeerde van het saldobedrag van 13.776,17 EUR volgde op 16 juni 2010.

Anders dan de geïntimeerde laat gelden, heeft de appellante zich niet anders gedragen dan als een normaal zorgvuldige en omzichtige notaris, geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden, door slechts na grondig nazicht van het dossier en na wederzijds schriftelijk akkoord van de betrokken partijen over te gaan tot de uitbetaling van de gelden, voorwerp van hun overeenkomsten van dading. Terecht heeft de appel-lante daarbij geëist dat door de partijen een regeling werd getroffen omtrent alle aspecten van de zaak.

4.2.3.4. Al evenmin bewijst de geïntimeerde enige andere onzorgvuldigheid van de appellante (minstens geen andere onzorgvuldighed in oor-zakelijk verband met de ingevorderde schadebedragen, bestaande uit gederfde intrest en gemiste opbrengst uit beleggingen). De stukken in verband met de rubriekrekening worden door de appellante voorgelegd. De afhandeling van het dossier (studie van de zaak, redactie van ontwerpdadingen en houden van vergaderingen) heeft weliswaar een moeizaam verloop gekend, maar bewijzen van onzorgvuldigheden van de appellante (in oorzakelijk verband met de ingevorderde schade) liggen niet voor, mede gelet op de moeilijke concrete omstandigheden (onder meer de gebrekkige boekhouding van haar voorganger) waarmee de appellante werd geconfronteerd.

4.2.4. Bij gebrek aan bewijs van een fout/onzorgvuldigheid van de appel-lante is hier niet voldaan aan alle toepassingsvoorwaarden van de artike-en 1382-1383 B.W. Op de andere voorwaarden (schade en oorzakelijk verband) wordt dan ook niet verder ingegaan.

4.2.5. In de gegeven omstandigheden is het hoger beroep van de appellante gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd. De vordering tot schadeloosstelling van de geïntimeerde wordt afgewezen.

4.2.6. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de geïntimeerde veroordeeld tot de kosten van de beide aanleggen (artikel 1017, eerste lid Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding wordt per aanleg vereffend op het basisbedrag van 2.200,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 20.000,01 EUR tot 40.000,00 EUR).

4.2.7. Op de vordering van de geïntimeerde om het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling of kantonnement, wordt niet ingegaan. Krachtens artikel 1118 Ger. W. heeft de voorziening in cassatie in burgerlijke zaken in principe geen schorsende werking, zodat deze vordering zonder bestaansreden is.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk en ge-grond;

- hervormt het bestreden vonnis;

- oordeelt opnieuw;

- verklaart de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond;

- veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen en vereffent deze aan de zijde van de appellante gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg: 2.200,00 EUR

o het rolrecht hoger beroep: 186,00 EUR

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 2.200,00 EUR

Dit arrest werd gewezen door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

L. MAES plaatsvervangend raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS L. MAES

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

De raadsheer, dd. voorzitter van de eerste kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 782bis, eerste lid Ger. W. in openbare zitting van VIERENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND DERTIEN.

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Notaris

  • Artikel 1383 BW (neen)