- Arrêt du 24 juin 2013

24/06/2013 - 2011AR3245

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De geïntimeerde vordert op grond van artikel 1561 Ger. W. de vereffening-verdeling van de onverdeelde onroerende goederen waarin zijn schuldenaar (de appellante) gerechtigd is en op wier onverdeeld aandeel door hem uitvoerend beslag werd gelegd. De appellante vraagt in hoofdorde de beoordeling van die vordering uit te stellen tot aan een

definitieve uitspraak over de aansprakelijkheidsvorderingen die zij heeft ingesteld, en verder, de vordering van de geïntimeerde tot vereffening-verdeling af te wijzen.

Nadat in artikel 1560 Ger. W. is bepaald dat de schuldeiser de uitwinning kan vervolgen van de onroerende goederen die eigendom zijn van zijn schuldenaar, wordt bij artikel 1561 Ger. W. voorgeschreven: "Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of vóór de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen".

De geïntimeerde is conform artikel 1561 Ger. W. gerechtigd de vereffening-verdeling te vorderen van de betrokken goederen, dit uiteraard voor zover is voldaan aan de voorwaarden waaronder een dergelijke vordering kan worden toegekend.

Bij artikel 1207 Ger. W. wordt bepaald dat de verdeling gerechtelijk geschiedt bij gebrek aan akkoord van alle mede-eigenaars met een minnelijke verdeling.

Uit niets blijkt dat hier een akkoord van alle mede-eigenaars over een minnelijke verdeling van de in beslag genomen goederen voorhanden zou zijn. In de gegeven omstandigheden is de geïntimeerde ertoe gerechtigd de gerechtelijke verdeling van de betrokken onverdeelde onroerende goederen te vorderen.

Door het arrest van 14 november 2007 van dit hof te laten uitvoeren, begaat de geïntimeerde geen fout en/of onzorgvuldigheid. Het arrest van 14 november 2007 van dit hof vormt een geldige en actuele titel. De hangende procedures waarnaar de appellante verwijst (voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voor het Hof van Cassatie en voor de Raad van State) hebben geen schorsende werking. Van (proces-) rechtsmisbruik is geen sprake. De wijze waarop een partij een verkregen veroordeling uitvoert of niet uitvoert, kan immers geen rechtsmisbruik opleveren die de initiële vordering zou aantasten (vgl. Cass. 4 maart 2005, Arr. Cass. 2005, 530). De appellante beweert, maar bewijst niet dat zij een regularisatieaanvraag zou hebben verkregen met betrekking tot de constructies waarvan het herstel in de vorige staat werd bevolen.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep Antwerpen - eerste kamer

2011/AR/3245

V. G., gepensioneerde, geboren te ... op ... en wonende te ...;

appellante,

vertegenwoordigd door mr. Martin Denys, advocaat te 1560 Hoeilaart, de Quirinilaan 2;

tegen het vonnis van de 4e A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 7 november 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/2067/A;

tegen:

DE STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GE-WEST, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Limburg, met diensten gevestigd te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 50 bus 1;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Andy Beelen loco mr. Christian Lemache,

advocaat te 3800 Sint-Truiden, Tongersesteenweg 60;

in aanwezigheid van:

1. M. G., regentes, geboren te ... op ... en wonende te ...;

2. B. D. V., hoger administratief personeel, geboren te ... op ... en wo-nende te ...;

de eerste en de tweede mede inzake zijnde partij vertegenwoordigd door mr. Jean Vanderhasselt, advocaat te 1860 Meise, Hoogstraat 12;

3. M. D. V., zonder beroep, geboren te ... op ... en wonende te ...;

4. G. C., advocaat, kantoor houdende te ..., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D. V., voormeld, hiertoe aangesteld bij vonnis van de vrederechter van het tweede kanton te ... van ...;

de derde en de vierde mede inzake zijnde partij vertegenwoordigd door mr. Robin Ryckeboer loco mr. Vincent Godfrind, advocaat te 1040 Brussel (Etterbeek), Pater Eudore Devroyestraat 47;

de mede inzake zijnde partijen,

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- bij arrest van 14 november 2007 van dit hof werden de appellante (als eigenares) en haar echtgenoot, P. R. (als gebruiker), strafrechtelijk veroordeeld om zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning van het college van burgemeester en schepenen in een perceel in natuurgebied, gelegen te ..., een uitbreiding van de basiswoning met een oppervlakte van 57 m², een aparte constructie in hout met een oppervlakte van 54 m² waarin drie garages zijn ondergebracht en een gemetselde muur die beide constructies verbindt, in stand te hebben gehouden;

wat de herstelvordering van de geïntimeerde betreft, werden de

appellante en haar echtgenoot veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige staat, meer bepaald de afbraak van de uitbreiding van de chalet in hout en bakstenen, inclusief de verwijdering van de vloerplaat van 57 m², het verwijderen van de houten garages inclusief het verwijderen van een eventuele vloerplaat van 54 m², en het verwijderen van een verbindingsmuur inclusief fundering en dit binnen een termijn van één jaar ingaande vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het arrest; bij gebreke aan vrijwillige uitvoering werd de geïntimeerde gemachtigd om over te gaan tot ambtshalve herstel en werd aan de niet-vrijwillige uitvoering een verbeuring van dwang-sommen gekoppeld ten bedrage van 125,00 EUR per dag vertraging;

- bij arrest van 1 april 2008 werd de voorziening in cassatie van de

appellante tegen het arrest van 14 november 2007 verworpen; tegen dat cassatiearrest werd door de appellante bij verzoekschrift van 25 september 2008 wegens schending van artikel 6, §1 en 2 EVRM, een beroep ingesteld bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

- bij akte van 21 december 2010 hebben de eerste en de tweede partij mede inzake derdenverzet aangetekend tegen het arrest van 14 november 2007 van dit hof; dat derdenverzet werd niet ontvankelijk verklaard bij arrest van 29 juni 2011 van dit hof; tegen dat arrest van 29 juni 2011 werd cassatieberoep ingesteld;

- op 25 juni 2010 heeft de geïntimeerde een bevel tot betaling laten betekenen aan de appellante; op 14 juli 2010 heeft hij uitvoerend be-slag laten leggen op onroerende goederen, die de eigendom zijn van de appellante, en op een aantal onroerende goederen,

i. die zij in onverdeeldheid met de eerste partij mede inzake heeft, dit wat betreft haar aandeel daarin, zijnde de helft;

ii. die zij in onverdeeldheid heeft met de partijen mede inzake, dit wat betreft haar aandeel daarin, zijnde één derde;

dat onroerend beslag werd gelegd in uitvoering van het arrest van

14 november 2007 van dit hof voor de gerechtskosten en de verbeurde dwangsommen voor het totale bedrag van 56.336,57 EUR, ver-meerderd met de uitvoeringskosten en de dwangsommen van 125,00 EUR per dag vanaf 17 juni 2010;

- bij vonnis van 2 juni 2008 van de vrederechter van het tweede kanton te ... werd de derde partij mede inzake onder voorlopig bewind gesteld; mr. C. (vierde partij mede inzake) werd aangesteld als voor-lopig bewindvoerder.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 7 november 2011 op tegenspraak verleend door de 4e A kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt:

- wordt de betekening van de dagvaarding op 17 augustus 2010 aan de derde partij mede inzake nietig verklaard en worden de daaraan verbonden kosten ten laste gelaten van de geïntimeerde;

- worden de hoofdvordering voor het overige en de tussenvordering ontvankelijk en gegrond verklaard;

- wordt de vereffening-verdeling bevolen van de aldaar nader omschreven onverdeelde onroerende goederen;

- wordt notaris M. H. te ... als boedelnotaris gelast met de vereffening-verdeling;

- wordt bevolen dat er, op vordering van de geïntimeerde of van de meest gerede partij, in tegenwoordigheid althans na behoorlijke op-roeping van de andere partijen, door het ambt van de aangestelde boedelnotaris zal worden overgegaan tot de veiling van de betrokken onroerende goederen;

- wordt voor recht gezegd dat het aandeel van de appellante in de prijs of de sommen die haar zullen worden uitgekeerd, aangewend zullen worden tot voldoening van de schuldvorderingen van de geïntimeerde in hoofdsom, intrest en toebehoren en kosten;

- wordt notaris J. L. te ... gelast met vertegenwoordigingsbevoegdheid;

- en wordt bepaald dat de gedingkosten, samen met deze van het beslag en deze van de verdeling, voor enige toebedeling zullen worden betaald uit de prijs van de veiling.

2.2. Bij haar op 24 november 2011 ter griffie neergelegde "akte van hoger beroep" tekent de appellante hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 7 november 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 27 mei 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van haar op 15 juni 2012 ter griffie neergelegde "conclusie" vraagt de appellante:

- haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen,

- in hoofdorde, de behandeling van de zaak op te schorten tot aan een definitieve uitspraak in de aansprakelijkeidsvordering;

- en verder, de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde tot vereffening-verdeling af te wijzen.

3.2. Bij zijn op 24 juli 2002 ter griffie neergelegde "samenvattende beroepsconclusie" vraagt de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.

3.3. Bij hun op 12 april 2012 ter griffie neergelegde "beroepsbesluiten" vragen de eerste en de tweede partij mede inzake:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- en de appellante te veroordelen tot de gedingkosten.

3.4. Bij hun op 17 april 2012 ter griffie neergelegde "beroepsconclusies" vragen de derde en de vierde partij mede inzake:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- en de appellante te veroordelen tot de gedingkosten.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 7 november 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De geïntimeerde vordert op grond van artikel 1561 Ger. W. de vereffening-verdeling van de onverdeelde onroerende goederen waarin zijn schuldenaar (de appellante) gerechtigd is en op wier onverdeeld aandeel door hem uitvoerend beslag werd gelegd. De appellante vraagt in hoofdorde de beoordeling van die vordering uit te stellen tot aan een definitieve uitspraak over de aansprakelijkheidsvorderingen die zij heeft ingesteld, en verder, de vordering van de geïntimeerde tot vereffening-verdeling af te wijzen.

4.2.2. Nadat in artikel 1560 Ger. W. is bepaald dat de schuldeiser de uitwinning kan vervolgen van de onroerende goederen die eigendom zijn van zijn schuldenaar, wordt bij artikel 1561 Ger. W. voorgeschreven:

"Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij ge-rechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of vóór de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen".

4.2.3. Het wordt niet betwist dat de appellante onverdeelde mede-eigenaar is van de betrokken onroerende goederen en dat de geïnti-meerde de uitwinning vervolgt van het onverdeelde aandeel van de appellante in deze goederen. Niemand beweert dat met betrekking tot die goederen een overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling voorhanden zou zijn. Bijgevolg is de geïntimeerde conform artikel 1561 Ger. W. gerechtigd de vereffening-verdeling te vorderen van de betrokken goederen, dit uiteraard voor zover is voldaan aan de voorwaarden waaronder een dergelijke vordering kan worden toegekend.

4.2.4. Bij artikel 1207 Ger. W. wordt bepaald dat de verdeling gerechtelijk geschiedt bij gebrek aan akkoord van alle mede-eigenaars met een minnelijke verdeling.

4.2.5. Uit niets blijkt dat hier een akkoord van alle mede-eigenaars over een minnelijke verdeling van de in beslag genomen goederen voorhanden zou zijn. In de gegeven omstandigheden is de geïntimeerde ertoe gerechtigd de gerechtelijke verdeling van de betrokken onverdeelde onroerende goederen te vorderen.

4.2.6. Om oordeelkundige redenen, die het hof tot de zijne maakt, heeft de eerste rechter bijgevolg de vordering tot vereffening-verdeling van de geïntimeerde gegrond verklaard. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

4.2.7. De uitgebreide beschouwingen en argumentaties van de appellante kunnen daaraan niets veranderen. Zij zijn in strijd met het gezag van gewijsde dat is verbonden aan het inmiddels in kracht van gewijsde gegane arrest van 14 november 2007 van dit hof.

Zoals hierboven werd uiteengezet, is ter zake voldaan aan alle voorwaarden voor toekenning van de vordering tot vereffening-verdeling van de geïntimeerde. De wijze waarop definitief uitspraak zal worden gedaan over de door de appellante ingestelde aansprakelijkheidsvorderingen (tegen haar vorige raadslieden, mr. B. en mr. G., wegens ondertekening van een memorie voor het Hof van Cassatie zonder vermelding van hoedanigheid, tegen de Belgische Staat - ministerie van Justitie wegens fouten begaan door dit hof en door het Hof van Cassatie, en tegen het Vlaams Gewest wegens het doordrijven van de uitvoering van uitspraken die berusten op een gerechtelijke dwaling), kan de gegrondheid van de vordering tot vereffening-verdeling van de geïntimeerde niet beïnvloe-den. Hetzelfde geldt voor de procedure hangende voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (vgl. artikel 422bis Ger. W.).

Door het arrest van 14 november 2007 van dit hof te laten uitvoeren, begaat de geïntimeerde geen fout en/of onzorgvuldigheid. Het arrest van 14 november 2007 van dit hof vormt een geldige en actuele titel. De hangende procedures waarnaar de appellante verwijst (voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, voor het Hof van Cassatie en voor de Raad van State) hebben geen schorsende werking. Van (proces-) rechtsmisbruik is geen sprake. De wijze waarop een partij een verkregen veroordeling uitvoert of niet uitvoert, kan immers geen rechtsmisbruik opleveren die de initiële vordering zou aantasten (vgl. Cass. 4 maart 2005, Arr. Cass. 2005, 530). De appellante beweert, maar bewijst niet dat zij een regularisatieaanvraag zou hebben verkregen met betrekking tot de constructies waarvan het herstel in de vorige staat werd bevolen.

Tenslotte werd in het bestreden vonnis terecht geoordeeld dat de nietigheid van de betekening van de dagvaarding ten aanzien van M. D. V. geenszins de ontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde tegenover de andere partijen aantast, aangezien de procedure werd geregulariseerd (door mr. G. C. als voorlopig bewindvoerder van M. D. V. tot gedwongen tussenkomst in het hangende geding te dagvaarden).

4.2.8. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de appellante veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

De partijen mede inzake (tegen wie geen vordering tot veroordeling wordt gesteld), zijn niet gerechtigd op toekenning van een rechtsple-gingsvergoeding.

De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het (geindexeerde) basistarief van 1.320,00 EUR (niet in geld wardeerbare vordering).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep en vereffent deze aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.320,00 EUR

Dit arrest werd gewezen door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

W. BRANDS plaatsvervangend raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS W. BRANDS

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

De raadsheer, dd. voorzitter van de eerste kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 782bis, eerste lid Ger. W. in openbare zitting van VIERENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND DERTIEN.

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Vereffening-verdeling onverdeelde onroerende goederen

  • artikel 1560 Ger.W.

  • artikel 1561 Ger.W.

  • artikel 1207 Ger.W.