- Arrêt du 29 janvier 2013

29/01/2013 - 2010AR1212

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wat ouders aan een kind van hen schenking kan, blijkens de omstandigheden van het geval, niettemin een gemeen goed zijn ( van het kind en zijn echtgenoot) in de zin van artikel 1405, 3° BW, en dus geen eigen goed van dat kind. De wil van de schenkers op dit punt (= al of niet toepassing van artikel 1405, 3° B.W.) kan ook blijken uit de gehele context.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/1212

INZAKE VAN :

1) De heer J H., en

2) Mevrouw Mi. S.,

samenwonende ...

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 1 april 2010,

de eerste in persoon verschijnende, beide vertegenwoordigd door Meester Joseph ROWIES, advocaat te 3580 BERINGEN, Kruisbaan 102,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer G. L., wonende,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Luc BINNEMANS, advocaat te 3980 TESSENDERLO, Schoterweg 40,

2) Mevrouw K. H., , Sparenweg 159,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester SUFFELEERS loco Meester Herman SEGERS, advocaat te 3580 BERINGEN, Hasseltsesteenweg 136,

Wat ouders aan een kind van hen schenking kan, blijkens de omstandigheden van het geval, niettemin een gemeen goed zijn ( van het kind en zijn echtgenoot) in de zin van artikel 1405, 3° BW, en dus geen eigen goed van dat kind. De wil van de schenkers op dit punt (= al of niet toepassing van artikel 1405, 3° B.W.) kan ook blijken uit de gehele context.

_________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 1 april 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 3 mei 2010;

• de conclusie van geïntimeerde sub 2 neergelegd ter griffie op 22 september 2010;

• de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 30 november 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 27 december 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 17 december 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe geïntimeerden solidair te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 101.532,69 euro (= aankoop landbouwgrond, erelonen en registratierechten: 4.169,29 euro + lening: 61.973,38 euro + betaling schulden huwgemeenschap: 38.532,34 euro + terugbetalingen: 3.142,32 euro ) plus de moratoire intresten vanaf 29 november 2004 en de gerechtelijke intresten.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep herleiden appellanten hun oorspronkelijke vordering tot 97.363,40 euro plus intresten. Zij dringen niet verder meer aan wat het bedrag van 4.169,29 euro betreft.

1.4. Geïntimeerde sub 1 vraagt (1) het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen en (2) de "nieuwe" vordering van geïntimeerde sub 2 - voor het eerst gesteld in hoger beroep - niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

1.5. Geïntimeerde sub 2 vraagt de vordering van appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren en haar akte te verlenen dat de bedragen vermeld in de dagvaarding van 5 mei 2006 wel degelijk werden uitgeleend en betaald door appellanten en nooit het karakter hebben gehad van een schenking .

Dit maakt een impliciet incidenteel beroep uit maar geen "nieuwe" vordering.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2.Samengevat komt het hierop neer dat appellanten de ouders zijn van geïntimeerde sub 2 terwijl geïntimeerde sub 1 de ex-echtgenoot is van geïntimeerde sub 2.

Uit het huwelijk van geïntimeerden zijn twee kinderen geboren, T. en W.

Partijen zijn uit het echt gescheiden bij vonnis uitgesproken op 28 september 2004.

2.3. Uit een document zonder datum - waarvan beweerd wordt dat het opgesteld werd op 5 mei 1996 - blijkt dat geïntimeerden - alleen of samen - tussen 5 mei 1996 en 25 augustus 1997 diverse bedragen ontvingen vanwege appellanten.

Bovenaan dit document wordt vermeld: "Lening van 2.500.000 BF aan L. H.". Verder in de tekst staat vermeld: "Bij eventuele scheiding worden de bedragen overgemaakt aan Tim L. (+ eventuele nakomelingen uit dit huwelijk)" met daaronder de handtekeningen van geïntimeerden.

2.4. Bij aangetekend schrijven van 29 november 2004 hebben appellanten huidige geïntimeerden aangemaand om binnen de 8 dagen het door hen geleende en voorgeschoten bedrag van 94.958,95 euro terug te betalen.

Een gelijkaardig verzoek werd gericht door de raadsman van appellanten bij schrijven van 3 maart 2006 aan de raadslieden van geïntimeerden maar dan voor een bedrag van 111.028,53 euro .

2.5. Na betekening van de dagvaarding in huidige zaak legde geïntimeerde sub 1 op 12 mei 2006 klacht neer met stelling van burgerlijke partij tegen appellanten wegens valsheid in geschriften en gebruik ervan.

Appellanten werden voor deze tenlasteleggingen vrijgesproken door de correctionele rechtbank te Hasselt bij vonnis van 21 mei 2008. Dit vonnis werd bevestigd bij arrest van 11 december 2008.

III. Bespreking.

3.1. Appellanten beroepen zich enerzijds op het bestaan van een lening en anderzijds op de rechtsfiguur van de schuldvernieuwing/zaakwaarneming.

Geïntimeerde sub 1 is de mening toegedaan dat de gelden in kwestie het voorwerp hebben uitgemaakt van handgiften/schenkingen.

Geïntimeerde sub 2 heeft zich desbetreffend voor de eerste rechter deels naar de wijsheid van de rechtbank gedragen doch uit haar conclusie blijkt dat zij de ontvangst van de gelden erkent en betwist dat het om giften zou gaan.

De eerste rechter was de mening toegedaan dat appellanten het bewijs niet leverden van het bestaan van een lening en dat de voorwaarden voor een schuldvernieuwing/zaakwaarneming niet waren verwezenlijkt.

3.2. Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan ervan bewijzen (= artikel 1315, eerste lid B.W.).

Appellanten die voorhouden dat zij een lening (in burgerlijke zaken) van meer dan 375 euro toestonden aan o.a. geïntimeerde sub 1, dienen het bewijs van deze overeenkomst te leveren, in principe d.m.v. een geschrift (= artikel 1341 B.W.).

Hierop wordt een uitzondering gemaakt wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is (= artikel 1347 B.W.) of wanneer het niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen (= artikel 1348 B.W.).

3.3. Appellanten beroepen zich op artikel 1347 B.W. wat inhoudt dat het begin van een bewijs door geschrift van een lening aangevuld mag worden door het bewijs d.m.v. getuigenissen of vermoedens.

Zij beroepen zich desbetreffend op een onderhands niet gedateerd geschrift - waarvan appellanten voorhouden dat het werd opgesteld op 5 mei 1996 - waarvan slechts één exemplaar bestaat in het bezit van J H..

Het (begin van) bewijs van de beweerde lening zou derhalve - volgens appellanten - blijken uit dit onderhands niet - gedateerd document, aan te vullen met getuigenissen of vermoedens.

Dit document wordt door appellanten als rechtsgrond ingeroepen om de terugbetaling te vorderen van het bedrag van 61.973,38 euro .

3.4. Het kwestieuze document werd opgesteld en later aangevuld in eerder zonderlinge omstandigheden.

Het eerste betwiste gegeven betreft een eigenhandige toevoeging door J H. zelf die op dat document in het rood zou bijgeschreven hebben: "lening van 2.500.000 BEF aan L.".

Appellanten kunnen zich evenwel niet herinneren op welke datum die zin werd toegevoegd maar houden voor dat het in ieder geval vóór 5 mei 1997 moet geweest zijn. Zij kunnen zich evenmin herinneren of deze zin (in het rood) werd toegevoegd aan het document in het bijzijn van geïntimeerden.

Appellanten werpen verder op dat na het bijschrijven van deze zin (in het rood), zij nog bedragen aan geïntimeerden gegeven hebben waarvoor deze laatste tekenden voor ontvangst op het enige origineel in hun bezit zodat hun ex-schoonzoon dit toevoegsel zeker zal gezien hebben en er dus kennis van heeft genomen.

De verklaringen van appellanten worden ten stelligste betwist door geïntimeerde sub 1.

3.5. Uit de gegevens van het dossier blijkt derhalve het volgende:

- het hier voren vermeld onderhands document werd niet opgesteld in de gebruikelijke vorm en met de gebruikelijke inhoud van een lening gezien er noch leningsvoorwaarden noch een intrest werden bedongen;

- het woord "lening" werd naderhand aangebracht door J H. in betwiste omstandigheden;

- de clausule inzake de betaling aan Tim L. - in geval van echtscheiding tussen geïntimeerden - wijst erop dat er zeker niet hoefde terugbetaald te worden aan appellanten;

- geïntimeerde sub 2 wijzigde haar argumentatie tussen de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Oorspronkelijk trad zij haar ouders niet bij en betwistte zij hun eis. In hoger beroep sluit zij zich volledig aan bij de vordering en de argumentatie van haar ouders;

- de enkele omstandigheid dat appellanten een gelijkaardig document opstelde voor hun andere dochter is niet relevant voor deze zaak;

- nergens blijkt uit dat de sommen waarvan appellanten gewag maken, met name 1.720,52 euro en 1.421,80 euro , bedoeld waren als terugbetalingen van enige lening.

Hieruit kan enkel besloten worden dat de gelden initieel geschonken werden door de ouders maar dat de echtscheiding tussen de begiftigden tot gevolg had dat de ouders een andere kwalificatie van de overeenkomst en andere rechtsgronden (schuldvernieuwing, indeplaatsstelling en zaakwaarneming) zochten ten einde de geschonken gelden terug te kunnen krijgen.

3.6. Ten overvloede wordt er nog op gewezen dat in het nieuwe huwelijksvermogensrecht schenkingen gedaan aan twee echtgenoten - gehuwd onder het wettelijk stelsel - een gemeenschappelijk goed (= artikel 1405, 3° B.W.) uitmaken en dus geen onverdeeld goed waarvan telkens de helft tot het respectieve eigen vermogen van de echtgenoten behoort.

Een schenking gedaan aan een kind door zijn ouder tijdens het gemeenschappelijk samenleven van dit kind met diens echtgenoot wordt bovendien geacht te zijn gedaan aan het gezin van dit kind, dus aan beide echtgenoten samen (in de zin van voormeld artikel 1405, 3° B.W.).

Wat aan een kind geschonken wordt - in de gegeven omstandigheden - is aldus geen eigen goed van dat kind, maar wel een gemeenschappelijk goed in de zin van artikel 1405, 3° B.W.

De wil van de schenkers op dit punt (= al of niet toepassing van artikel 1405, 3° B.W.) kan ook blijken uit de gehele context. In deze blijkt het gemeenschappelijk karakter van de gedane schenkingen aan de dochter én de schoonzoon uit het feit dat zij samen of afzonderlijk - op voormeld onderhands geschrift - de ontvangst van de geldsommen hebben ondertekend.

3.7. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg bevestigd in zoverre hierin de vordering van appellanten wordt afgewezen voor wat het gevorderde bedrag van 61.973,38 euro betreft.

3.8. Appellanten vorderen verder een bedrag van 38.532,34 euro die zij omschrijven als een aantal schulden van de huwgemeenschap die zij betaalden n.a.v. de echtelijke moeilijkheden tussen geïntimeerden over de periode van 18 juni 2003 t.e.m. 21 november 2003.

Zij beroepen zich desbetreffend op de regels van de schuldvernieuwing (= artikel 1271, 3° B.W.) en deze van de indeplaatsstelling (= artikel 1250 B.W.) en in zekere mate ook op deze van de zaakwaarneming.

3.9. Schuldvernieuwing wordt niet vermoed. De wil om ze tot stand te brengen (de animus novandi) moet duidelijk uit de handeling blijken (= artikel 1273 B.W.). Het bewijs hiervan ontbreekt. Opdat van schuldhernieuwing sprake kan zijn, moeten de betrokken partijen de bedoeling hebben om een novatie tot stand te brengen.

De vereiste toestemming van de schuldenaars (waaronder G. L.) in de zin van artikel 1277 B.W. is niet bewezen.

De vereisten voor een geldige totstandkoming van een schuldvernieuwing zijn bijgevolg in deze niet verwezenlijkt en het bestreden vonnis wordt op dat punt eveneens bevestigd.

3.10. Wat de ingeroepen betaling met indeplaatstelling betreft , vereist de wet dat deze uitdrukkelijk dient te geschieden (artikel 1250, 1°, in fine B.W.), minstens duidelijk moet blijken.

Van een uitdrukkelijke indeplaatsstelling - gelijktijdig met de betaling - in de zin van voornoemd artikel 1250, 1° B.W. is geen enkel bewijs voorhanden.

De wettelijke voorwaarden voor het ontstaan van een geldige betaling met indeplaatstelling zijn in deze evenmin verwezenlijkt.

Het bestreden vonnis wordt ook op dat punt bevestigd.

3.11. Appellanten beroepen zich tenslotte - in ondergeschikte orde - op de zaakwaarneming (= artikelen 1372 tot 1375 B.W.).

Zij houden voor de bovenbedoelde betalingen te hebben verricht tot vrijwaring van de boedel van geïntimeerden die - op verzoek van een aantal schuldeisers - mogelijkerwijze het voorwerp zou kunnen uitmaken van dwangmaatregelen.

Bij zaakwaarneming moet de tussenkomst van de zaakwaarnemer in elk geval noodzakelijk zijn, hetgeen betekent dat aan deze voorwaarde van zaakwaarneming niet is voldaan wanneer "de meester van de zaak" zelf bij machte was te handelen of wanneer er geen nood was aan een onmiddellijk optreden.

Er was in deze echter geen echte noodsituatie voorhanden zodat de noodzakelijkheidsvoorwaarde voor de zaakwaarneming ontbreekt. Geïntimeerden - voor wie de (schoon)ouders als beweerde zaakwaarnemers optraden, waren zelf in staat om hun goederen te beheren.

De ingeroepen zaakwaarneming wordt niet bewezen door appellanten gezien de bestaansvoorwaarden voor die zaakwaarneming niet zijn vervuld.

3.12. Appellanten begroten de rechtsplegingsvergoeding op 5.000 euro en geïntimeerde sub 1 op 3.000 euro .

Gelet op de omvang van het gevorderde ( 97.363,40 euro + vergoedende intresten vanaf 29 november 2004 tot de datum van de dagvaarding) bedraagt het basisbedrag - na indexatie - 5.500 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde sub 1 en wordt ten laste gelegd van appellanten en geïntimeerde sub 2 samen.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het (impliciet) incidenteel beroep beiden ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten en geïntimeerde sub 2 in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van appellanten op euro 5.686 ( 186 rolrecht + 5.500 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van 1ste geïntimeerde op euro 5.500 rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van 2de geïntimeerde op euro 5.500 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

29/01/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Mots libres

  • Art. 1405, 3° BW. Schenking door ouders aan een van hun kinderen: eigen goed van het begiftigde. Uitzonderlingen.