- Arrêt du 23 avril 2013

23/04/2013 - 2006AR3073

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1. Artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep gericht moet worden tegen alle partijen wier belang in strijd zijn met dat van de eiser in hoger beroep en dat, bij niet-inachtneming van deze regel, het hoger beroep niet wordt toegelaten. Deze bepaling is van openbare orde. Artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het geschil onsplitsbaar is "wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn."

2. Een vordering tot uit onverdeeldheidtreding is ondeelbaar in deze zin dat alle deelgenoten (gerechtigden met zelfde zakelijke rechten) erbij moeten betrokken worden, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot uit onverdeeldheidtreding.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2006/AR/3073

INZAKE VAN :

Mevrouw C. L., wonende t

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 oktober 1999,

niet verschijnende;

1ste kamer

TEGEN :

De heer F. L. , wonende te ETTERBEEK, d'Oultremontstraat 66/b1, in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen zijn vader L. , overleden op 3 oktober 2007,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester DELGOUFFE loco Meester Yoeri VASTERSAVENDTS, advocaat te 1730 ASSE, Steenweg 3,

1. Artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep gericht moet worden tegen alle partijen wier belang in strijd zijn met dat van de eiser in hoger beroep en dat, bij niet-inachtneming van deze regel, het hoger beroep niet wordt toegelaten. Deze bepaling is van openbare orde. Artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het geschil onsplitsbaar is "wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn."

2. Een vordering tot uit onverdeeldheidtreding is ondeelbaar in deze zin dat alle deelgenoten (gerechtigden met zelfde zakelijke rechten) erbij moeten betrokken worden, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot uit onverdeeldheidtreding.

_____________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (2de kamer), na tegenspraak uitgesproken op 29 oktober 1999, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 31 juli 2000 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellante, op 8 maart 2002 ter griffie neergelegd;

- de akte van gedinghervatting door de heer F. , op 5 maart 2009 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van geïntimeerde. op 31 januari en 2 februari 2011 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 21 januari 2013, waarna de zaak op de zitting van 4 februari 2013 in beraad werd genomen, en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt een beperkt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis waarbij de eerste rechter (1) haar oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding van 29 juni 1999, niet ontvankelijk verklaart in zover gericht tegen verwerende partij M. L., niet meer in zaak voor het hof (2) deze vordering, in zover ingesteld tegen de heer L. , ontvankelijk verklaart doch enkel gegrond in zover zij de vereffening en verdeling van de blote eigendom beoogt (3) binnen deze perken notarissen L. V. te Wemmel en A. V. te Anderlecht aanstelt en gelast met de boedelbeschrijving, de rekening, de vereffening en de verdeling in blote eigendom en M. C. te Anderlecht aanstelt met de opdracht de niet-verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen (4) de kosten van de procedure ten laste van de boedel legt (5) de zaak voor het overige naar de algemene rol verzendt en (6) het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.

2. Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om in hoofdorde haar vordering ontvankelijk te verklaren en, in ondergeschikte orde (indien het hof zou oordelen dat haar hoger beroep onontvankelijk zou zijn, quod non) de zaak in voortzetting te stellen opdat oorspronkelijk tweede verwerende partij, mevrouw M. L., in zake zou kunnen geroepen worden.

Nopens de grond van de zaak vraagt appellante, met de hervorming van het bestreden vonnis, om voor recht te zeggen dat de eerste rechter niet bevoegd was om uitspraak te doen inzake de inbreng door geïntimeerde.

Zij vraagt ten slotte de vereffening en verdeling te bevelen van de nalatenschap van wijlen de heer R. , beperkt evenwel tot de blote eigendom, en om binnen deze perken een aan de partijen vreemde notaris aan te stellen en te belasten met de bewerkingen van vereffening en verdeling en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

3. Geïntimeerde na gedinghervatting besluit tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep en vordert zijn gerechtskosten.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. R. , geboren op 18 juni 1915, laatst wonende te 1020 Brussel... is overleden te Jette op 26 november 1997.

Uit een eerste huwelijk met mevrouw M. F. zijn hij twee kinderen geboren, L. (° 31 augustus 1947), oorspronkelijk eerste verweerder, en C. , appellante.

Na het overlijden van M. F. op 10 oktober 1966, huwde R. met mevrouw M. L. (° 18 juni 1927), onder het stelsel van scheiding van goederen volgens huwelijkscontract verleden op 1 juli 1977 voor notaris De Boe te Strombeek-Bever. Uit dit tweede huwelijk zijn geen kinderen geboren.

R. stelde op 28 december 1994 een eigenhandig testament op, op 7 januari 1998 onder de minuten van notaris De Ruydts te Vilvoorde neergelegd, waarin hij beschikte als volgt:

"Ik maak vooruit en buiten deel aan mijn echtgenote, M. L., de mij toekomende helft in de goederen en voorwerpen tot gemeenschappelijk gebruik van de echtgenoten die de plaats en waar zij gemeenschappelijk wonen, stofferen, evenals de waarden aan toonder en de gelden die zich in de gemeenschappelijke woning bevinden."

5. Overeenkomstig de aangifte van nalatenschap van 17 april 1998 komt de nalatenschap van R. toe als volgt:

- de totaliteit in vruchtgebruik aan de overlevende echtgenoot M. L.;

- de totaliteit in blote eigendom aan diens twee kinderen, L. en C. ,

- en dit onder voorbehoud van de vooruitmaking aan de overlevende echtgenote bij het testament van 28 december 1994.

Het netto-actief van de nalatenschap bedroeg, volgens aangifte van nalatenschap 6.042.602 BEF.

6. Bij exploot van 29 en 30 juni 1999 heeft appellante een vordering voor de eerste rechter ingesteld tegen L. , enerzijds, en M. L., anderzijds, teneinde de vereffening en verdeling te horen bevelen van de huwgemeenschap tussen R. en M. L. en van de nalatenschap van R. en om partijen te verwijzen naar notaris A. V. te Anderlecht of een andere notaris die de boedelbeschrijving, de rekeningen en de vereffening en verdeling zal opmaken "en die over de eventuele veiling zal staan".

Appellante maakte daarin aanspraak op inbreng door L. van een vergoeding wegens kosteloze bezetting of bezetting tegen een te lage huurprijs, van 1973 tot 1993, in de woning van vader R. , gelegen te Sint-Lambrechts-Woluwe, Steenweg op Roodebeek 380.

7. De eerste rechter heeft zoals hierboven uiteengezet (randnummer 1) beslist.

Bij dit vonnis heeft de eerste echter bovendien al de vordering van appellante tot inbreng van milddadigheid tegen L. als ongegrond afgewezen.

8. Appellante heeft hoger beroep ingesteld, hoger beroep dat enkel tegen L. is gericht.

9. L. is ab intestat overleden op 3 oktober 2007, waarna zijn enige zoon, F. (° 10 oktober 1973), het geding heeft hervat.

III. Bespreking

1°. Ontvankelijkheid van de vordering

10. Appellante concludeert in hoofdorde tot de ontvankelijkheid van haar vordering.

In zover de eerste rechter de vordering van appellante tegen oorspronkelijke tweede verweerster M. L. onontvankelijk heeft verklaard, kan het hof niet op het bestreden vonnis terugkomen nu Mevrouw L. geen partij is voor het hof.

Dit onderdeel van het hoger beroep kan slechts tegen partij L. worden gericht en appellante heeft precies haar hoger beroep niet tegen partij L. gericht maar enkel tegen L. en, thans na gedinghervatting, tegen F. .

In zover de eerste rechter de oorspronkelijke vordering van appellante tegen geïntimeerde L. ontvankelijk heeft verklaard heeft appellante geen belang om hoger beroep in te stellen. Dit onderdeel van het bestreden vonnis wordt evenmin betwist door geïntimeerde L. en thans na gedinghervatting door F. .

2°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

10. Geïntimeerde werpt op dat het hoger beroep onontvankelijk is nu de procedure in vereffening en verdeling ondeelbaar is zodat alle partijen in de procedure dienen betrokken te worden.

Nu het hoger beroep niet gericht is tegen mevrouw M. L., stelt geïntimeerde dat het niet ontvankelijk is.

11. Appellante laat opmerken dat mevrouw M. L. niet betrokken is in de onverdeeldheid, dat uit de aangifte van nalatenschap blijkt dat de echtgenoten R. en M. L. geen eigenaars waren van onverdeelde goederen en dat het geschil niet onsplitsbaar is in de zin van artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek zodat haar hoger beroep wel degelijk ontvankelijk is.

12. Artikel 1053 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep gericht moet worden tegen alle partijen wier belang in strijd zijn met dat van de eiser in hoger beroep en dat, bij niet-inachtneming van deze regel, het hoger beroep niet wordt toegelaten.

Deze bepaling is van openbare orde.

Artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het geschil onsplitsbaar is "wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn."

13. Een vordering tot uit onverdeeldheidtreding is ondeelbaar in deze zin dat alle deelgenoten (gerechtigden met zelfde zakelijke rechten) erbij moeten betrokken worden, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot uit onverdeeldheidtreding.

Gelet op het voorwerp en de omvang van het bijzonder legaat ten voordele van de weduwe bestaat er te dezen een ernstige kans (minstens een theoretische kans) dat haar legaat het beschikbaar deel van de fictieve massa in de zin van artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek) overschrijdt, zodat bij inkorting in blote eigendom in natura ervan, de twee voorbehouden erfgenamen en de bijzondere legataris alsdan in onverdeeldheid qua blote eigendom zullen zijn, zodat bij de vordering tot vereffening (eerste verrichting) en verdeling (voor de weduwe: eventuele tweede verrichting) van de nalatenschap de drie partijen (de weduwe-legataris en de twee voorbehouden erfgenamen) betrokken dienen te zijn.

De vereffening eist stellig de aanwezigheid van de weduwe-legataris. Bij de verdeling van de blote eigendom van de nalatenschap moet de bijzondere legataris niet aanwezig zijn mits: 1° er geen goederen behoren tot de onverdeeldheid bestaand hebben tussen R. en M. L., en 2° het uit de voorafgaande vereffening duidelijk blijkt dat het bijzonder legaat het beschikbaar deel niet overschrijdt, en er geen inkorting van haar legaat alsdan kan worden gevorderd.

De exceptie van geïntimeerde is gegrond.

Het hoger beroep is onontvankelijk.

14. Nu het hoger beroep onontvankelijk is kan het hof niet ingaan op de suggestie van appellante om de behandeling van de zaak in voortzetting te stellen.

15. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellante als in het ongelijk gestelde partij.

Partijen begroten hun rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare geschillen bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep onontvankelijk.

Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

23/04/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN

Mots libres

  • I. Vordering tot verdeling: ondeelbaarheid. II. Onsplitsbaarheid. Definitie en rechtsgevolgen in hoger beroep (art. 1053 Ger. W.).