- Arrêt du 4 juin 2013

04/06/2013 - 2010AR307

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De rechter die kennis neemt van het derdenverzet beoordeelt weliswaar het gehele geschil opnieuw, maar indien hij vernietigt, heeft dat alleen gevolgen voor de rechtstoestand van de eisende partij op derdenverzet. De rechtstoestand van de oorspronkelijke partijen is immers reeds beoordeeld in de bestreden beslissing. De vernietiging ten aanzien van de derde alleen komt neer op een verklaring van niet-tegenwerpbaarheid.

Artikel 1130, 2de lid Ger. W. bepaalt: "De vernietiging geldt ten aanzien van alle partijen in zover de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onverenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de vernietigende beslissing." Voor het begrip van "de onverenigbaarheid van de tenuitvoerlegging" wordt er terecht verwezen naar artikel 31 Ger. W. met betrekking tot de onsplitsbaarheid: een geschil is onsplitsbaar wanneer de tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen materieel onmogelijk zou zijn. Toegepast op het derdenverzet betekent dit dat enkel wanneer de bestreden beslissing en de beslissing op derdenverzet onmogelijk tegelijk kunnen uitgevoerd worden, de nieuwe beslissing in die mate ook moet gelden ten aanzien van de oorspronkelijke procespartijen. Een dergelijk begrip van de onverenigbaarheid van gezamenlijke tenuitvoerlegging beperkt de vernietiging ten aanzien van alle partijen uit artikel 1130, 2de lid, die immers een uitzondering vormt op de algemene regel, het gezag van gewijsde.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/307

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap INGENIEURSBUREAU STOCKMAN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9000 GENT, Voskenslaan 332, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0421.104.219,

eiseres op derdenverzet,

vertegenwoordigd door Meester Paul LAGAE, advocaat te 9000 GENT, Coupure 387,

1ste kamer

TEGEN :

1) De V.Z.W. KATHOLIEK ONDERWIJS GENT-AGGLOMERATIE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 9000 GENT, Zilverenberg 1, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0415.819.303,

2) De B.V.B.A. CENTRALE VERWARMING K. W., waarvan de vennotschapszetel gevestigd is te 9180 MOERBEKE-WAAS, Damstraat 206, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0419.151.450,

verweersters op derdenverzet, vertegenwoordigd door Meester Frank DE WILDEMAN, advocaat te 9940 SLEIDINGE, Lovendonk 4,

Artikel 1130 Ger. W. Rechtsmacht van de rechter bij derdenverzet. Vernietiging alleen ten aanzien van de derde die derdenverzet aantekende. Uitzondering op dit principe vervat in artikel 1130, tweede lid Ger. W.

De rechter die kennis neemt van het derdenverzet beoordeelt weliswaar het gehele geschil opnieuw, maar indien hij vernietigt, heeft dat alleen gevolgen voor de rechtstoestand van de eisende partij op derdenverzet. De rechtstoestand van de oorspronkelijke partijen is immers reeds beoordeeld in de bestreden beslissing. De vernietiging ten aanzien van de derde alleen komt neer op een verklaring van niet-tegenwerpbaarheid.

Artikel 1130, 2de lid Ger. W. bepaalt: "De vernietiging geldt ten aanzien van alle partijen in zover de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onverenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de vernietigende beslissing." Voor het begrip van "de onverenigbaarheid van de tenuitvoerlegging" wordt er terecht verwezen naar artikel 31 Ger. W. met betrekking tot de onsplitsbaarheid: een geschil is onsplitsbaar wanneer de tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen materieel onmogelijk zou zijn. Toegepast op het derdenverzet betekent dit dat enkel wanneer de bestreden beslissing en de beslissing op derdenverzet onmogelijk tegelijk kunnen uitgevoerd worden, de nieuwe beslissing in die mate ook moet gelden ten aanzien van de oorspronkelijke procespartijen. Een dergelijk begrip van de onverenigbaarheid van gezamenlijke tenuitvoerlegging beperkt de vernietiging ten aanzien van alle partijen uit artikel 1130, 2de lid, die immers een uitzondering vormt op de algemene regel, het gezag van gewijsde.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het derdenverzet tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 3 april 2001.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Het blijkt niet dat het arrest is betekend aan STOCKMAN INGENIEURSBUREAU, eiseres op derdenverzet. Het derdenverzet is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De VZW KATHOLIEK ONDERWIJS GENT-AGGLOMERATIE (verder aangeduid als K., en toentertijd nog genaamd DIOCESAAN SCHOOLCOMITE GENT-AGGLOMERATIE) heeft in 1989 een openbare aanbesteding uitgeschreven voor de renovatie van de centrale verwarmingsinstallatie van het Sint Lievenscollege te Gent. De NV STOCKMAN INGENIEURSBUREAU was de ontwerper en stelde het aanbestedingsdossier op.

De BVBA K. W. diende op 19 juni 1989 een inschrijving in, voor 17.067.176 BEF. Bij de opening van de inschrijvingen op de openbare zitting van 20 juni 1989 bleek dit de laagste prijs van de vijf inschrijvers.

Bij aangetekende brief van 21 juni 1989 stelde STOCKMAN INGENIEURSBUREAU aan K. W. een aantal vragen met betrekking tot onder meer types en specificaties van het materiaal, de driewegventielen en de regeling, het niet voorzien van overwerkschakelaars, de precieze inplanting van de ketels in de stookplaats. Bij aangetekende brief van 28 juni 1989 gaf K. W. antwoorden.

K. gunde de werken aan een andere inschrijver. Dit werd niet meegedeeld aan K. W..

Op 15 september 1989 verzocht K. W. K. om uitleg. Bij brief van 19 september 1989 antwoordde K. dat zij het advies van de ontwerper had gevolgd en dat K. W. dat advies kon komen inkijken. Op een vergadering van 9 oktober 1989 verwees K. naar het advies van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU, die adviseerde tot de onregelmatigheid op grond van een ontbrekende pagina in de offerte en een niet-conforme regeling van de overwerkschakelaars. In de procedure werd later een aanbestedingsverslag van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU meegedeeld , gedateerd op 27 juni 1989, dat adviseerde dat de inschrijving van K. W. niet regelmatig was.

K. W. stelde dat zij de laagste regelmatige inschrijver was, en maakte aanspraak op de vergoeding van 10 % met toepassing van artikel 12 van de Overheidsopdrachtenwet van 14 juli 1976. Zij dagvaardde K. op 2 februari 1990 voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde K. W. de veroordeling van K. tot de betaling aan haar van 1.996.860 BEF, plus "de wettelijke intresten" vanaf 20 juni 1989 tot datum dagvaarding waarna de gerechtelijke interesten.

K. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van K. W. gedeeltelijk gegrond en veroordeelde K. tot betaling aan K. W. van 1.996.860 BEF, plus de verwijlintresten vanaf 17 november 1989 tot datum dagvaarding waarna de gerechtelijke interesten.

3.3

In hoger beroep vroeg K. de vordering ongegrond te verklaren. Zij stelde dat de inschrijving van K. W. nietig, minstens onregelmatig was.

K. W. concludeerde tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

3.4

Bij arrest van 3 april 2001 verklaarde het hof van beroep te Gent het hoger beroep ongegrond.

3.5

Op 4 maart 2003 dagvaardde K. STOCKMAN INGENIEURSBUREAU voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent tot betaling van 49.500,87 EUR plus intresten, wat overeenstemde met wat K. had betaald aan K. W. in uitvoering van het arrest van 3 april 2001. K. hield STOCKMAN INGENIEURSBUREAU aansprakelijk voor de gevolgen van haar adviezen bij de openbare aanbesteding. Naar luid van de conclusie van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU in huidige procedure is de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent nog hangend, en beroept K. zich daar op het arrest van 3 april 2001 als een vermoeden dat alleen weerlegbaar is door derdenverzet.

3.6

Bij dagvaarding van 31 augustus 2005 tekende STOCKMAN INGENIEURSBUREAU derdenverzet aan tegen het arrest van 3 april 2001.

STOCKMAN INGENIEURSBUREAU vorderde het arrest te vernietigen ten aanzien van haar:

" in zover in het motiverend gedeelte van dit arrest sub n° 7 als volgt werd geoordeeld:

"Appellante bewijst evenmin de niet-conformiteit van geïntimeerdes inschrijving met het bestek.

Het tegendeel blijkt uit het uitvoerig antwoord dat geïntimeerde bij aangetekend schrijven de dato 28 juni 1989 gaf aan de N.V. STOCKMAN INGENIEURSBUREAU die in haar brief van 21 juni 1989 (verstuurd op 22 juni 1989) uitleg vroeg over een aantal specifieke bestekposten.

Terecht wees de eerste rechter er op dat het aanbestedingsverslag van 27 juni 1989 aan het licht bracht dat appellante niet eens het antwoord van geïntimeerde op de door haarzelf geformuleerde vragen heeft afgewacht doch van meet af aan de inschrijving van geïntimeerde, hoewel de laagste, als onregelmatig heeft afgewezen.

Een zinnige verklaring voor deze bizarre gang van zaken heeft appellante tijdens de appelprocedure niet verstrekt. "

Bij uitbreiding van haar derdenverzet vroeg STOCKMAN INGENIEURSBUREAU te zeggen dat het arrest nietig is ten aanzien van haar voor zover het de schadevergoeding van 10% van de inschrijvingsprijs heeft verhoogd met 17 % BTW.

Ondergeschikt vroeg ze de aanstelling van een deskundige voor een advies over de regelmatigheid van de inschrijving van K. W. en over het voorstel van toewijzing dat STOCKMAN INGENIEURSBUREAU had opgesteld.

K. stelde dat het gehele geschil ter beoordeling lag, en concludeerde tot de ongegrondheid van het derdenverzet. Ondergeschikt vroeg zij de veroordeling van K. W. tot betaling aan haar van 79.219,41 EUR plus de verwijlintresten op 79.645,79 EUR vanaf 28 oktober 2005.

K. W. concludeerde tot de ongegrondheid van het derdenverzet. Ondergeschikt vroeg zij te zeggen dat het derdenverzet beperkt was tot de tegenwerpbaarheid van volgende overweging in het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 april 2001:

"Appellante bewijst evenmin de niet-conformiteit van geïntimeerdes inschrijving met het bestek.

Het tegendeel blijkt uit het uitvoerig antwoord dat geïntimeerde bij aangetekend schrijven de date 28 juni 1989 gaf aan de N. V. STOCKMAN INGENIEURSBUREAU die in haar brief van 21 juni 1989 (verstuurd op 22 juni 1989) uitleg vroeg over een aantal specifieke bestekposten.

Terecht wees de eerste rechter er op dat het aanbestedingsverslag van 27 juni 1989 aan het licht bracht dat appellante niet eens het antwoord van geïntimeerde op de door haarzelf geformuleerde vragen heeft afgewacht doch van meet af aan de inschrijving van geïntimeerde, hoewel de laagste, als onregelmatig heeft afgewezen. "

3.7

Bij arrest van 11 april 2007 verklaarde het hof van beroep te Gent het derdenverzet ongegrond. Het hof verklaarde de uitbreiding van het derdenverzet niet ontvankelijk omdat STOCKMAN INGENIEURSBUREAU niet aantoonde dat de beslissing met betrekking tot de grootte van de schadevergoeding haar rechten kon benadelen.

3.8

STOCKMAN INGENIEURSBUREAU stelde cassatieberoep in. bij arrest van het hof van Cassatie van 1 oktober 2009 werd het arrest vernietigd.

Het hof overwoog onder meer:

"

Het hof op derdenverzet dat zonder uit te sluiten dat de inschrijving van de tweede verweerster, zoals door de eiseres aangevoerd, afweek van essentiële technische specificaties van het bestek, aldus oordeelt dat de inschrijving van de tweede verweerster door het bestuur niet als onregelmatig mocht worden beschouwd, om de enkele reden dat hierbij geen rekening werd gehouden met het door de tweede verweerster op verzoek van de eiseres verstrekte uitleg, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

"

Het Hof van Cassatie besliste dat de vernietiging zich uitstrekte tot de beslissing met betrekking tot de uitbreiding van het derdenverzet gezien de nauwe band tussen de beslissingen.

3.9

Voor dit hof herneemt STOCKMAN INGENIEURSBUREAU haar vordering in derdenverzet met inbegrip van de uitbreiding en de ondergeschikte vraag tot aanstelling van een deskundige zoals hierboven weergegeven (onder punt 3.6.)

K. herneemt haar verweer en haar tussenvordering tegen K. W. zoals hierboven weergegeven (onder punt 3.6.)

K. W. herneemt haar verweer tegen het derdenverzet van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU en tegen de tussenvordering van K. zoals hierboven weergegeven (onder punt 3.6.). Ondergeschikt verzet zij zich niet tegen de aanstelling van een deskundige.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De rechtsmacht van de rechter op derdenverzet

Artikel 1130, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het gerecht dat het derdenverzet toewijst, de bestreden beslissing geheel of ten dele vernietigt "doch alleen ten aanzien van de derde". De rechter die kennis neemt van het derdenverzet beoordeelt dus weliswaar het gehele geschil opnieuw, maar indien hij vernietigt, heeft dat alleen gevolgen voor de rechtstoestand van de eisende partij op derdenverzet. De rechtstoestand van de oorspronkelijke partijen is immers reeds beoordeeld in de bestreden beslissing. De hier bestreden beslissing is overigens zelfs uitgevoerd. De vernietiging ten aanzien van de derde alleen komt neer op een verklaring van niet-tegenwerpbaarheid.

Artikel 1130, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "De vernietiging geldt ten aanzien van alle partijen in zover de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onverenigbaar is met de tenuitvoerlegging van de vernietigende beslissing." Terecht verwijst K. W. voor het begrip van de onverenigbaarheid van de tenuitvoerlegging naar artikel 31 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de onsplitsbaarheid: een geschil is onsplitsbaar wanneer de tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen materieel onmogelijk zou zijn. Toegepast op het derdenverzet betekent dit dat enkel wanneer de bestreden beslissing en de beslissing op derdenverzet onmogelijk tegelijk kunnen uitgevoerd worden, de nieuwe beslissing in die mate ook moet gelden ten aanzien van de oorspronkelijke procespartijen. Een dergelijk begrip van de onverenigbaarheid van gezamenlijke tenuitvoerlegging beperkt de vernietiging ten aanzien van alle partijen uit artikel 1130, 2de lid, die immers een uitzondering vormt op de algemene regel, het gezag van gewijsde. Wanneer de onverenigbaarheid van gezamenlijke tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1130, 2de lid ruimer zou uitgelegd worden, met name als een tegenstrijdigheid bij tenuitvoerlegging, dan werd de nietigheid ten aanzien van de oorspronkelijke partijen de regel, in strijd met de logica van het Gerechtelijk Wetboek. Een geschil dat definitief beslecht is, zoals in deze door het arrest van 3 april 2001 tussen K. en K. W., behoort niet een derde aanleg te krijgen als gevolg van het verzet van een derde. Een tegenstrijdigheid tussen de gevolgen van de bestreden beslissing en die van de beslissing op derdenverzet (bij vernietiging) volstaat niet om de nietigheid ten aanzien van de oorspronkelijke partijen te laten gelden. Wanneer een derdenverzet gegrond verklaard wordt, bestaat er overigens per definitie een strijdigheid tussen de bestreden beslissing en de beslissing op derdenverzet.

In huidig geval strekt de bestreden beslissing tot het bekomen van een geldelijke veroordeling; het derdenverzet strekt tot verweer tegen een vordering tot geldelijke veroordeling. In geval van tegenstrijdige beslissingen kunnen de geldelijke veroordelingen perfect tegelijk uitgevoerd worden. Concreet: het schept geen enkele uitvoeringsmoeilijkheid dat enerzijds beslist is dat K. wegens onterechte wering van de inschrijving van K. W. moet betalen aan K. W., en dat anderzijds wordt beslist dat die beslissing niet tegenwerpbaar is aan STOCKMAN INGENIEURSBUREAU omdat de wering terecht was.

Het arrest van 3 april 2001 is dus definitief voor wat betreft de verhouding tussen K. en K. W.. Alleen de tegenwerpbaarheid van het deel van de beslissing aangeduid door STOCKMAN INGENIEURSBUREAU staat dus ter beoordeling. Ook de vraag of STOCKMAN INGENIEURSBUREAU in de uitvoering van haar overeenkomst met K. een fout heeft gemaakt staat niet ter beoordeling van het hof: die betwisting is aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Uit het bovenstaande volgt meteen dat de tussenvordering van K. tegen K. W., een vorm van regres voor het geval dat het derdenverzet van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU gegrond wordt verklaard, niet ontvankelijk is. K. laat gelden dat na een gegrond verklaren van het derdenverzet van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU de betaling van K. aan K. W. geen redelijke grondslag meer heeft. Het hof heeft echter geen rechtsmacht om via deze weg de veroordeling van K. tot betaling aan K. W. door het arrest van 3 april 2001 ongedaan te maken.

4.2 Het derdenverzet

4.2.1 Het oorspronkelijke derdenverzet

STOCKMAN INGENIEURSBUREAU betwist volgende motivering uit het arrest van 3 april 2001:

"Appellante bewijst evenmin de niet-conformiteit van geïntimeerdes inschrijving met het bestek.

Het tegendeel blijkt uit het uitvoerig antwoord dat geïntimeerde bij aangetekend schrijven de date 28 juni 1989 gaf aan de N. V. STOCKMAN INGENIEURSBUREAU die in haar brief van 21 juni 1989 (verstuurd op 22 juni 1989) uitleg vroeg over een aantal specifieke bestekposten.

Terecht wees de eerste rechter er op dat het aanbestedingsverslag van 27 juni 1989 aan het licht bracht dat appellante niet eens het antwoord van geïntimeerde op de door haarzelf geformuleerde vragen heeft afgewacht doch van meet af aan de inschrijving van geïntimeerde, hoewel de laagste, als onregelmatig heeft afgewezen.

Een zinnige verklaring voor deze bizarre gang van zaken heeft appellante tijdens de appelprocedure niet verstrekt. "

Dat K. geen rekening zou hebben gehouden met de antwoorden van K. W. van 28 juni 1989 op de door STOCKMAN INGENIEURSBUREAU gestelde vragen volstaat niet om te besluiten dat K. ten onrechte de inschrijving van K. W. als onregelmatig heeft beschouwd.

Terecht oordeelde het hof van beroep te Gent in het arrest van 3 april 2001 dat het beweerde ontbreken van een handtekening op de inschrijving de wering niet kan motiveren. K. bewijst niet dat de inschrijving niet ondertekend was, en het aanbestedingsverslag van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU vermeldt daarover ook niets. K. stelde nochtans in haar brief van 19 september 1989 dat zij bij de wering het advies van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU had gevolgd. K. heeft het middel met betrekking tot de niet-ondertekening overigens ook pas opgeworpen in hoger beroep.

Het aanbestedingsverslag van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU waarop K. de wering van de inschrijving van K. W. beweert te hebben gesteund, adviseert de wering van de inschrijving op grond van twee onregelmatigheden: het ontbreken van een pagina, en een technische onregelmatigheid.

Het hof van beroep te Gent oordeelde terecht dat het ontbreken van pagina 24 van de meetstaat van K. W. niet kon leiden tot wering van de inschrijving. Het aanbestedingsverslag van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU vermeldt immers dat de pagina werd ingevuld aan de hand van de eenheidsprijzen uit de meetstaat van K. W. . Anders dan het aanbestedingsverslag besloot, was het dus niet onmogelijk om de door K. W. opgegeven prijs vast te stellen. Bovendien heeft K. in rechte uitdrukkelijk erkend dat de wering niet steunde op het ontbreken van de pagina .

De technische onregelmatigheid bedoeld door STOCKMAN INGENIEURSBUREAU in het aanbestedingsverslag bestaat erin "dat de inschrijver expliciet in een nota bijvoegt dat een aantal te leveren materialen en werken niet inbegrepen zijn in zijn aanneming. Daardoor wijzigt hij de termen van de aannemer zoals beschreven in het bestek" . Volgens het aanbestedingsverslag voldeden niet aan de eisen van het bestek: "a) trendlog en realtime status ontbreken; b) overwerkschakelaars in het zoneregelingssysteem expliciet niet inbegrepen in inschrijving" .

Het bewijs van de niet-conformiteit van de inschrijving van K. W. met het bestek kan bijgevolg alleen blijken uit een onderzoek van het beweerde ontbreken van "trendlog en realtime status" en van "overwerkschakelaars in het zoneregelingssysteem".

K. W. voert aan dat haar inschrijving op deze twee punten niet afweek van essentiële technische specificaties van het bestek, en dat STOCKMAN INGENIEURSBUREAU dit kon afleiden uit de verduidelijkingen in de brief van 28 juni 1989.

Met betrekking tot de overwerkschakelaars stelt K. W. dat de terminologie van STOCKMAN INGENIEURSBUREAU niet eenduidig is, en dat de overwerktimer die zij in haar inschrijving voorstelde beter beantwoordde aan de door STOCKMAN INGENIEURSBUREAU beschreven behoefte tot tijdelijke afwijking van de standaardinstellingen. STOCKMAN INGENIEURSBUREAU bestrijdt dat onderscheid.

Met betrekking tot "trendlog en realtime status" laat K. W. gelden dat zij in haar brief van 28 juni 1989 heeft verduidelijkt dat in haar systeem een microprocessor gegevens zou bijhouden. STOCKMAN INGENIEURSBUREAU antwoordt dat dit niet het zelfde is als de opgelegde "trendlog" van alle meet- en regelpunten.

De beoordeling van deze technische elementen vergt een bijzondere kennis waarover het hof niet beschikt, zodat de aanstelling van een deskundige met de hieronder beschreven opdracht aangewezen is.

4.2.2 De uitbreiding van het derdenverzet

STOCKMAN INGENIEURSBUREAU voert aan dat de forfaitaire schadevergoeding van artikel 12 van de Overheidsopdrachtenwet van 14 juli 1976 ten onrechte is verhoogd met de BTW, aan 17 %. K. en K. W. voeren daarover geen verweer. Het blijkt niet dat dit voorwerp van betwisting is geweest in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de bestreden beslissing.

De forfaitaire vergoeding van 10 % beoogt de vergoeding van de schade van de onterecht geweerde inschrijver. De BTW kan niet beschouwd worden als een element van diens schade. Er is dus geen reden om de vergoeding te verhogen met de BTW. Dit vindt bevestiging in het feit dat artikel 15 van de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993, de nieuwe versie van deze bepaling, de BTW uitdrukkelijk uitsluit van de basis van de vergoeding.

Het arrest van 3 april 2001 is op dit punt dus niet tegenwerpbaar aan STOCKMAN INGENIEURSBUREAU.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het derdenverzet ontvankelijk

Verklaart het gegrond voor zover het gericht is tegen het arrest van 3 april 2001 voor zover dit in de forfaitaire vergoeding op grond van artikel 12 van de Overheidsopdrachtenwet van 14 juli 1976 de BTW meetelt; verklaart het arrest van 3 april 2001 op dit punt niet tegenwerpbaar aan STOCKMAN INGENIEURSBUREAU.

Verklaart de tussenvordering van K. tegen K. W. niet ontvankelijk;

Alvorens verder recht te spreken,

Stelt aan als deskundige,

de heer Robert DE LATHAUWER, Burgerlijk ingenieur - architect, te 9200 DENDERMONDE, Kerkstraat 65 (tel. 052/25.83.70 - fax 052/25.83.75- gsm 0475/95.89.63,

met als opdracht een onderzoek te voeren naar en advies op te stellen over de vraag of de inschrijving van K. W. van 20 juni 1989 op de door K. uitgeschreven openbare aanbesteding voor de renovatie van de centrale verwarmingsinstallatie van het Sint Lievenscollege te Gent met betrekking tot "trendlog en realtime status" en "overwerkschakelaars in het zoneregelingssysteem" afweek van essentiële technische specificaties van het bestek nr. LIE - 609, en of de brief van K. W. van 28 juni 1989 over die punten verduidelijkingen inhield dan wel wijzigingen van de inschrijving;

Zegt dat deze deskundige zijn opdracht zal vervullen door:

- de partijen gezamenlijk te horen in hun verklaringen en opmerkingen, tenminste hen daartoe behoorlijk op te roepen;

- kennis te nemen van de stukken die partijen hem voorleggen, en in voorkomend geval van de stukken die hij zich door partijen zal laten voorleggen;

- alle nuttige inlichtingen in te winnen en onderzoekingen te doen, waarbij hij zich voor technische vragen buiten zijn eigen vakgebied kan laten bijstaan door medewerkers of gespecialiseerde technici, maar zelf zal blijven instaan voor de verwerking van de door hen geleverde elementen;

- te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen;

- te pogen partijen te verzoenen, en in geval van verzoening een schriftelijk protocol op te stellen van het akkoord tussen partijen, het door partijen te laten ondertekenen en een kopie daarvan neer te leggen op de griffie van dit hof;

- in geval van niet-verzoening een schriftelijk en gemotiveerd voorverslag aan partijen en hun raadslieden toe te sturen met verzoek hun opmerkingen te ontvangen binnen een redelijke termijn die hij zal bepalen;

- vervolgens deze opmerkingen te beantwoorden, en in een definitief en onder eed bevestigd verslag zijn advies te geven over de hierboven in de opdracht omschreven punten;

- het besluit van dit verslag op te stellen in doorlopende tekst en niet onder de enkele verwijzing naar de overeenkomstige passages van zijn voorverslag;

- dit verslag samen met de schriftelijke opmerkingen van partijen in te dienen op de griffie van dit hof binnen de termijn die het hof bepaalt.

Zegt dat de deskundige zijn opdracht zal uitvoeren met toepassing van de bepalingen van de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek.

Zegt dat de deskundige zijn eindverslag zal neerleggen ten laatste op 1 december 2013.

Zegt dat de deskundige zijn ereloon zal aanrekenen aan uurtarief en zijn kosten zal aanrekenen per eenheid;

Bepaalt het voorschot op de prijs van het onderzoek op 2.500 EUR, en zegt dat STOCKMAN INGENIEURSBUREAU dit zal consigneren op de griffie van het hof ten laatste op 15 augustus 2013; zegt dat 1.500,00 EUR daarvan onmiddellijk kunnen worden vrijgegeven aan de deskundige;

Verzendt de zaak voor het overige naar de bijzondere rol;

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

04/06/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Derdenverzet. Rechtsgevolgen. Vernietiging. Draagwijdte (art. 1130, lid 1 Ger. W.). Nuancering of uitzondering (art. 1130, tweede lid Ger. W.). 'Onverenigbaaheid bij de tenuitvoerlegging. Begrip. Art. 31 Ger. W. inzake het begrip onsplitsbaarheid: materiële onmogelijkeid van gezamenlijke tenuitvoerlegging