- Arrêt du 18 juin 2013

18/06/2013 - 2010AR2953

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. Elke mede - eigenaar die een onverdeelde goed exclusief gebruikt is - in beginsel - een woonstvergoeding verschuldigd aan de andere mede - eigenaar(s) op grond van het gemeenrecht inzake mede - eigendom. Van verjaring kan in deze geen sprake zijn vermits deze vergoeding al even onverjaarbaar is als de vordering tot verdeling zelf. De woonvergoeding is geen huurprijs of geen huurgeld en artikel 2277 B.W. inzake de verjaring na vijf jaar is dus in een dergelijke aangelegenheid niet van toepassing.

II. De procesrechtelijke woonplaats en de burgerlijke woonplaats zijn twee begrippen die duidelijk onderscheiden dienen te worden. De inschrijving of de vermeldingen in het bevolkingsregister zijn immers op zichzelf geen volledig of sluitend bewijs van de eigenlijke feitelijke verblijfplaats van een persoon.

III. Rechtsverwerking veronderstelt dat de titularis van een recht of een bevoegdheid de mogelijkheid ontnomen wordt om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Louter stilzitten, d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of een bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring.

IV. Na het opmaken van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden kan een deelgenoot zich uitzonderlijk toch nog rechtstreeks tot de boedelrechter wenden op basis van ‘nieuwe feiten'. Een partij kan de rechtbank vatten indien nieuwe feiten of nieuwe stukken van "overwegend belang" aan het licht komen die aan de partijen of aan een van hen onbekend waren op het ogenblik van het verlijden van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden, of - preciezer - op het ogenblik van de neerlegging van de stukken ter griffie zoals bedoeld in artikel 1219, §2 Ger. W.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2953

INZAKE VAN :

Mevrouw S. V.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 14 september 2010,

in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Dirk DE MAESENEER, advocaat te 3000 LEUVEN, Philipslaan 20,

1ste kamer

TEGEN :

De heer R. V.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Luc RAEYMAEKERS, advocaat te 2260 WESTERLO, Baksveld 3E,

Vereffening en verdeling.

I. Woonstvergoeding en verjaring.

II. Onderscheid tussen de begrippen woonplaats in het burgerlijk recht (art. 102 BW) en in het gerechtelijk recht (art. 36 Ger. W.).

III. Rechtsverwerking: bepaling en impact.

IV. Artikel 1219, §2 Ger. W. Quid in geval van nieuwe relevante feiten ‘van overwegend belang' sinds de neerlegging ter griffie, van de stukken?

I. Elke mede - eigenaar die een onverdeelde goed exclusief gebruikt is - in beginsel - een woonstvergoeding verschuldigd aan de andere mede - eigenaar(s) op grond van het gemeenrecht inzake mede - eigendom. Van verjaring kan in deze geen sprake zijn vermits deze vergoeding al even onverjaarbaar is als de vordering tot verdeling zelf. De woonvergoeding is geen huurprijs of geen huurgeld en artikel 2277 B.W. inzake de verjaring na vijf jaar is dus in een dergelijke aangelegenheid niet van toepassing.

II. De procesrechtelijke woonplaats en de burgerlijke woonplaats zijn twee begrippen die duidelijk onderscheiden dienen te worden. De inschrijving of de vermeldingen in het bevolkingsregister zijn immers op zichzelf geen volledig of sluitend bewijs van de eigenlijke feitelijke verblijfplaats van een persoon.

III. Rechtsverwerking veronderstelt dat de titularis van een recht of een bevoegdheid de mogelijkheid ontnomen wordt om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Louter stilzitten, d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of een bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring.

IV. Na het opmaken van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden kan een deelgenoot zich uitzonderlijk toch nog rechtstreeks tot de boedelrechter wenden op basis van ‘nieuwe feiten'. Een partij kan de rechtbank vatten indien nieuwe feiten of nieuwe stukken van "overwegend belang" aan het licht komen die aan de partijen of aan een van hen onbekend waren op het ogenblik van het verlijden van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden, of - preciezer - op het ogenblik van de neerlegging van de stukken ter griffie zoals bedoeld in artikel 1219, §2 Ger. W.

___________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 14 september 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 8 november 2010;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 13 mei 2011;

• de aanvullende en synthese conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 14 juli 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 6 mei 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Relevante feiten en voorwerp van de vorderingen.

1.1. G. VE. is testamentloos overleden te P. op 29 november 1971.

Zij was de echtgenote van P. V. die overleden is op 7 juli 2002.

Beide partijen waren gehuwd onder het wettelijk stelsel.

Samen hadden zij twee kinderen, R. en A. V.. R. V. is huidige geïntimeerde en appellante, S. V., is de enige dochter van A. V. die overleden is op 18 juli 1998.

1.2. Bij vonnis van 6 september 2001 werd de vereffening en verdeling bevolen van enerzijds de ontbonden huwgemeenschap V. - VE. en anderzijds de nalatenschap van G. VE..

J. X. en A.Y. werden alsdan aangesteld als boedelnotarissen.

De staat van vereffening werd opgesteld op 7 juni 2002, gevolgd door het proces - verbaal van zwarigheden van 22 augustus 2002 en het advies van de notarissen van 29 januari 2003. De stukken betreffende de notariële verrichtingen werden neergelegd ter griffie op 17 februari 2003.

1.3. Ingevolge het overlijden van P. V. op 7 juli 2002 werd bij vonnis van 25 september 2003 de vereffening en verdeling bevolen van diens nalatenschap en werd notaris X. aangesteld als boedelnotaris.

De staat van vereffening werd opgesteld op 23 mei 2005, gevolgd door het proces - verbaal van zwarigheden van 25 augustus 2005 en het advies van de notaris van 26 september 2005.

De stukken betreffende deze notariële verrichtingen werden neergelegd ter griffie in de loop van 2005.

1.4. A. V. bleef tot zijn overlijden (= op 18 juli 1998) in de woning van zijn ouders wonen.

1.5. In eerste instantie betwist appellante een woonstvergoeding verschuldigd te zijn en vraagt dat de staat van vereffening en verdeling op dat punt zou worden gewijzigd.

Ondergeschikt vraagt zij met alle middelen van recht, getuigenissen inbegrepen, het bewijs te mogen leveren dat de heer P. V. - haar grootvader - niet inwoonde bij zijn vriendin, mevrouw L. M., doch de facto steeds verbleven heeft in de woning te R. en dit tot het overlijden van A. V., haar vader.

De eerste rechter heeft appellante hierin niet gevolgd en heeft de respectieve staten van vereffening en verdeling opgesteld op 7 juni 2002 en 23 mei 2005 ontstaan ingevolge enerzijds het overlijden van mevrouw VE. en anderzijds ontstaan ingevolge het overlijden van de heer P. V. gehomologeerd.

Geïntimeerde vraagt op dat punt de bevestiging van het bestreden vonnis.

1.6. In hoger beroep roept appellante voor het eerst in dat er inmiddels een nieuw element is opgetreden in dit dossier in die zin dat zij vermoedt dat geïntimeerde activa heeft achtergehouden.

Zij vraagt in dit verband conform artikel 877 en 878 Ger.W. aan geïntimeerde en aan DEXIA Bank te bevelen de nodige stukken voor te leggen waaruit blijkt wie op 27 juli 1998 in het agentschap te R. de som van 2.573.840 BEF of 63.803,33 euro werd uitbetaald.

Geïntimeerde werpt op dat dit geschil nooit aanhangig is gemaakt bij de instrumenterende notarissen, niet werd opgenomen in het proces - verbaal van zwarigheden en evenmin het voorwerp is geweest van enig advies vanwege de instrumenterende notarissen en besluit hieruit dat de vordering op dat punt niet ontvankelijk dient verklaard te worden.

II. Bespreking.

2.1. Appellante betwist vooreerst een woonstvergoeding verschuldigd te zijn en vraagt op dat punt de staat van vereffening aan te passen.

2.2. A. V. betrok de woning - gelegen te R., Leuvensebaan 113 - vanaf zijn huwelijk tot aan zijn overlijden (= vanaf 28 februari 1975 tot 18 juli 1998), dus gedurende meer dan 23 jaar.

Deze woning - toebehorende aan beide ouders - vormde een gewone onverdeeldheid tussen P., R. en A. sinds het overlijden van respectievelijk zijn echtgenote en hun moeder, met name G. Ve., op 29 november 1971.

2.3. Elke mede - eigenaar die het onverdeelde goed exclusief gebruikt is - in beginsel - een woonstvergoeding verschuldigd aan de andere mede - eigenaar(s) op grond van het gemeenrecht inzake mede - eigendom.

Van verjaring kan in deze geen sprake zijn vermits deze vergoeding al even onverjaarbaar is als de vordering tot verdeling zelf.

De woonvergoeding is geen huurprijs of geen huurgeld en artikel 2277 B.W. inzake de verjaring na vijf jaar is dus in een dergelijke aangelegenheid niet van toepassing.

2.4. Om geen woonstvergoeding (als erfopvolgster van A. V.) te moeten betalen of verschuldigd te zijn, beroept S. V. zich op een mondelinge overeenkomst die zou bestaan hebben tussen haar grootvader P. V. en haar vader A. V..

Nog steeds volgens appellante mocht haar vader de woning betrekken zonder huur te betalen in ruil voor het onderhoud van die woning. Zij is de mening toegedaan dat de (kosteloze) bewoning als compensatie dient aangezien te worden voor het onderhoud en de herstellingen uitgevoerd door haar vader die nooit de terugbetaling heeft gevraagd van de door hem gedane investeringen in de ouderlijke woonst.

Appellante levert evenwel het bewijs niet van het bestaan van een dergelijke overeenkomst. Zij bewijst evenmin de zogenaamde door haar vader uitgevoerde investeringen.

2.5. Partijen zijn het er bovendien niet over eens of P. V. al dan niet - en zo ja in welke mate - nog woonde in de ouderlijke woning tijdens het verblijf aldaar van diens zoon A..

Vast staat dat P. V. in de bevolkingsregisters was ingeschreven op het adres te R., Leuvensebaan 113, wat een impact heeft op de procesrechtelijke woonplaats in de zin van artikel 36 Ger. W., maar niet noodzakelijk op de bepaling van de burgerlijke woonplaats in de zin van artikel 102 B.W., waarvoor uitsluitend de feitelijke hoofdverblijfplaats als criterium wordt aangehouden.

Deze twee bepalingen en begrippen dienen derhalve duidelijk onderscheiden te worden. De inschrijving of de vermeldingen in het bevolkingsregister zijn immers op zichzelf geen volledig of sluitend bewijs van de eigenlijke feitelijke verblijfplaats van een persoon.

De bewijslast ligt dus bij S. V., wanneer zij stelt dat haar grootvader P. V. feitelijk ook in het ouderlijk huis (mee )woonde en/of aldaar zijn hoofdverblijfplaats had in de zin van de artikel 102 B.W., wat een weerslag kan hebben op de woonstvergoeding naargelang de omstandigheid dat A. V. al dan niet het exclusieve genot van de ouderlijke woning had.

Volgens het advies van de boedelnotarissen woonde P. V. in bij zijn vriendin in de ...laan te W.. Zij wijzen op de vele getuigenverklaringen. De eerste rechter volgde dit advies.

Het komt volkomen plausibel over dat P. V. de inschrijving in het bevolkingsregister niet liet wijzigen naar aanleiding van zijn verblijf bij zijn vriendin, om problemen inzake o.a. (het bedrag van) zijn pensioen te vermijden. Het feit dat de betrokkenen zelf (P. en zijn vriendin) steeds hebben verklaard dat P. V. niet inwoonde bij zijn vriendin versterkt dit argument alleen maar. Hun onderscheiden verklaringen kunnen hoe dan ook niet als objectief beschouwd worden.

Er is derhalve geen aanvaardbare reden voorhanden om het advies van de boedelnotarissen en de beslissing van de eerste rechter niet te volgen.

De inschrijving in het bevolkingsregister is immers geen decisief argument om te beslissen dat P. V. wel zijn hoofdverblijf en woonplaats in de zin van artikel 102 BW zou gehad hebben te R., Leuvensebaan 113.

In tegenstelling met wat appellante vordert, bestaat er evenmin aanleiding om de debatten te heropenen voor wat de voormelde punten betreft.

2.6. Verder blijkt uit het dossier niet dat P. V. of geïntimeerde ooit afstand zouden gedaan hebben van deze vordering.

Stilzwijgende afstand mag alleen afgeleid worden uit akten of uit bepaalde met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering.

De rechter oordeelt in feite of er stilzwijgende afstand is van recht en kan deze slechts afleiden uit feiten die voor geen enkele andere uitleg vatbaar zijn, nu stilzwijgende afstand niet wordt vermoed.

Uit het enige feit van gewacht te hebben vooraleer een woonstvergoeding te vorderen, kan niet afgeleid worden dat geïntimeerde afstand zou hebben gedaan van deze vordering. De gevorderde woonstvergoeding kadert in de vereffening en verdeling van de nalatenschap van P. V. zodat het niet duidelijk is wat appellante bedoelt dat deze laatste afstand zou hebben gedaan van die vordering.

De woonstvergoeding is bovendien ter sprake gekomen in de loop van 2002 n.a.v. de vereffening en verdeling van P. V. die overleed op 7 juli 2002. De nalatenschap van A. V. diende niet vereffend te worden gezien deze overledene slechts één dochter naliet.

Er kan dus in deze moeilijk gesteld worden dat geïntimeerde verzaakt heeft aan zijn eventuele rechten door zo lang te wachten met deze vordering in te stellen.

2.7. Er is in deze evenmin sprake van rechtsverwerking.

Rechtsverwerking veronderstelt dat de titularis van een recht of een bevoegdheid de mogelijkheid ontnomen wordt om dat recht of die bevoegdheid uit te oefenen wanneer de titularis vrijwillig een houding aanneemt welke onverenigbaar is met de uitoefening van dat recht of die bevoegdheid en indien de wederpartij bij het bepalen van haar eigen gedrag, in rechtmatig vertrouwen op de houding van de andere partij is afgegaan. Louter stilzitten, d.i. niets ondernemen in het uitoefenen van een recht of een bevoegdheid, doet geen rechtsverwerking intreden. Rechtsverwerking mag immers geen afbreuk doen aan het wettelijk stelsel van de bevrijdende verjaring.

Voor het overige wordt verwezen naar wat uiteengezet werd in punt 2.6. van huidig arrest.

2.8. De vordering tot het bekomen van een woonstvergoeding maakt in de gegeven omstandigheden tenslotte geen vorm van rechtsmisbruik uit in hoofde van geïntimeerde.

N.a.v. het openvallen van de nalatenschap van zijn vader heeft geïntimeerde die vordering geformuleerd en over die vraag hebben de boedelnotarissen hun advies verstrekt.

Nergens blijkt uit dat geïntimeerde zijn recht om een woonstvergoeding te vorderen zou hebben misbruikt of dit recht zou hebben uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen van een normale uitoefening door een voorzichtig persoon te buiten gaat.

2.9. Gezien A. V. geacht wordt de enige te zijn die het genot van de ouderlijke woning had in de zin van artikel 577-2, §5 B.W., is hij derhalve een woonstvergoeding verschuldigd , welke schuld bij zijn overlijden is overgegaan op zijn enig kind, S. V..

De eerste grief van appellante m.b.t. de door geïntimeerde gevorderde woonstvergoeding is ongegrond en het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

Het hoger beroep van S. V. is op dit punt bijgevolg ongegrond.

2.10. De volgende grief ingeroepen door appellante betreft het oude artikel 1219, §2 Ger., en heeft betrekking op de vraag of - na het opmaken van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de boedelnotaris - de deelgenoten nog nieuwe beweringen of zwarigheden kunnen voorleggen aan de rechtbank bij wie de beslechting van de beweringen en zwarigheden, opgenomen in het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden, aanhangig is.

Het antwoord op deze vraag is - in beginsel - negatief.

Op dit (algemeen) principe bestaan echter uitzonderingen.

Een eerste uitzondering komt voor indien alle partijen ermee minnelijk akkoord gaan dat nieuwe beweringen en zwarigheden - dus niet uitgedrukt in het proces - verbaal van beweringen en zwarigheden of niet voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in dergelijk proces - verbaal - toch nog aan de rechtbank kunnen voorgelegd worden. Dit akkoord tussen de deelgenoten mag uitdrukkelijk of impliciet zijn. Deze uitzondering vindt in deze geen toepassing.

Een tweede uitzondering betreft ‘nieuwe feiten'. Een partij kan de rechtbank vatten indien nieuwe feiten of nieuwe stukken van "overwegend belang" aan het licht komen die aan de partijen of aan een van hen onbekend waren op het ogenblik van het verlijden van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden, of - preciezer - op het ogenblik van de neerlegging van de stukken ter griffie zoals bedoeld in artikel 1219, §2 Ger. W.

2.11. In een brief van Dexia van 27 mei 2010, betreffende de nalatenschap van P. V., overleden op 7 juli 2002, staat letterlijk dat "het bedrag van 2.573.840 BEF op 31 juli 1998 in speciën werd uitbetaald aan de heer V. P.."

Met deze brief van 27 mei 2010 geeft de bank Dexia uitsluitsel over een zeer belangrijke aangelegenheid waarover voordien tussen partijen geen uitsluitsel bestond, en die in principe - als een nieuw stuk of feit van overwegend belang - in aanmerking komt nu de neerlegging van de twee staten van vereffening ter griffie plaatshad, respectievelijk in het jaar 2003 en 2005, dus ruimschoots na het einde van de notariële fase van elke bovenbedoelde verdeling.

Uit dit schrijven zou immers kunnen blijken dat P. V. of geïntimeerde - kort na het overlijden van de vader van appellante - gelden die hadden moeten toekomen aan appellante zouden ontrokken hebben aan haar nalatenschap.

2.12. De eerste rechter oordeelde terzake in het bestreden vonnis het volgende:"Gezien inmiddels door Dexia werd bevestigd dat na het overlijden van A. V. door wijlen de heer P. V. "2.573,84 euro" (lees: de som van 2.573.840 BEF of 63.803,33 euro) werd afgehaald, (uitbetaald in speciën aan V. P. op 31/7/1998) werd door S. V. ter zitting niet meer verder aangedrongen op de door haar ingestelde vordering."

Appellante betwist echter de hier voren onderstreepte overweging van de eerste rechter en wijst erop dat ze op dat punt overigens hoger beroep heeft aangetekend.

Uit niets blijkt inderdaad dat S. V. afstand deed - uitdrukkelijk of stilzwijgend - van een proceshandeling (in de zin van artikel 822 Ger. W.).

Uit voormelde overweging van de eerste rechter volgt geenszins dat vaststaat dat appellante afstand heeft willen doen van haar vordering met betrekking tot voormelde som van 2.573.840 BEF of 63.803,33 euro, vordering die zij steunt op het bewijsmiddel vervat in of voortvloeiende uit de brief van Dexia van 27 mei 2010.

2.13. De zaak wordt bijgevolg opnieuw verwezen naar de instrumenterende boedelnotarissen opdat zij het nodige onderzoek zouden kunnen verrichten aangaande het door appellante ingeroepen geschil m.b.t. het bedrag van 2.573.840 BEF of 63.803,33 euro en hen toe te laten betreffend dit geschil hun advies te verlenen na de gedane opzoekingen en bewerkingen.

2.14. Beide partijen vorderen een rechtsplegingsvergoeding ad 1.320 euro wat het geïndexeerde basisbedrag is voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Gelet op de aard van het geschil wordt dit bedrag ten laste gelegd van de massa.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre hierin de vordering tot afwijzing van de woonstvergoeding ingesteld door appellante ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard.

Hervormend voor het overige, verklaart de vordering m.b.t. het bedrag van 2.573.840 BEF of 63.803,33 euro ontvankelijk.

Verwijst de zaak op dit punt naar de instrumenterende boedelnotarissen opdat zij het nodige onderzoek zouden kunnen verrichten aangaande het door appellante ingeroepen geschil m.b.t. het bedrag van 2.573.840 BEF of 63.803,33 euro en hen toe te laten betreffend dit geschil hun advies te verlenen na de gedane opzoekingen en bewerkingen, desgevallend in een aanvullende vereffeningstaat.

Legt de kosten in hoger beroep ten laste van de massa, in hun geheel begroot

- in hoofde van appellante op euro 1.506 ( 186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

18/06/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Mots libres

  • Woonstvergoeding. Woonplaats: begrip. Rechtsverwerking: begrip en impact. Nieuwe relevante feiten van overwegend belang ondekt na de neerlegging van de hetdossier door de boedelnotaris (oud artikel 1219 Ger. W.).