- Arrêt du 24 juin 2013

24/06/2013 - 2010AR2640

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

In geval van en schenking onder last voor de begiftigde een lijfrente te betalen en in geval de schenker nadien onder voorlopig bewind is gesteld, kan de voorlopig bewindvoerder de gedwongen uitvoering van deze schenkingovereenkomst in rechte vorderen op grond van artikel 488bis, f, §3 BW


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2640

INZAKE VAN :

Mevrouw M. B., ,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 22 september 2009,

vertegenwoordigd door Meester Roland TIMMERMANS, advocaat te 3010 K., Martelarenlaan 139/19,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw N. B.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Henk DE KESEL, advocaat te 9000 GENT, Coupure 864,

Voorlopig bewindvoerder. Bevoegdheden. Artikel 488bis, f), §3 BW

In geval van en schenking onder last voor de begiftigde een lijfrente te betalen en in geval de schenker nadien onder voorlopig bewind is gesteld, kan de voorlopig bewindvoerder de gedwongen uitvoering van deze schenkingovereenkomst in rechte vorderen op grond van artikel 488bis, f, §3 BW

__________________________________________________________________________

De procedure voor de rechtbank van eerste aanleg

M. B. heeft op 19 augustus 2005 N. B. gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Met verwijzing naar het overlijden van hun moeder op 20 oktober 2004 vorderde zij de vereffening en verdeling van haar nalatenschap, de aanstelling van notarissen, de inbreng in natura van de woning te Leuven, Pieter Nollekensstraat 81, minstens de inkorting, de machtiging om haar voorkooprecht aan schattingsprijs uit te oefenen op de woning te K., Willem Coosemansstraat 152, de aanstelling van een deskundige om de waarde te ramen van beide voormelde onroerende goederen.

De eerste rechter besliste met een vonnis van 22 september 2009 tot de vereffening en verdeling, de aanstelling van notarissen en "de notaris zal daarbij rekening houden met de in dit vonnis reeds beslechte betwistingen".

Het hoger beroep - de ontvankelijkheid

M. B. stelde hoger beroep in tegen dit vonnis met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 24 september 2010.

Het bestreden vonnis werd niet betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Het standpunt van M. B.

Met betrekking tot het onroerend goed te K., Pieter Nollekensstraat 81, houdt M. B. voor dat dit bij akte van 2 juli 1984 geschonken werd aan N. B. bij vooruitgifte en buiten deel, doch onder uitdrukkelijk voorbehoud van betaling van lijfrente. Volgens haar werd de betaling van de lijfrente vrij snel gestaakt en werd N. B. veroordeeld met een vonnis van 23 september 2004 tot betaling van een achterstand van meer dan 15.000 euro. M. B. vordert de herroeping van de schenking en de inbreng in natura op grond van artikel 953 van het burgerlijk wetboek, minstens artikel 918 van het burgerlijk wetboek.

Volgens haar was de schenking een wederkerige overeenkomst onder bezwarende titel: de bedongen last, in het voordeel van de schenker zelf, legt beide partijen verbintenissen op; wanneer de begiftigde zijn verbintenis niet uitvoert kan de schenking gerechtelijk ontbonden worden. De begiftigde kwam volgens haar haar verbintenis niet na en dus moet de ontbinding van de overeenkomst uitgesproken worden. Zij verwijst naar artikel 1184, 918, 953 en 954 van het burgerlijk wetboek.

Met betrekking tot het onroerend goed te K., Willem Coosemansstraat 152 houdt M. B. voor dat hun ouders bij wilsbeschikking van 14 oktober 1979 elk afzonderlijk aan haar een conventioneel voorkooprecht tegen schattingswaarde toekenden op voormeld goed. Om dit voorkooprecht uit te oefenen en dit goed te waarderen vordert zij de aanstelling van een deskundige. Zij houdt voor dat de eerste rechter naliet over deze vordering uitspraak te doen.

Het standpunt van N. B.

Volgens N. B. stelt M. B. een nieuwe vordering in hoger beroep. Volgens haar werd in eerste aanleg inbreng gevorderd omdat een tijd lang in gebreke werd gebleven de termijnen af te lossen, en wordt in hoger beroep meer uitgebreid geciteerd naar het testament waaruit een volledige gelijkheid tussen de dochters wordt afgeleid op basis waarvan de schenking moet herroepen worden met inbreng van het goed in de nalatenschap.

Zij houdt voor dat het geschonken onroerend goed onmogelijk kan worden ingebracht omdat:

1. M. B. de schenkingsakte mede ondertekend heeft zodat zij geen aanspraken meer kan laten gelden op de geschonken woning;

2. de schenker noch nadien haar voorlopige bewindvoerder ooit de ontbinding van de schenking hebben gevorderd, doch geopteerd hebben voor uitvoering wat resulteerde in een vonnis dat mee is opgenomen in de wedersamenstelling van de nalatenschap.

Beoordeling en beslissing

De vordering in hoger beroep is geen nieuwe vordering. De gedinginleidende dagvaarding omvat de vordering tot herroeping, dan wel toerekening en inbreng of inkorting, wat nog steeds het voorwerp is van de vordering in hoger beroep.

De relevante feiten

Relevant voor de beslechting van het geschil tussen partijen zijn de notariële akte van 2 juli 1984 en het eigenhandig testament van 23 april 1996.

De notariële akte van 2 juli 1984 bevestigt de schenking door de moeder aan N. B. van het woonhuis te Leuven, deelgemeente K., Pieter Nollekensstraat 81, bij vooruitgifte en met vrijstelling van inbreng in de nalatenschap, onder voorbehoud van betaling van lijfrente in maandelijkse delen en met jaarlijkse aanpassing aan de index van de consumptiegoederen. De akte bevestigt ook dat in die akte zijn tussengekomen: M. B. en A. B. (dit is de echtgenoot van de moeder en de vader van M. en N. B.) die samen met de begiftigde de enige vermoedelijke reservataire erfgenamen waren van de schenkster; zij verklaarden "kennis genomen te hebben van onderhavige vervreemding en van alle daarbij bedongen voorwaarden, hierin bij toepassing van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek toe te stemmen zonder uitzondering noch voorbehoud, en diensvolgens af te zien van elke vordering in vermindering die de tussenkomende verschijners als voorbehouden erfgenamen van de schenker betreffende onderhavige vervreemding zouden kunnen uitoefenen."

Het eigenhandig testament van 23 april 1996 luidt als volgt: "Ik ondergetekende C. V. verklaar bij deze aan mijn dochter M. B. buiten deel te legateren een som die gelijk is aan hetgeen mijn dochter N. B. gekregen heeft, zodat uiteindelijk beiden dezelfde waarde zullen ontvangen hebben. Aldus opgesteld te Leuven op 23 april 1996."

Relevant is eveneens de vordering van de voorlopig bewindvoerder van de moeder tegen N. B. en haar echtgenoot tot betaling van de achterstallige lijfrente, die resulteerde in het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 23 september 2004 waarbij verweerders veroordeeld werden tot betaling van een bepaalde som meer aankleven en waarbij voorbehoud wordt verleend voor de sedert 1 juni 2004 vervallen lijfrente.

De vordering tot inbreng, minstens inkorting

Schenkingen zijn in de regel onherroepelijk, behoudens in geval van onder meer niet-vervulling van de voorwaarden (artikel 953 van het burgerlijk wetboek). In geval van herroeping wegens niet-vervulling van de voorwaarden, keert het goed terug in handen van de schenker (artikel 954 van het burgerlijk wetboek). De herroeping is een bijzondere toepassing van de gemeenrechtelijke ontbindende voorwaarde. Wanneer een partij (in dit geval de begiftigde) haar verbintenis tot betaling van de lijfrente niet nakomt, is de schenking niet van rechtswege ontbonden; de partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding; de ontbinding moet in rechte gevorderd worden, en aan de verweerder kan, naargelang de omstandigheden, uitstel worden verleend (artikel 1184 van het burgerlijk wetboek).

Bij leven van de schenkster werd op geen enkel ogenblik de herroeping van de schenking gevorderd wegens niet-vervulling van de voorwaarde tot betaling van de lijfrente. Haar voorlopig bewindvoerder heeft de begiftigde genoodzaakt om de lijfrente te betalen door die betaling in rechte te vorderen. Hij bekwam een veroordelend vonnis.

De voorlopige bewindvoerder had daartoe de bevoegdheid op grond van artikel 488bis f § 3 van het burgerlijk wetboek: bij gebreke aan andere beschikking, vertegenwoordigt hij de beschermde persoon in alle rechtshandelingen en procedures als eiser en verweerder.

Het staat vast dat gekozen werd voor uitvoering en niet voor ontbinding, en de schenker, thans de nalatenschap, beschikt over een uitvoerbare titel.

De vordering tot ontbinding is ongegrond. Er is geen grond om het onroerend goed in te brengen in de nalatenschap.

De waarde in volle eigendom van het goed dat aan een erfgerechtigde in de rechte lijn vervreemd is, onder meer met last van een lijfrente, wordt in de regel toegerekend op het beschikbaar deel, en het overschot, indien er een is, wordt in de massa ingebracht. Deze toerekening en deze inbreng kunnen niet worden gevorderd door de erfgenaam aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent en die in deze vervreemding heeft toegestemd (artikel 918, tweede lid, van het burgerlijk wetboek).

M. B. is reservatair erfgenaam en heeft toegestemd in de vervreemding van het onroerend goed te Leuven (K.), Pieter Nollekensstraat 81.

De vordering tot inkorting is ongegrond.

De bewering van M. B. dat de wil van de overleden moeder van partijen, die is uitgedrukt in haar eigenhandig testament van 23 april 1996, ertoe moet leiden dat de gelijkheid tussen de twee erfgenamen moet hersteld worden, wordt buiten werking gesteld in de mate dat het het onroerend goed betreft te Leuven (K.), Pieter Nollekensstraat 81, door de wil die zij voordien had geuit en die verwoord is in de notariële akte van 2 juli 1984.

De vordering met betrekking tot de uitoefening van het voorkooprecht en de waardering

Deze vordering heeft betrekking op de woning te Leuven (K.), Willem Coosemansstraat 152, die deel uitmaakt van de nalatenschap van de moeder van partijen, en dus van de bevolen vereffening en verdeling van die nalatenschap. De aanstelling van een deskundige om de waarde ervan te bepalen is voorbarig.

De kosten

M. B. is als in het ongelijk gestelde partij gehouden de kosten van deze rechtspleging ten laste te nemen. Over het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding bestaat geen betwisting.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Begroot de kosten van het hoger beroep op 186 euro rolrechten, legt deze ten laste van M. B. en veroordeelt M. B. om aan N. B. een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro te betalen.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel,

Op 24/06/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Koenraad MOENS, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS K. MOENS

Mots libres

  • Meerderjarige onder voorlopig bewind. Vordering tot uitvoering van een last bestaande in de betaling van een lifrente, bedongen in een schenkingsakte. Bevoegdheid van de voorlopige bewindvoerder: artkel 488bis, f) §3.