- Arrêt du 26 juillet 2013

26/07/2013 - 2010AR1406

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

In het kader van de bijzondere rechtspleging van een gerechtelijke verdeling van goederen die tussen de deelgenoten in natura verdeelbaar zijn, dringt een lottrekking zich op tenzij in geval van wettelijke overnamerechten met betrekking tot het onverdeelde goed. Het valt niet in te zien hoe de weigering van een deelgenoot om in te stemmen met een andere wijze van toebedeling dan bij lottrekking, rechtsmisbruik zou inhouden.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/1406

INZAKE VAN :

De heer M. D.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 februari 2010,

vertegenwoordigd door Meester Dorien AVAUX, advocaat te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Victor Nonnemansstraat 15B,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw E. D.

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Geert DE CUYPER, advocaat te 1700 DILBEEK, Eikelenberg 20,

2) Mevrouw C. D.

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Thierry TAFFIJN, advocaat te 1700 DILBEEK, Ninoofsesteenweg 244,

Bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke verdeling. Lottrekking in geval van verdeling in natura en bij afwezigheid van wettelijke overnamerechten. Rechtsmisbruik?

In het kader van de bijzondere rechtspleging van een gerechtelijke verdeling van goederen die tussen de deelgenoten in natura verdeelbaar zijn, dringt een lottrekking zich op tenzij in geval van wettelijke overnamerechten met betrekking tot het onverdeelde goed. Het valt niet in te zien hoe de weigering van een deelgenoot om in te stemmen met een andere wijze van toebedeling dan bij lottrekking, rechtsmisbruik zou inhouden.

**************************

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 februari 2010.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 8 april 2010; tweede geïntimeerde legt kopie voor van de akte van betekening.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 21 mei 2010. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

1. Partijen zijn de onverdeelde mede-eigenaars van een onroerend goed, gelegen te ...;

Partijen hebben voor dit perceel een verkavelingsvergunning bekomen, waarbij voormeld onroerend goed wordt ingedeeld in drie bouwpercelen van respectievelijk 8 a 26 ca (perceel 3 a), 7 a 62 ( perceel 2 a) ca en 7 a 57 ca (perceel 1a);

Achter de bouwpercelen zijn eveneens drie percelen [landbouwgrond] onder nummers 1b, 2b en 3b voorhanden die eveneens deel uitmaakten van het groter geheel, gelegen aan de ...straat 154 met een oorspronkelijke totale oppervlakte van 60 a en 89 ca;

Eiseressen [geïntimeerden] zijn ermee akkoord dat het perceel 3 a (met een oppervlakte van 8 a 26 ca) zou worden toebedeeld aan tweede eiseres, hetgeen door verweerder [appellant]wordt geweigerd;

Eiseressen stellen dat verweerder hierdoor rechtsmisbruik pleegt, gezien er volgens eiseressen geen enkel objectief argument voorhanden is om deze toebedeling te weigeren, temeer daar perceel 3 a grenst aan de eigendom van tweede eiseres;

Eiseressen stellen dat verweerder zich op een gegeven ogenblik zelfs akkoord zou hebben verklaard met de toebedeling;

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderden geïntimeerden de percelen, gekend als loten 3 a en 3 b toe te bedelen aan tweede geïntimeerde en de andere loten (1a en 1b en 2a en 2b) toe te bedelen aan eerste geïntimeerde en appellant bij lottrekking, indien de partijen niet tot een akkoord zouden komen. Zij vroegen notaris X te Z aan te stellen voor de toebedeling en de verdeling.

Appellant concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Bij tegenvordering vroeg hij de verefffening en verdeling te bevelen van de nalatenschap van de vader van de partijen, de heer Ed. D.E, overleden op 19 januari 2006, en notaris X aan te stellen en notaris Y. te S. als tweede notaris.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vorderingen ontvankelijk. Hij beval de vereffening en verdeling en stelde de twee voorgestelde notarissen aan, en notaris V. te H. voor de afwezige of niet verschijnende partij. Hij zegde voor recht dat de percelen gekend als loten 3 a en 3 b toebedeeld moesten worden aan tweede geïntimeerde en dat de andere loten (1a en 1b en 2a en 2b) bij gebrek aan minnelijk akkoord moesten toebedeeld worden tussen eerste geïntimeerde en appellant bij lottrekking.

3.3

In hoger beroep herneemt appellant zijn oorspronkelijke vordering.

Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

Het hoger beroep is niet gericht tegen de bevolen vereffening en verdeling of tegen de aanstelling van een van de notarissen, en is beperkt tot de vraag met betrekking tot de toebedeling van de loten 3a en 3b.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat geïntimeerden niet het bewijs leveren van een overeenkomst tussen de partijen met betrekking tot de toebedeling van de loten 3a en 3b. Een dergelijke overeenkomst blijkt niet uit het instemmen van appellant met de afbraak van de gebouwen op de percelen, noch uit het afsluiten en inzaaien van de percelen door geïntimeerden. De verklaring van landmeter Van C. dat appellant loten 1 a en 1 b heeft gekozen, eerste geïntimeerde loten 2a en 2b, en tweede geïntimeerde loten 3a en 3b kan evenmin gelden als een bewijs van een overeenkomst tussen de partijen. Uit de verklaring kan alleen begrepen worden dat de partijen ten aanzien van hem een voorkeur zouden hebben geuit. Dit kan uiteraard geen bewijs vormen van een overeenkomst (onder meer artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek). De verklaring gaat ook niet uit van één van de partijen en kan dus ook niet gelden als begin van bewijs door geschrift (artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek). Er zijn ten overvloede ook geen bepaalde, zwaarwichtige en overeenstemmende vermoedens (in de zin van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek) die een begin van bewijs bij geschrift zouden kunnen ondersteunen.

Artikel 1205 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alle mede-eigenaars de verdeling in onderlinge overeenstemming kunnen verrichten zoals zij beslissen. Dit veronderstelt het akkoord van alle deelgenoten op alle punten. Bij gebrek aan akkoord is een gerechtelijke verdeling noodzakelijk met toepassing van artikel 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Die bepalingen laten niet toe dat een deel van de deelgenoten, ook niet de meerderheid, zijn wil oplegt aan de anderen.

Indien de verdeling van de onverdeeldheid in natura mogelijk is, dan kan dat naar luid van de artikelen 1207 tot 1224 van het Gerechtelijk Wetboek bij gebrek aan akkoord alleen door middel van de lottrekking tussen alle deelgenoten. Dit geldt niet in geval van wettelijke overnamerechten zoals met betrekking tot de kleine nalatenschappen of de gezinswoning, maar het blijkt niet dat die in deze aan de orde zijn.

Het valt niet in te zien hoe de weigering van appellant om in te stemmen met een andere wijze van toebedeling dan bij lottrekking rechtsmisbruik zou inhouden. Uitgangspunt van de wet is de gelijkheid van de deelgenoten, en de vraag van appellant tot de toepassing van de wet kan alleen leiden tot de gelijkheid, en kan dus geen onredelijk voor- of nadeel voor deze of gene partij meebrengen.

Uit het bovenstaande volgt dat het hof niet op wettelijke grond de door geïntimeerden gevorderde toebedeling kan bevelen, noch bij de minnelijke, noch bij de gerechtelijke verdeling, die ook geen voorwerp van hoger beroep is.

Een en ander sluit niet uit dat de partijen onder begeleiding van de notarissen een overeenkomst vinden die tegemoetkomt aan de wensen van elk van de partijen.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

Gelet op de aard van de zaak behoort het de kosten ten laste van de massa te leggen.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering van geïntimeerden, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van geïntimeerden met betrekking tot de toebedeling van het perceel gekend als loten 3 a en 3 b aan tweede geïntimeerde ongegrond

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de massa, begroot op euro 186,00 rolrecht en euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Mots libres

  • Gerechtelijke verdeling. Mogelijkheid van verdeling in natura. Principe van loten of lotrekking. Principe en uitzonderingen. Artikelen 826 en 827 BW