- Arrêt du 26 juillet 2013

26/07/2013 - 2010AR274

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Een zaak is gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor ze in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Even terecht overwoog de eerste rechter dat de eiser ook een onrechtstreeks bewijs kan leveren van een gebrek in de zaak. Een onrechtstreeks bewijs (of negatief bewijs) bestaat erin aan te tonen dat de schade zoals ze zich heeft voorgedaan niet was opgetreden indien het gebrek in de zaak niet had bestaan. Dit impliceert dat andere oorzaken moeten kunnen uitgesloten worden.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/274

INZAKE VAN :

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Mobiliteit en Openbare Werken, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Graaf de Ferraris-gebouw, Koning Albert II-laan 20.

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 oktober 2009,

vertegenwoordigd door Meester Elke CORNELIS loco Meester Anja CELIS, advocaat te 3000 LEUVEN, Vital Decosterstraat 46/6,

1ste kamer

TEGEN :

De naamloze vennootschap ELIA ASSET, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 20, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0475.028.202

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Bart HEYNICKX loco Meester Christophe RONSE, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86 C, B 414,

Artikel 1315 BW. Bewijs. Onrechtstreeks bewijs. Mastbreuk. Hoogspanningsmast.

Een zaak is gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor ze in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Even terecht overwoog de eerste rechter dat de eiser ook een onrechtstreeks bewijs kan leveren van een gebrek in de zaak. Een onrechtstreeks bewijs (of negatief bewijs) bestaat erin aan te tonen dat de schade zoals ze zich heeft voorgedaan niet was opgetreden indien het gebrek in de zaak niet had bestaan. Dit impliceert dat andere oorzaken moeten kunnen uitgesloten worden.

*********************************

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 oktober 2009.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

Eiseres [het VLAAMSE GEWEST] is eigenaar van de verschillende snelwegen op het Vlaamse grondgebied.

Verweerster [ELIA ASSET] heeft de infrastructuur waarover het elektriciteitsnet in België wordt uitgebaat in eigendom.

Op 26 november 2005 brak een hoogspanningsmast (mast 10) langs de E 40 autosnelweg te Affligem, ter hoogte van kilometerpaal 13.600 af, ten gevolge waarvan ook de hoogspanningsleidingen naar beneden zijn gekomen. Eiseres stelt hierdoor schade te hebben geleden.

Bij brief van 7 april 2006 schreef eiseres verweerster aan met de mededeling dat verweerster betrokken was bij een schadegeval waarbij haar aansprakelijkheid in het gedrang kan komen. Zij raamde haar definitieve schade op 16.646,24 EUR en verzocht verweerster om tot betaling van dit bedrag over te gaan. Bij brief van 27 juni 2006 verzocht verweerster eiseres om toelichting over de redenen waarom eiseres haar aansprakelijk achtte.

Bij brief van 20 juli 2006 lichtte eiseres de schadeposten waarvoor zij vergoeding vorderde toe, en stelde zij dat deze schade het gevolg was van een gebrek in de hoogspanningsleiding.

Bij brief van 16 augustus 2006 betwistte verweerster het bestaan van een gebrek in de hoogspanningsleiding en stelde zij dat het afbreken van de hoogspanningsmast het gevolg was van een situatie van exceptionele overmacht, met name het abnormaal samengaan van verschillende meteorologische factoren, met name sneeuwval, temperaturen rond het vriespunt, temperatuurschommelingen en wind. Zij betwistte tevens de omvang van de gevorderde schade, en stelde dat onvoldoende bewijsstukken werden voorgelegd.

Bij brief van 1 juni 2007 betwistte eiseres het bestaan van abnormale weersomstandigheden en lichtte zij haar schade-eis verder toe.

Partijen bleven op hun standpunt, en op 13 maart 2008 dagvaardde eiseres verweerster om te verschijnen voor deze rechtbank.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde het VLAAMSE GEWEST de veroordeling van ELIA ASSET tot de betaling aan hem van 16.646,24 EUR, plus de vergoedende intresten vanaf 26 november 2005 en de gerechtelijke interesten.

ELIA ASSET concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van het VLAAMSE GEWEST ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde het tot betaling van de kosten.

3.3

In hoger beroep herneemt het VLAAMSE GEWEST zijn oorspronkelijke vordering.

ELIA ASSET concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Ondergeschikt vraagt zij de vergoeding te beperken tot 1.000,00 EUR als compensatie wegens abnormale burenhinder.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

4.1.1 De grond van de vordering

De eerste rechter overwoog dat het VLAAMSE GEWEST geen fout van ELIA ASSET aanduidde of bewees. Hij oordeelde verder dat het VLAAMSE GEWEST geen rechtstreeks bewijs levert van een gebrek in de zaak, en dat het VLAAMSE GEWEST niet bewijst dat het abnormale gedrag van de zaak niet anders kan uitgelegd worden dan door een gebrek in de zaak, terwijl ELIA ASSET aantoont dat de uitzonderlijke weersomstandigheden overmacht uitmaken.

Een zaak is gebrekkig in de zin van artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor ze in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat het VLAAMSE GEWEST, dat de bewijslast draagt over wat het aanvoert (artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek) niet het rechtstreeks bewijs levert van een welbepaald gebrek. De mast is ook weggenomen en kan niet meer onderzocht worden.

Even terecht overwoog de eerste rechter dat het VLAAMSE GEWEST ook een onrechtstreeks bewijs kan leveren van een gebrek in de zaak. Een onrechtstreeks bewijs (of negatief bewijs) bestaat erin aan te tonen dat de schade zoals ze zich heeft voorgedaan niet was opgetreden indien het gebrek in de zaak niet had bestaan. Dit impliceert dat andere oorzaken moeten kunnen uitgesloten worden.

Wat dat laatste betreft, beroept ELIA ASSET zich zoals vermeld op overmacht, bestaande uit de combinatie van sterke wind en natte sneeuwval bij een hoge luchtvochtigheidsgraad. Zij laat gelden dat de mast is gevallen als gevolg van een combinatie van grote ijsafzettingen op de hoogspanningslijnen, het onregelmatig afvallen van het ijs, en een felle wind. Zij verwijst naar een verslag dat zij heeft opgesteld ten behoeve van de Commissie voor de regulering van de elektriciteit en het gas, maar dit is uiteraard een eigen verklaring van haar .

Het VLAAMSE GEWEST laat terecht gelden dat de klimaatomstandigheden op het ogenblik van het vallen van de mast niet uitzonderlijk waren. Een verslag van het KMI van 9 december 2005 stelt dat de gemeten diktes van de sneeuwlaag op 26 november 2005 "hoogstens lokaal zéér abnormaal waren en in géén geval uitzonderlijk". Ook de gemeten maximale windstoten op 25 en 26 november waren volgens dat zelfde verslag "evenmin uitzonderlijk". Het verslag noemde ook de atmosferische situatie die aanleiding gaf tot deze winterprik "eveneens niet uitzonderlijk" . De bedoelde klimaatelementen kunnen elk op zich dus niet beschouwd als uitzonderlijk of bijzonder.

Anders dan ELIA ASSET meent, kan dan ook de combinatie ervan niet aanzien worden als een overmachtsituatie. Uitgenodigd daarover een standpunt in te nemen gaf het KMI in een verslag van 20 december 2005 een terughoudend antwoord, mede ingegeven door de overweging "bovendien spelen hier nog andere factoren dan meteorologische omstandigheden een rol en wij zijn niet bevoegd om daarover te oordelen" . Het KMI noemt de combinatie dus niet uitzonderlijk; het lijkt ook logisch om een combinatie van niet uitzonderlijke situaties niet uitzonderlijk te noemen.

Een hoogspanningsmast die niet bestand is tegen een combinatie van klimaatelementen die elk afzonderlijk relatief normaal zijn voor de streek en de betreffende periode, moet integendeel beschouwd worden als niet geschikt voor een normaal gebruik. In de omstandigheden van de zaak kan het vallen van de mast, bij gebrek aan andere mogelijke vreemde oorzaak, niet anders verklaard worden dan als het gevolg van een gebrek.

ELIA ASSET verwijst naar een verklaring van de Vlaamse minister van openbare werken van 27 november 2005 die vermeldt dat de A10 werd afgesloten wegens uitzonderlijke omstandigheden, maar dat laatste slaat duidelijk op de hoogspanningsleiding die toen op de rijbaan lag, en dus niet op de weersomstandigheden waardoor de mast was gevallen.

ELIA ASSET laat gelden dat de mast een hoekmast was waarop bijkomende krachten inwerken, maar dat wijzigt niets aan het bovenstaande. Men kan bezwaarlijk aannemen dat een hoekmast, die door zijn positie een relevant andere belasting ondergaat, daardoor dan kwetsbaarder mag zijn voor de vermelde combinatie van klimaatelementen.

ELIA ASSET verwijst naar persberichten met betrekking tot mastbreuken in dezelfde periode in Duitsland als gevolg van een samenspel van ongewoon natte sneeuwhoeveelheden en sterke wind, maar die berichten laten niet toe gevolgtrekkingen te maken met betrekking tot de breuk van de mast in dit dossier .

Dat in ons land mastbreuken door ijsafzettingen zeldzaam zijn, leidt evenmin tot de conclusie dat de oorzaak in dit geval dan wel overmacht moet zijn.

De mast vertoonde een gebrek, en ELIA ASSET, die niet betwist de bewaarder te zijn, moet instaan voor de vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade (artikel 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek).

ELIA ASSET werpt op dat het VLAAMSE GEWEST geen schade geleden heeft. Het VLAAMSE GEWEST bewijst nochtans uitgaven voor afsluiting en signalisatie voor 5.515,18 EUR en voor het bijsnoeien van beschadigde bomen voor 10.631,06 EUR, door middel van gedetailleerde "werkopdrachten" gericht aan de aannemers INTERPLANT en NV DEVUYST. ELIA ASSET stelt dat het VLAAMSE GEWEST uitgaven inbrengt die genoteerd staan als onderhoudswerkzaamheden, maar het VLAAMSE GEWEST verduidelijkt overtuigend dat deze prestaties werden uitgevoerd als deelopdrachten binnen kaderovereenkomsten van onderhoud en niet bij wijze van afzonderlijke overeenkomst. De uitgavenposten zijn gedetailleerd in vermelding van uren, materiaal, signalisatie en urgentie en lijken in overeenstemming met de aard van de werken.

Terecht werpt ELIA ASSET op dat er geen reden is om de werkelijke uitgaven te verhogen met een percentage in billijkheid voor kosten voor toezicht en beheer.

De te vergoeden schade van het VLAAMSE GEWEST bedraagt dus 5.515,18 EUR +10.631,06 EUR = 16.146,24 EUR.

Over de intresten wordt geen betwisting gevoerd. Bij gebrek aan enige andere aanduiding lopen de intresten aan de wettelijke rentevoet.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 1.210,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van het VLAAMSE GEWEST gedeeltelijk gegrond en veroordeelt ELIA ASSET tot de betaling aan het VLAAMSE GEWEST van ZESTIENDUIZEND HONDERD ZESENVEERTIG EURO VIEREN-TWINTIG CENT (16.146,24 EUR), plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 26 november 2005 tot datum dagvaarding, waarna de gerechtelijke intresten aan de zelfde rentevoet

Veroordeelt ELIA ASSET tot de betaling van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot

- in hoofde van appellante op euro 1.396 (186 rolrecht + 1.10 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Gebrek in de zaak. Bewijs van het gebrek. Negatief bewijs. Gebrek in een hoogspanningsmast die breekt. Breuk in de mast. Art. 1384, 1° BW