- Arrêt du 3 septembre 2013

03/09/2013 - 2010AR2230

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Met de bewering van een schuldenaar van erelonen van diens advocaat, dat hij op sommige ereloonnota's en ingebrekestellingen niet kon reageren omdat hij in de gevangenis zat toen hij ze ontving, kan geen rekening gehouden worden omdat de hechtenis geen belemmering is om te reageren.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2230

INZAKE VAN :

De heer R. A., advocaat, woonstkiezende op het kantoor van zijn raadsman, Meester B. RONSE, advocaat te 1050 BRUSSEL, Macaulaan 33,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 6 februari 2008,

vertegenwoordigd door Meester B. RONSE, advocaat te 1050 BRUSSEL, Macaulaan 33,

1ste kamer

TEGEN :

De heer D. H.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester R.S loco Meester Katrien VAN DER STRAETEN, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Justitieplein 5 bus 1,

Advocaat. Ereloon

Met de bewering van een schuldenaar van erelonen van diens advocaat, dat hij op sommige ereloonnota's en ingebrekestellingen niet kon reageren omdat hij in de gevangenis zat toen hij ze ontving, kan geen rekening gehouden worden omdat de hechtenis geen belemmering is om te reageren.

__________________________________________________________________________________

De procedure voor de rechtbank van eerste aanleg

Advocaat R. A. heeft op 12 februari 2007 zijn voormalig cliënt D. H. gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Hij vorderde betaling van achterstallige erelonen en kosten voor een totaal van 7.333,61 euro, meer intresten aan 7 % vanaf de datum van de ereloonnota en de kosten van het geding.

De eerste rechter verklaarde deze vordering bij vonnis van 6 februari 2008 ontvankelijk en deels gegrond; hij veroordeelde H. om aan A. 2.655,12 euro te betalen, meer intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 23 augustus 2006, en meer de kosten die hij begrootte (236,17 euro voor dagvaarding en rolzetting, en een verminderde rechtsplegingsvergoeding van 375,00 euro).

Dit vonnis werd niet betekend.

Het hoger beroep

A. stelde hoger beroep in tegen dit vonnis met een verzoekschrift dat is neergelegd ter griffie van het hof op 6 augustus 2010. Hij vordert dat zijn oorspronkelijke vordering volledig gegrond wordt verklaard.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingediend. Het is ontvankelijk.

Het standpunt van A.

De ereloonnota's van 25 april 2006 en 23 augustus 2006

A. beweert dat hij H. heeft bijgestaan in een strafrechtelijke zaak van drugstrafiek, waarvoor hij:

(1) een provisienota van 2.500,00 euro uitschreef op 4 juli 2005, die werd betaald (500,00 euro op 25 oktober 2005 en 2.000,00 euro op 14 maart 2006);

(2) een ereloonnota van 4.655,12 euro uitschreef op 25 april 2006, waarin de betaalde provisie was verrekend, voor de prestaties van 9 juni 2005 tot 3 februari 2006, waarop een deel werd betaald (1.000,00 euro op 23 mei en 1.000,00 euro op 19 juli 2006) waarvoor telkens een ontvangstbewijs werd overgemaakt aan H., die dus nog een saldo verschuldigd is van 2.655,12 euro.

Hij verwijst naar de afwezigheid van enige opmerking vanwege H. ook niet nadat een aangetekende ingebrekestelling werd verzonden op 23 augustus 2006.

A. beweert vervolgens dat in dezelfde zaak de prestaties vanaf 30 maart 2006 tot 7 juli 2006 werden in rekening gebracht met de ereloonstaat van 23 augustus 2006 voor 1.762,49 euro, die op dezelfde dag per aangetekende brief werd overgemaakt aan H. die de ereloonnota niet betwistte.

Hij verwijst naar:

• de opdracht die hij kreeg van H. bij brief van 30 maart 2006;

• de opdracht die hij kreeg van H. bij mail van 27 april 2006;

• het verzoek tot betaling van de openstaande saldi dat hij op 27 april 2006 overmaakte en dat niet werd betwist;

• de opdracht die hij kreeg van H. bij bericht van 26 juni 2006;

• de uitvoering van de opdracht die blijkt uit de ontvangst van stukken van de correctionele griffie te Leuven.

De ereloonnota van 11 juli 2006

A. beweert dat hij H. heeft bijgestaan in een sociaalrechtelijke zaak, waarvoor hij een provisienota uitschreef op 19 augustus 2005 voor 1.250,00 euro waarop H. 500,00 euro betaalde op 25 oktober 2005. Hij verwijst naar zijn ingebrekestellingen om het saldo te betalen, verzonden op 19 december 2005 en 26 april 2006, die gevolgd werden door de betaling van het saldo van 750,00 euro.

A. beweert dat hij voor de periode van 18 augustus 2005 tot 11 juli 2006 de ereloonnota van 11 juli 2006 uitschreef voor 1.271,00 euro en dat deze nota evenmin als de aangetekende ingebrekestelling van 23 augustus 2006 ooit door H. werden betwist.

De ereloonnota van 23 augustus 2006

A. beweert dat hij H. heeft bijgestaan nadat deze na een periode van voorwaardelijke invrijheidsstelling opnieuw werd opgepakt voor gelijklopende feiten als in de eerste strafrechtelijke zaak en dat hij daarvoor de ereloonnota van 23 augustus 2006 uitschreef voor 1.645,00 euro.

Hij verwijst naar:

• de fax van onderzoeksrechter VAN IMPE van 4 augustus 2006;

• de telefonische opdracht van de moeder van H. van 7 augustus 2006;

• zijn bezoek aan H. in de gevangenis op 7 augustus 2006 en de opdracht die hij van H. heeft gekregen;

• verschillende bezoeken aan de gevangenis, consultatie van het dossier op de griffie, verdediging op de zitting van de raadkamer op 8 augustus 2006;

• de kennisgeving door H. op 22 augustus 2006 van de opvolging door een ander raadsman, de mededeling dat de ereloonnota's betaald zouden worden en dat A. zich moest richten tot de moeder van H. en een vriendin van H. (Martine TOMBEUR);

• de aangetekende ingebrekestelling van 23 augustus 2006.

De verwijlintresten

Met verwijzing naar de voorwaarden die zijn vermeld op elke ereloonnota vordert A. op alle openstaande bedragen vanaf de datum van de nota intresten aan 7 % per jaar.

De kapitalisatie van de intresten

A. vordert de kapitalisatie van de intresten na ieder vervallen jaar vanaf de datum van de nota's om als hoofdsom te worden aangerekend voor de berekening van de intresten in het daaropvolgende jaar.

De vordering wegens tergend en roekeloos verweer

A. vordert een vergoeding van 1.000,00 euro wegens tergend en roekeloos verweer.

De rechtsplegingsvergoeding

A. maakt aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, van 900,00 euro en verzet zich tegen een vermindering tot het basisbedrag omdat er geen sprake meer is van een vereenvoudigde rechtspleging omwille van het quasi tergend verweer van H. en omdat geen enkel stuk wordt neergelegd waaruit blijkt dat hij zich een precaire toestand bevindt, terwijl hij eigenaar is van een onroerend goed.

Het standpunt van H.

Het weren van stukken

H. vordert dat de stukken 16 en 17 van A. geweerd worden, omdat deze nieuwe stukken hem niet werden medegedeeld.

De bijstand in de eerste strafrechtelijke zaak

H. houdt voor dat A. is tussengekomen vanaf zijn overbrenging naar een gevangenis in BELGIE, en dus niet bij de uitlevering van de VSA naar BELGIE. Volgens hem heeft A. enkel een verzoekschrift neergelegd op 9 juni 2005 tot inzage van het dossier, en heeft hij de gevangenis mogen verlaten op 14 juni 2005 na een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dat was ingediend door A..

Hij beweert betaald te hebben:

• op 4 juli 2005 - 2.500,00 euro;

• op 23 mei 2006 - 1.000,00 euro;

• op 19 juli 2006 - 1.000,00 euro;

zodat volgens hem nog een saldo verschuldigd is van 2.655,12 euro dat hij betaald heeft, maar waarvoor hij geen bewijs heeft.

H. betwist de ereloonnota voor 1.762,49 euro: hij heeft die gekregen toen hij in de gevangenis zat, zodat hij niet kon reageren; bovendien is als hij als niet-handelaar niet gehouden om te betwisten. Hij betwist dat hij of zijn ouders A. opdrachten gegeven hadden aan A.. Hij beweert dat hij A. hiervan heeft gebracht toen die hem ongevraagd opzocht in de gevangenis.

De bijstand in de sociaalrechtelijke zaak

H. betwist de aanrekening niet van 1.250,00 euro voor geleverde prestaties, maar houdt voor dat hij dit bedrag betaalde en dat er daarna geen prestaties meer werden geleverd, vermits hij de zaak zelf heeft afgehandeld: A. verscheen niet voor de commissie voor vrijstelling van sociale bijdragen op 28 juni 2006, en ook niet voor de arbeidsrechtbank op 26 oktober 2007.

De bijstand in de tweede strafrechtelijke zaak

H. betwist de ereloonnota in deze zaak omdat A. nooit is opgetreden: bij een ongevraagd bezoek in de gevangenis heeft H. hem zeer duidelijk gezegd dat hij niet diende tussen te komen omdat hij beroep deed op een ander advocaat. Martine TOMBEUR ontkende schriftelijk op 17 november 2006 de beweringen van A..

De rechtsplegingsvergoeding

H. maakt aanspraak op 900,00 euro rechtsplegingsvergoeding in geval A. veroordeeld wordt tot de kosten.

Indien H. veroordeeld wordt tot de kosten, verzoekt hij de rechtsplegingsvergoeding te verminderen tot het minimumbedrag.

De vordering wegens tergend en roekeloos geding

H. stelt een vordering in wegens tergend en roekeloos geding omdat tweeënhalf jaar na het bestreden vonnis hoger beroep wordt ingesteld ondanks de uitgebreide en gedetailleerd gemotiveerde en minutieuze beoordeling door de eerste rechter. Hij vordert een vergoeding van 1.000,00 euro.

Om dezelfde redenen is de vordering van A. wegens tergend en roekeloos verweer ongegrond.

Beoordeling en beslissing van het hof

Op de zitting van 27 november 2012, waar beide partijen vertegenwoordigd waren door hun respectieve raadsman en waar H. in persoon aanwezig was, werd de zaak uitgesteld naar de zitting van 11 juni 2013 om partijen toe te laten alle stukken neer te leggen ter griffie voor eind december 2012.

A. heeft zijn stukken neergelegd ter griffie op 30 november 2012 en H. op 4 januari 2013.

Alle door partijen aangewende stukken werden derhalve tegensprekelijk overgelegd, waarna de partijen bij monde van hun respectieve raadslieden werden gehoord op de zitting van 11 juni 2013.

De vordering tot het weren van stukken heeft geen voorwerp meer.

Elke ereloonnota van A. is vergezeld van een bijlage met een gedetailleerde beschrijving per dag waarop prestaties werden geleverd.

Telkens werden ook de eventueel aangerekende provisie en de ontvangen betalingen in rekening gebracht.

H. betwist niet dat hij de provisienota's en de ereloonnota's heeft ontvangen. Met zijn bewering dat hij op sommige nota's niet kon reageren omdat hij in de gevangenis zat toen hij ze ontving, kan geen rekening gehouden worden omdat de hechtenis geen belemmering is om te reageren. Dit geldt met name ook voor de ingebrekestellingen die A. aan H. verzond op 23 augustus 2006 en die geadresseerd werden aan de gevangenis te HASSELT waar H. in hechtenis vertoefde.

H. heeft op geen enkel ogenblik geprotesteerd tegen de ontvangen nota's met bijlagen en bewijst niet dat hij meer betalingen heeft verricht dan de betalingen die in rekening worden gebracht.

De prestaties die A. leverde blijken niet alleen uit de niet geprotesteerde en ontvangen nota's met bijlagen, maar ook uit brieven uitgaande van H. aan A. en van A. aan H. die alle wijzen op actieve prestaties van A. in opdracht en voor rekening van H., die overigens deze brieven niet inhoudelijk weerlegt. De prestaties blijken ook uit de brieven en kennisgevingen die A. ontving vanwege gerechtelijke autoriteiten (de onderzoeksrechter, de raadkamer) als van tegenstrevers.

Uit al wat voorafgaat blijkt dat A. in opdracht en voor rekening van H. de prestaties heeft geleverd die hij aanrekende, dat alle betalingen in rekening werden gebracht en dat de gevorderde saldi die op zich niet worden betwist naar hun omvang gerechtvaardigd zijn.

Elke nota vermeldt op de voorzijde onderaan op een duidelijke en zichtbare wijze dat de nota contant betaalbaar is en dat van rechtswege een interest verschuldigd is van 7 % per jaar vanaf de vervaldag.

Deze bepaling is tegenwerpelijk aan H. en maakt deel uit van de overeenkomst tussen H. en A..

De gevorderde kapitalisatie voldoet aan de voorwaarden van artikel 1154 van het burgerlijk wetboek in de volgende mate: een conclusie neergelegd ter griffie geldt als gerechtelijke aanmaning, en de aanmaning heeft betrekking op interesten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn. De kapitalisatie wordt toegestaan voor de interesten verschuldigd vanaf 24 januari 2011 (datum van de gerechtelijke aanmaning bij conclusie) voor één jaar, zodat het kapitaal waarop interesten verschuldigd zijn vanaf 25 januari 2012 gelijk is aan de hoofdsom per 24 januari 2011 plus de interesten van 24 januari 2011 tot 24 januari 2012.

De vorderingen wegens tergend en roekeloos verweer en geding worden ongegrond verklaard. Noch de vordering noch het verweer zijn onrechtmatig.

De rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op het basisbedrag (900,00 euro in eerste aanleg en, na indexatie, 990,00 euro in hoger beroep). Er is geen gegronde reden om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in de mate dat de vordering ontvankelijk werd verklaard en H. veroordeeld werd tot de kosten.

Veroordeelt H. om aan A. ZEVENDUIZEND DRIEHONDERD DRIEEENDERTIG EURO EENENZESTIG CENT (7.333,61 euro) te betalen meer de interesten aan 7 % per jaar op 2.655,61 euro vanaf 25 april 2006, op 1.762,49 euro vanaf 23 augustus 2006, op 1.271,00 euro vanaf 11 juli 2006, op 1.645,00 euro vanaf 23 augustus 2006, telkens tot 23 januari 2011.

Beveelt de kapitalisatie van de intresten op 7.333,61 euro voor één jaar van 24 januari 2011 tot 24 januari 2012.

Veroordeelt H. om aan A. de interesten te betalen aan 7 % per jaar vanaf 25 januari 2012 op de per 24 januari 2012 gekapitaliseerde som.

Veroordeelt H. tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze op 186 euro rolrechten.

Veroordeelt H. om aan A. een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep te betalen van 990,00 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

03/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Koenraad MOENS, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS K. MOENS

Mots libres

  • Adocaat. Ereloon. Opvordering in rechte. Verweer van de schuldenaar ervan dat hij in de gevangenis zat toen de ereloonnota's en ingebrekestellingen naar hem werden vestuurd.