- Arrêt du 24 septembre 2013

24/09/2013 - 2010AR3251

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De principes inzake proceseconomie, goede rechtsbedeling en verband tussen beide vorderingen (van vereffening-verdeling van een opengevallen nalatenschap en van inkorting van giften gedaan aan derden) ingevolge artikel 922 BW betreffende de samenstelling van de fictieve massa wettigen dat de vordering tot inkorting tegen een dergelijke begunstigde derde, en uitgaand van reservataire erfgenamen van de overledene, desgevallend beslecht wordt in het kader van de bijzondere rechtspleging van de gerechteliijke vereffening-verdeling van diens nalatenschap van deze overledene.

Dit geldt mutatis mutandis ook voor een vordering tot inkorting naar aanleiding van het bestaan van een algemene contractuele erfstelling tussen aanstaande echtgenoten gedaan bij huwelijkscontract, ten voordele van de langstlevende hunner.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/3251

INZAKE VAN :

Mevrouw A. C., wonende te

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 5 oktober 2010,

vertegenwoordigd door Meester Willie DIERICK en door Meester SALAETS loco Meester Willie DIERICK, advocaat te 3200 AARSCHOT, Gijmelsesteenweg 81,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw P. T., wonende te

2) De heer P. G., wonende

3) Mevrouw M.J. G., wonende

4) Mevrouw B. G., Wonende te

5) De heer G. G.,

geïntimeerden, de tweede, vierde en vijfde in persoon verschijnende, allen vertegenwoordigd door Meester Dirk DE MAESENEER, advocaat te 3000 LEUVEN, Philipslaan 20,

Bevoegdheid. Gerechtelijke vereffening-verdeling. Gerechtelijke vordering tot inkorting vanwege de voorbehouden erfgenamen tegen een begunstigde derde. Principes van proceseconomie en goede rechtsbedeling. Cumul van beide vorderingen in het kader van eenzelfde geding.

De principes inzake proceseconomie, goede rechtsbedeling en verband tussen beide vorderingen (van vereffening-verdeling van een opengevallen nalatenschap en van inkorting van giften gedaan aan derden) ingevolge artikel 922 BW betreffende de samenstelling van de fictieve massa wettigen dat de vordering tot inkorting tegen een dergelijke begunstigde derde, en uitgaand van reservataire erfgenamen van de overledene, desgevallend beslecht wordt in het kader van de bijzondere rechtspleging van de gerechteliijke vereffening-verdeling van diens nalatenschap van deze overledene.

Dit geldt mutatis mutandis ook voor een vordering tot inkorting naar aanleiding van het bestaan van een algemene contractuele erfstelling tussen aanstaande echtgenoten gedaan bij huwelijkscontract, ten voordele van de langstlevende hunner.

_________________________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (7de kamer), na tegenspraak uitgesproken op 5 oktober 2010, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 14 december 2010 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellante, op 7 juli 2011 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van geïntimeerden, op 6 september 2011 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellant stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat (1) de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaart (2) de vereffening en verdeling beveelt van de nalatenschap van de heer R. G. alsook van de huwgemeenschap van mevrouw Thyssen en wijlen de heer R. G., (3) notaris P. Coppieters 't Wallant aanstelt om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling, notaris G. Jansen belast met de bevoegdheden overeenkomstig artikel 1209 § 3 van het Gerechtelijk Wetboek, (4) de tegenvordering van appellante ongegrond verklaart en (5) de gerechtskosten ten laste legt van appellante.

2. Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren en haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerden te veroordelen tot afgifte van volgende documenten conform artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, te weten (1) het deurwaardersexploot dat begin jaren '90 op verzoek van P. T. met als toenmalige raadsman, meester De Ridder te Antwerpen, werd betekend aan wijlen de heer R. G. en (2) alle andere documenten betreffende dringende en voorlopige maatregelen, feitelijke scheiding of echtscheiding tussen P. T. en wijlen R. G..

Appellante vordert bovendien geïntimeerden "solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere" te veroordelen tot betaling van 5.000 euro bij wijze van vergoeding van de schade voor tergend en roekeloos geding, te verhogen met de gerechtelijke interest "vanaf heden" en met de kosten van het geding

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep, indien ontvankelijk, met veroordeling van appellante tot betaling van de gerechtskosten.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. P. T., eerste geïntimeerde, huwde met de heer R. G. onder het stelsel van scheiding van goederen met gemeenschap van aanwinsten, volgens huwelijkscontract verleden op 4 juni 1955 voor notaris Van Zeebroeck te Antwerpen.

R. G. is overleden te Leuven op 29 april 2008.

P. G., M.J. G., B. G. en G. G., geïntimeerden sub 2 tot 5 zijn de kinderen van de echtgenoten G.-T..

5. Appellante was de vriendin van wijlen de heer R. G. met wie zij tot de datum van zijn overlijden samenwoonde. De feitelijke scheiding van de echtgenoten G. - T. zou teruggaan tot begin van de jaren '90.

6. Bij exploot van 19 januari 2009 hebben geïntimeerden appellante gedagvaard voor de eerste rechter. Zij vorderden de vereffening en verdeling te bevelen van de nalatenschap van de heer R. G. en de aanstelling van notarissen.

Zij vorderden bovendien voor recht te zeggen dat de verschillende transacties, rechtstreeks en onrechtstreeks, ten voordele van appellante voor een totaal bedrag van minstens 917.283,91 euro (onrechtstreekse dan wel vermomde) schenkingen uitmaken, in hoofdorde voor eerste geïntimeerde de nietigheid te bevelen van deze schenkingen die een inbreuk vormen op de regels van het huwelijksvermogensrecht, in hoofdorde voor geïntimeerden sub 2 tot 5 de inkorting te bevelen tot beloop van het bedrag dat een inbreuk vormt op hun erfrechtelijke reserve, in ondergeschikte orde voor eerste geïntimeerde de inkorting te bevelen tot beloop van het gedeelte dat een inbreuk vormt op de contractuele erfstelling voor het grootst beschikbaar deel in volle eigendom, minstens tot beloop van het gedeelte dat een inbreuk vormt op haar erfrechtelijke reserve, in ondergeschikte orde voor geïntimeerden sub 2 tot 5, de inkorting te bevelen tot beloop van het bedrag dat een inbreuk vormt op hun erfrechtelijke reserve.

In de loop van de procedure voor de eerste rechter hebben geïntimeerden bij eisuitbreiding tevens de vereffening en verdeling gevorderd van de huwgemeenschap van mevrouw T. en wijlen de heer R. G..

Geïntimeerden vorderden bovendien appellante te veroordelen tot voorlegging van een aantal documenten en tot betaling van alle gerechtskosten.

III. Bespreking

7. De eerste rechter heeft geoordeeld dat geïntimeerden wel degelijk beschikken over de vereiste hoedanigheid en van het vereiste belang en dat hun vordering ontvankelijk was.

Hij oordeelde dat de vereffening en verdeling diende bevolen te worden gelet op de ingestelde vordering tot inkorting en de noodzaak om de fictieve massa vast te stellen.

De overige vorderingen zouden dan eerst door de boedelnotaris worden onderzocht en behandeld.

8. Appellante blijft de ontvankelijkheid, minstens de toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden betwisten. Zij betwist testamentair erfgenaam te zijn en houdt voor dat de heer R. G. testamentloos overleden is. Het document dat geïntimeerden voorleggen zou geen geldig testament zijn. Er zou bijgevolg geen onverdeeldheid tussen partijen bestaan.

In ondergeschikte orde laat appellante gelden dat het merendeel van de goederen van de heer R. G. werd ondergebracht in een Trust, genaamd "DEBUB", op 5 januari 1994 opgericht op en beheerd volgens de regels van The Isle of Man. Het hof zou bijgevolg zonder rechtsmacht zijn om kennis te nemen van een geschil m.b.t. de goederen van deze trust.

Verder betwist appellante de gegrondheid van de vordering van geïntimeerden en blijft zij aandringen op de voorlegging van de hierboven opgesomde documenten.

1°. Bevoegdheid

9. Volgens appellante zou de rechtbank, en thans het hof, onbevoegd zijn om kennis te nemen van de vordering bij gebrek aan internationale rechtsmacht gelet op de omstandigheid dat de overledene het merendeel van zijn goederen heeft ondergebracht in een trust opgericht volgens de regels van The Isle of Man.

Uit de notariële akte van neerlegging van testament d.d. 24 november 2010, verleden voor notaris Michiels te Aarschot, en uit de aangifte van nalatenschap blijkt dat de heer G. overleden is te Leuven op 29 april 2008 en dat hij zijn laatste woonplaats, in de zin van artikel 110 van het Burgerlijk Wetboek, had te Aarschot, Steystraat 22.

De rechtbank van eerste aanleg te Leuven, en thans het hof, zijn te dezen bevoegd krachtens artikel 627, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, als zijnde de rechter van de plaats waar de erfenis is opengevallen, wanneer het gaat om rechtsvorderingen tot verdeling en, tot bij de vereffening, om rechtsvorderingen tot opvordering van nalatenschappen en alle andere rechtsvorderingen tussen mede-erfgenamen of legatarissen.

Met toepassing van artikel 77, 1° van het WIPR zijn de Belgische rechters bovendien bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen betreffende erfopvolging indien, zoals te dezen, de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats in België had.

De omstandigheid dat wijlen de heer G. goederen in een buitenlandse trust heeft ondergebracht, brengt geen wijziging aan deze bevoegdheidsregels.

De exceptie van onbevoegdheid wordt afgewezen.

2°. Ontvankelijkheid, toelaatbaarheid van de vordering

10. Appellante stelt dat de vordering van geïntimeerden om de huwelijksgemeenschap tussen de echtgenoten G. en T., enerzijds, en de nalatenschap van de heer G., anderzijds, te doen vereffenen en verdelen, gegrond op artikel 815 van het Burgerlijk Wetboek, niet tegen haar kan worden gericht nu zij noch erfgename noch echtgenote is of was van wijlen de heer G..

11. Het wordt vooraf benadrukt dat bij het huwelijkscontract verleden op 4 juni 1955 de echtgenoten G. - T. het stelsel van scheiding der goederen met toevoeging van een vennootschap van aanwinsten hebben aangenomen. Artikel 8 van dit huwelijkscontract luidt:

"De aanstaande echtgenoten verklaren zich wederzijds gift te doen, de eerststervende aan de langstlevende, van de volle eigendom van alle roerende en onroerende goederen, die hij op de dag van zijn overlijden zou nalaten, met recht van genot en beschikking vanaf dien dag.

In geval vermindering zou toegepast worden ten bate van de erfgenamen, in voordeel van wie de wet een voorbehouden deel heeft ingesteld, zal deze schenking alleszins begrijpen de grootste delen zo in volle eigendom als in vruchtgebruik, waarover de wet toelaat te beschikken in voordeel van zijn echtgenoot.

Voor de uitoefening van elk vruchtgebruik uit deze akte spruitend, wordt de begiftigde vrijgesteld van borg te stellen en van aanleg te doen.

Deze schenking wordt door beide aanstaande echtgenoten aangenomen."

Dergelijke algehele contractuele erfstelling kan in principe niet ongedaan worden gemaakt noch eenzijdig herroepen worden door één echtgenoot. Een geldige wijziging of herroeping vereist immers de toestemming van beide echtgenoten (artikel 1083 juncto artikel 1093 en 1394 van het Burgerlijk Wetboek). De sanctie hiervan ligt in de vernietigbaarheid van de rechtshandeling gesteld in strijd met artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek of in de inkorting in geval van overschrijding van het beschikbaar deel ter bescherming van het voorbehouden erfdeel van reservataire erfgenamen.

Vanuit die optiek zijn te dezen de betwistingen nopens het bestaan of de draagwijdte van testamentaire beschikkingen (legaten) of schenkingen ten gunste van appellante nogal relatief nu alle schenkingen of legaten vatbaar voor inkorting zijn.

12. Een vordering tot inkorting tegen een derde begiftigde vereist in principe dat de fictieve massa wordt gevormd zodat de reserve en het beschikbaar deel cijfermatig en precies worden bepaald (artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek).

Ten andere worden bij de gerechtelijke verdeling en vereffening in principe slechts de erfopvolgers / deelgenoten in de nalatenschap betrokken als partij. Appellant is inderdaad geen deelgenoot; zij heeft geen breukdeel of onverdeeld aandeel in de nalatenschap van de heer G.; zij deed ook geen verzet in de zin van artikel 882 van het Burgerlijk Wetboek.

De inkorting van eventuele legaten en eventuele schenkingen kan in principe ingesteld worden bij een specifieke procedure van inkorting, vergelijkbaar met de gemeenrechtelijke vordering tot inkorting ter bescherming van de erfrechtelijke reserve besproken in artikelen 921 e.v. van het Burgerlijk Wetboek.

In het bestreden vonnis benadrukte de eerste rechter dat de vordering in vereffening en verdeling ingesteld werd gelet op de betwistingen tussen partijen inzake de vordering tot nietigheid dan wel inkorting lastens Mevrouw C....." .

En verder: ‘waar mevrouw C. echter niet betwist dat zij deze goederen heeft ontvangen bij handgift van wijlen de heer Roger G. dient te worden overgegaan tot het vaststellen van de fictieve massa. Artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek is immers van toepassing op legaten als op schenkingen. De vordering tot vereffening-verdeling is dan ook gegrond en kan worden toegekend."

Het hof bevestigt op dit punt het bestreden vonnis. De principes inzake proceseconomie, goede rechtsbedeling en verband tussen beide vorderingen ingevolge artikel 922 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de samenstelling van de fictieve massa (ook met schenkingen of legaten ten voordele van derden) wettigen dat de vordering tot inkorting tegen dergelijke begunstigde derden, en uitgaand van reservataire erfgenamen van de overledene, desgevallend beslecht wordt in het kader van dezelfde bijzondere rechtspleging van de vereffening en verdeling van diens nalatenschap. Dit geldt mutatis mutandis ook voor een vordering tot inkorting naar aanleiding van het bestaan van een algemene contractuele erfstelling tussen aanstaande echtgenoten gedaan bij huwelijkscontract, ten voordele van de langstlevende hunner.

De vordering tegen appellante in het kader van de bijzondere rechtspleging van gerechtelijke verdeling van de nalatenschap van R. G. tussen diens weduwe en de kinderen, dus de deelgenoten, is dus ontvankelijk of toelaatbaar in de mate dat ze ertoe strekt de inkorting (in de zin van artikel 921 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) te vragen van goederen die ten titel van legaat, of ten titel van schenking, aan appellante, oorspronkelijke verweerster, zouden zijn vermaakt om niet, omdat in huidig geval het beschikbaar deel van de fictieve massa reeds volledig is uitgeput ingevolge de algemene contractuele erfstelling vervat in het huwelijkscontract (artikelen 1083 en 1093 van het Burgerlijk Wetboek). Overigens, een vraag tot inkorting is virtueel begrepen in de algemene eis tot vereffening-verdeling .

De exceptie van niet-ontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid wordt dan ook afgewezen.

3°. Ten gronde

13. De betwistingen ten gronde van appellante zijn kennelijk voorbarig.

Het zal immers de boedelnotaris behoren om als "eerste rechter", overeenkomstig zijn beroepsplichten, de hangende geschilpunten m.b.t. de gerechtelijke vereffening en verdeling, inclusief de overlegging van stukken door partijen, zelf te beslechten.

Het hoger beroep is ongegrond.

De vordering tot betaling van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding is dan ook eveneens ongegrond.

14. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden ten laste van de massa gelegd.

Partijen begroten terecht hun rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 . Er is immers geen reden om af te wijken van dit basisbedrag.

Het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare geschillen bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en de vordering tot betaling van schadevergoeding van appellante ontvankelijk doch ongegrond.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van de massa.

Begroot deze kosten

- in hoofde van appellante op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding) en

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN

Mots libres

  • I. Vordering tot gerechtelijke verdeling. Vordering tot inkorting. Cumul. Proceseconomie. Vereiste van goede rechtsbedeling. II. Trust. Trust beheerst door het recht van het eiland Man. Impact op regels van territoriale bevoegdheid inzake vereffening-verdeling van een opengevallen nalatenschap. Art. 77 WIPR.