- Arrêt du 24 septembre 2013

24/09/2013 - 2008AR2499

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. Opdat het verlies van een kans voor vergoeding in aanmerking zou komen, is vereist dat het bewijs wordt geleverd dat (er effectief een kans bestond dat de schade zich niet zou voordoen, alsook dat) elke kans op een gunstige uitkomst als gevolg van de fouten die men aan geïntimeerden verwijt, teniet is gegaan.

II. Het is de traditionele regel dat, wanneer de schade het gevolg is van de fout of van een tot objectieve aansprakelijkheid aanleiding gevend feit van verscheidene personen, ieder van hen jegens de getroffene die geen fout heeft begaan, gehouden is tot volledige vergoeding van de schade. Indien de schade te wijten is aan de samenlopende fouten van meerdere aansprakelijke partijen blijft elk van die aansprakelijke partijen gehouden tot de gehele schadeloosstelling.

III. Uit het recht op behoorlijke rechtsbedeling vloeit voort dat de beoordeling in feite en in rechte van strafrechtelijke of burgerrechtelijke verantwoordelijkheden voorbehouden is aan onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instanties, die daarover uitspraak doen na een openbare en eerlijke behandeling van de zaak, bij wijze van gemotiveerde en openbaar gemaakte beslissingen. Een parlementaire onderzoekscommissie kan zich een dergelijk oordeel niet aanmatigen. Anders oordelen zou overigens een schending met zich meebrengen van artikel 6 E.V.R.M.

IV. Een boek of een verklaring opgesteld of afgelegd vele jaren na de feiten door een betrokken persoon kan enkel aangezien worden als een vrijblijvende persoonlijke beschouwing of opinie over bepaalde feiten die de geschiedenis hebben gehaald doch kunnen niet als bewijskrachtige stukken worden gebruikt en nog minder als een buitengerechtelijke bekentenis worden gekenmerkt.

V. Het gebrek aan accurate opvolging van gedetineerden tijdens hun voorlopige invrijheidstelling door het in leven roepen van instanties die niet/minstens onvoldoende werkbaar waren, maakt een fout uit in hoofde van de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, bevoegd voor de materies die betrekking hadden op de toenmalige wet Lejeune en de uitvoering ervan.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2008/AR/2499

INZAKE VAN :

1) De heer J. L., wonende ...

in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Joris VERCRAEYE, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Jozef de Bomstraat 4,

2) Mevrouw R. V., wonende ...

3) De heer L. L., wonende ...

vertegenwoordigd door Meester Luc SAVELKOUL, advocaat te 3583 PAAL, Paalsesteenweg 133,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 19 februari 2008,

1ste kamer

TEGEN :

1) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van JUSTITIE, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Patrick HOFSTRÖSSLER, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louisalaan 99,

2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van BINNENLANDSE ZAKEN, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 2,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Leopold SCHELLEKENS loco meester David D'HOOGHE, advocaat te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25en loco Meester Saskia BEECKMANS, advocaat te 1080 BRUSSEL, Mettewielaan 49 bus 10,

Buitencontractuele aansprakelijkheid. I. Schadeloosstelling. Verlies van een kans. Verlies van een overlevingskans. II. Modaliteiten van de schadeloosstelling in geval van fout van verscheidene personen. III. Draagwijdte van een rapport van een parlementaire onderzoekcommissie in een later gerechtelijk geschil. IV. Bewijswaarde van een boek geschreven met betrekking tot de feiten. V. Overheidsaansprakelijkheid. Fout. Gebrek van accurate opvolging van gedetineerden tijdens hun voorlopige invrijheidsstelling.

I. Opdat het verlies van een kans voor vergoeding in aanmerking zou komen, is vereist dat het bewijs wordt geleverd dat (er effectief een kans bestond dat de schade zich niet zou voordoen, alsook dat) elke kans op een gunstige uitkomst als gevolg van de fouten die men aan geïntimeerden verwijt, teniet is gegaan.

II. Het is de traditionele regel dat, wanneer de schade het gevolg is van de fout of van een tot objectieve aansprakelijkheid aanleiding gevend feit van verscheidene personen, ieder van hen jegens de getroffene die geen fout heeft begaan, gehouden is tot volledige vergoeding van de schade. Indien de schade te wijten is aan de samenlopende fouten van meerdere aansprakelijke partijen blijft elk van die aansprakelijke partijen gehouden tot de gehele schadeloosstelling.

III. Uit het recht op behoorlijke rechtsbedeling vloeit voort dat de beoordeling in feite en in rechte van strafrechtelijke of burgerrechtelijke verantwoordelijkheden voorbehouden is aan onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instanties, die daarover uitspraak doen na een openbare en eerlijke behandeling van de zaak, bij wijze van gemotiveerde en openbaar gemaakte beslissingen. Een parlementaire onderzoekscommissie kan zich een dergelijk oordeel niet aanmatigen. Anders oordelen zou overigens een schending met zich meebrengen van artikel 6 E.V.R.M.

IV. Een boek of een verklaring opgesteld of afgelegd vele jaren na de feiten door een betrokken persoon kan enkel aangezien worden als een vrijblijvende persoonlijke beschouwing of opinie over bepaalde feiten die de geschiedenis hebben gehaald doch kunnen niet als bewijskrachtige stukken worden gebruikt en nog minder als een buitengerechtelijke bekentenis worden gekenmerkt.

V. Het gebrek aan accurate opvolging van gedetineerden tijdens hun voorlopige invrijheidstelling door het in leven roepen van instanties die niet/minstens onvoldoende werkbaar waren, maakt een fout uit in hoofde van de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, bevoegd voor de materies die betrekking hadden op de toenmalige wet Lejeune en de uitvoering ervan.

_______________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 19 februari 2008, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 25 september 2008;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 1 december 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 31 januari 2011;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 2 neergelegd ter griffie op 31 januari 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 29 april 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe de BELGISCHE STAAT te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van (1) 179.000 euro, onder aftrek van 62.000 euro, aan eerste appellant, (2) 216.500 euro, onder aftrek van 62.000 euro, aan tweede appellante en (3) 154.000 euro, onder aftrek van 25.000 euro, aan derde appellant, telkens plus intresten vanaf 22 augustus 1995 en met kapitalisatie van die intresten.

1.2. Bij verzoekschrift neergelegd op 24 februari 2005, kwamen Paul M., Betty KOLB, Karen M., Kris M. en Gert M. vrijwillig tussen in het geding en vroegen tevens de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot uitbetaling van diverse schadevergoedingen.

1.3. De eerste rechter heeft in het bestreden eindvonnis (1) de vorderingen van de vrijwillige tussenkomende partijen niet ontvankelijk verklaard wegens verjaring en (2) de vordering van appellanten ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

De vrijwillig tussenkomende partijen hebben - tot op heden - geen hoger beroep aangetekend tegen het bestreden vonnis en zijn daarom geen partij in huidig geding.

1.4. In hoger beroep herleiden appellanten hun oorspronkelijke vorderingen tot respectievelijk 117.000 euro, 154.500 euro en 129.000 euro in hoofdsom.

In ondergeschikte orde vorderen zij 90% van deze bedragen toe te kennen wegens verlies van een kans (= vordering voor het eerst gesteld in hoger beroep).

Voor zoveel als nodig wordt gevraagd, alvorens recht te doen, geïntimeerden te bevelen bepaalde documenten over te leggen waarnaar verwezen wordt in de verslagen van de Parlementaire commissie en hen met alle middelen van recht, getuigenissen inbegrepen, toe te laten het bewijs te leveren van een welbepaald feit.

1.5. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

1.6. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse zaken, vraagt de vorderingen van appellanten niet ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan belang in de zin van artikel 17 Ger.W. (= voorwerp van het incidenteel beroep) minstens ongegrond (= bevestiging van het bestreden vonnis).

II. De relevante feiten.

2.1. Appellanten sub 1 en 2 zijn de ouders van E. L. en appellant sub 3 is haar broer.

E. verdween op 22 augustus 1995 en werd ongeveer één jaar later dood terug gevonden.

M. D. werd door het Hof van Assisen van de provincie Luxemburg bij arrest van 22 juni 2004 veroordeeld tot levenslange opsluiting wegens o.a. de ontvoering, gevangenhouding en moord op E.. In een tweede arrest gewezen op 23 juni 2004 werd uitspraak gedaan op burgerlijk gebied. Deze arresten zijn definitief geworden gezien de voorzieningen in cassatie verworpen werden bij arrest van 15 december 2004.

2.2. Appellanten zijn de mening toegedaan dat ernstige structurele en individuele tekortkomingen van zowel de politionele diensten als van de gerechtelijke diensten er de oorzaak van zijn dat (1) M. D. op het ogenblik van de ontvoering niet in de gevangenis zat in uitvoering van in totaal 13 jaar gevangenisstraf uit hoofde van zedenfeiten hem opgelegd door het hof van beroep te Bergen bij arrest van 26 april 1989 , (2) M. D. en consorten niet tijdig werden opgespoord en aangehouden na de ontvoering van J. L. en M. R. en dat de link nooit is gelegd tussen D. en de verdwijning van E., niettegenstaande de bestaande aanwijzingen tegen D. en de tegen hem gevoerde onderzoeken en (3) door de aangeklaagde fouten en nalatigheden zij minstens een kans hebben gemist om de ontvoering van hun dochter/zuster te voorkomen, minstens te ontrekken uit de handen van haar ontvoerders en moordenaars (= nieuwe vordering in hoger beroep).

III. Discussie.

3.1. De vordering van appellanten is derhalve gesteund op artikel 1382 e.v. B.W.

In hoger beroep steunen appellanten voor het eerst hun vordering op het verlies van een kans, weliswaar in ondergeschikte orde.

3.2.1. Geïntimeerde sub 2 (hierna BZ genoemd) werpt op dat de vordering van appellanten onontvankelijk is bij gebrek aan belang/voorwerp.

BZ voert aan dat bij arrest van 23 juni 2004 het Hof van Assisen D., M. en L. in solidum veroordeeld heeft tot het betalen van de volgende schadevergoedingen aan o.a. appellanten en dit als volgt:

- aan R. V. 100.000 euro wegens morele schade, 50.000 euro wegens materiële schade en 4.000 euro wegens procedurekosten;

- aan J. L. 100.000 euro wegens morele schade, 12.500 euro wegens materiële schade en 4.000 euro wegens procedurekosten;

- aan de nv Gebroeders L. 50.000 euro wegens materiële schade;

- aan L. L. 25.000 euro wegens morele schade en 4.000 euro wegens procedurekosten;

- aan J. L. en R. V. elk 62.500 euro en aan L. L. 125.000 euro wegens schade ex haerede , in hun hoedanigheid van erfgenamen van E. L.;

telkens vermeerderd met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet en dit vanaf de datum van het arrest (23 juni 2004), met uitzondering van de schadevergoedingen wegens procedurekosten.

Volgens BZ vorderen appellanten in het onderhavige geding schadeloosstelling voor de morele en materiële schade die zij hebben geleden ten gevolge van de verdwijning en de dood van hun kind respectievelijk zus terwijl betrokkenen voor deze schade reeds een vergoeding toegekend kregen in het voornoemd arrest van 23 juni 2004. De oorzaak van de onderhavige vordering tot schadevergoeding zou - nog steeds in de stelling van BZ - dezelfde zijn als de oorzaak van de vordering tot schadevergoeding die reeds door het Hof van Assisen werd ingewilligd en zou bovendien ook het voorwerp van onderhavige vordering volledig overeen stemmen met dat van de door het Hof van Assisen ingewilligde vordering, namelijk de vergoeding van morele en materiële schade.

Hieruit besluit BZ dat appellanten geen vergoeding meer kunnen krijgen voor de door hen ingestelde aansprakelijkheidsvorderingen omdat de schade die zij hebben geleden immers reeds bij het voornoemd arrest van het Hof van Assisen werd vergoed door de toekenning van schadevergoeding zodat om deze reden de vordering van appellanten onontvankelijk zou moeten worden verklaard bij gebrek aan belang, minstens bij gebrek aan voorwerp.

3.2.2. Appellanten hebben een rechtstreeks materieel voordeel bij het verkrijgen van de veroordeling tot betaling die zij vorderen. Zij hebben dus belang in de zin van artikel 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. Of hun schade reeds vergoed is door andere veroordelingen, betreft de grond van de vordering.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd en het incidenteel beroep is aldus ontvankelijk doch ongegrond.

Het staat overigens vast dat appellanten niet volledig vergoed zijn geweest voor de door hen geleden schade.

Van de veroordeelden kon geen betaling verkregen worden reden waarom zij zich gewend hebben tot het Fonds voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, dewelke ressorteert onder het Ministerie van Justitie dat in deze overigens de ontvankelijkheid van de vordering van appellanten niet betwist.

BZ stelt zelf in zijn conclusie dat het Fonds voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een vergoeding uitkeert welke in ieder geval begrensd is tot 62.000 euro, dat dit Fonds precies in het leven werd geroepen om slachtoffers van opzettelijke gewelddaden of hun rechthebbenden, zoals appellanten, een financiële tegemoetkoming te verlenen wanneer zij niet op een andere manier schadeloosstelling kunnen verkrijgen vanwege de veroordeelden, dat het doel van de Wet van 1 augustus 1985 , die voormeld Fonds in het leven riep, er niet in bestaat om een volledige schadeloosstelling te verzekeren en dat de hulp ten laste van de Staat in het kader van het Fonds voor Slachtofferhulp naar billijkheid bepaald wordt en nooit meer mag bedragen dan 62.000 euro (artikel 33 van de Wet van 1 augustus 1985). De vergoeding door het Fonds is niet gesteund op enige aansprakelijkheid van de BELGISCHE STAAT voor de opzettelijke gewelddaden.

3.2.3. Vervolgens was BZ geen partij in de strafprocedure gevoerd voor van het Hof van Assisen dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 23 juni 2004.

Het is de traditionele regel dat, wanneer de schade het gevolg is van de fout of van een tot objectieve aansprakelijkheid aanleiding gevend feit van verscheidene personen, ieder van hen jegens de getroffene die geen fout heeft begaan, gehouden is tot volledige vergoeding van de schade. Indien de schade te wijten is aan de samenlopende fouten van meerdere aansprakelijke partijen blijft elk van die aansprakelijke partijen gehouden tot de gehele schadeloosstelling .

3.3. Appellanten verwijten aan geïntimeerden ernstige structurele en individuele tekortkomingen zowel in het kader van de politionele diensten als op het vlak van de gerechtelijke overheden wat ertoe zou geleid hebben dat (a) D. op het ogenblik van de verdwijning van E. niet (meer) in de gevangenis zat en (b) de link niet werd gelegd tussen D. en de verdwijning van E. alhoewel er afdoende aanwijzingen bestonden tegen D. en er in andere gerechtelijke arrondissementen onderzoeken tegen hem verricht werden.

3.3.1. Het bewijs hiervan menen zij vooreerst te kunnen putten uit verslagen van de parlementaire onderzoekscommissie D. - N..

Er wordt betwisting gevoerd tussen partijen welke bewijswaarde dient gegeven te worden aan de desbetreffende verslagen van de parlementaire onderzoekscommissie D..

3.3.2. De opdracht van de onderzoekscommissie bestond erin uitspraak te doen over de aanpassingen die moeten worden aangebracht aan de organisatie en de werking van het politioneel en gerechtelijk apparaat.

Het recht van onderzoek dat door artikel 56 G.W. aan de wetgevende vergaderingen wordt toegekend en geregeld bij wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, gewijzigd bij wet van 30 juni 1996, berust uitsluitend op de noodzaak om de parlementaire vergaderingen in staat te stellen op een doeltreffende wijze informatie te verzamelen, om de hen door de Grondwet toevertrouwde opdrachten - met name een wetgevende en controlerende taak - met kennis van zaken te kunnen laten uitoefenen .

3.3.3. Desbetreffend stelde de eerste rechter:

"Het kan niet worden betwist dat een dergelijk parlementair onderzoek een eigen finaliteit heeft en in eerste instantie bedoeld is om genomen beleidsopties te onderzoeken, met het oog op de eventuele bijsturing ervan en desgevallend voor het bepalen van politieke en ministeriële verantwoordelijkheden.

Anderzijds wijzen eisers er terecht op dat de bewijsvoering in burgerlijke zaken vrij is, derwijze dat zij wel degelijk gerechtigd zijn zich te beroepen op de inhoud van het betreffende verslag.

Daarbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat een Parlementaire Commissie niet kan optreden als een vonnisgerecht en bijgevolg niet vermag uitspraak te doen over strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of burgerrechtelijke aansprakelijkheden.

De rechtbank kan, in het kader van huidige aansprakelijkheidsvordering kennis nemen van de bevindingen van de Onderzoekscommissie, doch vermag soeverein de bewijswaarde daarvan te bepalen alsmede oordelen of de inhoud van het Verslag aanleiding kan geven tot de vaststelling van de door eisers beoogde burgerlijke verantwoordelijkheden van verweerster.

De rechtbank acht zich alvast niet gebonden door de politieke verklaringen die in de marge van het Parlementair onderzoek of na afloop van dit onderzoek in de pers werden afgelegd, en die in ieder geval niet als buitengerechtelijke bekentenissen worden gekwalificeerd." (onderstreping toegevoegd door het hof).

3.3.4. Appellanten stellen dat zij zich kunnen vinden in deze beoordeling en dat zij thans herhalen in graad van beroep dat het bewijs van vorderingen inzake extracontractuele aansprakelijkheid vrij is en mag geleverd worden met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen .

Zij bevestigen in hun conclusie de finaliteit van het verslag van een parlementaire commissie te kennen en onderschrijven hierbij de stelling dat de bevoegdheid van de onderzoekscommissie zich ertoe beperkt vaststellingen te doen met het oog op het verlenen van een advies aan de wetgever.

3.3.5. BZ stelt desbetreffend in zijn conclusie het volgende:

"Concludente benadrukt integendeel wel dat rekening moet worden gehouden met de eigen finaliteit van deze verslagen, welke finaliteit belet dat de bevindingen en gevolgtrekkingen uit deze verslagen fouten of tekortkomingen in hoofde van de Belgische Staat zouden doen vaststaan en derhalve dat hieruit enige strafrechtelijke of burgerrechtelijke aansprakelijkheid in hoofde van concludente zou kunnen en mogen worden afgeleid.

De regel van de vrije bewijsvoering doet overigens geen afbreuk aan het feit dat het aan de rechtbank toekomt om soeverein de bewijswaarde te bepalen van de voor hem ingeroepen feiten, en aldus te beoordelen of de inhoud van het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie toelaat te besluiten tot de door appellanten op principaal hoger beroep ingeroepen burgerlijke verantwoordelijkheden van concludente en tweede geïntimeerde. Een en ander werd ook met zoveel woorden door de rechter in eerste aanleg bevestigd. In casu werd vervolgens door de rechter in eerste aanleg - terecht - vastgesteld dat het niet mogelijk was op basis van voornoemd verslag te besluiten tot enige burgerlijke verantwoordelijkheid in hoofde van concludente en tweede geïntimeerde. Anders dan wat appellanten pogen te doen uitschijnen heeft de rechter in eerste aanleg de bewijskracht van de verslagen van de parlementaire onderzoekscommissie aldus geenszins zonder meer aanvaard.

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat appellanten op principaal hoger beroep niet kunnen volstaan met een loutere verwijzing naar de verslagen van de parlementaire onderzoekscommissie D., of met het reproduceren van citaten uit deze verslagen, teneinde de beweerde schending van de zorgvuldigheidsnorm door concludente te bewijzen. Niettegenstaande appellanten op principaal hoger beroep gerechtigd zijn in het kader van hun vordering tot schadevergoeding te verwijzen naar de vaststellingen van de parlementaire onderzoekscommissie D., ontslaat een loutere verwijzing hen geenszins van de verplichting het bewijs te leveren van de feiten waarvan zij, op basis van de betrokken verslagen, het bestaan aanvoeren. Een verwijzing naar bepaalde feiten die uit het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie zouden blijken kan appellanten op principaal hoger beroep evenmin ontslaan van de verplichting om het door hen ingeroepen foutief karakter van de betrokken feiten te bewijzen." (onderstreping toegevoegd door het hof).

3.3.6. Het Ministerie van Justitie stelt desbetreffend op zijn beurt het volgende:

"Die relatie tussen de parlementaire onderzoekscommissies en de rechterlijke macht vormde overigens één van de voornaamste aanleidingen voor de wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek bij wet van 30 juni 1996 (tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek, B.S., 16 juli 1996).

Uit dit beginsel van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, voor de wetgevende macht vloeit volgens unanieme rechtsleer een verbod voort, om te oordelen over geschillen die behoren tot de bevoegdheid van de rechtscolleges. Op grond van dit beginsel kunnen de onderzoekscommissies bijgevolg enkel eventuele politieke verantwoordelijkheden vaststellen. Optreden als een vonnisgerecht, door het vaststellen van strafrechtelijke of burgerrechtelijke aansprakelijkheid is uitgesloten.

«Een wetgevende vergadering, een commissie of één hunner leden (kan) niet in de plaats treden van de rechtscolleges van de rechterlijke macht of van haar magistraten om bevoegdheden uit te oefenen die ingevolge de Grondwet en de wet uitsluitend aan die rechtscolleges of die magistraten toebehoren. Het is hun evenzeer verboden de uitoefening van die bevoegdheden te hinderen of te beperken, of zich te mengen in het vervullen van de taken die met die bevoegdheden samenhangen. Een parlementaire onderzoekscommissie mag niet nagaan of bepaalde personen strafrechtelijk of burgerlijk aansprakelijk zijn voor bepaalde feiten, noch daarover uitspraak doen. » (VELU, J., "Overwegingen omtrent de betrekkingen tussen de parlementaire onderzoekscommissies en de rechterlijke macht", R.W., 1993-94, p. 210).

Dit wordt bevestigd door DE BRUYN, die overweegt:

« S'agissant des responsabilités révélées par l'enquête, celles-ci sont exclusivement de nature politique. En aucun cas, la commission n'est autorisée à s'ériger en accusateur et encore moins en juge. » (DE BRUYN, D., "L'actualité des enquêtes parlementaires fédérales", J.T., 1997, p. 634). (Vrij vertaald : De middels het onderzoek vastgestelde verantwoordelijkheden zijn uitsluitend van politieke aard. De Commissie kan zich in geen geval als aanklager en nog minder als rechter opwerpen).

De Raad van State heeft dit eveneens bevestigd door in zijn advies bij een wetsvoorstel houdende hervorming van het onderzoeksrecht uitdrukkelijk te stellen:

« Aan de ene kant ligt daarin de beperking besloten dat het onderzoeksrecht niet verder reikt dan tot wat nodig is aan informatie om die opdracht te vervullen.

Aan de andere kant wordt het onderzoeksrecht begrensd door de bevoegdheidssferen die de Grondwet aan de andere overheidsinstellingen of machten heeft toegewezen. De Volksvertegenwoordiging mag de uitoefening van de functies welke die overheidsinstellingen zijn opgedragen, noch verhinderen, noch beperken. Zij kan dus a fortiori niet in de plaats treden van de andere machten. De functies van opsporing, gerechtelijk onderzoek en rechtspraak moeten onverlet blijven, alsmede de bestuursopdrachten van de uitvoerende macht, daar die een volstrekt verschillende doelstelling hebben dan die welke de Kamers bij een parlementair onderzoek mogen beogen. » (Advies R.v.St., afd. Wetgeving van 3 oktober 1989, Parl.St., Kamer, 1988-89, nr. 675/2, 6-7).

Tenslotte blijkt ook uit de voorbereidende werken bij de wet van 30 juni 1996 tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek dat de eventuele verantwoordelijkheden die door het verslag van een parlementaire onderzoekscommissie worden vastgesteld, geenszins betrekking hebben op burgerrechtelijke fouten.

De voorbereidende werken leggen in het raam van het gewijzigde artikel 13 van de wet van 1880 (volgens hetwelk de commissie van haar werkzaamheden een openbaar verslag dient op te maken en o.m. eventueel opmerkingen over de verantwoordelijkheden die het onderzoek aan het licht heeft gebracht dient te formuleren), in se aan een onderzoekscommissie de verplichting op om: « een verslag te maken met het oog op aanbevelingen tot wetswijziging en/of het aanduiden van de politieke, ministeriële verantwoordelijkheid en, in voorkomend geval, het mededelen van feiten en vragen te stellen i.v.m. de mogelijke strafrechtelijke maar niet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid. » (Gedr. St., Kamer, zitting 1995-96, nr. 148/1, 9. Zie ook Gedr.St., Senaat, B.Z. 1991-92, nr. 429-1, 36).

Uit hetgeen voorafgaat kan dan ook enkel worden besloten, zoals de eerste rechter heeft gedaan, dat de verslagen van de commissie-D., gelet op enerzijds de finaliteit van het parlementair onderzoeksrecht en anderzijds het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zoals beiden in de Belgische grondwet werden vastgelegd, geen bewijs kunnen opleveren van het eventueel bestaan van burgerrechtelijke fouten van organen of aangestelden van concluant en - a fortiori- van diens aansprakelijkheid." (onderstreping toegevoegd door het hof).

3.3.7. Uit de analyse van de conclusies van de betrokken partijen blijkt dat allen het eens zijn met de - terechte - redenering van de eerste rechter in die zin dat appellanten zich wel degelijk kunnen beroepen op de verslagen van de betrokken Parlementaire Onderzoekscommissie om de door hen aangehouden fouten in hoofde van geïntimeerden aan te tonen doch dat het aan de rechtelijke macht toekomt om soeverein de bewijswaarde van de bevindingen van die commissie te beoordelen gezien het niet toekomt aan een Parlementaire Commissie - in het kader van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zoals gewaarborgd in de Belgische Grondwet - om uitspraak te doen over strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of burgerrechtelijke aansprakelijkheden.

Uit het recht op behoorlijke rechtsbedeling vloeit overigens tevens voort dat de beoordeling in feite en in rechte van strafrechtelijke of burgerrechtelijke verantwoordelijkheden voorbehouden is aan onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instanties, die daarover uitspraak doen na een openbare en eerlijke behandeling van de zaak, bij wijze van gemotiveerde en openbaar gemaakte beslissingen. Een parlementaire onderzoekscommissie kan zich een dergelijk oordeel niet aanmatigen zoals terecht voorgehouden door geïntimeerden . Anders oordelen zou overigens een schending met zich meebrengen van artikel 6 E.V.R.M.

Op dat punt wordt het bestreden vonnis bevestigd in zoverre deze betwisting nog het voorwerp uitmaakt van hoger beroep gelet op de hier voren geciteerde passages uit de eigen conclusies van de betrokken partijen.

3.3.8. In het licht van wat voorafgaat, is het derhalve niet opportuun - zoals appellanten vragen - om alvorens recht te doen, geïntimeerden te bevelen de documenten over te leggen waarnaar verwezen wordt in de verslagen van de Parlementaire Onderzoekscommissie.

3.3.9. In hun nieuwe syntheseconclusie - genomen na beschikking met toepassing van artikel 748 Ger.W. - beroepen appellanten zich (thans) ook op de zogenaamde "getuigenis" van gewezen procureur des Konings van Neufchâteau - de heer B. - zoals hij dit verwoordde in zijn boek "De jacht op de wolven" alsmede op een verklaring van gewezen minister van Justitie M. V. - genoteerd in het boek "Achter de schermen van de commissie D.. Memoires van M. V." geschreven door D. I. en een getuigenis in dezelfde zin verschenen in P - Magazine van 26 februari 2008 - als bewijs van zogenaamde fouten begaan door de politiediensten, van het achterhouden van informatie en van de "politie - oorlog" die gevoerd zou zijn geweest tussen de verschillende politiediensten.

Een boek of een verklaring opgesteld of afgelegd vele jaren na de feiten door een betrokken persoon kan enkel aangezien worden als een vrijblijvende persoonlijke beschouwing of opinie over bepaalde feiten die de geschiedenis hebben gehaald doch kunnen niet als bewijskrachtige stukken worden gebruikt en nog minder als een buitengerechtelijke bekentenis worden gekenmerkt.

Dergelijke stukken kunnen bijgevolg niet aangewend worden om enige fout te bewijzen in de zin van artikel 1382 e.v. B.W.

3.3.10. Appellanten vragen tevens - in diezelfde syntheseconclusie - hen toe te laten met alle middelen van recht, getuigenissen en vermoedens inbegrepen, te bewijzen dat de rijkswacht in de periode tussen de voorlopige invrijheidsstelling van D. op 6 april 1991 en het overlijden van E. L., op niet nader te bepalen datum in september - oktober 1995, systematisch nuttige informatie, die had moeten minstens kunnen leiden tot de tijdige opsporing en (her)opsluiting van M. D. en de redding van E. L., heeft achtergehouden en verzwegen voor de andere politiediensten, de bevoegde parketten en onderzoeksrechters.

Na de hele commotie die de zaak D. te weeg heeft gebracht en de vele publicaties allerhande die hierover nadien verschenen zijn, is het redelijkerwijze onmogelijk om thans nog - meer dan 15 jaar na de gebeurtenissen - op een objectieve, serene en onafhankelijke wijze te kunnen overgaan tot het samenstellen van een nieuwe bewijsvoering.

Het aanbod van appellanten om over te gaan tot een aanvullend bewijs wordt bijgevolg verworpen.

3.4. Appellanten houden voor dat huidige betwisting - ten gronde - kan beslecht worden door te antwoorden op de volgende vragen:

(a) Heeft D. E. ontvoerd en vermoord?

(b) Had D. op 22 augustus 1995 nog in voorwaardelijke vrijheid mogen zijn?

(c) Had D. vóór 22 augustus 1995 of toch minstens vóór het overlijden van E. moeten opgespoord en aangehouden zijn?

(d) Zijn er reële kansen geweest om D. voor de dood van E. op te sporen en te redden en zijn deze gemist door fouten of tekortkomingen van de overheidsdiensten?

Op de eerste vraag werd reeds een definitief antwoord gegeven door het arrest van het Hof van Assisen van 22 juni 2004.

Dit feit op zich bewijst evenwel niet dat geïntimeerden - in hun onderscheiden hoedanigheden - een fout zouden hebben begaan in oorzakelijk verband met de geleden schade.

Het bestaan van schade maakt geen bewijs uit van fout en van het oorzakelijk verband tussen die fout en de schade in de zin van artikel 1382 e.v. B.W.

3.4.1. M.b.t. de tweede vraag verwijzen appellanten naar het arrest van het hof van beroep te Bergen - uitgesproken op 24 april 1989 - waarbij D. veroordeeld werd tot een hoofdgevangenisstraf van 10 jaar + 3 jaar en 6 maanden en naar het besluit van de toenmalige Minister van Justitie van 6 april 1992 waarbij D. voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld op grond van de alsdan vigerende Wet van 31 mei 1888 (= Wet Lejeune).

3.4.2. De beslissing van de toenmalige Minister om D. voorlopig in vrijheid te stellen, voldeed aan alle formele en inhoudelijke voorwaarden van de alsdan vigerende regelgeving en is op zich niet foutief te noemen.

D. had minstens een derde van zijn vrijheidstraffen ondergaan - in realiteit had hij zelfs meer dan de helft van zijn gevangenisstraffen in hechtenis doorgebracht omdat de toenmalige minister besloten had de termijn van een derde tot de helft te brengen voor eenieder die verantwoordelijk werd gesteld voor geweldpleging tegen personen - hij had het bewijs geleverd van verbetering en over voldoende reclasseringskansen te beschikken en hij aanvaardde de voor de proeftijd opgelegde voorwaarden te eerbiedigen, bestaande o.a. uit het loyaal meewerken aan een strikte sociale begeleiding en het op regelmatige basis volgen van de medisch - psychologische begeleiding.

Het feit dat de Minister D. voorlopig in vrijheid stelde spijts twee negatieve adviezen - de gevangenisdirectie zelf verleende in 1992 een positief advies en nam het initiatief tot de voorwaardelijke invrijheidstelling - is op zich evenmin foutief te noemen. Onder de toenmalige wetgeving L. behoorde het aan de Minister van Justitie om te beslissen over de toekenning en de eventuele herroeping van een voorwaardelijke invrijheidsstelling waarbij deze beschikte over een discretionaire bevoegdheid waarvan de uitoefening slechts onderworpen was aan een marginale toetsing van de rechterlijke macht. Het wordt niet aangetoond dat in de gegeven omstandigheden van toen de Minister van Justitie nalatig was of een onvoorzichtigheid beging door D. voorlopig in vrijheid te stellen nadat de betrokkene aan alle wettelijke voorwaarden voldeed om hiertoe in aanmerking te komen. Het blijkt niet dat in de omstandigheden van de zaak de minister kon voorzien of behoorde te voorzien welke gewelddaden D. vervolgens zou plegen.

Het doel van de wet L. is immers ontstaan onder de impuls om een gedetineerde te responsabiliseren tijdens zijn gevangenschap of aan te sporen tot goed gedrag door een vervroegde vrijlating mogelijk te maken en de voorlopige invrijheidsstelling had tot doel de reclassering van een gedetineerde mogelijk te maken en aan te moedigen onder de dreiging van de rest van de opgelopen gevangenisstraf toch te moeten uitzitten. De wetgever ging er alsdan van uit dat de voorlopige invrijheidsstelling meer garanties bood om recidive te voorkomen dan een gedetineerde zijn ganse gevangenisstraf te laten uitzitten. Het behoort niet aan het hof de filosofie die aan de grondslag lag van een dergelijke wetgeving in de maatschappelijke context die alsdan bestond hier in vraag te stellen of te becommentariëren.

De bevoegde Minister heeft alsdan gehandeld zoals elke redelijke, normale en voorzichtige Minister van Justitie zou gehandeld hebben, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.

3.5. De manier waarop na de voorlopige invrijheidsstelling D. op sociaal - medisch - psychologisch vlak gevolgd werd, is echter een ander verhaal.

In het rapport van de Onderzoekscommissie is desbetreffend overigens sprake van het inhoudloos karakter van de sociale begeleiding die louter formeel was en veraf stond van de werkelijkheid en verder nog van een opvolging die totaal te wensen overliet met als gevolg dat die passieve begeleiding voor D. ideaal manipuleerbaar was, wat hij ook deed.

Justitie geeft overigens toe in haar syntheseconclusie dat de sociaal assistente die D. zijn voorwaardelijke invrijheidstelling moest opvolgen, diende in te staan voor de begeleiding van 120 veroordeelden en dat er bijgevolg binnen het voorziene budget onvoldoende ruimte was voor een ernstige en adequate begeleiding van veroordeelden.

Het behoorde aan de bevoegde overheid voldoende middelen en instrumenten ter beschikking te stellen teneinde de finaliteit van de toenmalige Wet L. te kunnen verwezenlijken, met name het begeleiden van een gedetineerde tijdens zijn proefperiode met het oog op zijn volledige reïntegratie in de maatschappij. Het gebrek aan een professionele opvolging maakte dat een gedetineerde quasi aan zijn lot werd overgelaten of misbruik kon maken van de bestaande hiaten en mankementen binnen het systeem wat niet het doel was van de toenmalige wet L..

Dit gebrek aan accurate opvolging van gedetineerden tijdens hun voorlopige invrijheidstelling door het in leven roepen van instanties die niet/minstens onvoldoende werkbaar waren, maakt een fout uit in hoofde van de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, bevoegd voor de materies die betrekking hadden op de toenmalige wet Lejeune en de uitvoering ervan.

3.6. Appellanten verwijten verder aan de politiediensten niet voldoende aandacht te hebben besteed aan een aantal incidenten die - volgens hen - minstens hadden moeten leiden tot een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van D. wegens "moreel laakbaar gedrag" in de zin van o.a. artikel 3 van de wet Lejeune.

Zij verwijzen hierbij naar het "lastig vallen" van een meisje/meisjes op de ijsbaan in Charleroi in november 1992, naar huiszoekingen verricht in de loop van 1992 en 1993 waaruit blijkt dat D. zich schuldig maakte aan diefstallen en waarbij drie scanners in werking werden ontdekt alsmede een niet geregistreerde Long Rifle 22 en naar anonieme informatie dat D. verbouwingswerken zou uitvoeren in zijn kelder teneinde er kinderen in onder te brengen in afwachting dat ze naar het buitenland werden gebracht.

3.6.1. Over de juiste toedracht van wat er gebeurde op de schaatsbaan is niets geweten gezien hiervan geen P.V. werd opgesteld nadat de politie ter plaatse was gekomen. In het rapport van de Parlementaire onderzoekscommissie is er overigens enerzijds sprake dat D. op de schaatsbaan meisjes seksueel zou betast hebben en anderzijds één meisje zou hebben lastig gevallen wat alleen nog meer twijfels doet ontstaat over het waarheidsgehalte en de ernst van het "schaatsbaanincident".

Gezien de eigenlijke feitelijke toedracht van het gebeuren onduidelijk is, kan in een dergelijke context ook niet verweten worden aan de politie geen P.V. te hebben opgesteld.

3.6.2. M.b.t. de vermeende door D. gepleegde diefstallen en de tijdens de eerste uitgevoerde huiszoeking gevonden voorwerpen werd P.V. opgesteld en werd een gerechtelijk onderzoek gestart.

De informatie verstrekt door een informant werd hoe dan ook nagegaan tijdens de huiszoeking van 8 november 1993, uitgevoerd op verzoek van de onderzoeksrechter. De rijkswacht heeft alleen kunnen vaststellen dat D. op dat ogenblik verbouwingen aan zijn kelder uitvoerde wat op zich geen uitzonderlijk feit was. Op dat ogenblik kon moeilijk verwacht worden dat de rijkswacht een dergelijk alleenstaand feit in verband zou brengen met ontvoeringen die een aanvang namen in juni 1995 .

Appellanten moeten zich immers stellen op de datum dat voornoemde feiten zich zogenaamd zouden hebben voorgedaan - ogenblik waarop de politiediensten over geen afdoende concrete gegevens beschikten waaruit zij hadden kunnen afleiden dat D. in staat was tot het begaan van dergelijke misdrijven zoals nadien is gebleken - en nergens blijkt uit dat de politionele diensten op dat ogenblik in gebreke zijn gebleven en niet zouden hebben gehandeld zoals van een normaal voorzichtige politieagent/politiedienst mag worden verwacht in dezelfde omstandigheden geplaatst.

3.7. Niettegenstaande het laakbaar beleid van de bevoegde overheid vaststaat m.b.t. het opvolgen van D. tijdens zijn periode van voorlopige in vrijheidstelling blijft er onzekerheid over de vraag of ingeval van accurate begeleiding D. niet in staat was geweest om de misdrijven te plegen die nadien zijn gebleken.

Het staat immers afdoend vast dat D. een psychopaat was en derhalve in staat was zijn begeleiding en omgeving te misleiden.

Tijdens zijn gevangenschap had hij zich voorbeeldig gedragen en bij zijn omgeving de indruk gewekt bewust te zijn geworden van zijn laakbaar gedrag en hieraan te willen werken, reden overigens waarom hij o.a. in aanmerking kwam voor een voorlopige in vrijheidstelling.

In het kader van de filosofische achtergrond die toen heerste bij de toepassing van de wet Lejeune, met name het geven van ruime kansen aan een gedetineerde opdat hij zou kunnen reïntegreren in de maatschappij veeleer dan een repressief optreden bij elk vermoed niet - naleven van de opgelegde voorwaarden in bepaalde concrete omstandigheden is het even onzeker of de bevoegde Minister zou overwogen hebben de voorlopige in vrijheid stelling te herroepen die in zijne hoofde een discretionaire bevoegdheid uitmaakte.

Nog minder staat vast dat zelfs ingeval van herroeping D. nog aangehouden zou geweest zijn in juni 1995.

De toenmalige Wet van 31 mei 1888 bevatte immers geen enkele wachttermijn die de veroordeelde moest respecteren vooraleer hij opnieuw om een voorwaardelijke invrijheidstelling kon verzoeken. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling van D. inderdaad was herroepen in de periode 1992-1994, dan sloot dit niet uit dat D. opnieuw in vrijheid zou zijn gesteld in augustus 1995, toen An en E. verdwenen.

3.8. Appellanten voeren verder aan dat D. vóór 22 augustus 1995 of minstens bij het overlijden van E. opgespoord en aangehouden had moeten worden. Zij houden voor dat tussen eind juni 1995 (verdwijning van J. en M.) en het ogenblik waarop hun dochter/zus om het leven kwam (= september of oktober 1995) zoveel sporen naar D. leidden dat behoorlijk werkende overheidsdiensten van politie en justitie D. hadden moeten opsporen als dader van de ontvoering van J. en M., nog vóór E. om het leven werd gebracht.

Appellanten verwijzen hierbij uitgebreid naar het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie met overname van vele uittreksels hieruit waaruit zou moeten blijken dat zonder de begane "fouten" of "tekortkomingen" zij hun dochter/zus levend hadden kunnen terug vinden.

Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de parlementaire commissie de gestelde handelingen post factum heeft onderzocht wat geen exact beeld kan weergeven van wat zich op het terrein heeft voorgedaan op het moment zelf. De besluiten opgenomen in dat rapport worden bovendien in voorwaardelijke wijze uitgedrukt en nergens blijkt dat deze of andere wijze van onderzoeken met zekerheid een andere afloop had betekend voor E..

Het is evenmin mogelijk om post factum alle pistes te onderzoeken die zich zouden hebben voorgedaan indien deze of gene onderzoeksdaad op een andere wijze was uitgevoerd. Er weze herhaald dat de handelwijze van de politiediensten en de gerechtelijke overheden niet kan beoordeeld worden op grond van het geheel van de feiten zoals zij thans gekend zijn doch beoordeeld dient te worden gelet op de concrete situatie waarin de betrokken diensten zich bevonden op het ogenblik van de feiten zelf.

Appellanten tonen evenmin aan op grond van welke concrete en objectieve elementen en gegevens - die op dat ogenblik beschikbaar waren - onmiddellijk een link had moeten gelegd worden tussen enerzijds de verdwijning van An en E. - waarvan het onderzoek in Brugge gebeurde - en anderzijds die van J. en M. - waarvan het onderzoek in Luik gebeurde. Appellanten verwijzen zelf naar een passage uit het verslag van de onderzoekscommissie waaruit blijkt dat de politiediensten alsmede het parket belast met het onderzoek naar de verdwijning van An en E. bijzonder reactief te werk zijn gegaan en in het kader van het onderzoek een veelheid aan mogelijke sporen hebben nagetrokken.

De structurele tekortkomingen die appellanten uitvoerig aanhalen - zoals o.m. het ontbreken van een centrale informatiestroom tussen de parketten, de gebrekkige samenwerking tussen de parketten onderling, de hiërarchische structuur van het toenmalig politieapparaat en het hybride karakter van de organisatie van de politiesteundiensten - kunnen niet - zoals appellanten voorhouden - ten laste gelegd worden van de politiediensten en het gerechtelijk apparaat betrokken bij een onderzoek. Zij werden immers geacht een onderzoek te voeren met de alsdan voorhanden zijnde instrumenten en de alsdan bestaande werkmethodes.

Appellanten bewijzen hoe dan ook niet welke concrete fouten begaan werden door BZ.

3.9. De essentie van het hele debat is overigens de vraag of appellanten erin slagen het oorzakelijk verband aan te tonen met de door hen geleden schade.

Er bestaat een oorzakelijk verband tussen die fout en de schade wanneer vaststaat dat zonder die fout de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. Tot afwezigheid van oorzakelijk verband kan niet besloten worden wanneer niet wordt vastgesteld dat de schade zich ook zonder de fout zou hebben voorgedaan, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.

Opdat een fout tot aansprakelijkheid aanleiding zou geven, is noodzakelijk dat deze fout een in concreto noodzakelijke voorwaarde uitmaakte voor het schadegebeuren. Maar zodra dit inderdaad het geval is, is de fout steeds, onvermijdelijk , de oorzaak van het schadegebeuren, hoe onwaarschijnlijk, onrechtstreeks of uitzonderlijk de feitelijke gang van zaken die tot het schadegebeuren - en tot de eruit voortvloeiende schadelijke gevolgen - leidde, ook moge zijn (= equivalentietheorie).

Het ontbreken van oorzakelijk verband mag niet afgeleid worden uit het feit dat het schadegeval zich ook had kunnen voordoen in andere, louter denkbeeldige omstandigheden, die verschillen van de feitelijke omstandigheden waarin het zich voordeed en waarin de aansprakelijke geen fout kan worden verweten.

Meer doen dan het foutieve facet van de gedraging van geïntimeerde weglaten, mag de rechter niet. Hij mag de concrete historiek van het schadegeval niet wijzigen. Dat is precies wat appellanten in deze doen.

Via een a posteriori weergave van de feiten worden denkbeeldige omstandigheden gecreëerd die verschillen van de feitelijke omstandigheden waarin het hele gebeuren zich heeft voorgedaan.

Ten overvloede wordt hierbij opgemerkt - zoals BZ terecht stelt - dat wanneer het gaat om onderzoeken die gekenmerkt worden door een uitermate verregaande complexiteit en veelheid aan gegevens en informatie, waarvan vaak moeilijk kan worden ingeschat of deze al dan niet van belang zijn, en waarbij bovendien diverse onderscheiden instanties met eigen bevoegdheden en prioriteiten betrokken zijn, en waarbij bovendien ook andere factoren een rol spelen (geografisch afspelen van de feiten, situering in tijd, ed.) het zeer moeilijk is, zoniet onmogelijk, om te voorspellen welke de impact zou zijn geweest van het zich wel of niet voordoen van bepaalde feiten (in casu het wel of niet beschikken over bepaalde informatie) op de uiteindelijke afwikkeling van de gevolgen zoals zij zich hebben voorgedaan. Meer bepaald is het niet onwaarschijnlijk dat, zelfs zo tengevolge van een betere informatieverspreiding en - uitwisseling door de speurders men tot bepaalde gevolgtrekkingen of inzichten zou zijn gekomen, andere zouden zijn uitgebleven en het spoor naar D. uiteindelijk toch niet (tijdig) zou zijn blootgelegd.

Appellanten tonen bijgevolg niet aan dat in de concrete omstandigheden die zich toen voordeden het schadegeval zich niet had voorgedaan.

3.10. Dezelfde principes gelden voor wat het verlies van een kans betreft.

Opdat het verlies van een kans voor vergoeding in aanmerking zou komen, is vereist dat het bewijs wordt geleverd dat (er effectief een kans bestond dat de schade zich niet zou voordoen, alsook dat) elke kans op een gunstige uitkomst (in casu het levend terugvinden van de dochter respectievelijk zus van appellanten op principaal hoger beroep) als gevolg van de fouten die men aan geïntimeerden verwijt, teniet is gegaan. Ze moeten m.a.w. bewijzen dat zonder de fout een reële kans op overleven bestond en dat die door de fout verloren is gegaan.

Het verlies van een overlevingskans komt enkel voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat.

Ten onrechte wordt bijgevolg voorgehouden dat het verlies van een reële kans om schade te vermijden voor vergoeding in aanmerking komt, als een "causale onzekerheid" bestaat, omdat de mogelijkheid bestaat dat de benadeelde de schade ook zonder de fout van de tegenpartij zou geleden hebben.

Ook hier tonen appellanten niet afdoend aan dat in de gegeven omstandigheden - zonder de tekortkomingen in het gerechtelijk onderzoek die zij als foutief omschrijven - de kans bestond om de schade (= het verlies van kans) te vermijden zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.

Zij bewijzen niet dat door welbepaalde fouten een reële kans op het overleven van hun dochter en zuster verloren is gegaan. Het is geheel onzeker wat het gevolg zou zijn geweest van het niet optreden van de vermelde tekortkomingen, zodat niet met zekerheid kan gesteld worden dat die tekortkomingen een verlies van kans hebben veroorzaakt.

3.11. Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.12. Appellanten vragen een rechtsplegingsvergoeding ad 10.000 euro en geïntimeerden ad 7.000 euro.

Het niet - geïndexeerd basisbedrag bedraagt 7.000 euro. Na indexatie wordt dit 7.700 euro.

Geen van de partijen kan aangewezen worden als de volledig in het gelijk gestelde partij.

Gelet op de aard van de zaak worden de rechtsplegingsvergoedingen bijgevolg omgeslagen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Slaat de rechtsplegingen om en laat de overige kosten ten laste van appellanten in totaal begroot op euro 186 rolrecht.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

M. DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Buitencontractuele aansprakelijkheid. Overheidsaansprakelijkheid. Fout. Gebrek van acuurate opvolging van gedetineerden. Voorlopige invrijheidsstelling. Wet Leujeune. Bewijs van een buitencontractele fout. Bewijswaarde van een boek geschreven met betrekking tot de feiten. Bewijswaarde van een rapport van een parlemantaire onderzoekscommissie in een later geding. Schadeloosstelling. Behoorlijke rtechtsbedeling. Scheiding der Machten. Verlies van een kans. Verlies van een overlevingskans. Modaliteiten in verband met de veroordeling tot schadelmoostteling in geval van meerdere daders.Oorzaneklijk verband: conditio sine qua non. Fonds voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.