- Arrêt du 8 octobre 2013

08/10/2013 - 2010AR2385

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. De Stad Antwerpen begaat een fout wanneer zij bij de toepassing van de kansspelwet van 7 mei 1999 zich kennelijk niet gedragen als een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid, in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst

II. Het verlies van een reële kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat. Het bestaan van een kans vereist geen zekerheid op het verwerven van het verhoopte resultaat. De benadeelde kan aldus schadevergoeding verkrijgen voor het verlies van een kans zelfs indien zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zou zijn verkregen.

III. Het bewijs van een causaal verband tussen de fout en de sluiting van de inrichting veronderstelt dat aangetoond wordt door de eisende partij dat de schade niet zou zijn ontstaan zonder de fout. Nagegaan moet worden of de schade zich zou hebben voorgedaan zonder de fout van appellante. Diegene die een fout heeft begaan, kan niet veroordeeld worden om de schade te vergoeden zoals ze zich heeft voorgedaan, wanneer vastgesteld wordt dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade . Er mag derhalve geen ernstige twijfel bestaan over het causaal verband.

IV. Conform artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

Voornoemde bepaling is van toepassing op ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2385

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap LA LUNA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2018 ANTWERPEN, Breydelstraat 21 bus 22, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0455.259.701,

eisers tot cassatie van een arrest gewezen op 12 mei 2009 door het hof van beroep te Antwerpen, geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A.P. VAN IMPE loco Meester Willy MOORS, advocaat te 2500 LIER, Kruisbogenhofstraat 15,

1ste kamer

TEGEN :

De STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 ANTWERPEN, Stadhuis - Grote Markt 1,

verweerster in cassatie, appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 28 november 2006, vertegenwoordigd door Meester E. EMMERECHTS loco Meester POCKELE-DILLES Roland, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 13, en door Meester S. BROUWERS loco Meester Peter LUYPAERS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4 bus 1,

________________________________________________

SAMENVATTING

I. De Stad Antwerpen begaat een fout wanneer zij bij de toepassing van de kansspelwet van 7 mei 1999 zich kennelijk niet gedragen als een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid, in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst

II. Het verlies van een reële kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat. Het bestaan van een kans vereist geen zekerheid op het verwerven van het verhoopte resultaat. De benadeelde kan aldus schadevergoeding verkrijgen voor het verlies van een kans zelfs indien zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zou zijn verkregen.

III. Het bewijs van een causaal verband tussen de fout en de sluiting van de inrichting veronderstelt dat aangetoond wordt door de eisende partij dat de schade niet zou zijn ontstaan zonder de fout. Nagegaan moet worden of de schade zich zou hebben voorgedaan zonder de fout van appellante. Diegene die een fout heeft begaan, kan niet veroordeeld worden om de schade te vergoeden zoals ze zich heeft voorgedaan, wanneer vastgesteld wordt dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade . Er mag derhalve geen ernstige twijfel bestaan over het causaal verband.

IV. Conform artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

Voornoemde bepaling is van toepassing op ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- de dagvaarding na cassatie, bij exploot van 13 juli 2010 aan de Stad Antwerpen ten verzoeke van N.V. La Luna betekend, op 30 augustus 2010 ter griffie van het hof neergelegd;

- de derde en laatste syntheseconclusie van eiseres na cassatie N.V. La Luna, op 11 juli 2011 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van de Stad Antwerpen, verweerster na cassatie, op 10 mei 2011 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 4 juni 2013, waarna de zaak op de terechtzitting van 18 juni 2013 in beraad werd genomen.

Gelet op de stukken van partijen.

I. Voorgaanden

1. N.V. La Luna, voorheen N.V. Royal Ascot, opgericht bij akte verleden op 17 mei 1995 voor notaris Lefere te Brussel, was de uitbaatster, voor de inwerkingtreding van de Kansspelwet van 7 mei 1999, van het lunapark "La Luna" aan het De Coninckplein nummer 20/2 te Antwerpen. Zij beschikte hiervoor over een Vlarem milieuvergunning klasse II, verleend door het College van burgemeester en schepenen van de Stad Antwerpen op 6 november 1997, voor een termijn van 240 maanden.

2. Wanneer de Kansspelwet van 7 mei 1999 in voege trad, werd de uitbating van kansspelinrichtingen klasse II aan een nieuwe reglementering onderworpen. Met toepassing van artikelen 34 en 36.5 diende de uitbater eerst een convenant te sluiten met de gemeente, waarna dit convenant moest worden voorgelegd aan de Kansspelcommissie met het oog op het verkrijgen van een vergunning klasse B.

La Luna diende een aanvraag in om een convenant af te sluiten met de Stad. De aanvraag werd op 22 januari 2001 door het bestuur ontvangen.

3. Bij besluit van 21 mei 2001 keurde de gemeenteraad van de Stad Antwerpen de criteria goed "die zullen gehanteerd worden bij het afsluiten van convenanten met lunaparken".

Op 18 juni 2001 besliste de gemeenteraad geen convenant te sluiten voor de vestiging van La Luna (en van andere uitbaters van lunaparken" omdat de uitbating niet voldoet aan het (criterium) van de vestigingsplaats voor het uitbaten van een kansspelinrichting klasse II zoals gesteld in het raadsbesluit van 21 mei 2001."

Nu N.V. La Luna geen convenant kon voorleggen heeft de Kansspelcommissie bij beslissing van 27 juni 2001 geweigerd een vergunning klasse B te verlenen. Deze beslissing werd op 9 juli 2001 aan N.V. La Luna ter kennis gebracht. De beslissing van de Kansspelcommissie hield de verplichting in om een einde te maken aan de exploitatie van de kansspelinrichting binnen de drie maanden.

N.V. La Luna diende bijgevolg haar kansspelinrichting in oktober 2001 te sluiten.

4. Bij arresten nummer 104.314 van 5 maart 2002 en nummer 109.395 van 16 juli 2002 heeft de Raad van State de tenuitvoerlegging geschorst van de beslissingen van de gemeenteraad van de Stad Antwerpen van respectievelijk 21 mei en 18 juni 2001.

De beslissingen van de gemeenteraad van de Stad Antwerpen van 21 mei en 18 juni 2001 werden daarna vernietigd bij arresten nummer 116.249 van 21 februari 2003 en nummer 133.646 van 8 juli 2004 , zulks bij gebrek aan tijdige indiening van een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging

5. Op 3 april 2002 heeft de Kansspelcommissie beslist haar beslissing van 27 juni 2001, tot weigering van een vergunning klasse B voor de exploitatie van de kansspelinrichting door appellante, in te trekken, zulks gelet op de schorsing door de Raad van State van de beslissingen van de gemeenteraad van de Stad Antwerpen.

Het beroep van La Luna tot nietigverklaring van de ingetrokken beslissing van de Kansspelcommissie d.d. 27 juni 2001 werd bijgevolg verworpen als zijnde zonder voorwerp (arrest nummer 109.104 van 10 juli 2002 van de Raad van State).

6. Bij besluit van 13 oktober 2003 besloot de Gemeenteraad van de Stad Antwerpen, ingevolge de vernietiging door de Raad van State van haar eerdere weigeringsbeslissing, opnieuw om geen convenant te sluiten met La Luna, ditmaal bij een gemotiveerd besluit.

Deze beslissing, die bij aangetekende brief van 24 oktober 2003 aan La Luna ter kennis werd gebracht, werd niet door appellante aangevochten. NV La Luna legt uit dat haar kansspelinrichting toen al twee jaar gesloten was. Zij stelt dat het heropstarten van de kansspelinrichting enorme investeringen zou hebben vereist en dat haar zwaar geleden schade onomkeerbaar was geworden.

7. Op 13 juni 2005 dagvaardde N.V. La Luna de Stad Antwerpen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen in betaling van vergoeding voor de schade die zij leed ingevolge foutieve weigering om een convenant af te sluiten voor de uitbating van de kansspelinrichting klasse II.

Bij vonnis van 28 november 2006 veroordeelde de rechtbank de Stad Antwerpen tot betaling aan N.V. La Luna van een provisionele schadevergoeding van 100.000 euro. De rechtbank stelde bovendien een deskundige aan met de opdracht advies te verlenen over de hoegrootheid van de schade door N.V. La Luna geleden.

Het vonnis werd bij exploot van 2 april 2007 aan de Stad Antwerpen betekend.

8. De Stad Antwerpen stelde op 2 mei 2007 hoger beroep in.

Bij arrest van 12 mei 2009 verklaarde het hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep gegrond en verklaarde het de oorspronkelijke vordering van N.V. La Luna ongegrond.

Het hof te Antwerpen erkende de fout van de Stad Antwerpen. Het oordeelde dat N.V. La Luna wel degelijk bewees dat ze door de fout van de Stad Antwerpen, de kans is mislopen om een convenant te bekomen nu het convenant in juni 2001 enkel werd geweigerd omdat de kwestieuze inrichting van N.V. La Luna gelegen was buiten het vooropgestelde concentratiegebied, zonder dat melding werd gemaakt van andere redenen.

Niettemin heeft het hof te Antwerpen de vordering van N.V. La Luna afgewezen omdat deze partij "het zeker / reëel karakter van de kans niet afdoende aantoont, noch wat het bekomen van een convenant noch wat het bekomen van een vergunning klasse B betreft".

9. Bij arrest van 15 maart 2010 heeft het Hof van Cassatie dit arrest van het hof van beroep te Antwerpen vernietigd op grond van volgende overwegingen:

Het verlies van een reële kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel komt voor vergoeding in aanmerking indien tussen de fout en het verlies van deze kans een conditio sine qua non verband bestaat.

Het bestaan van een kans vereist geen zekerheid op het verwerven van het verhoopte resultaat. De benadeelde kan aldus schadevergoeding verkrijgen voor het verlies van een kans zelfs indien zonder de fout het verhoopte resultaat niet met zekerheid zou zijn verkregen.

De appelrechters oordelen dat de eiseres door de fout van de verweerster een kans heeft verloren op het verkrijgen van een convenant en een vergunning tot uitbating van haar inrichting, maar wijzen haar vordering tot schadevergoeding af omdat niet zeker is dat zonder deze fout, de eiseres het convenant respectievelijk de vergunning zou hebben verkregen.

Zij achten derhalve de verloren kans op het verkrijgen van een convenant en een vergunning slechts vergoedbaar indien de eiseres dit convenant en vergunning zonder de fout van de verweerster met zekerheid zou hebben verkregen.

Zij schenden aldus artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.

Het middel is gegrond.

Het Hof van Cassatie heeft het bestreden arrest bijgevolg vernietigd, behoudens in zoverre dit het hoger beroep (van de Stad Antwerpen) ontvankelijk verklaart. De beslissing over de kosten werd aangehouden en aan de feitenrechter overgelaten en de aldus beperkte zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Brussel.

10. Na cassatie vordert de Stad Antwerpen haar hoger beroep gegrond te verklaren en de oorspronkelijke vordering van N.V. La Luna als ongegrond af te wijzen, waarbij zij zowel de vermeende fouten, als de schade en het oorzakelijk verband betwist.

Ondergeschikt wat de betwisting van de fout betreft, vraagt de Stad Antwerpen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. In de hypothese waar het hof zou twijfelen over de vraag of (1) er sprake is van een inbreuk op artikel 34 van de Kansspelwet en (2) het bewijs van die fout automatisch volgt uit de vernietigingsarresten van de Raad van State, dan vraagt de Stad Antwerpen meer bepaald de volgende prejudiciële vraag te stellen:

"...Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenlezing met de artikelen 13 en 144 van de Grondwet, geschonden door artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, wanneer dit artikel derwijze wordt geïnterpreteerd en toegepast dat uit een arrest van nietigverklaring van de Raad van State een vermoeden iuris et de iure wordt afgeleid dat de overheid die auteur is van de vernietigde administratieve rechtshandeling, een burgerrechtelijke fout heeft begaan, gelet op het gegeven dat

1. krachtens artikel 144 van de Grondwet de geschillen over de burgerlijke rechten (integraal) uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren en dat de overheid wier beslissing werd vernietigd zich wat de beoordeling van de fout betreft afgetrokken ziet van haar natuurlijke (burgerlijke) rechter (schending van artikel 13 van de Grondwet) en

2. dit bestuur dan op ongerechtvaardigde wijze ongelijk wordt behandeld ten overstaan van een bestuur dat eenzelfde administratieve beslissing neemt die op dezelfde gronden wordt bestreden, doch zonder voorafgaande procedure voor de Raad van State en dus enkel voor de burgerlijke rechter, nu dit laatste bestuur wél geniet van de volle rechtsmacht van de burgerlijke rechter wat de beoordeling van de aanwezigheid van een burgerrechtelijke fout betreft (artikelen 10 en 11 van de Grondwet)..."

Zij bespreekt verder, ondergeschikt, de vordering tot vergoeding van een kansschade.

11. Na cassatie besluit N.V. La Luna om het hoger beroep van de Stad Antwerpen af te wijzen als ongegrond.

Zij stelt incidenteel beroep in en vordert in hoofdorde het bestreden vonnis te hervormen enkel in zoverre het beslist dat de schade door haar geleden enkel bestaat in het verlies van een kans en vraagt te zeggen voor recht dat de schade wegens sluiting van de kansspelinrichting op 10 oktober 2001 dient vergoed.

N.V. La Luna vordert in ondergeschikte orde om het vonnis te bevestigen in zoverre het een provisie van 100.000 euro toekent en een deskundige aanstelt met de opdracht, eventueel uitgebreid tot het geven van een technisch advies omtrent het percentage, gaande van 1 % tot en met 99 %, van het verlies van een kans voor N.V. La Luna om een convenant en een vergunning klasse B te verkrijgen.

N.V. La Luna vraagt verder de zaak conform artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen te verwijzen en de Stad Antwerpen te veroordelen tot de gerechtskosten van het hoger beroep.

II. Bespreking

12. De Stad Antwerpen betwist vooreerst een fout in de behandeling van de aanvraag van La Luna tot het verlenen van een convenant te hebben begaan.

13. Het staat te dezen vast dat de (gemeenteraad van de) Stad Antwerpen onwettige beslissingen heeft genomen die door de Raad werden vernietigd, met name het "concentratiereglement van 21 mei 2001", enerzijds, en de weigering om een convenant met La Luna te sluiten met loutere toepassing van dit reglement, anderzijds.

Bij zijn arrest nummer 104.314 van 5 maart 2002 (p. 5 en 6) heeft de Raad van State geoordeeld:

"Overwegende dat (artikel 34, derde lid, van de Kansspelwet van 7 mei 1999) er blijkens de parlementaire voorbereiding toe strekt aan de gemeenten "een zekere beleidsvrijheid toe te staan" m.b.t. onder meer de vestiging van de bedoelde kansspelinrichtingen (Parl St. Kamer, 1998-1999, nr. 1795/5, p. 12); dat (het) aldus de gemeenten ter zake een appreciatiebevoegdheid verleent; dat die bevoegdheid geval per geval moet worden uitgeoefend, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak; dat zulks vereist dat een onderzoek wordt gewijd aan de eigen particuliere omstandigheden van elke zaak en te dien aanzien voldoende verantwoord is;

Overwegende dat het voorgaande er niet aan in de weg lijkt te staan dat de gemeente bij wijze van voor zichzelf geldende richtlijn in het algemeen nader bepaalt door welke principes zij zinnens is zich te zullen laten leiden bij de uitoefening van de haar door de wet toegekende appreciatiebevoegdheid; dat een dergelijke gedragslijn kan bijdragen tot een eenvormige toepassing van de discretionaire bevoegdheid; dat zij evenwel niet het karakter kan aannemen van een strakke en absoluut bindende regel waardoor de inhoud van de te nemen particuliere beslissing in wezen reeds van te voren wordt vastgesteld, meer bepaald reeds voor het onderzoek en de beoordeling van de eigen merites - àlle merites - van elke concrete zaak afzonderlijk;

(...)

Overwegende dat (de Stad Antwerpen) (...) door tot de verwerping van de aanvraag van (La Luna) tot het sluiten van een convenant te beslissen na een louter mechanische toepassing van de beleidsrichtlijn van 21 mei 2001, de bevoegdheid lijkt te hebben miskend die het artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 haar opdraagt om elke aanvraag te beoordelen op grond van een concreet onderzoek van de zaak en van haar eigen particulariteiten;

Dat het middel (...) ernstig is.

14. Het hof sluit zich bij deze beoordeling aan waaruit duidelijk blijkt dat de Stad Antwerpen haar appreciatiebevoegdheid die artikel 34 van de Kansspelwet van 7 mei 1999 haar toekent, heeft miskend.

Zonder afdoend onderzoek van de aanvraag van La Luna (en van een aantal uitbaters van andere kansspelinrichtingen) tot het verlenen van een convenant en zonder beoordeling van de eigen merites van de ingediende aanvraag, heeft de Stad Antwerpen immers de aanvraag verworpen, zich louter baserend op een eigen reglement dat het karakter van een strakke en absoluut bindende regel had en voor gevolg had dat het stadsbestuur zich onthield van een passend onderzoek van de aanvraag.

Bij deze handelwijze heeft de Stad Antwerpen zich kennelijk niet gedragen als een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid, in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst, vooral gelet op het belang van de genomen beslissing die de betrokken gevestigde uitbaters van een kansspelinrichting ertoe verplichtte op korte termijn een einde te maken aan de uitbating en hun inrichting te sluiten.

Uit niets blijkt dat de Stad Antwerpen op onoverkomelijke wijze zou kunnen hebben gedwaald over de uitoefening van haar appreciatiebevoegdheid met toepassing van de Kansspelwet van 7 mei 1999.

NV La Luna levert bijgevolg wel degelijk het bewijs van een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in hoofde van de Stad Antwerpen. Dit bewijs steunt op de concrete elementen die NV La Luna heeft aangebracht. Er is dan ook geen reden om de vooropgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

15. De Stad Antwerpen betwist daarentegen terecht de aanspraak van La Luna op een schadevergoeding wegens de sluiting van de kansspelinrichting per 10 oktober 2001.

Het bewijs van een causaal verband tussen de fout en de sluiting van de inrichting veronderstelt dat aangetoond wordt door de eisende partij dat de schade niet zou zijn ontstaan zonder de fout.

Nagegaan moet worden of de schade zich zou hebben voorgedaan zonder de fout van appellante.

Diegene die een fout heeft begaan, kan niet veroordeeld worden om de schade te vergoeden zoals ze zich heeft voorgedaan, wanneer vastgesteld wordt dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade . Er mag derhalve geen ernstige twijfel bestaan over het causaal verband.

Artikel 34, derde lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen luidt:

"De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant af te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente..."

De bedoeling van deze bepaling bestaat erin aan de gemeenten een zekere beleidsvrijheid toe te staan betreffende onder meer de vestiging van de bedoelde kansspelinrichtingen.

Gezien de discretionaire bevoegdheid waarover een gemeente beschikt bij het al dan niet afsluiten van een convenant bestaat er in deze geen voldoende zekerheid dat zonder de fout van appellante de schade niet zou zijn ontstaan.

Bij gebreke aan een zeker oorzakelijk verband tussen de vaststaande fout en de schade voortvloeiende uit de sluiting van desbetreffende vestigingen kan appellante niet aansprakelijk gesteld worden voor deze schade.

Het moet worden onderstreept dat de Kansspelcommissie nog zelf moest nagaan of de aanvrager voldeed aan de wettelijke voorwaarden (artikel 35 van de Kansspelwet van 7 mei 1999) en dat zij o.m. moest nagaan of La Luna voldeed aan de nabijheidsregel zoals bepaald bij artikel 36, 4 van dezelfde wet, quod non (zie verder onder randnummers 20-21). Het verkrijgen van een vergunning was dan ook onzeker, zelfs in de hypothese dat La Luna een convenant met de Stad Antwerpen had kunnen voorleggen.

Het incidenteel beroep van La Luna is ongegrond.

16. In de hypothese waar de Stad Antwerpen tot een afdoend onderzoek van de aanvraag van La Luna was overgegaan, quod non, dan zou deze laatste daarentegen minstens een kans hebben gehad om het convenant af te sluiten en de aangevraagde vergunning klasse B te verkrijgen, althans tot aan de regelmatige weigeringsbeslissing van 13 oktober 2003. Het verlies van deze kans staat in oorzakelijk verband met de foutieve beslissing van de Stad Antwerpen.

Het volstaat niet te wijzen op de omstandigheid dat de Stad Antwerpen op regelmatige wijze, dit is na een grondig individueel onderzoek van de aanvraag, het gevraagde convenant heeft kunnen weigeren. De situatie in 2003 was immers niet noodzakelijk vergelijkbaar. De Stad Antwerpen kan zich bovendien niet beroepen op een eigen administratieve handeling om de schade en het oorzakelijk verband te betwisten ingevolge een fout die zijzelf beging.

Het bestaan van de verloren kans vereist overigens geen zekerheid op het afsluiten van het convenant en het verkrijgen van de vergunning klasse B. Het gebrek aan stedenbouwkundige vergunning (na weigering in oktober 2000 van de aanvraag van de eigenaar van het pand, met name NV Avalon) of bepaalde sociale redenen zijn te dezen niet relevant nu de weigering in 2001 van de aanvraag van La Luna niet op deze elementen berustte doch enkel op de locatie van de kansspelinrichting buiten het concentratiegebied

17. De Stad Antwerpen is vervolgens de mening toegedaan dat het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade doorbroken is door een eigen fout begaan door de Kansspelcommissie, c.q. de Belgische Staat.

Zij meent dat de fout hierin gelegen is dat voornoemde commissie nagelaten heeft, bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de beslissing van de gemeenteraad tot weigering van het sluiten van een convenant buiten toepassing te laten.

Conform artikel 159 van de Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

Voornoemde bepaling is van toepassing op ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan.

Een administratieve overheid zonder rechtsprekende functie, zoals de Kansspelcommissie, kan niet zomaar een onwettige beslissing negeren op grond van artikel 159 van de Grondwet tenzij die beslissing zo grof onwettig is dat het feitelijk bestaan ervan genegeerd mag worden .

De beslissing van 18 juni 2001 waarin de gemeenteraad van de Stad Antwerpen besloot om geen convenant af te sluiten voor de kansspelinrichting van NV La Luna was niet in die mate onregelmatig dat de Kansspelcommissie moest beslissen om deze rechtshandeling te negeren. Het staat overigens niet vast dat de Kansspelcommissie kennis had van het volledige dossier van de Stad Antwerpen.

In de gegeven omstandigheden heeft de Kansspelcommissie dan ook terecht rekening gehouden met voornoemde administratieve handeling en met de vaststelling dat La Luna geen convenant kon voorleggen.

Gezien het afsluiten van een convenant een essentiële voorwaarde uitmaakte om een vergunning klasse B te verkrijgen, heeft de Kansspelcommissie terecht, bij gebreke aan een dergelijk voorafgaand convenant, geweigerd om een vergunning te verlenen.

Er kan bijgevolg aan deze commissie geen enkele fout verweten worden.

De omstandigheid dat de Kansspelcommissie haar eigen weigeringsbeslissing op 3 april 2002 ingetrokken heeft, impliceert niet dat zij in juni 2001 ertoe gehouden was de onwettelijke administratieve beslissing buiten beschouwing te laten. De intrekking gebeurde immers nadat de commissie kennis kreeg van de arresten van de Raad van State die de beslissingen van de gemeenteraad van de Stad Antwerpen had geschorst en de onwettigheid had vastgesteld (of althans de prima facie onwettigheid in het kader van een procedure tot schorsing).

18. Evenmin wordt het oorzakelijk verband doorbroken doordat La Luna een inbreuk op haar schadebeperkingsplicht zou hebben begaan. Het foutief karakter van de beslissing van deze partij om haar kansspelinrichting in oktober 2001 te sluiten bij gebrek aan een convenant wordt immers niet aangetoond.

19. Het behoort bijgevolg deze verloren kans te begroten.

Het kan niet betwist worden dat de gemeenten, bij de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid, een eigen beleid mogen voeren wat betreft de lokalisatie van de kansspelinrichtingen op hun grondgebied en dat zij in functie van dit criterium het sluiten van een convenant met een uitbater al dan niet mogen weigeren.

De concrete feitelijke gegevens van de litigieuze kansspelinrichting van La Luna worden uiteengezet in de weigeringsbeslissing van 13 oktober 2003:

"Feiten en context

Ne NV La Luna heeft op 22 januari 2001 verzocht om, in toepassing van de (Kansspelwet van 7 mei 1999), een convenant af te sluiten voor het uitbaten van een kansspelinrichting klasse II aan het De Coninckplein 20 te 2060 Antwerpen.

Onderzoek concrete zaak in relatie tot zijn omgeving:

De exploitatie is gevestigd in het hart van een probleemwijk.

Het De Coninckplein en de omgeving worden grotendeels bevolkt door kansarmen, vluchtelingen, werklozen, sociaal en economisch zwakkeren.

Het gebied geniet op het ogenblik een speciaal statuut in het kader van het Urban.

De omgeving was veelal het toneel van prostitutie, drugverslaafden en criminaliteit.

In het kader van de herwaardering van het gebied is men volop bezig met de opbouw van de nieuwe stadsbibliotheek waardoor een nieuwe groep van gebruikers van het plein gebruik zal maken. Dit zullen dan vooral scholieren en jongeren in het algemeen zijn.

Tevens bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid een atheneum (100 meter).

Bovendien zijn in de nabijheid een aantal woningcomplexen voor sociale huisvesting van cv Onze Woning en het OCMW aanwezig.

De site waar het pand De Coninckplein 20 gelegen is, omvat een ontwikkelingsgebied. De omgeving van het De Coninckplein dient geherwaardeerd te worden. Men denke bijvoorbeeld aan het Permeke-project van de Stad Antwerpen. Dit project betreft de realisatie van een dienstencentrum: bibliotheek, congrescentrum, vergaderruimten.

(...)

Argumentatie

De voorgestelde inplanting is in vogelvlucht op 350 m van de dichtstbijzijnde andere kansspelinrichting klasse II en op 350 m in vogelvlucht van de overige geconcentreerde kansspelinrichtingen klasse II gelegen. De voorgenomen exploitatie zou zich situeren in een deel van de stad waarin tot heden nog geen dergelijke kansspelinrichtingen aanwezig zijn, zodat om die reden de aantrekkingskracht groot zou zijn. De invloedsfeer en de aantrekkingskracht van deze kansspelinrichting klasse II grijpt veel verder en dieper in op zijn naaste omgeving.

De kansspelinrichting klasse II waarvoor hier een convenant wordt aangevraagd situeert zich in de nabijheid van een onderwijsinstelling en van een plaats die frequent door jongeren zal worden bezocht, in de nabijheid van een atheneum (100 meter) en zal de nieuwe vestiging van de stadsbibliotheek gevestigd worden.

Uit de databank Sociale Planning 2002 blijkt tevens uit sociaal oogpunt het volgende: aangezien hier sprake is van een vrij geïsoleerde niet-centraal gelegen exploitatie, dient men buiten de buurt waarin de exploitatie is gevestigd ook volgende aangrenzende buurten (...) te betrekken bij de beoordeling van de zaak. (...) Het werkloosheidspercentage, de groep alleenstaanden, de niet-EU burgers, de werkzoekenden, cliënten financiële steun van het OCMW, het netto-belastbaar inkomen en de kansarmoede scoren slechter dan het gemiddelde voor gans de stad en dat de verhouding sociale woningen hoger ligt dan het gemiddelde voor gans de stad. De omgeving kan dan ook als een sociaal kwetsbaar gebied omschreven worden met al de negatieve gevolgen hieraan verbonden. Het stadsbestuur beleidsmatig aan dergelijke aandachtsbuurten via bijzondere programma's en projecten het sociaal klimaat wenst te verbeteren en de achterstelling te bestrijden. De exploitatie van de voorgenomen kansspelinrichting zal hierbij geen bijdrage leveren maar enkel voor een bijkomende negatieve sociale belasting zorgen.

Het gebied geniet op dit ogenblik een speciaal statuut in het kader van het Urban."

20. Te dezen stelt het hof vast dat de kans van La Luna om, zonder de fout in hoofde van de Stad Antwerpen, wel het convenant af te sluiten en de beoogde vergunning klasse B te verkrijgen, althans tot aan de regelmatige weigeringsbeslissing van 13 oktober 2003, in de concrete omstandigheden van de zaak eigenlijk zeer gering was, zulks gelet op volgende elementen:

• de kansspelinrichting bevond zich niet op de door de Stad Antwerpen vooropgestelde locatie, de as Statiestraat - Breydelstraat; het De Coninckplein viel buiten de zone voor kansspelinrichtingen;

• de locatie wordt als een sociaal kwetsbaar gebied omschreven;

• de kansspelinrichting was in de onmiddellijke nabijheid van een atheneum gelegen, in strijd met artikel 36.4 van de Kansspelwet van 7 mei 1999 (de zgn. nabijheidsregel), dat bepaalt dat de aanvrager van een vergunning klasse B "moet ervoor zorgen dat de kansspelinrichting niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, (...)";

• de locatie was evenmin verenigbaar met de projecten van de stad tot herwaardering van de wijk (o.m. de nieuwe stadsbibliotheek);

• La Luna beschikte toen niet over de stedenbouwkundige vergunning.

21. Rekening houdend met beperktheid in de tijd van de verloren kans om een vergunning klasse B te verkrijgen en met het feit dat deze kans objectief klein was, begroot het hof de schade wegens verlies van kans ex aequo et bono op 5.000 euro. Het hof raamt deze kans op datum van de uitspraak.

Een deskundig onderzoek is overbodig.

22. De gerechtskosten:

De gerechtskosten van beide aanleggen worden tot beloop van de helft ten laste gelegd van elke partij.

Partijen begroten hun rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 .

Er is geen reden om af te wijken van dit basisbedrag.

Het basisbedrag, in de schijf boven 1.000.000,01 euro, bedraagt na indexatie 16.500 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep in de volgende mate gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van NV La Luna ontvankelijk heeft verklaard en deels gegrond.

En hervormend voor het overige,

Veroordeelt de Stad Antwerpen om aan NV La Luna een bedrag te betalen van VIJFDUIZEND EURO (5.000 euro), te verhogen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf datum van huidig arrest. Verklaart de oorspronkelijke vordering voor het overige ongegrond.

Veroordeelt elke partij tot de helft van de gerechtskosten van beide aanleggen, tot op heden in hun geheel begroot

- in hoofde van de N.V. LA LUNA op 31.928,52 ( 242,52 dagvaardingskosten + rolrecht + 15.000 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 186 rolrecht beroep + 16.500 rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel)

- in hoofde van de STAD ANTWERPEN op euro 31.500 (15.000 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 16.500 rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

8/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Kansspelcommissie. Artikel 34 van de kansspelwet van 7 mei 1999. Verlenen van vergunningen Convenant. Weigering om een convenant te sluiten. Fout Bewijs van oorzakelijk verband. Schade: verlies van een kans. Begroting van het verlies van een kans. Artikel 159 van de grondwet: toepassing door administratieve rechtsprekende instellingen.