- Arrêt du 28 octobre 2013

28/10/2013 - 2010AR1036

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De vordering ontstaat wanneer de administratieve geldboete wordt opgelegd. Voormelde bepaling schrijft niet voor wanneer de administratieve geldboete moet worden opgelegd. Geen enkele andere bepaling van het Mestdecreet schrijft voor wanneer een administratieve geldboete moet worden opgelegd. Het opleggen van een administratieve geldboete is in dit geval niet afhankelijk gemaakt van een wettelijk bepaalde termijn. De administratieve geldboete gaat uit van het bestuur en het bestuur dient behoorlijk te besturen, waaruit volgt dat de administratieve geldboete slechts mag worden opgelegd na zorgvuldig onderzoek, na de betrokkene te hebben gehoord en op grond van objectieve, controleerbare redenen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, dit alles binnen een redelijke termijn waarbij rekening wordt gehouden met de houding van de betrokkene. Indien het bestuur op de voorgeschreven wijze behoorlijk handelt, wordt tegemoet gekomen aan het vereiste van rechtszekerheid.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/1036

INZAKE VAN :

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 20 bus 1,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 8 december 2009,

vertegenwoordigd door Meester VAN GRONSVELD loco Meester Jan BERGÉ, advocaat te 3000 LEUVEN, Naamsestraat 165,

1ste kamer

TEGEN :

De heer G. D., landbouwer-loonwerker, ...ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0583.713.435,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan OPSOMMER, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Kasteelstraat 8,

MESTDECREET 23/1/1991. Art. 26 ervan: verjaringstermijn van vijf jaar. Stuiting van deze verjaring. Sanctie;geldboete. Oplegging ervan binnen een redelijke termijn.

De vordering ontstaat wanneer de administratieve geldboete wordt opgelegd. Voormelde bepaling schrijft niet voor wanneer de administratieve geldboete moet worden opgelegd. Geen enkele andere bepaling van het Mestdecreet schrijft voor wanneer een administratieve geldboete moet worden opgelegd. Het opleggen van een administratieve geldboete is in dit geval niet afhankelijk gemaakt van een wettelijk bepaalde termijn. De administratieve geldboete gaat uit van het bestuur en het bestuur dient behoorlijk te besturen, waaruit volgt dat de administratieve geldboete slechts mag worden opgelegd na zorgvuldig onderzoek, na de betrokkene te hebben gehoord en op grond van objectieve, controleerbare redenen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, dit alles binnen een redelijke termijn waarbij rekening wordt gehouden met de houding van de betrokkene. Indien het bestuur op de voorgeschreven wijze behoorlijk handelt, wordt tegemoet gekomen aan het vereiste van rechtszekerheid.

_______________________________________________________

Het verloop van de procedure in eerste aanleg

G. D. heeft op 25 januari 2008 dagvaarding doen betekenen aan het VLAAMS GEWEST om zich te verzetten tegen het dwangbevel van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ van 27 december 2007 waarbij hem werd bevolen een administratieve geldboete van 20.020,00 euro te betalen meer kosten van betekening en inningsrechten wegens het opbrengen van teveel nutriënten op cultuurgrond tijdens de productiejaren 2000 en 2001.

Hij hield voor dat het dwangbevel geen rechtsgrond had, dus onwettig was en om die reden moest worden vernietigd.

Ondergeschikt hield hij voor dat de vordering verjaard was.

Nog meer ondergeschikt leidden een aantal feitelijkheden er volgens hem toe dat de administratieve geldboete moest worden herleid.

De rechtbank van eerste aanleg te Brussel besliste met haar vonnis van 8 december 2009:

- het verzet is ontvankelijk;

- de administratieve geldboete is verjaard;

- het VLAAMS GEWEST wordt veroordeeld tot de kosten, begroot op 235,90 euro (dagvaardingskosten) en 2.000,00 euro rechtsplegings-vergoeding.

Het hoger beroep

Het VLAAMS GEWEST stelde hoger beroep in tegen dit vonnis met een verzoekschrift dat werd neergelegd ter griffie van het hof op 15 april 2010.

Het bestreden vonnis werd niet betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Het hof beantwoordt de syntheseconclusies die partijen neerlegden ter griffie: het VLAAMS GEWEST op 21 september 2011 en D. op 18 november 2011.

Het standpunt van het VLAAMS GEWEST

Het VLAAMS GEWEST houdt voor dat, op basis van de gegevens die bij de Mestbank beschikbaar waren, bleek dat er geen overeenstemming was tussen de effectief opgebrachte nutriënten en de hoeveelheden vermeld in de aangiftes voor de productiejaren 1999, 2000 en 2001, en dat D. met een aangetekende brief van 4 april 2003 uitgenodigd werd om een verklaring af te leggen. D. werd verhoord op 14 april 2003 en op 25 april 2003 werd een proces-verbaal opgesteld wegens het opbrengen van meer nutriënten dan de decretaal toegelaten hoeveelheid. Nadat met een aangetekende brief van 2 juni 2003 D. de kans geboden werd om de aangegeven meststoffen in overeenstemming te brengen met de werkelijk opgebrachte hoeveelheden, ontving de Mestbank op 24 juni 2003 de gecorrigeerde aangifte. In een navolgend proces-verbaal van 17 juli 2003 werd vastgesteld dat de in het aanvankelijk proces-verbaal vastgestelde ruime overschrijdingen in realiteit nog groter zijn. Op 2 maart 2004 werd een administratieve geldboete opgelegd wegens overbemesting tijdens de productiejaren 2000 en 2001.

Op 27 maart 2004 diende D. een verzoekschrift in tot vermindering of kwijtschelding van de administratieve geldboete en tot uitstel van betaling, waarop door de Mestbank geantwoord werd op 13 september 2004: de administratieve geldboete werd herleid tot 20.020,00 euro en er werden betalingsmodaliteiten toegekend.

D. diende vervolgens driemaal een nieuw verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de boete in, waarin de eerder aangehaalde argumenten telkens grotendeels werden hernomen. Het tweede verzoekschrift van 13 oktober 2004 werd door de Mestbank beantwoord op 31 maart 2005: de boete blijft behouden evenals de betalingsmodaliteiten (zij het dat de eerste betalingsdatum werd verschoven van 13 oktober 2004 tot 30 april 2005). Het derde verzoekschrift van 6 april 2005 werd beantwoord door de Mestbank op 24 februari 2006: de boete blijft behouden evenals de betalingsmodaliteiten (zij het dat de eerste betalingsdatum nogmaals verschoven werd tot einde juni 2006).

De Mestbank stuurde een aanmaning op 15 oktober 2007 omdat er nog niet betaald was. Op 27 december 2007 werd het dwangbevel betekend. Op 25 januari 2008 werd verzet aangetekend.

In rechte houdt het VLAAMS GEWEST voor:

Over de verjaring

1. De vordering is niet verjaard: de vordering tot voldoening van de administratieve geldboete kan niet ontstaan voordat de administratieve geldboete is opgelegd; de administratieve geldboete werd opgelegd op 2 maart 2004 en het dwangbevel werd betekend op 27 december 2007, dit is binnen de vijf jaar daaropvolgend. Aanvullend: de administratieve geldboete is opgelegd binnen een redelijke termijn, dit is na zorgvuldig onderzoek met respect voor de rechten van verdediging en rekening houdend met de houding van de rechtsonderhorige; de uitnodiging om een verklaring af te leggen dateert van 4 april 2003 en het proces-verbaal dat de overschrijding vaststelt dateert van 17 juli 2003; de administratieve geldboete werd opgelegd op 2 maart 2004, waarbij rekening moet worden gehouden met verzoeken van D. tot bijkomende termijnen.

2. Ondergeschikt: de vordering tot voldoening van de administratieve geldboete kan niet ontstaan voordat een correcte aangifte werd ingediend. De aangifte moet decretaal ingediend worden uiterlijk op 15 maart van elk aangiftejaar, met mogelijkheid tot uitstel tot 15 april. In dit geval moest een onderzoek gevoerd worden omdat er een verschil was tussen de aangifte en de beschikbare gegevens, en moest D. gehoord worden; het proces-verbaal dat de overschrijding vaststelt dateert van 17 juli 2003, dit is derhalve de vroegste datum waarop de verjaringstermijn een aanvang neemt.

3. Meer ondergeschikt: de verjaringstermijn werd op geldige wijze gestuit. De administratieve geldboete wordt beheerst door de algemene beginselen van het strafrecht, zodat de verjaringstermijn onderhevig is aan zowel de burgerlijke als de strafrechtelijke wijzen van stuiting zoals een daad van onderzoek. Een daad van onderzoek omvat elke door de bevoegde overheid verrichte daad die tot voorwerp heeft bewijzen te verzamelen over het bestaan van de inbreuk en de schuld van de dader, of de zaak in staat van wijzen te brengen, zoals het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk en de aangetekende brief waarbij de bevoegde overheid aan de overtreder vraagt om zijn verweermiddelen mee te delen. Minstens nog op 17 juli 2003 is een onderzoeksdaad gesteld waardoor de verjaring werd gestuit.

Over de gegrondheid van de administratieve geldboete

Het VLAAMS GEWEST houdt voor dat de beweringen van D. op basis waarvan er geen grond is om een administratieve geldboete op te leggen niet bewezen zijn.

Over de rechtsplegingsvergoeding

Met verwijzing naar de waarde van het geschil (tussen 20.000,01 en 40.000,00 euro ) vordert het VLAAMS GEWEST een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 voor de procedure in eerste aanleg en van 2.200,00 euro , dit is na indexatie, voor de procedure in hoger beroep.

Het standpunt van D.

Over de verjaring

D. houdt voor dat de administratieve geldboete ontstond bij het einde van de productiejaren 2000 en 2001 zodat de uiterste aanvangsdatum van de vijfjarige verjaringstermijn 1 januari 2002 is; het dwangbevel werd betekend op 27 december 2007, dit is meer dan vijf jaar na de aanvang van de verjaringstermijn. Volgens D. is dit standpunt verenigbaar met de duidelijke tekst evenals met de ratio legis van artikel 26 van het Mestdecreet 1991; een andere uitleg is onverenigbaar met de rechtszekerheid. D. betwist de stuiting van de verjaringstermijn op andere wijzen dan bepaald in artikel 26 van het Mestdecreet 1991.

Over de berekening van de administratieve geldboete

D. houdt voor dat de administratieve geldboete ten onrechte werd opgelegd, minstens dat het bedrag van de administratieve geldboete veel te hoog was, om volgende redenen:

1. bepaalde mestafzetdocumenten die het opbrengen van mest op de akkers en weiden van D. zouden moeten bewijzen, waren niet door hem ondertekend. Hij kan niet verplicht worden de valsheid te doen vaststellen met een burgerlijke of strafrechtelijke procedure; dat onderzoek moet gevoerd worden door de overheid die zorgvuldig moet te werk gaan, minstens diende het VLAAMS GEWEST de twijfel in het voordeel van D. te laten spelen. Omdat de valsheid van de handtekening de visu kan worden vastgesteld, heeft de overheid niet zorgvuldig onderzocht en moet minstens een schriftdeskundige worden aangesteld. Minimaal 176.000 kilogram varkensmest moet in mindering gebracht worden.

2. de chemische meststoffen werden op meer gronden uitgespreid dan in de oorspronkelijke berekening van de administratieve geldboete was aangenomen: het ging om gronden die in seizoenspacht werden gehouden waarbij de grondeigenaren de voorbereidings- en bemestingswerken ten laste namen en de bemesting lieten uitvoeren door D.. Hij betwist het antwoord van het VLAAMS GEWEST: 1. zijn handelswijze en die van de grondeigenaren stemt overeen met de wet en met de economische realiteit; 2. de bewering werd niet laattijdig overgemaakt, vermits zij gekend was en behandeld werd door het VLAAMS GEWEST; 3. er is geen collusie tussen hem en grondeigenaren.

3. de beweerde overbemesting is praktisch onmogelijk omdat de theoretische hoeveelheden die de Mestbank bekomt er in de praktijk zou toe leiden dat er niets meer groeit op de akkers in kwestie.

4. de verkoop van kunstmeststoffen aan derden wordt bewezen door stukken.

Op grond van het voorgaande vordert D.:

1. de verjaring vast te stellen;

2. ondergeschikt: hem toe te laten met getuigen het bewijs te leveren van bijkomende reglementaire mestafzet op cultuurgronden;

3. ondergeschikt: een deskundige aan te stellen die de echtheid van de handtekeningen onderzoekt op bepaalde mestafzetdocumenten;

4. uiterst ondergeschikt: het VLAAMS GEWEST te verplichten om de bijkomend bewezen mestafzet in mindering te brengen van de administratieve geldboete.

Beoordeling en beslissing door het hof

Over de verjaring

Artikel 26 van het ter zake toepasselijke Mestdecreet (Decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen) luidt als volgt: "De vordering tot voldoening van de heffingen, van de intresten en van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek."

Toegepast op het geschil tussen partijen schrijft voormelde bepaling voor dat de vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. Hieruit volgt dat de verjaring slaat op de vordering en moet gerekend worden van de dag waarop de vordering is ontstaan.

De vordering ontstaat wanneer de administratieve geldboete wordt opgelegd. Voormelde bepaling schrijft niet voor wanneer de administratieve geldboete moet worden opgelegd. Geen enkele andere bepaling van het Mestdecreet schrijft voor wanneer een administratieve geldboete moet worden opgelegd. Het opleggen van een administratieve geldboete is in dit geval niet afhankelijk gemaakt van een wettelijk bepaalde termijn. De administratieve geldboete gaat uit van het bestuur en het bestuur dient behoorlijk te besturen, waaruit volgt dat de administratieve geldboete slechts mag worden opgelegd na zorgvuldig onderzoek, na de betrokkene te hebben gehoord en op grond van objectieve, controleerbare redenen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, dit alles binnen een redelijke termijn waarbij rekening wordt gehouden met de houding van de betrokkene. Indien het bestuur op de voorgeschreven wijze behoorlijk handelt, wordt tegemoet gekomen aan het vereiste van rechtszekerheid.

Uit de feiten blijkt dat het bestuur de administratieve geldboete slechts heeft opgelegd na zorgvuldig onderzoek, na D. te hebben gehoord en op grond van objectieve, controleerbare redenen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, dit alles binnen een redelijke termijn waarbij rekening wordt gehouden met de houding van D.:

- 2003:

o 4 april: uitnodiging om uitleg te verschaffen over vastgestelde verschillen;

o 14 april: verhoor;

o 25 april: proces-verbaal;

o 2 juni: aangetekende brief om zich te conformeren;

o 17 juli: proces-verbaal houdende vaststelling van overschrijding;

- 2004:

o 2 maart: opleggen van de boete;

o 27 maart: verzoekschrift;

o 13 september: antwoord met herleiding van de boete;

o 13 oktober: verzet tegen de boete;

- 2005:

o 31 maart: antwoord op het verzet;

o 6 april: nieuw verzoekschrift;

- 2006:

o 24 februari: antwoord op het verzoekschrift;

- 2007:

o 15 oktober: aanmaning tot betaling;

o 27 december: dwangbevel;

- 2008:

o 25 januari: verzet tegen het dwangbevel.

De administratieve geldboete werd opgelegd op 2 maart 2004 en het dwangbevel werd betekend op 27 december 2007, dit is binnen de door het Mestdecreet voorgeschreven termijn van vijf jaar.

De vordering van het VLAAMS GEWEST is niet verjaard. Het bestreden vonnis wordt op dit punt vernietigd.

Ten gronde

Relevante feiten

Het aanvankelijk proces-verbaal van 25 april 2003 werd opgesteld, na controle van de aanwending van nutriënten op cultuurgronden, in de burelen van Mestbank op 14 april 2003, dit is nadat D. was uitgenodigd en zijn uitleg had gegeven over een voordien vastgestelde onjuiste mestbalans op basis van gegevens ontvangen van de centrale directie van de Mestbank te Brussel. In dat proces-verbaal worden volgende vermeldingen opgenomen met betrekking tot de productiejaren 2000 en 2001:

Wat betreft het jaar 2000 worden er 13 van de 21 mestafzetdocumenten en 3 van de 4 burenregelingen voorgelegd door de heer D.. Het dubbel van de burenregeling 105835080 kan niet voorgelegd worden. Dit document behandelt de overdracht van champost. De heer D. betwist niet dat hij die champost gekregen heeft. Hij kan zich voor 2000 niet meer voor de geest halen van wie hij juist mest ontvangen heeft. Dat hij er van erkende mestvoerder Cloet gekregen heeft, weet hij wel nog. Vermeldt vermeld hij dat de handtekening onder zijn naam op het document met nummer 9909956294 de zijne niet is. Dit is ook zo voor de handtekeningen op de documenten met nummers 9907157644 en 9909958419. Deze op het laatste document kan eventueel afkomstig zijn van zijn vrouw.

Van de 36 gekende mestafzetdocumenten voor 2001 worden er 23 door de heer D. voorgelegd dit samen met drie burenregelingen. Twee van deze burenregelingen namelijk nummers 0105834070 en 0105833666 vermelden Chandella als aanbieder. Van deze laatste documenten is de heer D. niet zeker of het wel zijn handtekening is dat erop staat. Hij zou dit nog nakijken. In plaats van het mestafzetdocument met nummer 0106929362 legt de heer D. het document met nummer 0156929327 voor.

De berekening van de administratieve geldboete werd, volgens het aanvankelijk proces-verbaal, gemaakt op basis van de goedgekeurde burenregelingen en de bevestigde mestafzetdocumenten.

Het navolgend proces-verbaal van 17 juli 2003 vermeldt dat er in het aanvankelijk proces-verbaal bij de berekening van de balans productiejaar 2000 een fout geslopen is, en de nieuw verkregen informatie in verband met het kunstmestgebruik wordt ingepast in de mestbalansen voor de productiejaren 2000 en 2001.

Het navolgend proces-verbaal van 13 oktober 2004 wordt opgesteld nadat D. op 6 oktober 2004 een bijkomende verklaring aflegde: hij zou per vergissing alle aangekochte chemische meststoffen aangegeven hebben op zijn aangiften voor de productiejaren 1999, 2000 en 2001; een deel van deze chemische meststoffen werd echter aangewend op gronden die niet door hem geregistreerd werden; bijgevolg zou hem een deel van het teveel aan opgebrachte chemische meststoffen onterecht aangerekend worden. Uit het bijgevoegde bezwaarschrift blijkt dat D. voorhield:

1. de documenten 9909956294 en 0106929362 zijn niet door hem ondertekend;

2. er is een vergissing gebeurd in de aangifte van champost afkomstig van Chandella bvba;

3. de grootste vergissing bevindt zich in de aangifte van chemische meststoffen; alle vloeibare stikstof werd aangegeven op de totaliteit van de gronden, ook diegene die in seizoenspacht worden gehouden.

D. sluit zijn bezwaarschrift af met de vermelding: Aan de hand van deze gegevens kunt u zien dat het niet mijn bedoeling was om meer mest toe te dienen dan decretaal voorzien. Ik heb echter 2 grote vergissingen begaan. Enerzijds had ik teveel vertrouwen in de loonwerkers die maar papieren opmaakten waarvan ik slechts een deel heb ontvangen zodat ik in die jaren geen zicht meer had op de situatie. Anderzijds heb ik twee fouten gemaakt in de aangifte: afgekeurd en niet gerealiseerd document champost per vergissing meegerekend en alle chemische meststoffen aangegeven op 1 mestbanknummer terwijl deze in werkelijkheid gebruikt werden op alle gronden (ook deze in seizoenspacht). Op basis van bovenstaande argumentatie wil ik u alsnog verzoeken tot een substantiële vermindering van het bedrag van de geldboete te willen besluiten. Bijkomend wil ik dan tevens om uitstel of spreiding van betaling vragen gezien het voor mij een niet voorziene financiële last uitmaakt.

Deze bewaren werden beantwoord door het bestuur op 17 maart 2004:

1. de mesthoeveelheden van de documenten met betwiste handtekening worden niet in rekening gebracht;

2. met betrekking tot de champost wordt de milieubalans herberekend;

3. er wordt geen rekening gehouden met het bezwaar inzake vloeibare stikstof, om volgende redenen:

- Dat +/- 57% van de vloeibare stikstof gebruikt werd voor gronden in seizoenspacht, werd niet vermeld bij het opvragen van de chemische meststoffen op 2 juni 2003. Dit is toch een belangrijk gegeven want dit is niet conform de ondertekende overeenkomst. Op de contracten voor seizoenspacht staat uitdrukkelijk dat de eigenaars instaan voor de bemesting.

- Bovendien levert u geen bewijzen (facturen naar eigenaars) dat u deze werken heeft uitgevoerd zodoende kunnen de eigenaars deze bemesting dan ook niet aangegeven.

- Sommige eigenaars hebben hun gronden teveel bemest zonder rekening te houden met de door u toegediende bemesting.

4. de administratieve geldboete wordt herleid en er worden betalingsmodaliteiten toegestaan.

In een verklaring afgelegd op 6 oktober 2004 houdt D. voor: Nu merken we op dat de aan- en verkoopfacturen van de chemische mest die wij overgemaakt hadden in ons bezwaar niet in het dossier aanwezig zijn. Deze documenten werden aangetekend naar Brussel verstuurd. We vragen ons af of dat er wel degelijk rekening gehouden is met deze documenten bij de beoordeling van het bezwaar.

Dit bezwaar werd beantwoord door het bestuur op 13 oktober 2004, waarin onder meer bevestigd werd dat de mesthoeveelheden van de documenten met betwiste handtekeningen en waarvan [D.] beweert dat de mest niet werd ontvangen, werden niet in rekening gebracht; dat, met betrekking tot de vloeibare stikstof, enkel contracten van seizoenspacht worden bijgebracht en geen facturen naar de eigenaars en dat op de ondertekende overeenkomsten zelfs uitdrukkelijk staat dat de eigenaars instaan voor bemesting; dat uit de bijgebrachte facturen blijkt dat een aanzienlijk deel van de aangekochte meststoffen worden doorverkocht aan derden, wat een nieuw element is omdat de namen van de eigenaars van de gronden in seizoenspacht er niet op voorkomen: omdat op de aangifte echter minder chemische mest werd opgegeven dan de aangekochte hoeveelheid verminderd met de verkochte hoeveelheid kan gesteld worden dat met de doorverkochte hoeveelheid al rekening gehouden is; mogelijks zijn er gronden in seizoenspacht door u bemest doch dit bleek niet uit de ingestuurde formulieren.

D. maakte nadien nog bezwaarschriften over: op 13 oktober 2004, 6 april 2005 en 6 maart 2006. Hierin werden volgende beweringen opgenomen:

1. de ondertekening van de documenten 9909956294, 0106929362 en 0156790800 wordt betwist;

2. de vermelding in de seizoenspachten dat de verpachter instaat voor voorbereidings- en bemestingswerken is door de wet verplicht opdat sprake zou kunnen zijn van seizoenspacht, maar in werkelijkheid worden deze werken nooit uitgevoerd door de verpachter, maar altijd door de pachter; om die reden is er ook geen facturatie aan de verpachter omdat de werken voor eigen rekening worden uitgevoerd; de eigenaar werd altijd op de hoogte gehouden van de uitgevoerde bemesting; de eigenaar stemde in met een erratum aan de seizoenspacht als volgt: niettegenstaande de bepalingen in het modelcontract, werden de voorbereidings- en bemestingswerken op bovenvermeld perceel in het jaar [2000/2001] uitgevoerd door de gebruiker en niet door de eigenaar/exploitant van de landbouwgrond (dit werd enkel vermeld in het pachtcontract om te voldoen aan de wettelijke bepalingen van de pachtwetgeving).

3. twee van de seizoenspachten zijn in Wallonië gelegen waar er geen mestdecreet was;

4. een grote hoeveelheid vloeibare stikstof werd verkocht aan klanten waarvoor gefactureerd werd.

Beoordeling door het hof

1. De documenten waarvan betwist wordt dat zij ondertekend werden door D.

Het bestuur houdt ten onrechte voor dat documenten waarvan beweerd wordt dat zij niet ondertekend zijn door de betrokkene voor echt moeten worden gehouden zolang hun valsheid niet in een gerechtelijke procedure is aangetoond.

De betrokkene kan volstaan met de ontkenning van zijn handtekening. In dat geval dient het bestuur, en niet de betrokkene, het initiatief te nemen om de echtheid van de handtekening te onderzoeken of te doen onderzoeken. Het bestuur heeft in dit geval dat initiatief niet genomen.

Om die reden mag geen rekening worden gehouden met de documenten 9909956294, 0106929362 en 0156790800 bij de berekening van de administratieve geldboete.

2. De seizoenspachten

Het bestuur houdt terecht voor dat geen medewerking mag worden verleend aan veinzing ook al is deze overeengekomen tussen verpachter en pachter, in die zin dat bemesting door de pachter in aanmerking zou moeten genomen worden terwijl in de pachtovereenkomst de bemesting ten laste wordt gelegd van de verpachter. Een post factum diskwalificatie van de pachtovereenkomst door de toevoeging van een erratum, waarbij bevestigd wordt dat de bemesting is uitgevoerd door de pachter en niet door de verpachter, kan niet worden aanvaard omdat door dit erratum de aard van de overeenkomst volledig gewijzigd wordt: door het erratum wordt de overeenkomst geen seizoenspacht meer hoewel dit de bedoeling was van partijen.

3. Facturatie aan klanten

Het bestuur houdt terecht voor dat de klanten vermeld op de facturen niet de eigenaars zijn van de gronden die in seizoenspacht werden gehouden: het betrof dus nieuwe elementen die de Mestbank niet in rekening had kunnen brengen bij de bepaling van de overschrijding van de bemestingsnormen. Vermits echter de aanvankelijk aangegeven hoeveelheid chemische meststoffen kleiner was dan de aangekochte min de verkochte hoeveelheid, kon terecht worden beslist dat de nieuwe documenten geen invloed hebben op de al vastgestelde overschrijdingen van de bemestingsnormen.

De gerechtskosten

Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan vooralsnog niet worden bepaald omdat dit in functie staat van de waarde van het geschil en de waarde op dit ogenblik nog niet vaststaat omdat de administratieve geldboete moet worden herleid in de mate zoals beslist in dit arrest. De uitspraak over de gerechtskosten wordt voorbehouden.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in de mate dat beslist werd dat het verzet van D. ontvankelijk is.

Zegt voor recht dat het dwangbevel van 27 december 2007 niet verjaard is.

Zegt tevens voor recht dat bij de berekening van de administratieve geldboete geen rekening mag worden gehouden met de documenten 9909956294, 0106929362 en 0156790800.

Verwerpt de andere middelen van D..

Behoudt de uitspraak over de gerechtskosten voor.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Koenraad MOENS, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS K. MOENS

Mots libres

  • MESTDECREET 23/1/1991. Art. 26 ervan: verjaringstermijn van vijf jaar. Stuiting van deze verjaring. Sanctie;geldboete. Oplegging ervan binnen een redelijke termijn.