- Arrêt du 28 octobre 2013

28/10/2013 - 2010AR2036

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het uitvoeren van openbare werken op grond van een vervallen bouwvergunning brengt met zich mee dat het verhinderen van de uitvoering van die openbare werken om die reden niet onrechtmatig is. Daarentegen beging Aquafin een fout en moet zij schadeloosstellen. De kosten van de vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder zijn in casu kosten die veroorzaakt werden door de fout van AQUAFIN, en komen voor vergoeding in aanmerking.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2036

INZAKE VAN :

1) Mevrouw A. V., wonende te

2) Mevrouw M. V., wonende te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 23 april 2010,

vertegenwoordigd door Meester D. CHARMANT loco Meester Roland DE ROUCK, advocaat te 9400 NINOVE, Leopoldlaan 17,

1ste kamer

TEGEN :

De naamloze vennootschap AQUAFIN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2630 AARTSELAAR, Dijkstraat 8, ingeschreven bij de Kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0440.691.388,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester M. VALKENIERS loco Meester Isabelle COOREMAN, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643,

Art. 1382-1383 BW. onrechtmatige daad. Eis tot schadeloosstelling.

Art. 289-291 Sw. belemmering van werken van openbaar nut. Niet wijken voor een bulldozer. Eigendomsrecht zoals gegarandeerd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Geldigheidsduur van een bouwvergunning: twee jaar.

Het uitvoeren van openbare werken op grond van een vervallen bouwvergunning brengt met zich mee dat het verhinderen van de uitvoering van die openbare werken om die reden niet onrechtmatig is. Daarentegen beging Aquafin een fout en moet zij schadeloosstellen. De kosten van de vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder zijn in casu kosten die veroorzaakt werden door de fout van AQUAFIN, en komen voor vergoeding in aanmerking.

_________________________________

De rechtspleging in eerste aanleg

AQUAFIN NV heeft op 15 januari 2009 A. V. en M. V. (hierna: de consorten V., tenzij anders is aangeduid) gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij vorderde betaling van schadevergoeding.

A. V. en M. V. stelden een tegenvordering in. Zij vorderden betaling van schadevergoeding.

De eerste rechter besliste bij vonnis van 23 april 2010 dat de hoofdvordering en de tegenvordering toelaatbaar zijn, de hoofdvordering gegrond en de tegenvordering ongegrond. Hij veroordeelde A. V. en M. V. tot betaling van sommen meer aankleven.

Dit vonnis werd niet betekend.

Het hoger beroep

A. V. en M. V. hebben hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis met een verzoekschrift dat is neergelegd ter griffie van het hof op 16 juli 2010.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

AQUAFIN NV vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

Beoordeling door het hof

AQUAFIN NV hield en houdt voor dat de consorten V. aansprakelijk zijn voor schade die zij heeft geleden, doordat zij (1) zonder enige wettige reden werken van openbaar nut hebben verhinderd wat een inbreuk is op de voorzichtigheidsplicht en doordat zij (2) zich door feitelijkheden hebben verzet tegen de uitvoering van werken waartoe de bevoegde overheid bevel of machtiging heeft gegeven of zich door samenscholing en geweld, feitelijkheden of bedreigingen, hebben verzet tegen de uitvoering van die werken wat een inbreuk is op artikelen 289, 290 en 291 van het strafwetboek.

A. V. geeft toe dat zij zich, in mei 2007, wanneer haar eigendom al was opengebroken en de aannemer zich op het perceel bevond en schade aanrichtte, op het perceel begeven heeft en niet heeft willen wijken ten opzichte van een bulldozer die verdere beschadiging van de eigendom veroorzaakte. Zij beweert niemand te hebben aangeraakt en tegen niemand iets te hebben ondernomen, maar wel te zijn bedreigd door een bulldozer waarvan de bestuurder haar wou aanrijden. Haar houding was ingegeven ter bescherming van een hoger recht, met name haar eigendomsrecht zoals gegarandeerd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Zij houdt voor dat de werken na die bewuste datum niet meer plaatsvonden en uitgesteld zijn geweest tot september, maar dat dit een vrijwillige handeling was uitgaande van AQUAFIN NV zonder dat imperatief gesteld werd dat de werken verder dienden uitgevoerd te worden. Zij beweert dat het ging om een eenmalig feit, dat gevolgd werd door onderhandelingen tussen partijen.

AQUAFIN was niet gerechtigd om de werken uit te voeren die haar aannemer aanving in mei 2007. Om die werken te mogen uitvoeren diende AQUAFIN te beschikken over een niet-vervallen bouwvergunning. De bouwvergunning dateert van 1 april 2005. Een bouwvergunning vervalt wanneer zij niet wordt uitgevoerd binnen de door de wet bepaalde termijn, dit is binnen de twee jaar (zie het te dezen toepasselijke artikel 128 Stedenbouwwet). De geldigheidsduur van de bouwvergunning vervalt in dit geval op 1 april 2007. De werken werden aangevat in mei 2007, dit is op een ogenblik dat de bouwvergunning vervallen was.

In randnummer 74 van haar syntheseberoepsconclusie van 9 februari 2011 houdt AQUAFIN voor dat het project aangevat werd in maart 2007, in het bijzonder door het uitvoeren van sonderingen naar nutsleidingen met graafmachines op 12, 13, 14, 15, 16 en 19 maart 2007. De consorten V. betwisten deze bewering (zie onder meer randnummer 45 van de syntheseconclusie van 13 december 2010, herhaald in randnummers 41 en 49 van de syntheseconclusie van 11 april 2011). Niettegenstaande deze betwisting, beperkt AQUAFIN zich tot een loutere bewering zonder deze bewering te bewijzen. Het is niet bewezen dat de werken werden aangevat voordat de bouwvergunning verviel krachtens de wet.

In randnummer 74 van de al vermelde syntheseberoepsconclusie van 9 februari 2011 houdt AQUAFIN ook voor dat de vervaltermijn van de bouwvergunning geschorst werd doordat door de consorten V. een beroep tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2005 dat de werken van openbaar nut verklaarde, werd ingeleid. Deze bewering is niet gegrond: er is geen analogische toepassing, zoals voorgehouden door AQUAFIN, van rechtspraak van de Raad van State (de vervaltermijn van een vergunning is geschorst indien er een beroep tot nietigverklaring wordt ingediend tegen een stedenbouwkundige vergunning), omdat niet de stedenbouwkundige vergunning in dit geval het voorwerp was van een vordering tot nietigverklaring, maar wel enkel het vermelde ministerieel besluit dat de werken van openbaar nut verklaarde.

Het uitvoeren van werken op grond van een vervallen bouwvergunning brengt met zich mee dat het verhinderen van de uitvoering van die werken om die reden niet onrechtmatig is. AQUAFIN kan zich dus niet op die hinder beroepen om vergoeding te vragen van de schade die zij beweert te lijden als gevolg van die hinder. AQUAFIN duidt geen andere hinder aan; vermits die hinder niet foutief is, is de vordering van AQUAFIN die steunt op deze niet-foutieve hinder ongegrond.

De beslissing van de eerste rechter (die overigens geen kennis had van het middel met betrekking tot het verval van de bouwvergunning, dat voor het eerst werd ingeroepen in hoger beroep door de consorten V.) wordt vernietigd en de vordering van AQUAFIN wordt ongegrond verklaard.

AQUAFIN heeft een fout begaan door de werken aan te vatten op grond van een vervallen bouwvergunning. Zij is gehouden om de schade te vergoeden die deze fout heeft veroorzaakt.

De consorten V. vorderen vergoeding van volgende schade:

1. het onrechtmatig gebruik door AQUAFIN van het perceel (3.619,58 euro);

2. de kosten en het ereloon om zich te verdedigen tegen de aanspraken van AQUAFIN in de procedure voor de Raad van State, het kort geding en de onteigeningsprocedure (6.585,96 euro);

3. de morele schade wegens dreigingen van de aannemers en de kraanman (3.000 euro);

4. de kosten van de vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder (257,50 euro).

Bij gebreke aan een geldige bouwvergunning staat vast dat AQUAFIN onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van het perceel van de consorten V.. De door de consorten V. voorgestelde vergoeding (4 % van de venale waarde van het perceel over de periode vanaf de vaststelling door de gerechtsdeurwaarder tot de toekenning van de provisionele onteigeningsvergoeding) is een billijke vergoeding. AQUAFIN dient 3.619,58 euro te betalen aan de consorten V..

De kosten en het ereloon om zich te verdedigen tegen de aanspraken van AQUAFIN in de procedure voor de Raad van State vormen geen schade die veroorzaakt is door de fout van AQUAFIN: de door de consorten V. gevorderde schorsing en vernietiging van het ministerieel besluit van 31 augustus 2005 werden verworpen.

Ook de kosten en het ereloon in de onteigeningsprocedure vormen geen schade die veroorzaakt werd door de fout van AQUAFIN: AQUAFIN was niet verplicht om te onteigenen en de onteigeningsprocedure werd opgestart op verzoek van de consorten V..

De kosten en het ereloon in de kortgedingprocedure zijn wel een schade die veroorzaakt werd door AQUAFIN: de kortgedingprocedure strekte ertoe de werken te doen uitvoeren hoewel er geen geldige bouwvergunning voorhanden was; de vergoeding van die schade wordt in billijkheid bepaald o 1.000 euro.

De consorten V. maken niet aannemelijk dat zij morele schade ondervonden die voor vergoeding in aanmerking komt; de schade die zij vorderen werd niet veroorzaakt door de fout van AQUAFIN.

De kosten van de vaststellingen door een gerechtsdeurwaarder zijn kosten die veroorzaakt werden door de fout van AQUAFIN, en komen voor vergoeding in aanmerking. AQUAFIN dient 257,70 euro te betalen aan de consorten V..

De consorten V. vorderen een verhoogde rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep: de attitude van AQUAFIN is er één van constante onwettelijkheid, minstens van rechtsmisbruik, en het is duidelijk dat deze procedure ontplooid werd als machtsvertoon om de consorten V. die gedurfd hebben aanspraak te maken op hun rechten, te bestraffen.

De door de consorten V. ingeroepen redenen leiden er niet toe dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding moet verhoogd worden tot een hoger bedrag dan de basisrechtsplegingsvergoeding.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis in de mate dat het de oorspronkelijke vordering van AQUAFIN gegrond verklaarde en de vordering van de consorten V. ongegrond.

Bevestigt het voor het overige.

Opnieuw recht doende, verklaart de vordering van AQUAFIN ongegrond en de vordering van de consorten V. gegrond zoals hierna beslist wordt.

Veroordeelt AQUAFIN om aan de consorten V. VIERDUIZEND ACHTHONDERD ZEVENENZEVENTIG EURO ACHTENTWINTIG CENT (4.877,28 euro) te betalen, meer de gerechtelijke intresten vanaf heden.

Veroordeelt AQUAFIN om aan de consorten V. in hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding van 2.500 euro te betalen.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel,

Op 28/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Koenraad MOENS, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS K. MOENS

Mots libres

  • Art. 1382-1383 BW. onrechtmatige daad. Eis tot schadeloosstelling. Art. 289-291 Sw. : belemmering van werken van openbaar nut. Niet wijken voor een bulldozer. Openbare werken na verval van de bouwvergunning. Eigendomsrecht: gegarandeerd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het E.V.R.M.. Geldigheidsduur van een bouwvergunning: twee jaar.