- Arrêt du 5 novembre 2013

05/11/2013 - 2013AR719

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De voorlopige tenuitvoerlegging is een uitzondering op de algemene regel, zodat de schuldeiser die daarvan een afwijking vraagt, moet aantonen dat de concrete omstandigheden een voorlopige tenuitvoerlegging rechtvaardigen. Het moet onderzocht worden of het belang van de partij die de veroordeling heeft verkregen zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij het behoud van de bestaande toestand totdat is beslist over het hoger beroep.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2013/AR/719

INZAKE VAN :

De heer H. D.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 februari 2013,

vertegenwoordigd door Meester Tom VAN DE VOORDE, advocaat te 9900 EEKLO, Gentsesteenweg 56,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw J. DV,

2) Mevrouw M. D., wonende

3) Mevrouw A. D.,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Joost HENDRICKX loco Meester Emmanuel GUEULETTE, advocaat te 1180 BRUSSEL, Brugmannlaan 451,

Artikel 24 Ger. W. Voorafgaande maatregelen. Artikelen 1397 e.v. Ger. W. Voorlopige tenuitvoerlegging. Afwijkingen

De voorlopige tenuitvoerlegging is een uitzondering op de algemene regel, zodat de schuldeiser die daarvan een afwijking vraagt, moet aantonen dat de concrete omstandigheden een voorlopige tenuitvoerlegging rechtvaardigen. Het moet onderzocht worden of het belang van de partij die de veroordeling heeft verkregen zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij het behoud van de bestaande toestand totdat is beslist over het hoger beroep.

__________________________________________________________

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 18 februari 2013.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

Op de zitting van 9 september 2013 is de zaak alleen behandeld met betrekking tot de vraag van de dames DEVALCK en D. om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

Eiseressen zijn eigenaars van het gebouw gelegen te X., Longtinstraat 78bis. Verweerder is eigenaar van het daaraan palende gebouw, gelegen te X., Carton de Wiardlaan 67.

Het gebouw eigendom van eiseressen heeft ernstige schade opgelopen door vochtinfiltratie komende van het aanpalende gebouw, eigendom van verweerder. Hierdoor is huiszwam ontstaan in het gebouw van eiseressen. Zij verhuren dit gebouw, doch door de ernstige vochtproblematiek verlieten de bewoners het gebouw en derven eiseressen de huurinkomsten.

Eiseressen hebben op 22 juni 2011 een procedure in kort geding ingesteld teneinde verweerder ertoe te bewegen de nodige herstellingswerken uit te voeren. Bij beschikking van de voorzitter in kort geding van 11 juli 2011 werd gerechtsdeskundige B. LEFEVER aangesteld met als opdracht:

Kennis te nemen van de toestand die in elk van deze twee aanpalende panden heerst, (...);

De gebreken, stoornissen, schade en andere ongemakken te beschrijven waardoor het onroerend goed van de eisende partijen is aangetast;

De oorzaak ervan te bepalen alsook de oplossingen die van de ene en de andere kant moeten worden aangebracht ten einde de uitbreiding ervan tegen te houden;

Te zeggen welke herstellings-, renovatie- of zo nodig afbraakwerken ter plaatse moeten uitgevoerd worden, zowel bij de eisende partijen als bij de heer D., teneinde de panden in goede staat en binnen de kortst mogelijke termijn te herstellen;

De kosten en de duur te bepalen van diezelfde werken, een kalender op te stellen voor de volledige uitvoering ervan en te zeggen of er enige onbruikbaarheid van de panden bestaat of heeft bestaan;

(..)

Na afloop van zijn werkzaamheden zijn bevindingen met voorlopig advies over te maken aan de rechter, partijen en raadslieden en daarbij een redelijke termijn te bepalen waarbinnen partijen hun opmerkingen moeten maken; Het eindverslag neer te leggen binnen de 4 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis (...)"

Deskundige LEFEVER heeft op 12 augustus 2011 zijn voorverslag neergelegd ter griffie. Hierin wordt onder punt 2.04 een werkwijze voorgesteld aan partijen teneinde zo snel mogelijk tot een algemene oplossing van de problemen te komen. Deze bestaat erin dat verweerder in zijn gebouw alle badkamers en toiletten volledig laat ontmantelen en dit zowel wat de toestellen, leidingen, betegeling en pleisterwerken betreft, vervolgens deze badkamers en toiletten volledig volgens de regels van de kunst te herwerken en alle leidingen en afwerkingen te vernieuwen, en hetzelfde te doen wat betreft de aansluitingen van en naar de aanpalende keukens. De deskundige stelde voorop deze werken beëindigd te hebben tegen uiterlijk 1 oktober 2011. Eiseressen van hun kant zouden in hun gebouw alle beschadigd pleisterwerk en schimmels laten wegkappen en afvoeren om een snellere droging toe te laten. De deskundige bepaalde een technische vergadering op 3 oktober 2011 om nazicht te doen van deze vooropgestelde werken, alsook tot opname van de eindschade binnen het gebouw van eiseressen.

Op 5 december 2011 heeft de gerechtsdeskundige zijn eindverslag neergelegd ter griffie. Hieruit blijkt dat op de technische vergadering van 3 oktober verweerder niet aanwezig was, en enkel het gebouw van eiseressen kon worden bezocht. Daar werd vastgesteld dat de muren inderdaad ontmanteld werden, doch merendeels nog vochtig stonden, en de deskundige besloot hieruit dat er nog steeds sprake was van infiltraties.

Vervolgens heeft een technische vergadering plaatsgevonden op 18 november 2011, waar zowel eiseressen als verweerder aanwezig waren, en de beide panden konden worden bezichtigd. Alsdan bleek dat verweerder geen werken had uitgevoerd en derhalve ook niet de onder punt 2.04 van het voorverslag voorgestelde werken. Volgens verweerder was het niet mogelijk deze werken op korte termijn uit te voeren door de aanwezigheid van huurders in zijn appartementen. "

Eiseressen zijn van oordeel dat zonder de uitvoering door verweerder van de nodige werken in zijn gebouw, zij zelf ook niet met de herstellingswerken in hun gebouw kunnen beginnen, daar de oorzaak van de waterschade (lekken aan de aansluitingen van de leidingen in badkamers en keukens) alsdan niet is opgelost. Zij stellen dat verweerder nog steeds geen aanvang heeft genomen met de uitvoering van de herstellingswerken zoals beschreven door deskundige LEFEVER, en dat de schade in hun gebouw verergert.

Dienvolgens werd door eiseressen een dagvaarding betekend op 22 december 2011 waarbij zij vorderden te zeggen dat verweerder, overeenkomstig artikel 19 lid 2 van het Ger.W., ten laatste binnen een termijn van 15 dagen vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis, al de werken opgesomd in punt 2.04 bladzijde 16 van het deskundig verslag dat afgesloten werd en neergelegd werd op de griffie op 5 december 2011, moet uitvoeren op straffe van een dwangsom van 500 EUR per dag vertraging; verder te zeggen dat de goede uitvoering en beëindiging van deze zelfde werken, in 't oog zullen gehouden worden met de nodige commentaren door deskundige LEFEVER, die hiervan verslag zal doen dat neergelegd zal worden binnen de 8 dagen na hun laatste uitvoering; verweerder te veroordelen om aan eiseressen te betalen een voorschot van 25.000 EUR ten titel van schadevergoeding op een bedrag geschat op 100.000 EUR onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding; eiseressen toe te laten de zaak terug voor deze rechtbank te brengen om haar te beslechten over de definitieve schade van zodra de werken werden uitgevoerd, bedragen te verhogen met de gerechtelijke intresten, de kosten en uitgaven zowel in kort geding als ten gronde; voorgaande bij voorraad uitvoerbaar vonnis.

De zaak werd ingeleid op 13 januari 2012 en werd meermaals uitgesteld om verweerder toe te laten de nodige werken in zijn gebouw uit te voeren en deze uitvoering te controleren.

"

Bij verzoekschrift van 9 augustus 2012, hebben de dames DEVALCK en D. met toepassing van artikel 19, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek gevorderd aan de heer D. te bevelen de door de deskundige opgesomde werken in punt 2.04 bladzijde 17 van zijn verslag uit te voeren binnen de 15 dagen vanaf de betekening van het tussen te komen vonnis op straffe van een dwangsom van 500 EUR per dag vertraging, onder toezicht van deskundige LEFEVER. Bij vonnis van 16 oktober 2012 heeft de eerste rechter die vordering ongegrond verklaard.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Vervolgens vorderden de dames DEVALCK en D. de veroordeling van de heer D. tot de uitvoering van de werken beschreven in het verslag van de deskundige, binnen de 8 dagen vanaf de betekening van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van 500 EUR per dag vertraging. Ondergeschikt vroegen zij opnieuw de aanstelling van de deskundige. Ze vroegen verder de heer D. te veroordelen tot de betaling van 21.110,29 EUR op een vordering geraamd op 30.000,00 EUR, en de aanstelling van de deskundige.

De heer D. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de dames DEVALCK en D. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde de heer D. tot betaling aan de dames DEVALCK en D. van 8.379,51 EUR provisioneel, als voorlopige schadevergoeding.

Hij beval de heropening van de debatten met het oog op standpunten over de schade van de dames DEVALCK en D.. Hij verzocht hen hun genotderving te begroten aan de hand van stukken en beval hen mee te delen welke bedragen zij voor dit schadegeval reeds zouden ontvangen hebben van de verzekeraar.

3.3

In zijn beroepsakte vraagt de heer D. de vordering van de dames DEVALCK en D. ongegrond te verklaren.

De dames DEVALCK en D. vragen vóór de behandeling van de grond het vonnis voorlopig uitvoerbaar te verklaren "zonder borgstelling, kantonnement, aanbod tot consignatie of bijzondere toewijzing".

De heer D. vraagt die vordering ongegrond te verklaren.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

In beginsel schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de tenuitvoerlegging daarvan (artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek).

Artikel 1401 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de voorlopige tenuitvoerlegging altijd kan worden verzocht bij het hoger beroep, hetzij de partij nagelaten heeft zulks te verzoeken voor de eerste rechters, hetzij dezen verzuimd hebben over een dergelijk verzoek uitspraak te doen of het hebben afgewezen.

In deze zaak hebben de dames DEVALCK en D. voor de eerste rechter niet de tenuitvoerlegging gevraagd.

De voorlopige tenuitvoerlegging is een uitzondering op de algemene regel, zodat de schuldeiser die daarvan een afwijking vraagt, moet aantonen dat de concrete omstandigheden een voorlopige tenuitvoerlegging rechtvaardigen. Het moet onderzocht worden of het belang van de partij die de veroordeling heeft verkregen zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij het behoud van de bestaande toestand totdat is beslist over het hoger beroep .

De dames DEVALCK en D. voeren aan dat de heer D. de zaak alleen wil rekken en dat de bedragen onbetwijfelbaar verschuldigd zijn, maar een oordeel daarover vergt de beoordeling van de grond van het hoger beroep, die nu niet aan de orde is.

Zij laten verder gelden dat zij de kosten van herstelling zelf hebben moeten voorschieten, terwijl zij weinig middelen hebben. De heer D. legt evenwel een stuk voor waaruit blijkt dat de dames DEVALCK en D. 22.970,00 EUR hebben ontvangen van zijn verzekeraar. Ondanks de vraag van de heer D. hadden de dames DEVALCK en D. daarover geen gegevens verstrekt voor de eerste rechter, die zoals vermeld onder meer daarvoor de heropening van de debatten heeft bevolen. Het blijkt dus niet dat een bijzondere nood van de dames DEVALCK en D. de voorlopige tenuitvoerlegging rechtvaardigt.

Ten slotte merkt de heer D. op dat hij voldoende middelen heeft om een eventuele definitieve veroordeling te betalen, onder meer uit een aantal eigendommen. De dames DEVALCK en D. betwisten dat niet.

In de omstandigheden van de zaak is er dus geen reden om af te wijken van het beginsel van artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van de heer D. ontvankelijk;

Verklaart de vordering van de dames DEVALCK en D. om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan ontvankelijk maar ongegrond;

houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

5/11/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Beschikking vooraleer recht te doen (art. 19, lid 2 Ger. W.). Burenhinder. Huiszwam. Art. 1397 Ger. W. Voorlopige tenuitvoerlegging.