- Arrêt du 17 décembre 2013

17/12/2013 - 2010AR1521

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De mogelijke verwerping van een nalatenschap van een overleden Turk wonende in Turkije moet beoordeeld worden volgens Turks recht, zijnde het recht van de Staat waar de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had (art. 78 WIPR).


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/1521

INZAKE VAN :

1) De heer E. K., wonende... Turkije

2) De heer G. K., wonende,...Turkije

3) De heer D. K., wonende ...(Frankrijk),

4) De heer O K., wonende ...(Frankrijk),

5) Mevrouw Z. K., wonende (Turkije),

6) Mevrouw Z. K., wonende (Frankrijk),

7)

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 april 2009,

niet verschijnende, noch iemand voor hen ;

1ste kamer

TEGEN :

De LIBERALE LANDSBOND VAN MUTUALITEITEN, afgekort L.L.M., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1050 BRUSSEL, Livornostraat 25, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0411.729.366,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester VAN DE CASTEELE loco Meester Steve VIJVERMAN, advocaat te 1853 STROMBEEK-BEVER, Luitberg 25/8,

Internationaal privaatrecht. Erfenissen. Optierecht van de erfgenamen. Mogelijkheid van verwerping van de nalatenschap? Toepasselijke wet. Artikel 78 WIPR.

De mogelijke verwerping van een nalatenschap van een overleden Turk wonende in Turkije moet beoordeeld worden volgens Turks recht, zijnde het recht van de Staat waar de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had (art. 78 WIPR).

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 april 2009.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak, met toepassing van artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Geïntimeerde verklaart dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

Geïntimeerde heeft uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid uitbetaald aan S. K., de vader van appellanten. Na diens overlijden heeft de moeder van appellanten van 10 mei 1992 tot 30 juni 1993 de uitkeringen ontvangen. Geïntimeerde vordert terugbetaling van die uitkeringen van appellanten als erfgenamen van hun moeder.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde geïntimeerde de veroordeling van appellanten, in solidum, tot de betaling aan haar van 13.481,74 EUR, plus de gerechtelijke interesten en de kosten.

Appellanten concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en veroordeelde appellanten hoofdelijk tot betaling aan geïntimeerde van 13.481,74 EUR, plus de gerechtelijke interesten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 6 november 1995 en de kosten.

3.3

In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijk verweer.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

4.1.1 De ontvankelijkheid van de vordering

Appellanten vragen in hun akte van hoger beroep de vordering onontvankelijk te verklaren omdat zij vermoed worden de erfenis verworpen te hebben. Dat middel betreft de grond van de vordering (zij betwisten schuldenaar te zijn).

4.1.2 De grond van de vordering

De partijen zijn het met de eerste rechter eens dat de mogelijke verwerping van de nalatenschap moet beoordeeld worden naar Turks recht, het recht van de staat waar de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had (artikel 78 IPR Wetboek).

Appellanten stellen in de akte van beroep dat zij zich het recht voorbehouden om hun weigering van de nalatenschap van hun moeder aan te tonen. Dat voorbehoud vormt geen verweer in huidige procedure, waarin zij de verwerping bewijzen of niet bewijzen.

Verder vermelden appellanten dat "zou blijken" dat sommigen van hen nog minderjarig waren bij het overlijden zodat ze niet bevoegd waren een weigering uit te drukken. Zij leggen echter geen stukken neer die dit voorwaardelijk gestelde middel ondersteunen.

Ten slotte beroepen appellanten zich op artikel 545 (oud) van het Turkse Burgerlijk Wetboek, naar luid waarvan een vermoeden van weigering van erfenis bestaat indien de overledene insolvabel was bij het overlijden. Appellanten leveren echter geen bewijs van insolvabiliteit.

Het hoger beroep is dus ongegrond.

5 De kosten

De gerechtskosten van het hoger beroep worden ten laste gelegd van appellanten, de in het ongelijk gestelde partij.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 1.210,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt appellanten tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot

- in hoofde van henzelf op 186 euro rolrecht, en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

17/12/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Mots libres

  • Internationaal privaatrecht. Erfenissen. Optierecht van de erfgenamen. Mogelijkheid van verwerping van de nalatenschap? Toepasselijke wet. Artikel 78 WIPR.