- Arrêt du 8 janvier 2013

08/01/2013 - 2011-AR-2996

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

De belastingplichtige die geconfronteerd wordt met een naheffing van registratierechten voorzien in artikel 72 W. Reg. omdat hij er niet in slaagt aan te tonen dat hij valt onder de ‘personen die hun beroep maken van het kopen en verkopen van onroerende goederen', zoals bedoeld in artikel 62 W. Reg., met name door een reeks van wederverkopen binnen de vijf jaar te rekenen na de beroepsverklaring te bewijzen, is gerechtigd


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

08-01-2013

BELASTINGEN

Nr.2011/AR/2996

in de zaak van:

KAZAND B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 8800 ROESELARE, Noordlaan 66; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0863.726.602,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. GREMONPREZ Laetitia loco mr. OCKIER Ludo, advocaat te 8500 KORTRIJK, Beneluxpark 3

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van:

- het Ontvangkantoor der Registratie, met kantoren te 8870 IZEGEM, Kasteelstraat 19,

- het Ontvangkantoor der Registratie, met kantoren te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 24,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DE SCHEPPER Luc, advocaat te 8000 BRUGGE, Karel de Stoutelaan 148

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 31 oktober 2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, op 18 januari 2011 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard, maar als ongegrond afgewezen met verwijzing van de appellante in de kosten van het geding.

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

• De beslissing van de Gewestelijk Directeur dd. 30.06.2009, waarbij concluante het statuut van beroepsverkoper werd ontnomen en dienvolgens werd verzocht om de aanvullende rechten plus boete te betalen aan de Registratiekantoren te Izegem respectievelijk te Roeselare, teniet te doen.

• Opnieuw recht te doen en te beslissen als volgt:

Te zeggen voor recht dat concluante, ingevolge overmacht onmogelijk een reeks wederverkopen kon realiseren binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het onderschrijven van de beroepsverklaring, waardoor zij ten onrechte het statuut van beroepsverkoper werd ontnomen.

In ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat de boete wordt kwijtgescholden, minstens zou worden herleid tot het absolute minimum.

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van concluante voorlopig als volgt begroot:

- rolrechten eerste aanleg 104,00 euro

- RPV eerste aanleg 3.000,00 euro

- kosten hoger beroep p.m.

- RPV hoger beroep 2.500,00 euro

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het vonnis van 18 januari 2011 gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge te bevestigen met uitzondering van het principe dat het principe van overmacht een in deze materie toe te passen algemeen rechtsbeginsel is, de vordering van appellante ontvankelijk te verklaren doch als ongegrond af te wijzen en haar te veroordelen tot al de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

2. De feitelijke gegevens

De appellante heeft, om voor haar aankopen de vermindering van registratierechten te kunnen genieten, voorzien in de artikelen 62 tot 71 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten ten gunste van personen die hun beroep maken van het kopen en verkopen van onroerende goederen, op 23 februari 2004 de in artikel 631 W.Reg. voorgeschreven beroepsverklaring ingediend op het registratiekantoor te Roeselare.

Met toepassing van het genoemde artikel 631 werd de te stellen zekerheid bij beslissing van de gewestelijke directeur der registratie en domeinen te Brugge van 27 februari 2004 overeenkomstig artikel 70 W.Reg. bepaald op 32.545,00 euro. Die zekerheid werd door de appellante gesteld onder de vorm van een persoonlijke bankwaarborg verstrekt door de ING nv.

De appellante heeft om toepassing verzocht van het bij artikel 62 W.Reg. voorziene gunsttarief ter gelegenheid van tien afzonderlijke aankopen, waarvan de eerste negen notarieel verleden werden tussen 10 maart 2004 en 14 oktober 2005; de tiende aankoop zou volgen op 11 april 2008. Al de aangekochte percelen liggen in eenzelfde gebied in Roeselare (Rumbeke) en werden door de appellante aangekocht samen met Hyboma nv om er telkens elk voor de helft volle eigenaar van te worden.

De appellante heeft (evengoed als Hyboma nv) op die aankopen registratierechten betaald tegen betaling van het verminderd recht van 5% in plaats van het gewoon recht van 10% zoals bepaald in artikel 44 W.Reg. In het totaal betaalde de appellante over die tien aankopen een bedrag van 66.924,89 euro registratierechten.

Nadat uit een controle gebleken was dat de appellante in de door artikel 71 W.Reg. bedoelde periode van vijf jaar na de neerlegging van de beroepsverklaring geen enkele verkoop heeft gerealiseerd, heeft de gewestelijke directeur van de registratie te Brugge op 30 juni 2009 beslist dat, gezien geen beroepsactiviteit in de zin van artikel 71 W.Reg. kon bewezen worden, de volgens dat artikel verschuldigde rechten en boeten moesten ingevorderd worden (zijnde de gewone rechten op de aankopen onder aftrek van de al geheven rechten en daarenboven van een som gelijk aan de aanvullende rechten als boete, waarbij die boete beperkt wordt tot het bedrag van de wettelijke intrest berekend vanaf de datum van de registratie van de akte op de aanvullende rechten, zonder dat het bedrag minder dan 10% en meer dan 50% van deze rechten mag bedragen).

Door elk van de bevoegde ontvangkantoren werd de appellante in gebreke gesteld.

Op 1 oktober 2009 werd door de ontvanger van het registratiekantoor te Roeselare aan de appellante een betaalbericht toegezonden voor de bijrechten (36.962,10 euro) en boeten (tot 2 november 2009 berekend op 12.193,96 euro) verschuldigd op de in zijn kantoor geregistreerde akten.

Op 30 september en 20 november 2009 werd door de ontvanger van het registratiekantoor te Izegem een betaalbericht toegezonden voor de bijrechten (29.962,79 euro) en boeten (tot 14 oktober 2009 berekend op 10.510,00 euro) verschuldigd in zijn kantoor.

Tegen voormelde directeurbeslissing van 30 juni 2009 werd door de appellante bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge een gerechtelijke voorziening ingesteld met verzoekschriften van 17 december 2009. De appellante vroeg de eerste rechter om

- de beslissing van de gewestelijke Directeur van 30 juni 2009, waarbij de appellante het statuut van beroepsverkoper werd ontnomen en dienvolgens werd verzocht om de aanvullende rechten plus boete te betalen aan de registratiekantoren Roeselare en Izegem, teniet te doen;

- te zeggen voor recht dat de appellante, ingevolge overmacht onmogelijk een reeks wederverkopen kon realiseren binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het onderschrijven van de beroepsverklaring, waardoor zij ten onrechte het statuut van beroepsverkoper werd ontnomen;

- in ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat de boete wordt kwijtgescholden, minstens zou worden herleid tot het absolute minimum.

De vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 18 januari 2011, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellante als ongegrond afgewezen.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De grieven en argumenten van de partijen

3.1. Het standpunt van de appellante

De appellante erkent dat zij gedurende de periode van vijf jaar na het indienen van de in artikel 631 W.Reg. voorgeschreven beroepsverklaring geen enkele verkoop van onroerende goederen heeft verricht.

Zij beroept zich evenwel op overmacht wat door de eerste rechter terecht als een algemeen rechtsbeginsel zou zijn erkend dat ook in het fiscaal recht toepasselijk zou zijn.

Volgens de appellante bevindt zij zich overduidelijk in een situatie van overmacht. Zij stelt dat zij onmiddellijk na het verkrijgen van het statuut van beroepsverkoper de eerste percelen heeft aangekocht, maar dat zij ingevolge de aanhef van artikel 3.1 van het BPA Kazand-West geconfronteerd werd met de verplichting om nog een extra perceel aan te kopen (de hoger genoemde tiende aankoop van 11 april 2008) omdat een absoluut bouwverbod gold tot wanneer voor het geheel van de zone een verkavelingsaanvraag zou zijn ingediend. De appellante voert aan dat de aankoop van dit laatste perceel aanzienlijk meer tijd in beslag nam dan alle voorgaande percelen, maar dit alles geheel onafhankelijk van de wil van appellante.

Bovendien zou het college van burgemeester en schepenen van Roeselare lang getalmd hebben om een uiteindelijke vergunning af te leveren. Ook hier zou artikel 3.1. van het BPA Kazand-West de oorzaak zijn geweest, maar uiteindelijk zou het college van burgemeester en schepenen die bepaling zelf buiten toepassing verklaren.

Ten derde roept de appellante in dat het project nogmaals vertraging opliep doordat er een procedure tot vernietiging werd ingesteld voor de Raad van State door enkele eigenaars van percelen in de omgeving (procedure die nog steeds zou lopen).

Ingevolge die redenen, waarvan de appellante stelt dat ze alle geheel onafhankelijk van haar wil plaatsvonden en aldus niet aan haar toerekenbaar zouden zijn, zou het voor de appellante niet mogelijk zijn geweest om over te gaan tot de wederverkoop van de aangekochte percelen.

Er zou zelfs op vandaag nog steeds geen rechtszekerheid bestaan omtrent de bouwmogelijkheden, met name zolang het BPA Kazand-West niet effectief wordt herzien en goedgekeurd.

De appellante stelt dat zij steeds de intentie heeft gehad om de percelen te bebouwen en de panden te koop aan te bieden. Dat zou afdoende blijken uit het feit dat zij al drie verkavelingsdossiers heeft ingediend, maar de afhandeling stootte op de aanhef van artikel 3.1. van het betreffende BPA. Zij zou alle nodige stappen hebben gezet om een vergunning te bekomen. Dat zij geen vergunning bekwam, zou alleen toe te schrijven zijn aan het foutief handelen van de regelgevende overheid enerzijds en het instellen van het administratief beroep door de omwonenden anderzijds. De appellante stelt dat haar geen enkele verantwoordelijkheid treft vermits zij dat ganse proces lijdelijk moet ondergaan en slechts kon toekijken hoe haar project enorme vertraging opliep.

Subsidiair stelt de appellante dat de boete een strafrechtelijk karakter heeft en vraagt zij dat het hof zou overgaan tot kwijtschelding, minstens tot vermindering van de opgelegde boete.

3.2. Het standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde voert in hoofdorde aan dat er geen afwijking mogelijk is op grond van overmacht omdat de wet dat voor deze kwestie niet voorziet, terwijl het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten voor andere specifieke gevallen wel vrijstelling op grond van overmacht voorziet. Overmacht zou geen algemeen rechtsbeginsel zijn en het stelsel waarbij de beroepsverkoper van het verlaagde registratierecht kan genieten zou een gunst zijn. Het niet voldoen aan de voorwaarden om van die gunst te kunnen gebruik maken, zou steeds doen besluiten dat de belastingplichtige die gunst verliest.

Subsidiair stelt de geïntimeerde dat de eerste rechter moet gevolgd worden in zijn oordeel dat de appellante het door haar eigen timing aan zichzelf te wijten heeft dat zij niet tijdig tot verkoop kon overgaan.

Wat de vraag tot kwijtschelding of vermindering van de boete betreft, stelt de geïntimeerde dat er krachtens de wet opgestelde schalen zijn die al afgestemd zijn op de situatie die zich voordoet. Hij betwist dat de boeten, die slechts berekend worden op de interest tussen het moment waarop het volledig recht moest betaald zijn en de datum van betaling van de bijrechten, een strafrechtelijk karakter hebben. Minstens zou het oordeel van de eerste rechter moeten worden bijgetreden en vastgesteld dat de boete gepast is.

4. De beoordeling

4.1. De vordering in hoofdorde

4.1.1. De belastingplichtige die geconfronteerd wordt met een naheffing van registratierechten voorzien in artikel 72 W.Reg. omdat hij er niet in slaagt aan te tonen dat hij valt onder de ‘personen die hun beroep maken van het kopen en verkopen van onroerende goederen', zoals bedoeld in artikel 62 W.Reg., met name door een reeks van wederverkopen binnen de vijf jaar te rekenen na de beroepsverklaring te bewijzen, is gerechtigd om aan te tonen dat het feit dat hij die vereiste wederverkopen niet kon realiseren, te wijten is aan overmacht.

Niets sluit uit dat ook in fiscale zaken van de wet kan worden afgeweken om redenen van overmacht. Niemand is immers tot het onmogelijke gehouden. Het elementair beginsel dat niemand tot het onmogelijke gehouden is, heeft tot gevolg dat overmacht de menselijke wil beheerst, de toepassing van de wet onmogelijk maakt en noodzakelijk een uitzondering op alle rechtsregels betekent, zelfs als die regels van openbare orde zijn (Cass. 18 februari 1991, A.C. 1990-91, nr. 329; 27 maart 1919, Pas. 1919, I, 112).

4.1.2. Overmacht kan nochtans maar voortvloeien uit een gebeurtenis buiten de wil van de mens die door deze niet kon worden voorzien, noch vermeden (Cass. 15 juni 1995, Arr.Cass. 1995, p. 613).

In het concreet geval stelt het hof vast dat de appellante ten onrechte overmacht inroept.

De appellante beroept zich op een onoverkomelijk of althans zeer ernstig te bestrijden probleem dat voortkwam uit de bepaling gesteld in artikel 3.1. van het BPA Kazand-West. De appellante, haar partner in het betreffende project, Hyboma nv, en de personen achter die vennootschappen zijn kennelijk allen beslagen in de vastgoedmaterie. Het is duidelijk dat de appellante slechts werd ingezet voor het vastgoedproject in het genoemde BPA, waar een verkaveling van een aanzienlijke oppervlakte in het vooruitzicht werd gesteld. De appellante was ongetwijfeld op de hoogte of moest minstens op de hoogte zijn van het wettelijke en reglementaire kader waarbinnen de verkaveling kon gerealiseerd worden. De appellante moet dus geacht worden het genoemde artikel 3.1. van het BPA Kazand-West gekend te hebben en er de draagwijdte en gevolgen van te hebben kunnen inschatten. Met andere woorden de appellante moet van bij aanvang geweten hebben dat er een probleem zou zijn met de gevolgen van artikel 3.1. Zij moet geweten hebben dat ze ofwel dat artikel moest bestrijden, ofwel de weigeringsbeslissing die op dat artikel zou gesteund worden moest aanvechten, zo niet er (tijdig) zou moeten in slagen om alle percelen uit het betreffende gebied te verwerven om er een verkaveling voor te bekomen. De appellante moest beseft hebben dat dit enige tijd in beslag kon nemen. De appellante moet ook van bij aanvang van haar plannen beseft hebben dat een dergelijk aanzienlijk project op weerstand van buren kon stuiten, zodat er vertraging in de afhandeling te voorzien was.

De appellante nam ook een eigen beslissing om slechts op dit ene enkele project te werken, terwijl ze al moest weten dat ze daarin met een belangrijk probleem, dat vertraging zou meebrengen, zou moeten afrekenen.

Nochtans, zoals de geïntimeerde terecht aanvoert, moest de appellante beseffen dat het statuut van beroepsverkoper een gunst is en dus een uitzondering.

De appellante heeft dan ook met kennis van zaken een risico genomen. In dat geval is er geen sprake van overmacht.

Deze grief is ongegrond.

4.2. De subsidiaire vordering - de boete

Artikel 71 W.Reg. voorziet in ‘aanvullende rechten als boete' voor de beroepsverkoper die niet binnen de vijf jaar bewijst een reeks wederverkopen van onroerende goederen te hebben gedaan.

Artikel 219, 5de lid W.Reg. bepaalt dat het aan de Koning toekomt om binnen de grenzen van de wet het bedrag van de proportionele fiscale boeten die in dat wetboek worden voorzien, vast te leggen.

Overeenkomstig artikel 11 KB.W.Reg. is in gevallen waarin — zoals hier — de overtredingen niet gepleegd werden met de bedoeling de belasting te ontduiken of dit mogelijk te maken, de boete toepasselijk voorzien in het barema opgenomen in de bijlage bij dat KB. Schaal IV, C van die bijlage voorziet voor de overtreding die bestaat uit de ‘niet-uitoefening van het aangegeven beroep' door handelaars in onroerende goederen, in de volgende verminderde boete:

Bedrag van de wettelijke intrest, berekend, per afzonderlijke akte van verkrijging vanaf de datum van zijn registratie, op de aanvullende rechten, zonder dat dat bedrag minder dan 1/10 en meer dan ½ van deze rechten mag bedragen per akte.

De door de geïntimeerde gevorderde boete is in overeenstemming met die wetsbepaling.

De bestreden boete bestaat dus uit de wettelijke interest op het bedrag aan registratierechten dat de appellante in wezen bij de registratie van elk van de betrokken akten had moeten betalen. Door het feit dat de overtreding (dus ook de vaststelling ervan en dus ook de opeisbaarheid van de boete) zich nooit eerder dan na vijf jaar kan voltrekken, bestaat ze altijd minstens uit wettelijke interest over een periode van vijf jaar; alleen wanneer de wettelijke interest gemiddeld over een periode van vijf jaar 10% of meer beloopt, zal de bovengrens van 50% bereikt worden (met dien verstande dat wanneer er meer dan vijf jaar verstreken zal zijn op het moment van de betaling, ook met een lagere rentevoet van gemiddeld 10% het plafond al zal bereikt zijn).

Deze boete belet niet dat er op de verschuldigde bijrechten interest loopt aan de rentevoet en volgens de regels vastgesteld in burgerlijke zaken (art. 223 W.Reg.).

Feitelijk komt de boete neer op een verdubbeling van de verschuldigde interest tot op datum van betaling.

Rekening houdend met de principiële berekeningswijze en de concrete omvang van de boetes (die in de hoger vermelde uitnodigingen tot betaling door de bevoegde ontvangers van 1 oktober 2009 en 20 november 2009 respectievelijk op 12.193,96 euro en 10.510 euro werden berekend, zijnde samen 22.703,96 euro), en vermits in het totaal 66.924,89 euro bijrechten verschuldigd zijn, kan de boete niet hoger oplopen dan 33.462 euro.

Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR moet nagegaan worden of ze zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is en of ze zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven moet de administratieve sanctie inzake belastingen beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen (vgl. Cass., Arr.Cass., 1999, 307).

Aan al deze voorwaarden is hier voldaan.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld (dat is een toetsing aan het ‘evenredigheidsbeginsel; zie Jaarverslag Cass. 2004, randnr. 61), maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen - zoals wel mogelijk is voor de administratie op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (Cass. 21 januari 2005).

De administratie moet geacht worden zelf over de mogelijkheid te beschikken om een lagere boete op te leggen dan wettelijk vooropgesteld. Dat werd trouwens bevestigd door de Minister van Financiën op 8 december 2003 in zijn antwoord op de parlementaire vraag van de heer L. V...... C.................... van 3 september 2003 (vraag nr. 26), waar de Minister het volgende laat noteren (Ten slotte hebben de gewestelijke directeurs van de BTW ingevolge dezelfde beslissing en krachtens dezelfde wettelijke basis de bevoegdheid gekregen om, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan elk individueel geval, de voormelde boeten op een beduidende manier verder te verminderen in de gevallen waar zij de overtuiging hebben dat er ongelijkheden blijven in verhouding tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling. -.Schriftelijke vragen en antwoorden, Kamer, 2003-2004 (QRVA 51/011), p. 101).

Uit het bovenstaande blijkt dan ook dat het hof, zoals de administratie, de boeten, zelfs zoals verminderd met toepassing van het KB.W.Reg, op een beduidende manier verder kan verminderen in de gevallen waar het de overtuiging is toegedaan dat er ongelijkheden blijven in verhouding tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling (zie ook de conclusie van advocaat-generaal Thijs bij het arrest van het Hof van Cassatie van 11 maart 2010, in de zaak C.09.0096.N, (www.juridat.be), waarin dit aspect uitgewerkt wordt in het totale kader van de beoordelingsmogelijkheden waarover de feitenrechters beschikken).

De essentie is dat het hof de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

Het hof is van oordeel dat in het concrete geval moet besloten worden dat de boete moet worden gehalveerd.

Zelfs al is komen vast te staan dat de omstandigheden waarop de appellante zich beroept geen overmacht uitmaken, toch blijkt dat de overtreding — waarvan nooit is beweerd dat ze met kwade trouw werd begaan — onvoldoende ernstig is om de opgelegde boete te verantwoorden. Dat de appellante een zeker (voorzienbaar) risico heeft genomen bij het aangaan van het project, toont immers op zich nog niet aan dat zij nonchalant of werkelijk roekeloos was. Uit de diverse stappen die ze ondernam, blijkt dat ze moeite deed om haar project zo snel mogelijk te realiseren. Zelfs al moest zij bewust zijn van het risico op aanzienlijke vertraging, toch maakt het op zich geen inbreuk uit dat ze het statuut van beroepsverkoper aanvroeg; het was niet volledig uitgesloten dat er voldoende meeval was om toch binnen de vijf jaar tot wederverkoop (door realisatie van het project) te kunnen overgaan. Niet alle factoren waren in handen van de appellante zelf. Ook al moest zij er zelf van bewust zijn dat ook daar het risico gelegen was dat ze heeft genomen, toch is die vaststelling van aard om de inbreuk als minder ernstig te kwalificeren.

Een reden tot kwijtschelding is er in die omstandigheden evenwel niet. Om een gepaste verhouding tot de ernst en de aard van de inbreuk te bereiken, dringt een halvering van de opgelegde boete zich op.

5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moet de appellante drie vierden en moet de geïntimeerde een vierde van de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Indien de partijen elk voor een deel in het ongelijk gesteld worden, wordt aan elk van hen een rechtsplegingsvergoeding toegekend en wordt deze onderling tussen hen verdeeld volgens de vastgestelde verhouding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 3.000,00 euro toepasselijk voor de eerste aanleg en dat van 3.300,00 euro voor het hoger beroep (indexatie vanaf 1 maart 2011).

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de geldboete bepaald wordt op de helft van het volgens het toepasselijke barema voorziene bedrag en dat de gerechtskosten geregeld worden zoals hierna bepaald; beveelt de overeenkomstige herberekening en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten.

veroordeelt de appellante tot het betalen van drievierden en de geïntimeerde tot het betalen van een vierde van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.000,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.300,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.000,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.300,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ACHT JANUARI TWEEDUIZEND EN DERTIEN.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Mots libres

  • belastingen