- Arrêt du 15 janvier 2013

15/01/2013 - 2011-AR-3172

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer de taxatiedienst een aanslag vestigt op basis een forfaitair bepaalde minimumwinst, vastgesteld met toepassing van de artikelen 342, §3 WIB92 en 182 KBWIB92, moet hij rekening houden met uit de vorige aanslagjaren overgedragen verliezen. Wanneer het bestaan en de onbetwiste omvang van die verliezen op het moment van de vestiging van de aanslag bij de taxatiedienst bekend zijn, is de aanslag waarin met die overgedragen verliezen geen rekening is gehouden, nietig wegens willekeur.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

15-01-2013

BELASTINGEN

Tussenarrest

Zaak in voortzetting op

10.9.2013 om 9u30

(ev. toep. art.356 WIB92)

Nr.2011/AR/3172

in de zaak van:

HIGH POWER SOUND B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 8480 ICHTEGEM, Westkerkestraat 33; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0864.419.656,

appellante,

hebbende als raadsman mr. GHEYSEN Kris, advocaat te 8500 KORTRIJK, Beverlaai 4

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, in de persoon van de Gewestelijk directeur der directe belastingen te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DE ZUTTER Anthony, advocaat te 8400 OOSTENDE, Wellingtonstraat 96

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 22 november 2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, op 27 juni 2011 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk maar ongegrond verklaard met verwijzing van de appellante in de kosten van het geding.

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren, dus om de bestreden aanslag te vernietigen of minstens de herberekening ervan te bevelen en de geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de interest.

De appellante vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vraagt het hoger beroep van de appellante ongegrond te verklaren. De geïntimeerde vraagt ook dat het hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.

2. De feitelijke gegevens

De appellante heeft voor het aanslagjaar 2007 geen tijdige aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend. Voor dat aanslagjaar zou op 14 november 2008 een akkoord tussen de partijen worden gesloten waarbij een naar het volgende aanslagjaar (2008) over te dragen verlies van 11.802,12 euro zou worden vastgesteld; dat akkoord omvatte ook een belastingverhoging van 10% wegens niet-tijdig indienen van de aangifte.

Ondertussen was de appellante ook te laat voor het indienen van haar aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2008, waarvoor de uiterste datum immers 17 september 2008 was.

Pas op 17 februari 2009 diende de appellante voor het aanslagjaar 2008 een aangifte in de vennootschapsbelasting in. Diezelfde dag nog werd die aangifte door de taxatiedienst teruggestuurd met de melding dat het geen geldige aangifte zou zijn omdat geen verslag van de algemene vergadering was bijgevoegd. Ook werd opgemerkt dat de aangifte onvolledig was ingevuld omdat:

- de begintoestand van de reserves niet gelijk was aan de eindtoestand van het vorige jaar;

- ze geen verworpen uitgaven bevat, terwijl de bijlagen uitwijzen dat er wel degelijk te verwerpen uitgaven waren;

- het vak van de overgedragen verliezen niet was ingevuld.

De taxatiedienst meldde ook dat de omzet die in de bijlage werd vermeld, niet overeenstemt met de omzet volgens de door de appellante ingediende btw-aangiften.

De taxatiedienst heeft op 18 februari 2009 aan de appellante een kennisgeving van aanslag van ambtswege verstuurd. Daarin werd toepassing gemaakt van artikel 342, §3 WIB92 en artikel 182 KBWIB92. In die zin werd het voornemen aangekondigd om de appellante voor het aanslagjaar 2008 te belasten op een minimum belastbare basis van 19.000,00 euro aan het niet-verlaagd tarief. Ook werd een belastingverhoging van 50% aangekondigd wegens het niet-tijdig indienen van de aangifte met opzet de belasting te ontduiken (eerste overtreding).

De reactie van de appellante bestond in het overmaken op 5 maart 2009 van een nieuwe aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2008.

Op 12 mei 2009 verstuurde de taxatiedienst een kennisgeving van beslissing tot taxatie waarin werd gesteld dat de door de appellante gevoerde boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn en dat de gegevens zoals vermeld in de kennisgeving van aanslag van ambtswege van 18 februari 2009 zouden behouden blijven.

In die zin werd op 16 juni 2009 op naam van de appellante voor het aanslagjaar 2008 een aanslag in de vennootschapsbelasting gevestigd onder kohierartikel 892.005.747 voor een te betalen bedrag van 10.559,00 euro.

De appellante diende tegen die aanslag op 8 juli 2009 een bezwaarschrift in.

In zijn directeurbeslissing van 20 januari 2010 wees de geïntimeerde het bezwaar af.

Met een verzoekschrift van 22 april 2010 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

De vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 27 juni 2011, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellante ongegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De beoordeling van de grieven

De appellante roept met reden in dat de bestreden aanslag willekeurig is.

Wanneer de taxatiedienst een aanslag vestigt op basis van een forfaitair bepaalde minimumwinst, vastgesteld met toepassing van de artikelen 342, §3 WIB92 en 182 KBWIB92, maakt hij gebruik van een bewijsmiddel om de belastbare winst van het betreffende boekjaar vast te stellen, waarvan de belastingplichtige het tegenbewijs kan leveren dat het bedrag ervan niet overeenstemt met de werkelijke belastbare winst. De in artikel 182 KBWIB92 bepaalde bedragen van het minimum van de belastbare winst of baten, slaan op het resultaat dat per belastbaar tijdperk werd gerealiseerd. Indien de betrokken belastingplichtige bij aanvang van het betreffende belastbare tijdperk een uit vorige aanslagjaren overgedragen verlies heeft, moet dat verlies in mindering gebracht worden van de forfaitair bepaalde minimumwinst.

Ongeacht de vraag of de taxatiedienst al dan niet terecht toepassing heeft gemaakt van dat stelsel van forfaitair bepaalde minimumwinst, had de taxatiedienst hier voor het aanslagjaar 2008, moeten rekening houden met het uit het aanslagjaar 2007 over te dragen verlies van 11.802,12 euro. De taxatiedienst was op het moment van het vestigen van de bestreden aanslag op de hoogte van het bestaan en de vaststaande omvang van dat overdraagbaar verlies; het was immers het voorwerp van een tussen de partijen gemaakt akkoord.

Door met dat overgedragen verlies geen rekening te houden, heeft de taxatiedienst de bestreden aanslag willekeurig gevestigd. Die aanslag is nietig.

4. Toepassing artikel 356 WIB92

Vermits de bestreden aanslag door het hof nietig wordt verklaard wegens willekeur en dus om een andere reden dan verjaring, moet artikel 356 WIB92 worden toegepast.

Artikel 356, 1ste lid WIB92 luidt sedert zijn wijziging door artikel 2 van de wet van 22 december 2009 houdende fiscale bepalingen (B.S. 31 december 2009) als volgt:

"Wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan de verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag.

Gelet op deze bepaling stelt het hof de zaak uit naar een zitting kort na het verstrijken van de termijn van zes maanden om te kunnen handelen als naar recht.

5. De gerechtskosten

Vermits dit arrest een tussenarrest is, spreekt het hof zich nog niet uit over het lot van de gerechtskosten.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,

vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;

doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vordering van de appellante gegrond;

vernietigt de aanslag in de vennootschapsbelasting die op naam van de appellante voor het aanslagjaar 2008 werd gevestigd onder kohierartikel 892.005.747 en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

stelt de zaak met het oog op de eventuele vestiging van een subsidiaire aanslag overeenkomstig artikel 356 WIB92 in voortzetting op de openbare terechtzitting van dinsdag 10 september 2013 om 9 : 30 uur;

houdt de uitspraak over het lot van de gerechtskosten ondertussen aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VIJFTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN DERTIEN.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D.Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Mots libres

  • belastingen