- Arrêt du 12 mars 2013

12/03/2013 - 2011-AR-0276

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer bij een inbreng van een bedrijfstak in de zin van artikel 117, § 2 W. Reg. nagelaten wordt om de in artikel 2 van het KB van 18 juli 1972 betreffende de uitvoering der artikelen 117 en 120 an het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten voorziene vermeldingen in de akte op te nemen of het bijgevoegd schrijven op te maken, wordt het evenredig recht geheven, maar kan de belastingplichtige nadien nog teruggave bekomen indien hij bewijst dat de voorwaarden voor de vrijstelling vervuld waren.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

5be kamer

________

terechtzitting

van

12-03-2013

BELASTINGEN

Nr.2011/AR/276

in de zaak van:

MAWYC III N.V.,

met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Afrikalaan 287; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0881.114.643,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DE GROOT Dirk loco mr. VAN LAERE Didier, advocaat te 1081 BRUSSEL, Jules Besmestraat 124

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, ten einde dezer vertegenwoordigd door de FOD Financiën, Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, Ontvanger der registratie te Deinze, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9800 DEINZE, Brielstraat 25,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. POTTIE Lobke loco mr. MARTENS Dirk, advocaat te 9040 SINT-AMANDSBERG, Antwerpsesteenweg 360

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 27 januari 2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 18 oktober 2010 werd uitgesproken.

De partijen hebben aanvankelijk hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 20 november 2012. Op die zitting heeft het hof ambtshalve de vraag gesteld wat de betekenis is van de laatste zinsnede van artikel 2 van het KB van 18 juli 1972 betreffende de uitvoering der artikelen 117 en 120 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (behoudens latere teruggave). De partijen werden uitgenodigd daarover standpunt in te nemen in conclusies en de zaak werd in voortzetting verdaagd naar de zitting van 12 februari 2013. Op die zitting hebben de partijen hun standpunt met betrekking tot de ambtshalve vraag toegelicht, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.

Het hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante werd op 19 april 2006 opgericht met als maatschappelijk doel:

Zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden, in België of in het buitenland, alleen of in samenwerking met derden om het even welke industriële, handels-, financiële en onroerende handelingen te stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op: "Het oordeelkundig beheer van een onroerend patrimonium. Zij mag ondermeer onroerende goederen verwerven, laten bouwen, laten opschikken, laten uitrusten en laten ombouwen, doch alleen met het oog op het beheer en de opbrengst en dus niet met het oog op de verkoop of de wederverkoop. Zij mag onroerende goederen vervreemden met het oog op de wederbelegging van de opbrengst.

De vennootschap heeft tevens tot voorwerp het verkrijgen door middel van aankoop, intekening of iedere andere wijze, van roerende waarden, schuldvorderingen, deelbewijzen en deelnemingen in financiële, industriële of commerciële ondernemingen. Het doen van alle handels- en financiële verrichtingen, behalve. [...].

De organisatie, de beheersproblematiek, de marktstudies en marketingbegeleiding van andere ondernemingen. - De vorming, de plaatsing, of het tegen vergoeding ter beschikking stellen van gespecialiseerd personeel. - Deelnemen als bestuurder, zaakvoerder en vereffenaar in andere vennootschappen.

De vennootschap kan alles doen wat rechtstreeks of onrechtstreeks tot de verwezenlijking van haar doel, in de ruimste zin kan bijdragen. [...].

Bij notariële akte met nummer 12.403 van 30 maart 2007 verleden voor notaris P. V.................... werden de beslissingen geacteerd die door de buitengewone algemene vergadering van T..... M........ & z..... nv werden genomen. In die vergadering werd beslist om een gedeelte van het eigen vermogen over te hevelen naar de appellante.

Er werd ondermeer vermeld:

"DERDE BESLUIT": Splitsingsbesluit - Overgang van een gedeelte van het vermogen van de gesplitste vennootschap:

De vergadering besluit de vennootschap niet te ontbinden, maar over te gaan tot de partiële splitsing, waarbij een gedeelte van het vermogen van de te splitsen vennootschap wordt ingebracht in de naamloze vennootschap "MAWYC III".

Als gevolg van de partiële splitsing zal een gedeelte van het vermogen van de gesplitste vennootschap "T.... M....... & Z......N", zowel de rechten als de plichten, overgaan op de naamloze vennootschap 'MAWYC III".

[....]

De vergadering keurt de overgang van bepaalde vermogensbestanddelen van de partieel gesplitste vennootschap "T..... M.......... & Z......." op de naamloze vennootschap "MAWYC III" goed, als volgt (zoals ook schematisch blijkt uit de staten van activa en passiva voornoemd) :

I. In het door de overnemende vennootschap "MAWYC III" overgenomen vermogen van de partieel gesplitste naamloze vennootschap "T........M............." zijn volgende activa- en passivabestanddelen begrepen:

ACTIVA:

1/ terreinen en gebouwen: zevenhonderdvierendertigduizend vierhonderdnegentien euro en negentig cent, euro 734.419,90

TOTAAL ACTIEF: euro 734.419,90

PASSIVA:

[...]

TOTAAL PASSIEF: euro 714.931,16

[...]

b/ Onroerende goederen:

De vergadering verklaart dat het volgend onroerend goed overgaat naar de overnemende vennootschap "MAWYC III":

BESCHRIJVING VAN HET ONROEREND GOED :

STAD GENT ( zevende afdeling )

Een magazijn met afhangen op en met grond gelegen aan de Afrikalaan 287, gekadastreerd blijkens kadastrale legger de dato achtentwintig december tweeduizend en zes, onder sectie G, nummer 695/Y/4, met een oppervlakte van (...) 4.673 m².

Kadastraal inkomen van euro 13.026,00.

[ ...].

Bij de aanbieding ter registratie op het Registratiekantoor Deinze werd als registratierecht op 2 april 2007 het algemeen vast recht, zijnde 25,00 euro geheven.

Bij notariële akte met nummer 12.404 van 30 maart 2007 verleden voor dezelfde notaris werden de beslissingen genoteerd die genomen werden door de buitengewone algemene vergadering van de appellante.

Zo werd vermeld:

De vergadering van de naamloze vennootschap "T....... M....................... & Z.......", heeft beslist de vennootschap niet te ontbinden, maar over te gaan tot de partiële splitsing, waarbij een gedeelte van het vermogen van de te splitsen vennootschap wordt ingebracht in de naamloze vennootschap "MAWYC III".

Als gevolg van de partiële splitsing zal een gedeelte van het vermogen van de gesplitste vennootschap "T........ M.............. & Z..........", zowel de rechten als de plichten, overgaan op de naamloze vennootschap "MAWYC III".

De vergadering keurt de overgang van bepaalde vermogens-bestanddelen van de partieel gesplitste vennootschap "T....... M.................. & Z.........." op de naamloze vennootschap "MAWYC III" goed, als volgt (zoals ook schematisch blijkt uit de staten van activa en passiva voornoemd):

I. In het door de overnemende vennootschap "MAWYC III" overgenomen vermogen van de partieel gesplitste naamloze vennootschap "T....... M......................." zijn volgende activa- en passivabestanddelen begrepen

SAMENVATTING:

[...]

TOTAAL ACTIEF: [...] euro 734.419,90

TOTAAL PASSIEF: [...] euro 714.931,16

NETTO-INBRENG: [...] euro 19.488,74

[...]

VERKLARING PRO FISCO:

De algemene vergadering bevestigt en verzoekt ondergetekende notaris vast te stellen dat huidige splitsing geschiedt onder de toepassing van :

- artikel 117 paragraaf 1 en artikel 120 derde lid van het Wetboek der Registratierechten;

[ ...]

Bij het vervullen van de registratieformaliteit van deze akte op 11 september 2007 was de geïntimeerde van oordeel dat de overdracht van deze bestanddelen een overeenkomst onder bezwarende titel (m.n. een verkoop) inhield, waardoor het evenredige registratierecht van 10% verschuldigd werd geacht. Zodoende werd een bedrag van 71.493,12 euro (10% op 714.931,16 euro) als registratierecht geheven.

Bij brief van 16 april 2007 deelde de advocaat van de appellante aan de geïntimeerde mee dat op de transactie in de voormelde notariële akte met nummer 12.404 enkel het algemeen vast recht van 25,00 euro zou mogen worden geheven omdat het in voormelde akte niet om een overdracht doch wel om de inbreng van een bedrijfstak zou gaan.

Bij brief van 10 september 2007 deelde de geïntimeerde, voorzien van een uitvoerige motivering mee dat hij zijn standpunt behield dat op de transactie in voormelde akte nr. 12.404, het evenredig recht van 10%, zijnde 71.493,12 euro, verschuldigd was.

De geïntimeerde meende dat er geen sprake kan zijn van een inbreng van een bedrijfstak maar wel van een gemengde inbreng (toepassing van artikel 120 W. Reg). Er werd meegedeeld dat er geen bewijs werd geleverd dat er sprake was van een bedrijfstak zoals de Europese rechtspraak vereist namelijk "een georganiseerd geheel van goederen en personen die tot de uitoefening van een bepaalde activiteit kan bijdragen". De akte werd door de geïntimeerde ontleed als een gemengde inbreng: een overdracht van een onroerend goed ten bezwarende titel, deels vergoed door toekenning van aandelen (voor een waarde van 19.488,74 euro) en deels vergoed door overname van passief (voor een waarde van 714.931,16 euro). In de mate van overname van passief was volgens de geïntimeerde het evenredig recht van 10% verschuldigd.

De appellante kon met dat standpunt niet akkoord gaan en met een verzoekschrift van 17 januari 2008 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

In de loop van die procedure, op 3 maart 2010, zou de appellante ook overgaan tot dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent van de bij de transacties betrokken notaris, accountant en bedrijfsrevisor om uitspraak te horen doen over de aansprakelijkheid die de gedaagden zouden dragen wegens het nalaten in de nodige akten te verwijzen naar het feit dat het om de inbreng van een bedrijfstak ging.

In het vonnis van 18 oktober 2010 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent de fiscale vordering van de appellante tegen de geïntimeerde ontvankelijk maar ongegrond verklaard en de appellante veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

Ondertussen, op 3 oktober 2011, is door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent uitspraak gedaan over de hoger genoemde aansprakelijkheidsvordering. Daarin werd de vordering tegen de notaris afgewezen, maar werden de accountant en de bedrijfsrevisor elk voor een derde veroordeeld tot de door de appellante gevorderde schade.

Dat vonnis ging niet in kracht van gewijsde vermits door alle in het ongelijk gestelde partijen (waaronder de appellante) hoger beroep werd ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het ingestelde hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Het vonnis van de eerste Rechter gewezen op 18 oktober 2010 door de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent, 6de Fiscale Kamer (gekend onder A.R. 08/213/A) te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

De oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens de vernietiging te bevelen van de beslissing van de Ontvanger der Registratie d.d. 10 september 2007 waarin de akte tot inbreng, verleden voor notaris V.................... d.d. 30 maart 2007 met repertoriumnummer 12.404 geregistreerd wordt tegen betaling van het registratierecht ten bedrage van 71.493,12 EUR.

Voornoemde beslissing tot heffing van de registratierechten ten bedrage van 71.493,12 EUR nietig te verklaren, minstens te ontheffen.

De terugbetaling te bevelen van het reeds door appellante betaalde bedrag aan registratierechten, te vermeerderen met moratorium-interesten vanaf de datum van betaling.

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding in toepassing van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat, begroot op:

- eerste aanleg: 3.000 EUR

- hoger beroep: 3.000 EUR

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

4. De betwisting en de beoordeling

4.1. De betwisting heeft betrekking op de vraag of het vast recht dan wel het evenredig recht verschuldigd is op de akte waarmee inbreng van de hoger vermelde activa en passiva, bestanddelen uit het vermogen van T.......M.............. en z........ nv, in de appellante werden vastgesteld.

4.2. De volgende wetsbepalingen zijn daartoe relevant.

Artikel 117, §2 W.Reg. waarvan de tekst als volgt luidt:

§ 2. Het bij artikel 115 bepaalde recht is eveneens niet verschuldigd, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, voor de inbrengen gedaan door een vennootschap waarvan de zetel der werkelijke leiding of de statutaire zetel gevestigd is op het grondgebied van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen, van goederen die één of meer van haar bedrijfstakken uitmaken.

Artikel 120, W.Reg. waarvan de tekst als volgt luidt (en waarvan hier in het bijzonder het derde lid toepasselijk is):

Wanneer een inbreng in vennootschap gedeeltelijk vergolden wordt anders dan bij toekenning van maatschappelijke rechten, wordt de overeenkomst, naarmate van deze vergelding, onderworpen aan de rechten zoals ze in dit hoofdstuk vastgesteld zijn voor de overeenkomsten onder bezwarende titel die goederen van dezelfde aard tot voorwerp hebben.

Zo een inbreng met onroerende goederen vermeld in artikel 115bis en goederen van een andere aard begrijpt, worden, niettegenstaande elk strijdig beding, de maatschappelijke rechten en de andere lasten, die de vergelding van bedoelde inbreng uitmaken, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend, bij de overeenkomst. De te vervallen huurprijzen van de huurcontracten waarvan de rechten worden ingebracht, worden evenwel geacht enkel op laatstbedoelde rechten betrekking te hebben.

Deze bepalingen zijn evenwel niet toepasselijk bij inbreng van de universaliteit van de goederen of van een bedrijfstak overeenkomstig artikel 117.

Het KB 18 juli 1972 betreffende de uitvoering der artikelen 117 en 120 van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, waarvan de tekst als volgt luidt:

Artikel 1

De vrijstelling van het evenredig recht voorzien in artikel 117, § 2, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, alsook de uitzondering gevestigd in artikel 120, 3e lid, 2°, van hetzelfde wetboek, zijn ondergeschikt aan de voorwaarde:

1° dat de inbreng het geheel omvat van de goederen die door de inbrengende vennootschap worden aangewend tot een of meer afdelingen van haar onderneming welke, uit technisch oogpunt, ieder een onafhankelijk uitbatingsgeheel vormen;

2° dat, eventueel na aftrek van de bij de inbreng door de inbrengende vennootschap verschuldigde sommen die betrekking hebben op de ingebrachte bedrijfstakken, de inbreng uitsluitend vergoed wordt hetzij door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen, hetzij door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen, samen met een storting in contanten die het tiende van de nominale waarde van de toegekende maatschappelijke aandelen of deelbewijzen niet overschrijdt.

Wordt niet beschouwd als een afdeling van de onderneming het beheer van de participaties en de waarden in portefeuille. De participaties en waarden in portefeuille worden slechts beschouwd als behorende tot een bedrijfstak wanneer zij normaal in de exploitatie van deze tak van de bedrijvigheid zijn geïntegreerd.

Artikel 2

Onverminderd het recht tot controle, moet de vervulling van de onder artikel 1 vermelde voorwaarden bevestigd worden, hetzij in de akte van inbreng, hetzij in een onderaan deze akte gestelde verklaring of bijgevoegd schrijven, die vóór de registratie door de partijen of, in hun naam, door de werkende notaris zal ondertekend worden. Bij gebrek aan deze bevestiging zal de akte geregistreerd worden mits betaling van het recht bepaald zonder rekening te houden met de vrijstelling van het evenredig recht of de uitzondering, naar gelang van het geval, behoudens latere teruggave.

4.3. De partijen zijn het er (terecht) over eens dat — ook nadat het inbrengrecht van artikel 115 W.Reg. bij wet van 22 juni 2005 op nul werd gezet — artikel 120 W.Reg. gecombineerd met artikel 117 W.Reg. toelaten dat een inbreng van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfstak nog altijd vrijgesteld kan worden van het registratierecht, zelfs als die inbreng gepaard gaat met de overname van passief en er dus (voor een deel) vergoeding plaats vindt anders dan door toekenning van aandelen.

Overeenkomstig artikel 120, 3de lid W.Reg heeft de appellante recht op vrijstelling van het recht van overgang ten bezwarende titel als de partiële splitsing waaruit zij de inbreng heeft bekomen, valt onder de uitzonderingen van artikel 117 W.Reg., waaronder de inbreng van een bedrijfstak.

De cruciale vraag is dan ook of er hier in het concrete geval sprake is van de inbreng van een bedrijfstak.

4.4. Het hof stelt vast dat het hoger beroep van de appellante in wezen aldus moet begrepen worden dat de appellante kan volstaan met aan te tonen dat het werkelijk om de inbreng van een bedrijfstak ging, zodat de eerste rechter ten onrechte de vordering van de appellante heeft afgewezen op grond van de (enkele) vaststelling dat niet was voldaan aan de ‘bevestigingsvereiste' voorgeschreven door artikel 2 van het hoger genoemde KB van 18 juli 1972. De vermelding in het laatste zinsdeel van dat artikel behoudens latere teruggave, laat immers de belastingplichtige toe hoe dan ook naderhand te bewijzen dat er in werkelijkheid een inbreng van een bedrijfstak plaatsvond, ook al was dat in de akte of ten laatste ten tijde van de aanbieding ter registratie nog niet ‘bevestigd' zoals in dat artikel voorgeschreven. De geïntimeerde erkent dat trouwens en maakt de vergelijking met artikel 209, 1°, b) W.Reg.

4.5. Waar de geïntimeerde dat betwist, voert de appellante aan dat bij de betreffende akte wel degelijk een inbreng van een bedrijfstak werd gedaan zoals bedoeld in artikel 117, §2 W.Reg. Zij stelt dat, zoals de eerste rechter aannam, de vraag of er sprake is van een ‘bedrijfstak' de toestand moet bekeken worden zoals ze zich voordoet bij de inbrenggenietende vennootschap (en niet dus bij de inbrengende vennootschap). Er zou, in navolging van Europese rechtspraak, rekening moeten gehouden worden met het toekomstige gebruik van de bedrijfstak. Het zou volstaan dat de bedrijfstak in staat is om zelfstandig te worden (zonder dat dit op voorhand al het geval is). Waar de geïntimeerde niet betwist dat het onroerend actief (magazijn met bijhorend terrein) voordelen biedt en dienstig is voor het realiseren van haar maatschappelijk doel (in wezen vastgoedactiviteiten), zou hij ten onrechte inroepen dat de inbreng niet als een ‘bedrijfstak' kan worden beschouwd omdat het onduidelijk zou zijn hoe het actief en het passief samen een georganiseerd geheel uitmaken. De appellante stelt dat uit het verslag met betrekking tot de inbreng blijkt dat de ingebrachte ‘financiële schulden' (477.301,87 euro) en de ‘schulden op meer dan een jaar die binnen het jaar vervallen' (17.133,45 euro) betrekking hebben op het ingebrachte actief. Het zou niet noodzakelijk zijn dat alle bestanddelen naar de appellante werden overgebracht vermits alleen deze die op de bedrijfstak betrekking hebben moesten worden ingebracht; alleen de bestanddelen die essentieel zijn voor de overgedragen bedrijfstak of die hoofdzakelijk voor die bedrijfstak gebruikt worden, zouden moeten worden ingebracht.

Volgens de appellante vormden de overgedragen activa en passiva zelfs in de inbrengende vennootschap al een ‘bedrijfstak', nu het gaat om een ‘loods die specifiek voorzien is voor goederenopslag, - manipulatie en expeditie', gelegen in het havengebied, wat rechtstreeks verband houdt met het maatschappelijk doel van de inbrengende vennootschap; het zou dus niet gaan om zo maar ‘een gebouw en een reeks passiva'. Ook de ‘vergunningen, het geheel der contracten, directe verbintenissen en verplichtingen, noodzakelijk voor de uitoefening van deze activiteiten', zo benadrukt de appellante, werden ingebracht. De inbrengende vennootschap zou in het kader van haar ‘maritieme activiteit' een bedrijfstak hebben gehad die instond voor het beheer van haar patrimonium en deze (vastgoed-)activiteit zou zijn afgestoten naar de appellante.

De appellante stelt dat met het oog op de verdere ontplooiing en uitbreiding van haar activiteiten, bijkomende investeringen in bestaande en nieuwe panden noodzakelijk zijn. Zij stelt dat het ingebrachte magazijn specifiek voorzien is voor goederenopslag, manipulatie en expeditie en door zijn ligging in het havengebied uitzonderlijke voordelen biedt voor de appellante. Volgens de appellante behoeft het geen uitvoerige argumentatie dat de heffing van een registratierecht van 71.493,12 euro de reorganisatie aanzienlijk bemoeilijkt, terwijl artikel 117, §2 W.Reg. tot doel heeft om te voorkomen dat de overdracht van vermogensbestanddelen tussen vennootschappen door fiscale belemmeringen wordt bemoeilijkt en om de reorganisatie van ondernemingen te vergemakkelijken.

4.6. Beoordeling

Het hof stelt vast dat de inbrengende (gesplitste) vennootschap geen ‘afzonderlijke bedrijfstak' had die bestond uit een afdeling ‘vastgoed'; de vennootschap had gewoon een onroerend goed waarvoor leningen waren aangegaan die nog lopende waren.

Zelfs als het niet relevant is of het om een bedrijfstak in hoofde van de inbrenggenietende vennootschap gaat, dan nog moet deze bewijzen dat er in werkelijkheid sprake is van een ‘vastgoedactiviteit' (aan de hand van, gebruikmakend van het betreffende onroerend goed, namelijk een magazijn in de haven). Terecht laat de geïntimeerde gelden dat het betekenisvol is dat de appellante sinds de verkrijgingen ingevolge de genoemde splitsing in 2007 nog geen enkele vastgoedverrichting heeft uitgevoerd. De uitleg van de appellante dat dit zou veroorzaakt zijn door de bijkomende last die zij moest dragen door het evenredig recht ten belope van 71.493,12 euro te betalen, overtuigt niet. Zeker wanneer het om vastgoedprestaties gaat, is een bedrag van 72.000 euro niet erg groot; ook in vergelijking tot de waarde van het onroerend goed dat de appellante heeft en dat lang niet voor zijn volle waarde gehypothekeerd is, is het betwiste registratierecht niet onoverkomelijk; er kan niet worden ingezien dat de appellante, die om haar doel te kunnen verwezenlijken toch geacht wordt een winstoogmerk na te streven, geen (desnoods tijdelijk) bijkomend krediet zou kunnen bekomen om op de vastgoedmarkt actief te worden. De enkele vaststelling dat de appellante al teveel schulden zou hebben overgenomen waardoor een bijkomend krediet onmogelijk zou zijn, doet minstens bedenkingen rijzen omtrent de werkelijke autonomie van de appellante om ‘als bedrijfstak' te kunnen werken. In werkelijkheid acht het hof het niet bewezen dat er sprake is van een "georganiseerd geheel van goederen en personen die tot de uitoefening van een bepaalde activiteit kan bijdragen". Zoals de geïntimeerde stelt gaat het in wezen slechts om een gebouw en een reeks passiva. Hoewel kan worden aangenomen dat het gebouw nuttig en dienstig is voor het uitoefenen van een vastgoedactiviteit, is niet aangetoond hoe de passiva daarmee een geheel vormen en hoe dat (samen) een georganiseerd geheel vormt dat als een ‘vastgoedbedrijf' kan worden beschouwd. Niet zonder reden stelt de geïntimeerde dat het toch niet zonder relevantie is vast te stellen dat er in de inbrengende vennootschap geen eigenlijke bedrijfstak bestond die men als een georganiseerd geheel en dus als een bedrijfstak kon beschouwen dat zich met ‘vastgoed' (zelfs in de breedste zin van het woord) bezig hield. Op basis van de voorliggende stukken was de inbrengende vennootschap gewoon eigenaar van het gebouw en bijhorend terrein om er haar op- en omslagactiviteit inzake haven en scheepstransport mee uit te oefenen. Eigenlijke vastgoedactiviteiten blijkt die vennootschap niet gehad te hebben. Wanneer het totaal overbodig zou zijn om de toestand bij de inbrengende vennootschap te bekijken, dan zou, zoals de geïntimeerde terecht stelt, elke inbreng van activa steeds als de inbreng van een bedrijfstak kunnen aangemerkt worden; de genietende vennootschap zal immers met die activa steeds een nieuwe activiteit kunnen opstarten (wat hier zelfs niet als zodanig bewezen is, nu er na de inbreng door de appellante geen vastgoedtransacties werden verricht — zie hoger).

Er was in die omstandigheden niet voldaan aan de voorwaarden om vrijstelling te genieten zoals voorzien in artikel 117, §2 W.Reg., zodat de oorspronkelijke vordering van de appellante ongegrond blijft.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 3.300,00 euro toepasselijk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante: nihil

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.300,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op TWAALF MAART TWEEDUIZEND EN DERTIEN.

Aanwezig de Heren:

D.Vandeputte, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. Vanderbeeken, griffier.

Mots libres

  • belastingen