- Arrêt du 16 avril 2013

16/04/2013 - 2012-AR-0848

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het ereloon en de kosten betaald aan een gerechtsdeskundige die in aangesteld in het kader van een procedure over de waardeschatting van goederen in een nalatenschap, gevoerd overeenkomstig artikel 120 W.Succ. worden, met toepassing van artikel 1017 Ger.W. ten laste gelegd van de in het ongelijk gesteld partij.


Arrêt - Texte intégral

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

16-04-2013

BELASTINGEN

Nr.2012/AR/848

in de zaak van:

C............D.............., bediende,

wonende te ............................,

appellant,

hebbende als raadsman mr. WILLEMYNS Philip, advocaat te 3000 LEUVEN, Koning Leopold I-straat 52

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, Gewestelijke Directie der Registratie Brugge, met kantoren gevestigd te 8200 SINT-MICHIELS (BRUGGE), Koning Albert I laan 1-5 bus 3,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DE SCHEPPER Luc, advocaat te 8000 BRUGGE, Karel de Stoutelaan 148

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 26 maart 2012 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, op 22 februari 2012 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant als ongegrond afgewezen en werd de appellant veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten, vastgesteld op 990,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende:

1.De vordering van concludent gegrond te verklaren.

2.Te zeggen voor recht dat de geschatte waarde van de betreffende garage begroot dient te worden op euro 27.213,64 euro , en op deze basis de successierechten, welke door concludent dienen te worden betaald, moeten worden berekend.

3.Geïntimeerde te veroordelen de teveel betaalde successierechten terug te betalen.

4.Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van 990 euro (op hoofdvordering) en 1.210 euro (op tegenvordering) en de rechtsplegings-vergoeding in graad van beroep van 990 euro , en de gerechtskosten t.b.v. 3.052,83 euro .

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om de vordering van de appellant ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en de appellant te verwijzen in de kosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt:

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 990 EUR

Expertisekosten eerste aanleg: 3.052,83 EUR

Rechtsplegingsvergoeding beroep: 1.210 EUR

2. De feitelijke gegevens

De appellant was in een authentiek testament begunstigd met een bijzonder legaat door mevrouw G........... A......... J........... die op ................. in O................ overleden is.

Het legaat omvatte het appartement in .............., in de, .......op de ..........., en ..................., samen met bijhorende gemeenschappelijke delen.

Op 29 januari 2008 werd door de appellant overeenkomstig artikel 20 W.Succ. de voorafgaande schatting gevraagd met betrekking tot die twee onroerende goederen.

Een proces-verbaal van overeenkomst, zoals voorzien in artikel 113 W.Succ., werd op 8 februari 2008 namens de huidige partijen ondertekend. Daarbij werd de heer P..........B............. uit B.......... - S............ als schatter aangesteld.

Op 26 maart 2008 werd door de schatter overgegaan tot plaatsbezoek van de te schatten goederen. Zowel de appellant als de geïntimeerde werden hierover door de deskundige schriftelijk ingelicht op 18 maart 2008.

Het schattingsverslag van 28 maart 2008 werd op 31 maart 2008 overgemaakt aan notaris Coudeville en aan de geïntimeerde en neergelegd ter griffie van het vredegerecht.

Het appartement W2 op de tweede verdieping in R........ R....... te O......... Z........ werd geschat op 260.000,00 euro; de garage S6 in R........... W..........te O......... aan de T............werd geschat op 40.000,00 euro.

Op respectievelijk 13 en 18 november 2008 werden door de algemene legatarissen, mevrouw A.......... J............ en mevrouw A........ J............., regelmatige aangiften in de successierechten ingediend op het tweede registratiekantoor van O............ In die aangiften werden onroerende goederen aangegeven ten bedrage van 450.000,00 euro, waaronder het hierboven vermelde appartement, geschat op 260.000,00 euro, en de bovenvermelde garage, geschat op 40.000,00 euro. De successierechten in hoofde van de appellant werden berekend op 157.016,05 euro.

Met zijn verzoekschrift van 3 juni 2008 vroeg de appellant aan de geïntimeerde een verlaging van de schattingswaarde gelet op een aantal gebreken aan het beton waarmee de schatter geen rekening zou gehouden hebben.

Met zijn brief van 11 juni 2008 heeft de geïntimeerde de appellant gewezen op artikel 120 W.Succ. waarin vermeld staat dat zowel de ontvanger als de belastingplichtige de schatting kunnen betwisten door inleiding van een rechtsvordering.

Bij verzoekschrift van 25 augustus 2008 vorderde de appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge dat de rechtbank de door de schatter aangenomen waarde voor de garage incorrect zou verklaren en zou verlagen tot 20.000,00 euro.

Bij tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 16 december 2009 werd de heer D........ G.......... aangesteld als deskundige met de opdracht de verkoopwaarde op 2 januari 2008 te bepalen van de garage S6 gelegen in de ondergrond van R....... W............... te O............, T.....................

Gerechtsdeskundige D........... G........ bepaalde de verkoopwaarde van de betreffende garage in zijn eindverslag van 23 augustus 2010 op 40.000 euro (16.000 euro voor de grondwaarde en 24.000 euro voor de constructiewaarde), te verminderen met het aandeel van appellant in de restauratiewerken die hij nodig acht aan het toegangscomplex bepaald op 12.786,36 euro =) 27.213,64 euro.

In het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 22 februari 2012 werd geoordeeld dat bij de waardebepaling van de garage geen rekening kan gehouden worden met eventuele toekomstige hypothetische schade aan het toegangscomplex, terwijl uit het verslag van gerechtsdeskundige G.......... zou blijken dat de waarde van de kwestieuze garage op datum van overlijden van de decujus 40.000 euro bedroeg, zodat de vordering ongegrond werd verklaard, zoals hoger al vermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De grieven en argumenten van de partijen

3.1. Het standpunt van de appellant

De appellant beroept zich op het deskundigenverslag van de heer G.......... en stelt dat in het tussenvonnis van 16 december 2009 terecht werd geoordeeld dat het verslag van de heer B........... onvoldoende garanties bood om er zich op te kunnen baseren voor de waardebepaling.

De appellant voert in hoofdzaak aan dat wel degelijk moet rekening gehouden worden met de gebreken die de garage vertoont, in het bijzonder wat het beton betreft. Volgens hem heeft de gerechtsdeskundige G........ met reden geoordeeld dat de betonaantasting een dringend op te lossen probleem van stabiliteit met zich bracht, dat zowel dwarsbeugels als onderwapeningsstaven bloot lagen en dit dikwijls bij naast elkaar liggende ribben waardoor de toestand zeer precair moet genoemd worden en dat de chloriden al een aantal jaren volledig ‘vrij spel' hebben om de blootliggende wapeningen verder versneld te doen corroderen.

De appellant benadrukt verder dat de gerechtsdeskundige er op gewezen heeft dat in geen enkele van de voorliggende vergelijkingspunten een dergelijke schade aanwezig was, en daarbij specificeerde dat het hier wel degelijk om primaire balken gaat, terwijl dat bij de vergelijkingspunten nooit het geval zou zijn geweest. Tegen die achtergrond zou het geen argument zijn dat de vastgestelde betonaantasting een algemeen voorkomend probleem aan de kust zou zijn.

Verder zou de gerechtsdeskundige wel degelijk de waardebepaling hebben vastgesteld op datum van overlijden van de decujus en dus niet uitgegaan zijn van allerlei hypotheses. Waar ir. G........ een aftrek deed van restauratiewerken zou hij zeer duidelijk hebben aangegeven dat de appellant slechts na die werken zou kunnen beschikken over een garage met toegangscomplex in mede-eigendom ‘in een normale staat (van onderhoud), nog steeds in een gebouw van de jaren 60'. Die restauratiewerken zouden dus geen meerwaarde met zich brengen.

3.2. Het standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde betwist dat voor de waardebepaling op datum van het overlijden van de decujus rekening zou kunnen worden gehouden met de kosten van restauratiewerken omdat het helemaal niet zeker zou zijn of er ooit renovatie- of aanpassingswerken zullen uitgevoerd worden; dat zou een loutere hypothese zijn. Dergelijke werken zouden in elk geval niet dringend zijn wat zou blijken uit de beslissing van de mede-eigenaars om prioriteit te geven aan gevelrestauratie.

De geïntimeerde benadrukt dat een marktwaarde moet worden vastgesteld en dat deze het best kan afgeleid worden uit de analyse van vergelijkingspunten. Hij verwijst in dat verband naar een verkoop op 17 oktober 2007, ongeveer 2 maanden voor het overlijden van de decujus, waarbij het appartement op de zevende verdieping, dat qua grootte en indeling identiek zou zijn als het geschatte appartement, samen met garage S7 verkocht werd voor een totale prijs van 300.000,00 euro. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat toen dezelfde problematiek van de betonaantasting niet zou gespeeld hebben, zo stelt de geïntimeerde.

De noodzaak van werken zou inherent zijn aan de ouderdom van het gebouw.

Bovendien is de geïntimeerde van oordeel dat het uitvoeren van de door de gerechtskundige ingerekende renovatiewerken, tot een meerwaarde van het onroerend goed zou leiden.

Met betrekking tot de kosten laat de geïntimeerde gelden dat de eerste rechter in het tussenvonnis ten onrechte geoordeeld heeft dat de opdracht van de gerechtsdeskundige volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek moeten verlopen. De regels van de artikelen 113 tot 122 W.Succ. zouden evengoed op die schatting toepasselijk zijn waardoor de kosten van die expertise hoe dan ook ten laste van de appellant zouden vallen.

4. De beoordeling

De successierechten moeten berekend worden op de venale waarde van de betrokken garage, vastgesteld op datum van het openvallen van de nalatenschap van mevrouw G.......... J............, zijnde op 2 januari 2008.

Dat veronderstelt dat wordt achterhaald wat de prijs was die voor de garage kon bekomen worden tegen de normale, toen gangbare marktvoorwaarden (aanbod op de vrije markt).

Zowel schatter B................. als gerechtsdeskundige G......... hebben de waarde op 2 januari 2008 van de garage in wezen geschat op 40.000,00 euro. Gerechtsdeskundige G........... heeft evenwel bijkomend rekening gehouden met een kostprijs die hij noodzakelijk acht voor de renovatie van gemeenschappelijke delen waar zich problemen voordoen met het beton. Uit de voorliggende stukken blijkt dat de eigenlijke garageruimte aangeduid als ‘S6' geen tekenen van betonrot of andere degeneratie vertoont. De problemen met het beton waarop de appellant zich beroept en die door gerechtsdeskundige G....... beschreven worden, doen zich voor in het gemeenschappelijk deel dat voor alle gebruikers van de garages moet gebruikt worden om toegang te kunnen nemen tot de garages, het zogenaamde ‘toegangscomplex'.

Het hof stelt vast dat schatter B............ ten onrechte geen enkele vermelding gemaakt heeft van de beschadigde toestand van het beton in het toegangscomplex. Uit het voorliggende fotomateriaal blijkt nochtans dat het om een aanzienlijk verspreide aantasting van het beton gaat.

De eerste rechter heeft alvast met reden geoordeeld dat, gelet op de stukken die de appellant aan haar voorlegde met betrekking tot de aard en de ernst van de gebreken, een gerechtsdeskundige diende aangesteld.

Verder heeft gerechtsdeskundige G........ op uitvoerige en overtuigende wijze aangetoond dat het betonprobleem ernstig is en een belangrijke aantasting met zich brengt van de kwaliteit van het toegangscomplex. Hij heeft daarbij al gemotiveerd geantwoord op de technische opmerkingen die door de geïntimeerde werden geformuleerd om bij zijn standpunt te blijven:

De schade waar we hier voor staan is noch min noch meer een probleem van dringend op te lossen algemene stabiliteit! Ik begrijp perfect en onderschrijf volmondig de door ing. D.................... geformuleerde reserves hieromtrent. Samen met hem en Mr. D..... S.......... stel ik mij als onder andere bouwkundige de vraag waarom de V.M.E. R........... W............ - E............ dit verder uitstelt, maar wel beslist tot een gevelrestauratie NB (!?)

Zonder mij te willen wagen aan een cursus ‘Gewapend beton' wil ik hierbij toch een aantal basisprincipes formuleren. De ribbenvloeren zijn tweezijdig opgelegd. De belangrijkste wapening nabij de steunpunten betreft de verticaal geplaatste dwarswapening in de vorm van beugels; de belangrijkste wapening in het veld (het midden) van de overspanning betreft de langse onderwapening in de vorm van langsstaven. Welnu zowel nabij de steunpunten als respectievelijk in het veld zien we zowel blootliggende dwarsbeugels als respectievelijk blootliggende onderwapeningsstaven, en dit dan nog dikwijls bij naast elkaar gelegen ribben! Deze toestand is zondermeer zéér precair te heten! En, volgens de stukken, reeds bestaande op 02/01/2008, en is waarschijnlijk reeds lang daarvóór aangevat.

De deskundige stelt verder dat het probleem een combinatie is van betonrot (carbonatie) en de inwerking van chloriden, gepaard aan het feit dat de bewapening onvoldoende betondekking had. Door het afbrokkelen van het beton komt de bewapening vrij te liggen en kan deze aangetast worden door chloriden. De gerechtsdeskundige schrijft in dat verband: Feit is dat de betonkorst op meerdere plaatsen verdwenen is, met de gevaren als hoger vermeld, en dat de chloriden al een aantal jaren volledig ‘vrij spel' hebben om de blootliggende wapeningen verder VERSNELD te doen corroderen.

Het hof kan daaruit slechts besluiten dat het garagecomplex met een ernstig gebrek behept was en wel in die zin dat herstelwerken zich opdrongen. De geïntimeerde laat weliswaar met reden opmerken dat de mede-eigenaars het probleem niet als prioritair beschouwden vermits ze eerst beslisten tot gevelrenovatie, maar, zoals de gerechtsdeskundige ook aangaf, is die beslissing zeer verwonderlijk omdat de betonproblemen zeer ernstig waren en — anders kennelijk dan de toestand van de gevel — stabiliteitsgevaar opleverden.

Verder is duidelijk dat deze gebreken intrinsiek zijn aan de betreffende garage ‘S6' vermits het toegangscomplex tot de algemene delen behoort en het gebruik van de garage slechts mogelijk is door zich via dat toegangscomplex toegang te verschaffen. Een dergelijk gebrek moet dan ook een negatieve invloed hebben op de prijs die de gemiddelde potentiële koper voor een dergelijke garage wil betalen.

Dat het tegendeel zou blijken uit het vergelijkingspunt waarbij op 17 oktober 2007 (enkele maanden voor het openvallen van de nalatenschap) een prijs van 300.000,00 euro werd neergeteld voor een volledig vergelijkbaar appartement en garage, kan niet zonder meer worden aangenomen. Zoals gerechtsdeskundige G........... op pagina 13 van zijn verslag schrijft, blijkt dat niet eerder dan op 21 december 2007 door de algemene vergadering van de mede-eigenaars beslist werd om ing. D.................. uit te nodigen voor een inspectie. Op het moment van de prijsbepaling van het betreffende vergelijkingspunt, bestond blijkbaar niet het besef omtrent het ernstig stabiliteitsprobleem, zelfs al was het al aanwezig.

De gerechtsdeskundige heeft voorts met reden geoordeeld dat de prijs kon berekend worden door de normale prijs voor de concrete garage (waarvan niemand betwist dat deze op 2 januari 2008 40.000,00 euro bedroeg) te verminderen met de kostprijs voor de restauratie van het toegangscomplex. Anders dan wat de geïntimeerde voorhoudt, heeft deze methode niet tot gevolg dat de garage een meerwaarde krijgt. Een garage is immers slechts bruikbaar en heeft slechts haar waarde wanneer ze op een normale, duurzame, veilige manier bereikbaar is. Of de toegang vernieuwd is, brengt op zich geen extra waarde toe: de toegang moet functioneel zijn. De renovatie waarvan de deskundige de prijs bepaalde, bevat kennelijk geen elementen van nieuwigheden, moderniteiten, hogere functionaliteit enz. maar beperkt zich tot een herstel in de vroegere toestand. Daarin speelt een belangrijke rol dat de betonaantasting mogelijk was gemaakt door een beperkte betondekking, zodat niet kan gesteld worden dat de betreffende betonproblemen zonder meer intrinsiek zijn aan alle betonnen garages aan de kust waardoor de vastgestelde stabiliteitsproblemen inherent zouden zijn aan de ouderdom van dergelijke garages.

De vordering van de appellant om de geschatte waarde van de garage vast te stellen op 27.213,64 euro (zoals door ir. G......... bepaald) en op die basis de successierechten te berekenen, met veroordeling tot overeenkomstige terugbetaling van de teveel betaalde successierechten, is dan ook gegrond.

Het hoger beroep is bijgevolg eveneens gegrond.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Anders dan de geïntimeerde veronderstelt, vallen de gerechtskosten — waaronder de expertisekosten van de gerechtelijke deskundigenopdracht — niet onder de regel van artikel 20 W.Succ. die voorziet in de aan de aangifte voorafgaande vraag tot schatting (‘waardering') op kosten van de ‘erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden en in 't algemeen, al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap'.

De aanstelling van gerechtsdeskundige G............ is immers door de eerste rechter gebeurd in het kader van de betwisting die ontstaan is na die ‘voorafgaande schatting'. Het betreft een geschil, voorzien door artikel 120 W.Succ. (zoals vervangen door artikel 34 Programmawet van 9 juli 2004), dat toelaat de schatting te betwisten door inleiding van een rechtsvordering. Dat brengt mee dat het Gerechtelijk Wetboek op die procedure toepasselijk is. Ook de aanstelling van een gerechtsdeskundige, wanneer dat nodig blijkt om het geschil op te lossen, gebeurt krachtens het Gerechtelijk Wetboek. Achtergrond bij dat alles is dat de partijen op gelijke voet staan om te oordelen of zij de ‘voorafgaande schatting' aanvaarden. Uit de stukken blijkt dat de appellant de geïntimeerde met de nodige documenten geconfronteerd had om te onderbouwen dat moest rekening gehouden worden met de betonproblemen. De geïntimeerde heeft zowel de feitelijke, technische als juridische overwegingen kunnen maken om hetzij in der minne het standpunt van de appellant te aanvaarden en het geschil of toch minstens de expertisekosten te vermijden. De geïntimeerde moe(s)t beseffen dat de actuele tekst van artikel 120 W.Succ. hem, evengoed als de belastingplichtige als een partij in een (potentieel) geschil van gemeenrecht aanmerkt. Zoals elke (potentiële) procespartij moet de geïntimeerde bij het innemen van een standpunt het risico omtrent de proceskosten incalculeren.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

De vordering van de appellant is wel degelijk in geld waardeerbaar. Hij vordert immers terugbetaling van de ten onrechte door hem al betaalde successierechten. Hij stelt het bedrag van de ten onrechte betaalde successierechten in hoofdsom terecht vast op 8.311,00 euro.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 5.000,01 tot 10.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 990,00 euro toepasselijk.

Dat bedrag is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep toepasselijk. Ten onrechte voert de appellant aan dat voor de eerste aanleg bijkomend zou moeten rekening gehouden worden met de tegeneis die de geïntimeerde voor de eerste rechter stelde tot het betalen van 13.000,00 euro. Zoals de eerste rechter met reden vaststelde, was die vordering slechts in ondergeschikte orde gesteld. Het scenario waarin de eerste rechter geroepen zou zijn om over die tegenvordering uitspraak te doen, deed zich in haar beoordeling niet voor, zodat zij die tegenvordering met reden zonder voorwerp achtte. Overigens laat de toepassing van de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. niet toe om de waarde van de hoofd- en tegenvordering samen te tellen om — zoals de appellant blijkt te veronderstellen — op die som de rechtsplegingsvergoeding te berekenen.

In hoger beroep heeft de geïntimeerde die subsidiaire tegenvordering niet hernomen.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellant gegrond;

zegt voor recht dat de geschatte waarde van de garage ‘S6' in R.......... W.............te O..........., T........... vastgesteld moet worden op 27.213,64 euro en dat deze waarde in aanmerking moet genomen worden voor de successierechten die door de appellant verschuldigd zijn; beveelt de herberekening van de verschuldigde belastingen en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten.

veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 990,00 EUR

• expertisekosten: 3.052,83 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 990,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZESTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN DERTIEN.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Mots libres

  • waardeschatting van goederen in een nalatenschap