- Arrêt du 13 janvier 2014

13/01/2014 - 2011AR2344

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Het instellen van een pauliaanse vordering is aan de hiernavolgende voorwaarden onderworpen:

- de eisende partij moet schuldeiser zijn van de verwerende partij;

- die schuldvordering moet ontstaan zijn vooraleer de bedrieglijke handeling door de schuldenaar wordt gesteld;

- de handeling van de schuldenaar moet de schuldeiser benadelen;

- er moet sprake zijn van bedrog in hoofde van de schuldenaar;

- indien de handeling van de schuldenaar een rechtshandeling te bezwarenden titel is, moet de medeplichtigheid van de derde worden bewezen.

De rechter beslist wettig dat de vordering van de schuldeiser op grond van artikel 1167 B.W. toewijsbaar is, als hij vaststelt dat de verbintenis van de schuldenaar reeds ontstaan was ten tijde van de bestreden handeling die met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeiser is verricht. De omstandigheid dat het bedrag van de schuld niet vaststaat vóór de bestreden handeling wordt gesteld, belet niet dat de schuldeiser ertegen opkomt (vgl. o.a. Cass. 19 maart 1998, Arr. Cass. 1998, 338; Cass. 5 januari 2006, R.W. 2008-2009, 361, noot; Cass. 20 maart 2008, R.W. 2008-2009, 362).

De schuldvordering van de schuldeiser moet wel opeisbaar zijn op het ogenblik dat de pauliaanse vordering wordt ingesteld.

De voorwaarde van benadeling van de schuldeiser moet ruim worden opgevat. Niet vereist is dat de gewraakte rechtshandeling leidt tot insolvabiliteit of tot toename van insolvabiliteit van de schuldenaar. Het volstaat dat het vermogen van de schuldenaar door de handeling nadelig wordt beïnvloed, bijvoorbeeld doordat zijn samenstelling wordt gewijzigd in die zin dat de vervangende vermogenselementen gemakkelijker dan de vroegere ten nadele van de schuldeisers kunnen worden gemanipuleerd en derhalve de uitvoeringsmogelijkheden van de schuldeiser worden beperkt (vgl. Cass. 5 januari 2006, R.W. 2008-2009, 361, noot).

Opdat van bedrog sprake zou zijn, is niet vereist dat de schuldenaar gehandeld heeft met het oogmerk om te benadelen. Voor de schuldeiser volstaat het te bewijzen dat de handeling abnormaal was en dat de schuldenaar heeft gehandeld met de wetenschap dat de schuldeiser daardoor werd benadeeld (vgl. Cass. 15 maart 1985, R.W. 1985-1986, 2609).

Van medeplichtigheid van de derde is sprake wanneer de derde op de hoogte was van de door de debiteur gepleegde benadeling.

De medeplichtigheid van de derde wordt als vaststaand beschouwd wanneer de derde een vennootschap of een rechtspersoon is waaraan de schuldenaar participeert.


Arrêt - Texte intégral

I. 2011/AR/2344

1. M. V.S., bestuurder, geboren te ... en wonende te ...;

2. M. P., zonder gekend beroep, geboren te ... en wonende te ...;

appellanten,

de eerste appellant is verschenen in persoon en hij werd bijgestaan door mr. Thomas Niclaes

loco mr. Ivo Budé, advocaat te 3600 Genk, Grotestraat 122, die tevens verschenen is voor de tweede appellante;

tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 17 maart 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/925/A;

tegen:

NV ING BELGIË, met vennootschapszetel gevestigd te 1000 Brussel, Marnixlaan 24 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0403.200.393;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Thomas Pauwels loco mr. Paul Van der Putten, advocaat te 1000 Brussel, Loksumstraat 25;

in aanwezigheid van:

BVBA BELGISCHE SLIBMAATSCHAPPIJ, met vennootschapszetel gevestigd te 3640 Kinrooi, Letterveld 26 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0472.575.486;

de partij mede inzake,

vertegenwoordigd door mr. Lien Welters loco mr. Dirk Arits, advocaat te 3650 Stokkem, Borres-hoefstraat 42;

II. 2011/AR/2432

1. M. V.S., voormeld;

2. M. P., voormeld;

appellanten,

de eerste appellant is verschenen in persoon en hij werd bijgestaan door mr. Thomas Niclaes

loco mr. Ivo Budé, voormeld, die tevens verschenen is voor de tweede appellante;

tegen het vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 17 maart 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/925/A;

tegen:

NV ING BELGIË, voormeld;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Thomas Pauwels loco mr. Paul Van der Putten, voormeld;

in aanwezigheid van:

BVBA BELGISCHE SLIBMAATSCHAPPIJ, voormeld;

de partij mede inzake,

vertegenwoordigd door mr. Lien Welters loco mr. Dirk Arits, voormeld;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- ingevolge arrest van 15 mei 2007 van dit hof is de geïntimeerde schuldeiser van de eerste appellant voor een bedrag van 136.341,43 EUR, meer intrest, dit uit hoofde van een hoofdelijke en

solidaire borgstelling door de eerste appellant gedaan tot zekerheid van de terugbetaling van de schulden van de bij vonnis van 6 januari 2000 failliet verklaarde NV BRC tegenover de geïnti-meerde;

- op 6 januari 2005 hebben de appellanten (gehuwd onder het stelsel van de algehele gemeen-schap naar Nederlands recht) de naakte eigendom van hun gezinswoning, gelegen te ..., verkocht aan de partij mede inzake;

- de geïntimeerde stelt dienaangaande een pauliaanse vordering (artikel 1167 B.W.) in.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 17 maart 2011 op tegenspraak verleend door de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren:

- wordt de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard;

- wordt voor recht gezegd dat de verkoopovereenkomst van 6 januari 2005 niet tegenwerpbaar is aan de geïntimeerde en dat laatstgenoemde haar rechten kan uitoefenen alsof die overeen-komst niet zou zijn gesloten;

- wordt aan de geïntimeerde voorbehoud verleend voor eventuele schade voortvloeiende uit de bemoeilijking van de uitwinning van het onroerend goed;

- wordt het vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement;

- en worden de appellanten en de partij mede inzake veroordeeld tot de gedingkosten.

2.2. Bij hun op 1 augustus 2011 ter griffie neergelegd "verzoekschrift hoger beroep" tekenen de

appellanten hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 17 maart 2011, onder de foutieve vermelding dat het bestreden vonnis werd verleend door de rechtbank van koophandel te Tongeren (zaak met A.R.-nr. 2011/AR/2344).

2.3. Bij hun op 16 augustus 2011 ter griffie neergelegd "verzoekschrift hoger beroep" tekenen de

appellanten een tweede maal hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 17 maart 2011, nu onder de juiste vermelding dat het bestreden vonnis werd verleend door de recht-bank van eerste aanleg te Tongeren (zaak met A.R.-nr. 2011/AR/2432).

2.4. Beide hierboven bedoelde zaken werden vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid Ger. W. en gezamenlijk behandeld op de terechtzitting van 2 december 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van hun op 21 september 2012 ter griffie neergelegde "syntheseconclusie in hoger

beroep" vragen de appellanten:

- hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen;

- opnieuw te oordelen;

- de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde af te wijzen als ongegrond;

- en de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

3.2. Bij haar op 19 november 2012 ter griffie neergelegde "syntheseconclusie in beroep" vraagt de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellanten ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellanten, alsook de partij mede inzake, ieder afzonderlijk, te veroordelen tot de geding-kosten.

3.3. Bij haar op 19 januari 2012 ter griffie neergelegde "besluiten" vraagt de partij mede inzake:

- het hoger beroep van de appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen;

- opnieuw te oordelen;

- te zeggen voor recht dat de verkoopovereenkomst van 6 januari 2005 tegenwerpbaar is aan de geïntimeerde;

- en de geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten.

4. Beoordeling

Voorafgaand: samenvoeging

De beide gedingen waarvan hierboven sprake betreffen hogere beroepen tegen één en hetzelfde vonnis.

In de gegeven omstandigheden zijn deze gedingen onderling zo nauw verbonden dat het wenselijk

is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk mochten worden berecht (artikel 30 Ger. W.).

Een goede rechtsbedeling vergt dan ook dat deze gedingen worden samengevoegd om bij één en hetzelfde arrest te worden beslecht.

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

4.1.1. Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 17 maart 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellanten tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.1.2. Het impliciet incidenteel beroep van de partij mede inzake is evenwel niet ontvankelijk. Krachtens artikel 1054 Ger. W. kan de gedaagde in hoger beroep te allen tijde incidenteel beroep instellen tegen alle partijen die in het geding zijn voor de rechter in hoger beroep, zelfs indien hij het vonnis zonder voorbehoud heeft betekend of er vóór de betekening in berust heeft. De partij die via het

hoger beroep in het appelgeding wordt betrokken zonder dat evenwel iets van haar gevorderd wordt, is niet te kwalificeren als gedaagde in hoger beroep. De partij mede inzake, van wie door de appellanten niets gevorderd wordt, kan derhalve geen incidenteel beroep aantekenen. Het bij haar op 19 januari 2012 ter griffie neergelegde "besluiten" aangetekende beroep kan bijgevolg niet wor-den gekwalificeerd als een ontvankelijk incidenteel beroep.

4.1.3. Het hof gaat evenwel ambtshalve over tot de kwalificatie van het beroep van de partij mede inzake als een door de betrokkene bij conclusie ingesteld, zelfstandig hoger beroep. Het bestreden vonnis werd niet betekend, zodat dit hoger beroep tijdig werd aangetekend. Het is ook geldig naar vorm en ontvankelijk.

4.2. Grond van de betwisting

Voorafgaand: wering van het door de appellanten aangewend aanvullend stavingsstuk

Ter terechtzitting van 2 december 2013 legt de raadsman van de appellanten een aanvullend sta-vingsstuk neer. De geïntimeerde vraagt de wering uit de debatten van dat stuk.

Bij artikel 740 Ger. W. wordt bepaald:

"Alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten zijn overgelegd, worden ambtshalve uit de debatten ge-weerd".

De toepassing van artikel 735 Ger. W. is hier niet aan de orde. Het aanvullend stuk waarvan sprake werd door de appellanten niet ten laatste tegelijk met hun conclusies neergelegd. Dat stuk wordt bijgevolg ambtshalve uit de debatten geweerd.

* * * * *

4.2.1. De geïntimeerde formuleert een pauliaanse vordering gesteund op artikel 1167, lid 1 B.W., gesteld als volgt:

"Zij (bedoeld wordt: de schuldeisers) kunnen ook in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen die hun schuldenaar verricht heeft met bedrieglijke benadeling van hun rechten".

Bij toepassing van deze wetsbepaling vordert de geïntimeerde dat voor recht wordt gezegd dat de hierboven bedoelde verkoopovereenkomst van 6 januari 2005 haar niet tegenwerpbaar is.

De appellanten en de partij mede inzake zijn van oordeel dat de eerste rechter de geïntimeerde onterecht is gevolgd, omdat hier niet aan alle voorwaarden voor het instellen van de pauliaanse vordering is voldaan.

4.2.2. Het instellen van een pauliaanse vordering is aan de hiernavolgende voorwaarden onderwor-pen:

- de eisende partij moet schuldeiser zijn van de verwerende partij;

- die schuldvordering moet ontstaan zijn vooraleer de bedrieglijke handeling door de schulde-naar wordt gesteld;

- de handeling van de schuldenaar moet de schuldeiser benadelen;

- er moet sprake zijn van bedrog in hoofde van de schuldenaar;

- indien de handeling van de schuldenaar een rechtshandeling te bezwarenden titel is, moet de medeplichtigheid van de derde worden bewezen.

4.2.3. Aangaande de eerste voorwaarde: de hoedanigheid van schuldeiser in hoofde van de geïnti-meerde

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de eerste appellant bij arrest van 15 mei 2007 van dit hof werd veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde van het bedrag van 136.341,43 EUR in hoofdsom,

vermeerderd met de herleide moratoire conventionele intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf

19 januari 2000.

Die veroordeling is in kracht van gewijsde gegaan en bijgevolg definitief.

In de gegeven omstandigheden staat vast dat de geïntimeerde schuldenaar is van de eerste appel-lant.

Aan de eerste voorwaarde van het voorhanden zijn van de hoedanigheid van schuldeiser in hoofde van de geïntimeerde, is derhalve voldaan. Dat wordt ten andere niet betwist.

4.2.4. Aangaande de tweede voorwaarde: de anterioriteit van de schuldvordering van de geïntimeerde

De rechter beslist wettig dat de vordering van de schuldeiser op grond van artikel 1167 B.W. toewijsbaar is, als hij vaststelt dat de verbintenis van de schuldenaar reeds ontstaan was ten tijde van de bestreden handeling die met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeiser is verricht. De omstandigheid dat het bedrag van de schuld niet vaststaat vóór de bestreden handeling wordt gesteld, belet niet dat de schuldeiser ertegen opkomt (vgl. o.a. Cass. 19 maart 1998, Arr. Cass. 1998, 338; Cass. 5 januari 2006, R.W. 2008-2009, 361, noot; Cass. 20 maart 2008, R.W. 2008-2009, 362).

De schuldvordering van de schuldeiser moet wel opeisbaar zijn op het ogenblik dat de pauliaanse vordering wordt ingesteld.

De veroordeling van de eerste appellant is gebaseerd op een hoofdelijke en ondeelbare borgstel-

ling die door de eerste appellant werd aangegaan bij onderhandse akten van 27 november 1998 en 15 januari 1999. Daaruit volgt dat de oorzaak van de hierboven bedoelde veroordeling van de eerste appellant voorafgaat aan de betwiste rechtshandeling (verkoop van de naakte eigendom van de woning) die dateert van 6 januari 2005.

In de gegeven omstandigheden staat de anterioriteit van de schuldvordering van de geïntimeerde vast. Dat de veroordeling van de eerste appellant van later dateert (15 mei 2007), doet niets ter za-ke.

Op het ogenblik van het instellen van de pauliaanse vordering (29 april 2010), was de schuldvor-dering van de geïntimeerde opeisbaar, want neergelegd in het arrest van 15 mei 2007 van dit hof. Ook dat wordt als dusdanig niet betwist.

4.2.5. Aangaande de derde voorwaarde: de benadeling van de geïntimeerde

De appellanten betwisten dat hier sprake zou zijn van benadeling van de geïntimeerde. Meer be-paald laten zij gelden dat de verkoop van de naakte eigendom van hun woning een verplicht karak-ter had, gelet op de verbintenissen van de eerste appellant tegenover F. W. uit hoofde van de le-ning van een bedrag van 165.000,00 (oude) Nederlandse gulden die hem bij onderhandse akte van 28 september 1997 door laatstgenoemde was toegestaan. Bij die overeenkomst werd bedongen dat de gezinswoning van de appellanten in onderpand werd gegeven, dat F. W. volmacht bekwam om desgewenst een hypotheek te nemen op dat onroerend goed en dat, in geval de eerste appellant zijn financiële verplichtingen volgens de bedongen modaliteiten niet mocht kunnen na-komen, hij, om de openbare verkoping van het onroerend goed te vermijden, het recht had de naakte eigendom van zijn goed tegen schattingsprijs aan te bieden aan F. W. die zijn recht op over-name onder bepaalde voorwaarden kon overdragen aan of inbrengen in een vennootschap. De overnameprijs zou dan worden verrekend met de nog openstaande leningschuld.

Met de geïntimeerde, daarin reeds gevolgd door de eerste rechter, kan ook dit hof niets anders of niets meer dan vaststellen dat de appellanten in gebreke blijven een afdoende bewijsvoering te doen van hun beweringen in dat verband:

- er ligt geen leningsakte voor met vaste datum in de zin van artikel 1328 B.W., zodat tegenover de geïntimeerde niet vaststaat dat de ingeroepen leningsovereenkomst zou dateren van vóór de overeenkomsten van borgstelling;

- er wordt al evenmin enig stuk bijgebracht waaruit de uitvoering van de beweerde leningsover-eenkomst (door effectieve overhandiging van de ontleende gelden) tussen F. W. en de eerste appellant blijkt; ook wordt niet aangetoond dat het ontleende geld werd aangewend zoals in de overeenkomst is bepaald;

- uit niets blijkt dat de eerste appellant achterstand had opgelopen in de terugbetaling van het ontleende bedrag; iedere ingebrekestelling door F. W. ontbreekt; al evenmin wordt een over-zicht gegeven van het op het ogenblik van de verkoop van de naakte eigendom van de gezinswoning openstaand saldo van de leningschuld; in dat verband valt op dat F. W. gebruik heeft gemaakt, noch van zijn recht om een hypotheek te vestigen en die te realiseren via openbare verkoop, noch van zijn recht om beslag te leggen;

- er wordt niet aangetoond dat F. W. om fiscale redenen de uitbetaling in speciën verkoos en daarom ervoor werd geopteerd de naakte eigendom van de gezinswoning te verkopen aan de partij mede inzake en financiering van één en ander via de rekening-courant van F. W.;

- tenslotte is er ook geen bewijs van de betaling door de appellanten aan F. W. van de prijs (86.000,00 EUR) ontvangen voor de verkoop van de naakte eigendom.

Dat de onderhandse akte houdende de leningsovereenkomst waarvan sprake deel heeft uitgemaakt van het stukkenbundel van de appellanten in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 15 mei 2007, zonder dat daaromtrent door de geïntimeerde enige opmerking werd geformuleerd, doet niets af aan wat voorafgaat. Van erkenning van de leningsovereenkomst door de geïntimeerde is geen sprake.

Bij gebrek aan bewijs daarvan, moeten de beweringen van de appellanten in verband met de be-weerde leningsovereenkomst als oorzaak van de betwiste rechtshandeling, hier buiten beschou-wing worden gelaten. De beweerde normale betaling van een schuldeiser wordt hier niet bewezen.

Blijft de vraag of, los van die beweringen, hier al dan niet sprake is van benadeling.

De voorwaarde van benadeling van de schuldeiser moet ruim worden opgevat. Niet vereist is dat de gewraakte rechtshandeling leidt tot insolvabiliteit of tot toename van insolvabiliteit van de schul-denaar. Het volstaat dat het vermogen van de schuldenaar door de handeling nadelig wordt beïn-vloed, bijvoorbeeld doordat zijn samenstelling wordt gewijzigd in die zin dat de vervangende vermogenselementen gemakkelijker dan de vroegere ten nadele van de schuldeisers kunnen worden gemanipuleerd en derhalve de uitvoeringsmogelijkheden van de schuldeiser worden beperkt (vgl. Cass. 5 januari 2006, R.W. 2008-2009, 361, noot).

De verkoop door de schuldenaar van de naakte eigendom van de gezinswoning beperkt de uitvoe-ringsmogelijkheden van de schuldeiser. Terecht laat de geïntimeerde gelden dat de verkoop van het vruchtgebruik van een onroerend goed veel moeilijker is dan de verkoop van het volle eigendoms-recht daarop.

Ook van het vervuld zijn van de derde voorwaarde, de benadeling van de geïntimeerde, ligt derhal-ve een afdoende bewijs voor.

4.2.6. Aangaande de vierde voorwaarde: het bedrog van de schuldenaar

De appellanten betwisten dat de litigieuze verkoopovereenkomst door bedrog zou ingegeven zijn.

Opdat van bedrog sprake zou zijn, is niet vereist dat de schuldenaar gehandeld heeft met het oog-merk om te benadelen. Voor de schuldeiser volstaat het te bewijzen dat de handeling abnormaal was en dat de schuldenaar heeft gehandeld met de wetenschap dat de schuldeiser daardoor werd be-nadeeld (vgl. Cass. 15 maart 1985, R.W. 1985-1986, 2609).

Het hof is van oordeel dat de verkoop van de naakte eigendom van de gezinswoning op 6 januari 2005 als een abnormale rechtshandeling moet worden bestempeld en niet door wettige beweeg-redenen kan worden verklaard. Zoals hierboven reeds gezegd, wordt het verband met de inge-roepen leningsovereenkomst niet aangetoond. Van een gewone daad van vermogensbeheer is geen sprake.

Die verkoop had bovendien plaats:

- nadat de eerste appellant op 19 januari 2000 door de geïntimeerde aangetekend in gebreke was gesteld tot nakoming van zijn verbintenissen als borg;

- kort voordat op 25 maart 2005 een eindvonnis werd geveld in de procedure die door de tweede appellante (vruchteloos) was ingeleid met de betrachting de nietigverklaring van de overeen-komsten van borgstelling te bekomen (procedure waarin de eerste appellant vrijwillig was tus-sengekomen).

In de gegeven omstandigheden staat vast dat de appellanten hebben gehandeld, minstens met de wetenschap dat de geïntimeerde door hun optreden werd benadeeld. Gelet op de nakende veroor-deling van de eerste appellant tot betaling van de bedragen waarvoor hij zich ten gunste van de geïntimeerde borg had gesteld, wisten de appellanten immers perfect dat zij door te handelen als gezegd de verhaalsmogelijkheden van de geïntimeerde aanzienlijk inperkten. In dat verband ook van belang is de vaststelling dat de eerste appellant (ingenieur gespecialiseerd in ondergrondse boringen voor het aanleggen van rioleringsbuizen en als dusdanig jarenlang actief in Afrika voor een multinational) tot op heden wel verschillende bestuursmandaten in onderscheiden vennootschappen uitoefent, maar dit wel telkens onbezoldigd en zonder persoonlijk aandeelhouder te zijn ...

4.2.7. Aangaande de vijfde voorwaarde: de medeplichtigheid van de derde bij rechtshandelingen te bezwarenden titel

Van medeplichtigheid van de derde is sprake wanneer de derde op de hoogte was van de door de debiteur gepleegde benadeling.

De medeplichtigheid van de derde wordt als vaststaand beschouwd wanneer de derde een vennootschap of een rechtspersoon is waaraan de schuldenaar participeert.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de eerste appellant zaakvoerder is van de partij mede inzake, dit sinds 4 maart 2002. De partij mede inzake zelf bevestigt ten andere dat zij op 7 augustus 2000 werd opgericht door H. H., "een zakenpartner van de heer V.S.".

Bovendien maakt de aankoop door een derde van enkel de naakte eigendom van een onroerend goed, de verkoopovereenkomst hoe dan ook verdacht, dit zeker gelet op de concrete omstandig-heden waarin die aankoop hier heeft plaatsgehad. Dat geldt alleen maar des te meer omdat de enkele aankoop van de naakte eigendom niet kan leiden tot het door de partij mede inzake beoogde doel, meer bepaald het ter beschikking hebben van bureelruimtes en de vestiging van haar maatschappelijke zetel.

In de gegeven omstandigheden staat de medeplichtigheid van de partij mede inzake vast.

4.2.8. Aangezien ter zake is voldaan aan alle toepassingsvoorwaarden daarvan, blijft de pauliaanse vordering van de geïntimeerde gegrond. Dat de geïntimeerde enige tijd heeft gewacht alvorens die vordering in te stellen, is irrelevant. Bij het bestreden vonnis van 17 maart 2011 werd bijgevolg de hierboven bedoelde verkoopovereenkomst van 6 januari 2005 terecht niet tegenwerpbaar ver-klaard aan de geïntimeerde (vgl. Cass. 9 februari 2006, R.W. 2007-2008, 1496). Dat vonnis wordt dan ook bevestigd.

4.2.9. Als in het ongelijk gestelde partijen worden de appellanten en de partij mede inzake ver-oordeeld tot de kosten van het hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het (geïndexeerde) basistarief van 1.320,00 EUR (niet in geld waardeerbare vorde-ring). Er bestaat geen aanleiding tot afwijking van dat basistarief. Uit niets blijkt dat ter zake zou zijn voldaan aan één van de criteria bedoeld bij artikel 1022, derde lid Ger. W.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- voegt de zaken met de A.R.-nrs. 2011/AR/2344 en 2011/AR/2432 samen;

- verklaart de hogere beroepen van de appellanten en van de partij mede inzake ontvankelijk, maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellanten en de partij mede inzake tot de kosten van het hoger beroep en vereffent deze aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.320,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van DERTIEN JANUARI TWEEDUIZEND VEERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Instellen pauliaanse vordering

  • voorwaarden