- Arrêt du 13 janvier 2014

13/01/2014 - 2012AR276

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Dwaling in de zin van artikel 1110 B.W. is een onvrijwillige verkeerde voorstelling van de werkelijkheid die één van de partijen of beide partijen ertoe brengt het contract te sluiten. Dwaling is slechts een grond tot nietigverklaring wanneer zij doorslaggevend is, betrekking heeft op een essentieel element van de overeenkomst dat kenbaar is, en tevens verschoonbaar is. De bewijslast rust op diegene die zich op dwaling beroept, ter zake de appellant. Aan die bewijslast mag de appellant voldoen door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.

Het hof oordeelt dat er hier geen sprake is van dwaling in de zin van artikel 1110 B.W. Dwaling is slechts een grond tot nietigverklaring wanneer ze betrekking heeft op een essentieel element van de overeenkomst dat kenbaar is. Aan die vereiste is hier niet voldaan. Het feit dat de appellant de overeenkomst ondertekende bewijst op zich reeds dat de opname van de opschortende voorwaarde van het bekomen van een krediet voor hem geen essentieel element vormde van de overeenkomst.

Artikel 1184 B.W. luidt als volgt:

"In wederkerige contracten is de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.

In dit geval is het contract niet van rechtswege ontbonden. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding.

De ontbinding moet in rechte gevorderd worden, en aan de verweerder kan, naar gelang van de omstandigheden, uitstel worden verleend".

De toepassing van artikel 1184 B.W. vereist dat de appellant de geïntimeerde in gebreke stelde door een aanmaning of een gelijkaardige akte.

Het hof kan niet anders dan vaststellen dat het bewijs van een dergelijke ingebrekestelling niet voorligt.

Van overmacht in contractuele aangelegenheden is slechts sprake, wanneer de omstandigheid die als vreemde oorzaak ter bevrijding door de schuldenaar wordt ingeroepen, voor hem onvoorzienbaar was, de nakoming van diens verbintenis volstrekt onmogelijk heeft gemaakt en de schuldenaar ter zake geen enkele fout treft. De schuldenaar draagt inzake overmacht de bewijslast.

Het hof oordeelt dat de niet-toekenning van het door de appellant ter financiering van de verkoopprijs gevraagde krediet, niet als overmacht in aanmerking komt.


Arrêt - Texte intégral

2012/AR/276

G. V.D., leraar, geboren te ... en wonende te ...;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. Roger Belderbosch, advocaat te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 15 B bus 10;

tegen het vonnis van de eerste B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van

17 november 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 11/435/A;

tegen:

VZW BISDOM ANTWERPEN, met zetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Schoenmarkt 2 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0408.140.861, handelend als rechtsopvolger van de VZW ZUSTERS MARICOLEN, met zetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Minderbroedersrui 13-15 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0411.065.412;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. August Desmedt, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de vordering van de geïntimeerde worden op juiste wijze uiteengezet in het bestreden vonnis. Het hof verwijst naar deze uiteenzetting en beschouwt ze als hernomen.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van 14 september 2010 dagvaardt de rechtsvoorganger van de VZW Bisdom

Antwerpen, de geïntimeerde, G. V.D., de appellant, voor de rechtbank van eerste aanleg te

Antwerpen.

2.2. Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 25 oktober 2010 verleend bij verstek:

- verklaart de vordering van de geïntimeerde toelaatbaar en gegrond als volgt:

- verklaart ontbonden de verkoopovereenkomst van 15 mei 2009 met betrekking tot een on-roerend goed, gelegen te Antwerpen aan de ..., ten kadaster gekend ...;

- veroordeelt de appellant om 111.111,00 EUR te betalen aan de geïntimeerde, uit hoofde van het saldo van de in totaal verschuldigde schadevergoeding van 211.111,00 EUR, te vermeerderen met de verwijlintrest vanaf 7 juli 2010 tot 14 september 2010 en vanaf dan met de gerechtelijke intrest;

- veroordeelt de appellant tot de gedingkosten.

2.3. De appellant tekent tegen dit vonnis verzet aan bij exploot van 4 januari 2011.

2.4. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 17 november 2011, verleend op tegenspraak:

- verklaart het verzet toelaatbaar maar ongegrond;

- verklaart de tegenvordering van de appellant toelaatbaar maar ongegrond;

- veroordeelt de appellant tot de gedingkosten;

- bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de rechtsplegingsvergoeding wordt ver-effend op 5.500,00 EUR in plaats van op 1.000,00 EUR;

- verklaart het meer en anders gevorderde ongegrond.

2.5. De appellant tekent tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 26 januari 2012.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. De appellant vordert in zijn op 31 mei 2013 ter griffie neergelegde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende:

- alvorens recht te doen, de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen;

- in hoofdorde, de verkoopovereenkomst van 15 mei 2009 nietig te verklaren en op grond hier-van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ongegrond te verklaren;

- ondergeschikt, te zeggen voor recht te zeggen dat de overeenkomst ontbonden is zonder de

verplichting van de appellant tot betaling van een schadevergoeding;

- meer ondergeschikt, op grond van de door de appellant ingeroepen overmacht, de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde, in zoverre ze strekt tot betaling van een schadevergoeding ongegrond te verklaren;

- recht doende op de tegenvordering en eisuitbreiding van de appellant:

- de geïntimeerde te veroordelen om aan hem het voorschot van 110.000,00 EUR terug te be-talen, verhoogd met de intrest vanaf 15 mei 2009;

- de geïntimeerde te veroordelen om het registratierecht van 232.221,10 EUR te betalen aan de FOD Financiën, minstens aan hem, voor zover hij het betaalt aan de FOD Financiën;

- de geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen.

3.2. De geïntimeerde vordert in haar op 16 augustus 2013 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de tegenvordering van de appellant om haar te veroordelen om het registratierecht van 232.221,10 EUR te betalen aan de FOD Financiën, minstens aan hem, voor zover hij het betaalt aan de FOD Financiën, ongegrond te verklaren;

- de appellant te veroordelen tot de gedingkosten van beide aanleggen.

4. Beoordeling

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, betekend bij akte van 27 december 2011, en stelt vast dat door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij zijn op 26 januari 2012 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep.

4.2. De grond van de betwisting

4.2.1. De hoofdvordering van de geïntimeerde

4.2.1.1. De geïntimeerde vordert bij toepassing van artikel 6 van de overeenkomst van 15 mei 2009 dat wordt gezegd voor recht dat deze overeenkomst ontbonden is en dat de appellant wordt veroordeeld om aan haar 211.111,00 EUR te betalen.

4.2.1.2. Als verweer beroept de appellant zich in de eerste plaats op de dwaling. Deze zou tot gevolg hebben dat de overeenkomst van 15 mei 2009 nietig is, zodat de geïntimeerde er geen rechten uit kan putten.

4.2.1.3. Dwaling in de zin van artikel 1110 B.W. is een onvrijwillige verkeerde voorstelling van de werkelijkheid die één van de partijen of beide partijen ertoe brengt het contract te sluiten. Dwaling is slechts een grond tot nietigverklaring wanneer zij doorslaggevend is, betrekking heeft op een essentieel element van de overeenkomst dat kenbaar is, en tevens verschoonbaar is. De bewijslast rust

op diegene die zich op dwaling beroept, ter zake de appellant. Aan die bewijslast mag de appellant

voldoen door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.

4.2.1.4. De appellant voert in dat verband aan dat hij bij de ondertekening van de onderhandse akte om de opname van een opschortende voorwaarde van het bekomen van een krediet in de overeenkomst had gevraagd, maar dat vier vertegenwoordigers van de geïntimeerde hem zouden meegedeeld hebben dat dit juridisch niet mogelijk zou zijn omdat een voorkooprecht op het gebouwencomplex rustte. Indien de appellant zou geweten hebben dat het een het ander niet uitsloot, zo stelt hij, zou hij de overeenkomst niet ondertekend hebben.

4.2.1.5. Het hof oordeelt dat er hier geen sprake is van dwaling in de zin van artikel 1110 B.W.

Dwaling is slechts een grond tot nietigverklaring wanneer ze betrekking heeft op een essentieel

element van de overeenkomst dat kenbaar is. Aan die vereiste is hier niet voldaan. Het feit dat de appellant de overeenkomst ondertekende bewijst op zich reeds dat de opname van de opschortende voorwaarde van het bekomen van een krediet voor hem geen essentieel element vormde van de overeenkomst.

Gelet op het voorgaande is er geen reden om een persoonlijke verschijning van de partijen te be-velen om hen te horen over zaken die niet relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

Het hof besluit dat de overeenkomst van 15 mei 2009 niet nietig is.

4.2.1.6. In de tweede plaats werpt de appellant op dat de overeenkomst van 15 mei 2009 ontbon-den is "door het gebrek aan onderzoek van de mogelijke uitoefening van het voorkooprecht" door de geïntimeerde. De appellant zou van de geïntimeerde nooit een kennisgeving hebben ontvangen van het resultaat van de aanbieding van het voorkooprecht aan de begunstigden, hoewel dit volgens de contractuele bepalingen binnen de vijf dagen diende te gebeuren en hij het door hem verschuldigde voorschot betaalde.

4.2.1.7. Artikel 1184 B.W. luidt als volgt:

"In wederkerige contracten is de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt.

In dit geval is het contract niet van rechtswege ontbonden. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met scha-devergoeding.

De ontbinding moet in rechte gevorderd worden, en aan de verweerder kan, naar gelang van de om-standigheden, uitstel worden verleend".

De toepassing van artikel 1184 B.W. vereist dat de appellant de geïntimeerde in gebreke stelde door een aanmaning of een gelijkaardige akte.

Het hof kan niet anders dan vaststellen dat het bewijs van een dergelijke ingebrekestelling niet voorligt. Bij gebrek aan bewijs van een ingebrekestelling, kan de appellant zich niet beroepen op de beweerde tekortkoming van de geïntimeerde aan haar contractuele verbintenissen. Die wanprestatie, voor zover al bewezen, blijft zonder gevolg. Van een ontbinding van de overeenkomst ten laste van de geïntimeerde kan dan ook geen sprake zijn.

4.2.1.8. Tot slot beroept de appellant zich op overmacht. Deze overmacht zou erin bestaan dat de banken "aanvankelijk toezegden" om hem krediet te verlenen, maar achteraf hierop terugkwamen "op basis van informatie over concluant (lees: de appellant) m.b.t. rechtszaken van twee van zijn ven-nootschappen tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die naderhand juridisch onjuist bleken te zijn."

4.2.1.9. Van overmacht in contractuele aangelegenheden is slechts sprake, wanneer de omstandig-heid die als vreemde oorzaak ter bevrijding door de schuldenaar wordt ingeroepen, voor hem on-voorzienbaar was, de nakoming van diens verbintenis volstrekt onmogelijk heeft gemaakt en de schuldenaar ter zake geen enkele fout treft. De schuldenaar draagt inzake overmacht de bewijslast.

Het hof oordeelt dat de niet-toekenning van het door de appellant ter financiering van de verkoop-prijs gevraagde krediet, niet als overmacht in aanmerking komt.

Zoals de appellant het zelf schrijft in zijn conclusies is het "evident" dat men in normale omstan-digheden geen onderhandse akte ondertekent op grond waarvan men een verkoopprijs van 2.111.111,00 EUR moet betalen zonder zeker te zijn van de afsluiting van een lening daartoe.

De appellant heeft het enkel aan zichzelf te wijten dat hij zijn verbintenis tot betaling van de

koopprijs niet kon nakomen. Hij heeft zeer onvoorzichtig gehandeld door zich te verbinden om 2.111.111,00 EUR te betalen terwijl hij blijkbaar niet over de nodige fondsen of een geschreven kre-dietovereenkomst beschikte. Dat hem mondeling door de banken zou zijn meegedeeld dat het kre-diet een feit was of dat hem in het verleden probleemloos omvangrijke kredieten werden gegeven, doet daaraan geen afbreuk. De beweerde reden die de banken zou gebracht hebben tot de intrek-king van de beweerde mondelinge toezegging van het krediet is niet relevant.

4.2.1.10. In de gegeven omstandigheden is de geïntimeerde tegenover de appellant gerechtigd op betaling van de contractueel bedongen schadevergoeding wegens contractuele wanprestatie, die door de eerste rechter werd herleid, oordeel dat door de geïntimeerde wordt aanvaard. De overeenkomst is bij toepassing van het uitdrukkelijk ontbindend beding ontbonden.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd wat de hoofdvordering van de geïntimeerde betreft.

4.2.2. De tegenvordering van de appellant

4.2.2.1. Gelet op de ontbinding van de overeenkomst vordert de appellant terug:

- het door hem betaalde voorschot van 100.000,00 EUR;

- de door hem betaalde intrest op de koopsom voor een bedrag van 10.000,00 EUR (dit is een uitbreiding van de tegenvordering in hoger beroep).

Het hof stelt vast dat de geïntimeerde hierover geen betwisting voert.

Dit onderdeel van de tegenvordering is gegrond.

4.2.2.2. Daarnaast vordert de appellant dat de geïntimeerde wordt veroordeeld om het registratie-recht van 232.221,10 EUR te betalen aan de FOD Financiën, minstens aan hem, voor zover hij het betaalt aan de FOD Financiën. De geïntimeerde zou niet binnen het jaar na het sluiten van de over-eenkomst in rechte de ontbinding van de overeenkomst gevorderd hebben met als gevolg dat hij op de verkoop registratierechten verschuldigd is.

Het hof oordeelt dat er geen rechtsgrond voorhanden is om deze vordering van de appellant gegrond te verklaren. In deze zaak valt de geïntimeerde geen enkele contractuele, dan wel buitencontractu-ele fout te verwijten.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd wat dit onderdeel betreft.

4.3. De gedingkosten

Als in het ongelijk gestelde partij wordt de appellant veroordeeld tot de gedingkosten in hoger be-roep.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep toelaatbaar, maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- doet uitspraak op de uitgebreide vordering van de appellant als volgt:

- veroordeelt de geïntimeerde om 10.000,00 EUR te betalen aan de appellant, meer de gerechte-lijke intrest vanaf 30 oktober 2012 tot de dag van de volledige betaling;

- veroordeelt de appellant tot de gedingkosten van het hoger beroep, aan de zijde van de geïnti-meerde vastgesteld als volgt:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 5.500,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van DERTIEN JANUARI TWEEDUIZEND VEERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Mots libres

  • Dwaling

  • artikel 1110 BW

  • 1184 BW ontbindende voorwaarde

  • ingebrekestelling (neen) Overmacht (neen)