- Arrêt du 3 avril 2014

03/04/2014 - 2013PGA2030

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

1. Een jachtwapen was onder de vroegere Wapenwet van 3 januari 1933 een vrij verkrijgbaar wapen, was aan geen vergunning onderworpen en kon derhalve vrij worden verkocht mits loutere registratie van de aankoop bij de lokale politie. Slechts ingevolge de nieuwe Wapenwet van 8 juni 2006 werden jacht- en sportwapens vergunningsplichtig, waarvoor tot 31 oktober 2008 een wettelijke regularisatietermijn werd voorzien teneinde voor deze wapens een eerste wapenvergunning te verkrijgen van de provinciegouverneur van de verblijfplaats.

2. Om het eigendomsvereiste van artikel 42, 1° Strafwetboek te beoordelen moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik van het plegen van het misdrijf.

3. Een strafrechtelijke inbeslagneming door de procureur des Konings is te definiëren als een voorlopige dwangmaatregel waarbij deze krachtens de wet en naar aanleiding van een vermoed misdrijf een zaak aan het vrije beschikkingsrecht van de eigenaar of bezitter onttrekt en onder zich neemt met het oog op de uitoefening van de strafvordering, te dezen meer bepaald de verplichte verbeurdverklaring ervan. De buitenbezitstelling doet geen afbreuk aan het eigendomsrecht over het strafrechtelijk in beslag genomen goed, maar dit betekent niet dat de eigenaar het betreffend goed kan vervreemden of om niet kan overdragen.


Arrêt - Texte intégral

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 3 april 2014

te Antwerpen, 9e kamer

(...)

4. Beoordeling

-

4.1. Ontvankelijkheid van de rechtsmiddelen

a) Het hoger beroep van beklaagde tegen alle schikkingen van het bestreden vonnis te zijnen laste uitgesproken, is ontvankelijk, behoudens - bij gebrek aan belang - tegen de schikkingen die zijn verzet ontvankelijk verklaren.

b) Het hoger beroep van de vrijwillig tussenkomende partij tegen alle schikkingen van het bestreden vonnis te zijnen laste uitgesproken, is ontvankelijk enkel voor zover deze schikkingen zijn eis in tussenkomst betreffende het in beslag genomen goed neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen onder overtuigingsstaat nr. 09/4239, betreffen. Het is, bij gebrek aan hoedanigheid, niet ontvankelijk voor het overige.

4.2 Beoordeling op strafrechtelijk gebied

4.2.1. Voorafgaande beoordeling: nietigheid bestreden vonnis

a) Het bestreden vonnis, ten aanzien van beklaagde op verzet gewezen, veroordeelt beklaagde onder meer tot betaling van een geldboete van 100,00 euro, vermeerderd met 45 décimes en aldus gebracht op 550,00 euro en van een vergoeding van 51,20 euro. Bij verstekvonnis van 11 februari 2013 daarentegen werden respectievelijk eenzelfde geldboete met uitstel van tenuitvoerlegging voor een termijn van drie jaar en een vergoeding ten bedrage van 50,00 euro opgelegd.

b) Door alzo te beslissen, werd in het bestreden vonnis een onwettelijke verzwaring van de toestand van beklaagde uitgesproken. Omwille van de devolutieve werking van het verzet, kan dit rechtsmiddel immers geen nadeel toebrengen aan de partij die het instelt. Om voormelde reden is het bestreden vonnis nietig en doet het hof opnieuw recht.

4.2.2. Feitelijke omstandigheden en procedurele voorgaanden

a) Op grond van de dossierstukken waarop het hof vermag acht te slaan en de pleidooien ter rechtszittingen van het hof zijn de hierna vermelde vaststellingen als vaststaand te beschouwen:

- op 20 januari 1995 liet beklaagde een met de hand gegraveerd geweer FN Superposé kaliber .20, zijn eigendom zijnde en beweerdelijk van grote waarde, als jachtwapen registreren in het Centraal Wapenregister;

- na uitnodiging daartoe bood beklaagde zich op 26 november 2009 aan bij de lokale politie te Mechelen teneinde uitleg te verschaffen nopens de niet-tijdige regularisatie van het wapen ingevolge de gewijzigde wapenwetgeving van 8 juni 2006; hij erkent sedert 1 november 2008 in het bezit te zijn van een niet-vergund vergunningsplichtig wapen, maar voert aan van de gewijzigde wapenwetgeving onwetend te zijn geweest gezien zijn verblijf in Spanje tussen 1997 en 2007, en stelt het wapen alsnog te willen regulariseren;

- het kwestieuze wapen werd op 26 november 2009 in beslag genomen en op last van de procureur des Konings te Mechelen neergelegd ter griffie van de overtuigingsstukken;

- op 30 juli 2010 klasseerde de procureur des Konings te Mechelen het strafdossier houdende het onwettig bezit van een vergunningsplichtig wapen door beklaagde vanaf 1 november 2008, zonder gevolg;

- na van de diensten van de provinciegouverneur te Antwerpen te hebben vernomen dat na 31 oktober 2008 geen sprake meer kon zijn van een ontvankelijk regularisatieverzoek, besliste de procureur des Konings te Mechelen op 16 december 2011 om het wapen aan beklaagde terug te geven op voorwaarde dat het onder toezicht van de politie onbruikbaar zou worden gemaakt door een erkend wapenhandelaar;

- hierop besliste beklaagde op 17 januari 2012 om voormeld wapen zonder dat dit werd teruggegeven of geneutraliseerd, over te dragen aan S.K., thans tussenkomende partij en op dat ogenblik reeds in het bezit van een jachtverlof;

- de provinciegouverneur te Antwerpen betekende op 17 februari 2012 aan S.K. het recht tot het voorhanden hebben van het betrokken jachtwapen op basis van het model nr. 9 dat in het Centraal Wapenregister werd geregistreerd; op 9 maart 2012 werd hem evenwel reeds bericht dat de registratie van het model nr. 9 foutief was gebeurd en alweer uit het Centraal Wapenregister werd geschrapt;

- met schrijven van 26 juni 2012 verzocht de procureur des Konings te Mechelen aan de provinciegouverneur om het recht tot het voorhanden hebben van het wapen op basis van het model nr. 9 in te trekken, aangezien het wapen niet het voorwerp kon zijn van een rechtsgeldige overdracht en S.K. het afgestempelde model nr. 9 nog niet had teruggezonden;

- in zijn advies van 1 oktober 2012 omschrijft de procureur des Konings te Antwerpen, daartoe territoriaal bevoegd omwille van de verblijfplaats van S.K., een intrekking of schorsing van het recht op het voorhanden hebben van het wapen door S.K. als preliminair, vermits beklaagde nog steeds eigenaar van het wapen moet worden geacht;

- bij dagvaarding van 2 november 2012 stelde de procureur des Konings te Mechelen de strafvordering in lastens beklaagde uit hoofde van de thans in zake zijnde tenlastelegging;

- ter terechtzitting van de correctionele rechtbank te Mechelen van 14 januari 2013 werd namens beklaagde om verdaging van de zaak verzocht, onder meer omwille van de voorziene tussenkomst van S.K., maar dit verzoek werd afgewezen;

- bij verstekvonnis van 11 februari 2013 werd beklaagde schuldig bevonden aan het feit van de tenlastelegging en werd het wapen conform de vordering van het openbaar ministerie verbeurdverklaard als voorwerp van het misdrijf;

b) In het bestreden vonnis op verzet werd beklaagde opnieuw schuldig verklaard aan het feit van de tenlastelegging en werd het wapen, dat nog steeds onder strafrechtelijk beslag is en zich ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen bevindt, verbeurdverklaard; de vordering van tussenkomende partij S.K. om in het bezit te worden gesteld van het jachtwapen, werd als ongegrond afgewezen.

4.2.3. Beoordeling van de schuld

a) Na hernieuwd onderzoek van de elementen van het strafonderzoek en de behandeling ter openbare terechtzitting van het hof is, in weerwil van de beroepsgrieven van beklaagde, diens schuld aan het hem ten laste gelegde feit bewezen gebleven.

Het is naar recht vaststaand dat beklaagde tijdens de incriminatieperiode waarin hij reeds geruime tijd terug in België verbleef en hij op de hoogte diende te zijn van de gewijzigde wapenwetgeving, een vergunningsplichtig wapen voorhanden had zonder daartoe over de vereiste wapenvergunning te beschikken. Zulks vormt een overtreding van de verbodsbepaling van artikel 11, § 1 Wapenwet, strafbaar gesteld door artikel 23 Wapenwet. Beklaagde maakte geen gebruik van de desbetreffende regularisatietermijn die liep tot 31 oktober 2008.

b) Beklaagde betoogt dat zijn jachtgeweer FN Superposé kaliber .20 na de inwerkingtreding van de Wapenwet van 8 juni 2006 niet met een wapenvergunning had moeten worden geregulariseerd, aangezien bij de registratie ervan op 20 januari 1995 geen rechten of retributies werden geïnd. Hij stoelt daartoe op artikel 48, lid 2 Wapenwet.

Deze these is te verwerpen. Beklaagde gaat er immers ten onrechte van uit dat hem met de registratie van 20 januari 1995 een wapenvergunning werd verleend, daar waar een jachtwapen onder de vroegere Wapenwet van 3 januari 1933 een vrij verkrijgbaar wapen was, aan geen vergunning was onderworpen en derhalve vrij kon worden verkocht mits loutere registratie van de aankoop bij de lokale politie. Slechts ingevolge de nieuwe Wapenwet van 8 juni 2006 werden jacht- en sportwapens vergunningsplichtig, waarvoor tot 31 oktober 2008 een wettelijke regularisatietermijn werd voorzien teneinde voor deze wapens een eerste wapenvergunning te verkrijgen van de provinciegouverneur van de verblijfplaats. Aldus beroept beklaagde zich te dezen ten onrechte op de bepaling van artikel 48, lid 2 Wapenwet en miskent hij op onjuiste wijze het verzuim inzake zijn vergunningsplicht tijdens de incriminatieperiode. Het kosteloos uitgereikt document ‘model 9' waarnaar hij refereert, betreft een loutere aankoopregistratie, geen ook onder de Wapenwet van 8 juni 2006 doorlopende wapenvergunning.

c) Het hof wijst eveneens de stelling van beklaagde van de hand dat in casu van geen onwettig bezit van een vergunningsplichtig wapen sprake kan zijn, om reden dat de Raad van State de weigering van een laattijdige regularisatieaanvraag in strijd acht met het constitutioneel gelijkheidsbeginsel (RvS 1 september 2011, nr. 214.913). De Raad oordeelde daarbij dat aan een houder van een vergunning tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens die, in tegenstelling tot de geregistreerde wapenbezitters in Brussel-Hoofdstad, niet tijdig werd aangemaand om zijn vergunningen te hernieuwen, niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn vergunningsaanvraag laattijdig heeft ingediend.

Er dient op te worden geattendeerd dat ook al zou een laattijdige regularisatieaanvraag door de provinciegouverneur ontvankelijk worden bevonden en worden ingewilligd, daarmee het delictueel karakter van het voorhanden hebben van het niet-vergund vergunningsplichtig wapen na de wettelijk bepaalde regularisatietermijn niet ontnomen wordt. Er anders over oordelen zou in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel aan de verbodsbepaling van artikel 11, § 1 Wapenwet en de strafbaarstelling ervan, ieder voorwerp ontnemen. Een laattijdige regularisatie door beklaagde na 26 november 2009 kan beklaagde niet ontslaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid ten aanzien van het ten laste gelegde feit van 1 november 2008 tot 26 november 2009.

4.2.4. Beoordeling van de straftoemeting

a) Beklaagde werd op het ogenblik van het feit van de tenlastelegging nog niet veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden. Bovendien is het bewezen feit niet van aard dat dit moet worden bestraft met een correctionele gevangenisstraf van meer dan vijf jaar. Een maatregel van opschorting, zoals namens beklaagde in subsidiaire orde verzocht, is gepast en wenselijk, gelet op zijn vlekkeloos strafrechtelijk verleden in België en rekening houdend met de omstandigheden van het bewezen feit en de persoonlijke situatie van beklaagde.

De duur van de opschorting wordt bepaald op twee jaar. De verleende opschorting zal beklaagde er hopelijk toe aanzetten zich in de toekomst beter naar geldende wetgeving te conformeren, daar hij moet weten dat bij een volgende veroordeling de thans verleende opschorting kan worden herroepen.

b) Het in beslag genomen wapen is als eigendom van beklaagde te beschouwen en moet overeenkomstig artikel 23, lid 4 Wapenwet juncto artikel 42, 1° Strafwetboek worden verbeurdverklaard als voorwerp van het misdrijf. Ter zake ligt een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie voor (stuk 24).

Om het eigendomsvereiste te beoordelen moet het hof zich plaatsen op het ogenblik van het plegen van het misdrijf. Het staat niet ter discussie dat het verbeurd te verklaren wapen minstens tot 26 november 2009 steeds eigendom van beklaagde is geweest.

c) De tussenkomende partij voert aan dat hij na een voorgehouden overdracht ervan op 17 januari 2012 rechtmatig eigenaar van het wapen is geworden. Deze stelling faalt. Een strafrechtelijke inbeslagneming door de procureur des Konings is namelijk te definiëren als een voorlopige dwangmaatregel waarbij deze krachtens de wet en naar aanleiding van een vermoed misdrijf een zaak aan het vrije beschikkingsrecht van de eigenaar of bezitter onttrekt en, in de regel en zoals in casu, onder zich neemt met het oog op de uitoefening van de strafvordering, te dezen meer bepaald de verplichte verbeurdverklaring ervan. De buitenbezitstelling doet geen afbreuk aan het eigendomsrecht over het strafrechtelijk in beslag genomen goed, maar dit betekent niet dat de eigenaar het betreffend goed kan vervreemden of om niet kan overdragen.

Aldus kon beklaagde zijn jachtwapen niet aan een derde overdragen terwijl dit onder strafrechtelijk beslag neerlag ter griffie. Het is voor deze vaststelling niet nodig dat beantwoord is aan de constitutieve bestanddelen van het misdrijf omschreven onder artikel 507 Strafwetboek. De tussenkomende partij kan zich mitsdien niet beroepen op een rechtmatig eigendomsrecht ten einde in het bezit te worden gesteld van het kwestieuze jachtwapen. Aan deze besluitvorming kan geen afbreuk worden gedaan door de geciteerde rechtspraak van de Raad van State (arrest van 1 september 2011, nr. 214.912) en het Grondwettelijk Hof (arrest van 19 december 2007, nr. 154/07), die van een te onderscheiden feitencomplex uitgaan en geen toestand van strafrechtelijk beslag impliceren, noch door desbetreffende correspondentie met de bestuurlijke overheden.

d) Beklaagde werd nog niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden. Er kan dan ook uitstel van tenuitvoerlegging worden verleend voor de uitgesproken verbeurdverklaring voor een termijn van twee jaar. Dit uitstel, de duur ervan en de mogelijkheid van herroeping moeten beklaagde aanzetten om de vigerende regelgeving inzake wapenbezit voortaan te zullen eerbiedigen.

4.3 Beoordeling op burgerrechtelijk gebied

Het hof acht het op grond van de gegevenheden van het dossier onnodig de burgerlijke belangen verder ambtshalve aan te houden.

(...)

Mots libres

  • 1. Strafrecht

  • Wapenwet

  • Jachtwapen 2. Strafrecht

  • Verbeurdverklaring

  • Eigendomsvereiste

  • Beoordeling op het ogenblik van het plegen van het misdrijf 3. Strafprocesrecht

  • Opsporingsonderzoek

  • Inbeslagname

  • Geen afbreuk aan eigendomsrecht

  • Geen vrij beschikkingsrecht