- Arrêt du 21 janvier 2014

21/01/2014 - 2010AR2709

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

Wanneer de rechter op grond van artikel 1382 e.v. B.W. rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke of wettelijke regels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve ingeval van onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde erga omnes van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout aanleiding geeft tot herstel als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/2709

INZAKE VAN :

De heer R. G., wonende te ...,

eiser tot cassatie van een arrest gewezen op 29 april 2008 door het hof van beroep te Antwerpen, appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te M. op 29 september 2004,

hebbende als raadsman Meester S. VANDE MERIVENNE, advocaat te DENDERMONDE, loco Meester Jan VAN DE MOORTEL, advocaat te 9000 GENT, Groot-Brittanniëlaan 12-18,

1ste kamer

TEGEN :

Het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, afgekort R.I.Z.I.V., openbare instelling, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 211,

verweerder in cassatie, geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Piet NEEFS, advocaat te 2800 M., XII Apostelenstraat 11,

________________________________________________

Buitencontractuele aansprakelijkheid. Fout. Nietigverklaring van een administratieve handeling wegens machtsoverschrijding, door de Raad van State. Gezag van gewijsde "erga omnes". Fout begaan door de administratieve overheid van wie de nietigverklaarde

handeling uitgaat.

Wanneer de rechter op grond van artikel 1382 e.v. B.W. rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke of wettelijke regels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve ingeval van onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde erga omnes van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout aanleiding geeft tot herstel als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te M. op 29 september 2004, beslissing die betekend werd op 13 januari 2005;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof te Antwerpen van het hof op 28 januari 2005;

• het voor eensluidend afschrift van het arrest uitgesproken door het hof van beroep te Antwerpen op 29 april 2008;

• het arrest van het Hof van Cassatie gewezen op 29 oktober 2009;

• exploot van betekening van het arrest en dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep te Brussel van 29 september 2010;

• de syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 21 juni 2011;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 12 augustus 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 2 december 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 35.087,71 euro ten titel van gemiste inkomsten en van een bedrag van 25.000 euro ten titel van vergoeding voor verloren patiënten plus intresten.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep - voor het hof van beroep te Antwerpen - hernam appellant zijn oorspronkelijke vordering in die zin dat hij een schadevergoeding vorderde van 25.000 euro voor het verlies aan inkomsten en van 50.000 euro voor het verlies van patiënten.

Dat hof (1) verklaarde het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, (2) bevestigde het bestreden vonnis en (3) veroordeelde appellant tot betaling van de gerechtskosten.

1.4. Huidige appellant tekende cassatieberoep aan tegen voornoemd arrest.

Bij cassatiearrest gewezen op 29 oktober 2009 werd(en) (1) het bestreden arrest vernietigd in zoverre dit de vordering van huidige appellant strekkende tot schadevergoeding voor gederfde huurinkomsten verwierp en uitspraak deed over de kosten, (2) het cassatieberoep voor het overige verworpen, (3) appellante veroordeeld tot 1/3 van de kosten en de overige kosten aangehouden waarover de beslissing aan de feitenrechter werd overgelaten en (4) de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van beroep te Brussel.

1.5. Thans vraagt appellant de betaling van een bedrag van 18.580,59 euro ten titel van schadevergoeding voor gederfde huurinkomsten plus intresten.

1.6. Geïntimeerde verzoekt het hoger beroep ongegrond te willen verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Appellant is verpleegkundige en in 1987 richtte hij samen met zijn echtgenote, die vroedvrouw is, een BVBA op, gekend onder de naam "Thuisverpleegkundig Centrum M." met maatschappelijke zetel te M..

N.a.v. een controle uitgevoerd door een dienst van het RIZIV werden een aantal inbreuken op de ZIV - reglementering vastgesteld voor de periode van mei 1990 t.e.m. maart 1992.

De beperkte kamer bij de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV heeft alsdan op 10 november 1993 beslist het verbod op te leggen aan de verzekeringsinstellingen tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen die door appellant zouden verleend worden over een periode van 6 maanden.

2.3. Appellant heeft tegen voornoemde beslissing hoger beroep aangetekend bij de Commissie van beroep.

Op 28 maart 1995 besliste die commissie dat het beroep ontvankelijk en deels gegrond was en herleidde de termijn waarbinnen het verbod gold tot 3 maanden.

Geïntimeerde heeft deze laatste beslissing uitgevoerd voor de periode van 19 april 1995 tot 19 juli 1995.

2.4. Tegen de beslissing van 28 maart 1995 diende appellant een annulatieberoep in bij de Raad van State.

Bij arrest uitgesproken op 26 juni 2003 werd de beslissing van de Commissie van Beroep vernietigd om reden dat deze commissie niet regelmatig was samengesteld waardoor haar beslissing onwettig was. De zaak werd alsdan verwezen naar een anders samengestelde Commissie van Beroep.

Uit de conclusie neergelegd door geïntimeerde op 12 augustus 2011 en uit deze van appellant neergelegd op 21 juni 2011 blijkt dat deze procedure nog steeds hangende is.

2.5. Appellant bestreed de beslissing van 28 maart 1995 eveneens voor de kort gedingrechter te Antwerpen waar hij vroeg om aan huidige geïntimeerde het verbod op te leggen de beslissing van de Commissie van Beroep uit te voeren.

De eerste rechter verklaarde zich zonder rechtsmacht.

In hoger beroep werd deze vordering afgewezen omdat het hof oordeelde dat de door geïntimeerde genomen maatregel weliswaar een onrechtstreekse invloed kan hebben op, maar niets wijzigt aan het recht van appellant om zijn beroep uit te oefenen of aan zijn recht op een vergoeding daarvoor en verder nog dat de gebeurlijke onrechtstreekse schade overwegend pecuniair zal zijn en hersteld kan worden door een schadevergoeding mocht het beroep ten gronde door de Raad van State ingewilligd worden om te besluiten dat nergens uit blijkt of af te leiden is dat appellant door de voorlopige uitvoering van die maatregel een onherstelbaar nadeel zal lijden.

III. Bespreking.

3.1. Voor het hof van beroep te Antwerpen vroeg appellant een schadevergoeding voor het verlies aan inkomsten dat hij ex aequo et bono begrootte op 25.000 euro.

Deze post bestond echter uit twee luiken, met name enerzijds het verlies aan bezoldiging en anderzijds het verlies aan huurinkomsten.

Appellant hield desbetreffend voor dat ingevolge de bestreden beslissing - die uitgevoerd werd niettegenstaande het door hem ingestelde annulatieberoep bij de Raad van State - de door hem opgerichte vennootschap in een precaire toestand terecht kwam en hierdoor gedurende 1 jaar geen huur meer heeft kunnen betalen aan appellant wat hij als verliespost aanziet.

Het Hof van Cassatie heeft het arrest van het hof van beroep te Antwerpen deels vernietigd omdat hierin enkel geantwoord werd op de argumentatie van appellante m.b.t. de door hem verloren bezoldiging en het verlies van cliënteel doch niet over het verlies van huurinkomsten.

M.b.t. het verlies aan huurinkomsten zal het Hof van Cassatie immers stellen "het arrest beantwoordt dit verweer niet" om dan te concluderen dat "het bestreden arrest vernietigd wordt in zoverre dit de vordering van de eiser strekkende tot schadevergoeding voor gederfde huurinkomsten verwerpt en uitspraak doet over de kosten".

3.2. Hieruit volgt dat het debat zich thans beperkt tot het onderzoek van de schade - eis van appellant in zoverre deze betrekking heeft op gederfde huurinkomsten.

Wat de andere schadeposten betreft, is de beslissing hierover genomen door het hof van beroep te Antwerpen op 29 april 2008, definitief geworden.

3.3. Vooreerst wordt opgemerkt dat na het arrest van de Raad van State de zaak verwezen werd naar een anders samengestelde Commissie van Beroep die tot op heden nog geen uitspraak blijkt gedaan te hebben.

Het is derhalve niet uit te sluiten dat de anders samengestelde Commissie van Beroep een gelijkaardige beslissing neemt als deze genomen op 28 maart 1995.

Appellant gaat er verkeerdelijk van uit dat de anders samengestelde Commissie van Beroep een uitkomst in zijn voordeel zal bieden en bijgevolg dat zijn schade vaststaat.

3.4. Ingevolge het tussengekomen arrest van de Raad van State van 26 juni 2003 staat vast dat geïntimeerde een fout heeft begaan.

Wanneer de rechter op grond van artikel 1382 e.v. B.W. rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwettelijke of wettelijke regels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de rechter, behalve ingeval van onoverwinnelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, gezien het gezag van gewijsde erga omnes van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout aanleiding geeft tot herstel als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.

3.5. Dit neemt niet weg dat appellant het bewijs moet leveren van het bestaan van de door hem geleden schade ingevolge de fout begaan door geïntimeerde.

In eerste aanleg vorderde appellant een schadevergoeding ad 35.087 euro wegens gemis aan inkomsten die hij als volgt berekende: de gemiddelde inkomsten uit de laatste 7 maanden zijnde 81.871,33 : 7 = 11.695,90 euro of voor 3 maanden: 35.087 euro. Hij vorderde daarenboven een schadevergoeding ad 25.000 euro wegens het verlies aan patiënten, post die thans niet meer aan de orde is.

In deze berekening werd geen gewag gemaakt van een verlies aan huurinkomsten.

Voor het hof van beroep te Antwerpen vorderde appellant een bedrag van 25.000 euro ex aequo et bono begroot ten titel van gemiste inkomsten. Uit de syntheseconclusie blijkt dat dit bedrag enerzijds een verlies aan bezoldiging dekt en anderzijds een verlies aan huurinkomsten. Dit laatste maakt een eisuitbreiding uit t.o.v. de vordering zoals gesteld in eerste aanleg.

Thans vordert appellant een bedrag van 18.580,59 euro enkel en alleen voor een verlies aan huurinkomsten.

De wijze alleen reeds waarmee appellant met cijfers goochelt, toont aan hoe precair zijn vordering is.

3.6. Appellant legt verder de berekeningsnota's neer van de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1998, 1997, 1996, 1995, 1994, 1993 en 1992.

Uit deze aangiften blijkt dat appellant in 1995 - periode waarin de bestreden beslissing ten uitvoer werd gebracht - in vergelijking met de vorige jaren het hoogste belastbaar inkomen genoot. In deze nota komt tevens een uitermate hoge post voor aan niet verantwoorde kosten waarover appellant geen nadere uitleg kan geven.

Dit werd overigens ook al vastgesteld door het hof van beroep te Antwerpen bij de beoordeling van het gemeende inkomstenverlies.

Uit deze aangiftes kan derhalve onmogelijk afgeleid worden dat de vennootschap in 1995 ingevolge de betwiste beslissing in dermate financiële moeilijkheden terecht kwam dat ze de huurgelden niet meer kon betalen.

3.7. Tenslotte legt appellant berekeningsnota's neer van zijn personenbelasting voor de aanslagjaren 1997, 1996, 1995, 1994 en 1993.

Bij vergelijking van die nota's voor de inkomsten 1993, 1994 en 1995 blijkt dat de huurinkomsten die appellant genoten heeft in het jaar 1995 het hoogste was.

Hieruit blijkt evenmin dat appellant huurinkomsten zou gederfd hebben ingevolge de bestreden beslissing.

3.8. Bijgevolg levert appellant allerminst het bewijs dat hij ingevolge de foutief genomen beslissing enige schade zou hebben geleden, bestaande uit derving van huurinkomsten.

Deze vordering wordt derhalve ongegrond verklaard.

3.9. Appellant vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 2.200 euro en geïntimeerde van 11.000 euro.

Het bedrag van 2.200 euro is het geïndexeerd basisbedrag gelet op de omvang van het gevorderde in de laatste conclusie (= schaal van 20.000,01 euro tot 40.000 euro).

Het geïndexeerd maximumbedrag in deze schaal bedraagt 4.400 euro. De gevraagde 11.000 euro heeft betrekking op een andere schaal die hier niet van toepassing is (= schaal van 100.000,01 euro tot 250.000 euro).

Geïntimeerde vraagt toepassing van het maximumtarief omwille van de waarde van de vordering van appellant en de complexe cascade aan procedureverwikkelingen die appellant veroorzaakt heeft.

De zaak is niet bijzonder ingewikkeld en appellant heeft het recht om beroep te doen op alle mogelijke rechtsinstanties wanneer hij meent gekrenkt te zijn geweest in zijn rechten.

Er is dus geen reden om af te wijken van het basistarief.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Geeft akte aan appellant van zijn eisuitbreiding.

Verklaart de vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens het derven van huurinkomsten ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van hemzelf op euro 5.128,97 (536,98 cassatie + 191,99 dagvaardingskosten + 4.400 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 4.846,82 (172,36 cassatie + 77 ,28 uitgifte 197,18 betekening arrest cassatie + 4.400 rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

21/01/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • Buitencontractuele aansprakelijkheid. Nietigverklaring van een administratieve handeling. Machtsoverschrijding. Raad van State. Gezag van gewijsde "erga omnes". Administratieve overheid. Fout.