- Arrêt du 21 janvier 2014

21/01/2014 - 2010AR1259

Jurisprudence

Résumé

Samenvatting 1

I. In het Vlaams Decreet van 14 juli 1998 betreffende het financieel toezicht op de scholengroepen en het gemeenschapsonderwijs wordt o.a. voorzien in een college van vijf accountants om de erin voorziene controleopdrachten uit te voeren. Het begrip "accountant" dient er in de meest ruime zin te worden geïnterpreteerd.

II. De bij de Raad van State gevorderde schorsing van een gunningsbeslissing moet worden verworpen zodra vaststaat dat een schorsing het moeilijk te herstellen nadeel, waarmee de niet gekozen inschrijver wordt bedreigd, niet meer kan vermijden, omdat de gunningsbeslissing inmiddels reeds ter kennis is gebracht van de gekozen inschrijver, en dus de burgerrechtelijke overeenkomst is gesloten. De schorsing door de Raad van State van de bestreden gunningsbeslissing kan immers niet de schorsing van de onderliggende overeenkomst met zich meebrengen.


Arrêt - Texte intégral

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/1259

INZAKE VAN :

1) De CVBA ACCOUNTANCY, AUDIT & TAX GROUP, voorheen genaamd Accountantskantoor VAN WEMMEL, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een Coöperatieve Vennootschap met Beperkte Aansprakelijkheid, waarvan de maatschappelijke zetel thans gevestigd is te 9000 GENT, Apostelhuizen 26HIJ, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0459.576.694,

2) De heer R. D., extern accountant... ngeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0587.639.559,

1ste kamer

3) De B.V.B.A. ACCOUNTANTSKANTOOR VERCAMMEN, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de maatschappelijke zetel thans gevestigd is te 2640 MORTSEL, Liersesteenweg 191, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0425.385.580,

4) De heer W. W., extern accountant, ...ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0704.528.3321,

5) De B.V.B.A. LIESENS ACCOUNTANTSKANTOOR, voorheen N.V. LIESENS ACCOUNTANTSKANTOOR, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3700 TONGEREN, Eeuwfeestwal 30 bus 1, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0432.158.952,

6) De naamloze vennootschap THESORAFISC, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een naamloze vennootschap, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1700 DILBEEK, Kaudenaardestraat 13, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0476.657.406, algemene rechtsopvolger na fusie door overneming van de B.V.B.A. ACCOUNTANTSKANTOOR A. VINDEVOGEL,

Allen optredend in eigen naam en als vennoten van de Tijdelijke Vereniging "ACCOUNTANTSGROEP VAN WEMMEL-D.- VERCAMMEN-W.-LIESENS-VINDEVOGEL"

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 22 september 2009,

vertegenwoordigd door Meester Lotte VANFRAECHEM loco Meester Jos MERTENS, advocaat te 9051 GENT (SINT-DENIJS-WESTREM), Kortrijksesteenweg 1144G,

TEGEN :

De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de Vlaamse Minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 15, Hendrik Consciencegebouw,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Philippe VANSTEENKISTE, advocaat te 1200 BRUSSEL, Ter Kamerenstraat 22 C,

I. Decreet van het Vlaams Parlement betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998. Financieel toezicht op de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs. College van vijf accountants ter uitvoering van de in dat Decreet voorziene controleopdrachten. Begrip ‘accountant'.

II. Overheidsopdracht. Gunningsbeslissing. Vordering tot schorsing ingeleid bij de Raad van State. Moeilijk te herstellen nadeel.

I. In het Vlaams Decreet van 14 juli 1998 betreffende het financieel toezicht op de scholengroepen en het gemeenschapsonderwijs wordt o.a. voorzien in een college van vijf accountants om de erin voorziene controleopdrachten uit te voeren. Het begrip "accountant" dient er in de meest ruime zin te worden geïnterpreteerd.

II. De bij de Raad van State gevorderde schorsing van een gunningsbeslissing moet worden verworpen zodra vaststaat dat een schorsing het moeilijk te herstellen nadeel, waarmee de niet gekozen inschrijver wordt bedreigd, niet meer kan vermijden, omdat de gunningsbeslissing inmiddels reeds ter kennis is gebracht van de gekozen inschrijver, en dus de burgerrechtelijke overeenkomst is gesloten. De schorsing door de Raad van State van de bestreden gunningsbeslissing kan immers niet de schorsing van de onderliggende overeenkomst met zich meebrengen.

______________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 22 september 2009, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 7 mei 2010;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 4 en 6 april 2011;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 3 juni 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe (1) geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 292.613,52 euro - plus 1 euro provisioneel - en plus intresten vanaf 11 januari 2000, (2) geïntimeerde te horen bevelen een aantal stukken neer te leggen en (3) ondergeschikt - alvorens verder recht te doen - een deskundige te horen aanstellen teneinde o.a. de schade te ramen die zij hebben geleden ingevolge het ten onrechte missen van de desbetreffende overheidsopdracht en in afwachting van het deskundigenverslag geïntimeerde reeds te veroordelen tot betaling van een provisie van 125.000 euro.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering met dien verstande dat zij in ondergeschikte orde ook nog vragen geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de schade door het verlies van een kans, in redelijkheid geraamd op 90% van de voormelde gevraagde schadevergoeding.

1.4. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat in Titel IV van het Bijzonder Decreet van het Vlaams Parlement betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 het financieel toezicht op de scholengroepen en het gemeenschapsonderwijs wordt georganiseerd waarbij o.a. voorzien wordt in een college van 5 accountants om de in dat Decreet voorziene controleopdrachten uit te voeren.

Met het oog op de aanstelling van dat college van 5 accountants schreef geïntimeerde eind 1999 een algemene offerteaanvraag uit. In artikel II.1 van het bijzonder bestek werd de opdracht omschreven en in artikel V de gunningscriteria in dalende volgorde van belangrijkheid en met het gewicht dat aan elk van die criteria gehecht werd, uitgedrukt in een percentage.

2.3. Zes inschrijvers dienden een offerte in waaronder de Tijdelijke Vereniging "Accountantsgroep Van Wemmel - D. - Vercammen - W. - Liesens - Vindevogel waarvan appellanten de vennoten zijn.

Door de administratie werd een gunningsverslag opgesteld op 14 december 1999 waarin vijf van de zes inschrijvingen - waaronder deze van appellanten - ontvankelijk werd geacht, hierin - na beoordeling - de Tijdelijke Vereniging als vierde werd gerangschikt van de vijf ontvankelijk verklaarde offertes om tenslotte de offerte van de CVBA ARTHUR ANDERSON als de meest voordelige in aanmerking te nemen.

De Minister besliste op 20 december 1999 het advies van zijn administratie te volgen en de opdracht werd toevertrouwd aan de CVBA ARTHUR ANDERSON wat medegedeeld werd aan de overige kandidaten bij aangetekend schrijven van 11 januari 2000.

2.4. Tegen dit M.B. van 20 december 1999 hebben appellanten op 9 maart 2000 een schorsings - en een annulatieverzoek ingediend bij de Raad van State.

De vordering tot schorsing werd verworpen bij arrest van 3 oktober 2000 op grond van de vaste rechtspraak van de Raad van State volgens dewelke de gevorderde schorsing moet verworpen worden zodra vaststaat dat een schorsing het moeilijk te herstellen nadeel, waarmee de niet gekozen inschrijver wordt bedreigd, niet meer kan vermijden, omdat de gunningsbeslissing inmiddels reeds ter kennis is gebracht van de gekozen inschrijver, en dus de burgerrechtelijke overeenkomst is gesloten. De schorsing door de Raad van State van de bestreden gunningsbeslissing kan immers niet de schorsing van de onderliggende overeenkomst met zich meebrengen.

De vordering tot nietigverklaring werd bij arrest van 16 februari 2006 echter wel gegrond verklaard en de gunningsbeslissing van 20 december 1999 werd vernietigd.

De Raad van State was van oordeel dat in artikel 47, §1 van voornoemd Decreet sprake is van een college van vijf accountants en dat één rechtspersoon niet als een college mag beschouwd worden.

III. Bespreking.

3.1. De eerste rechter was de mening toegedaan dat op grond van het arrest van de Raad van State van 16 februari 2006 mocht aangenomen worden dat geïntimeerde een fout had begaan door de opdracht te gunnen aan de CVBA ARTHUR ANDERSON en niet aan een college van vijf accountants zoals voorzien in artikel 47, §1 van voornoemd Decreet van 14 juli 1998.

Hij wees de vordering van appellanten echter af bij gebrek aan bewijs van een oorzakelijk verband tussen die fout en de door appellanten gevorderde schade, zijnde 10% van de waarde van hun offerte.

In dit verband stelde hij dat de kans dat de offerte van appellanten, met de gegeven tekortkomingen, weerhouden zou geweest zijn zo de Vlaamse Gemeenschap geen fout zou begaan hebben door de opdracht te gunnen aan een inschrijver die geen college van vijf accountants was, dermate klein was dat het oorzakelijk verband tussen deze fout en de beweerde schade, feitelijk onbestaande was.

3.2. Geïntimeerde betwist niet een fout te hebben begaan door de opdracht te hebben toevertrouwd aan één enkele rechtspersoon i.p.v. aan een college bestaande uit vijf verschillende accountants zoals voorzien in de wet.

Geïntimeerde erkent op dat punt de erga omnes werking van het vernietigingsarrest van de Raad van State van 16 februari 2006.

Wanneer immers de gewone rechtbank kennis heeft genomen van een aansprakelijkheidsvordering, gegrond op machtsoverschrijding van de administratie door schending van grondwettelijke of wettelijke regels die haar voorschrijven op een bepaalde wijze niets of wel iets te doen, en die machtsoverschrijding aanleiding heeft gegeven tot nietigverklaring door de Raad van State van een administratieve handeling, moet die rechtbank de machtsoverschrijding vaststellen; die rechtbank moet derhalve, behalve bij onoverkomelijke dwaling of enige andere oorzaak van vrijstelling van aansprakelijkheid, noodzakelijk beslissen dat de bestuursoverheid, wier handeling nietig is verklaard, een fout heeft begaan en, voor zover het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is, bevelen dat die schade wordt hersteld.

3.3. In het licht van de beschouwingen van voormeld arrest van de Raad van State kwam niet alleen de inschrijving van de CVBA Arthur Anderson niet in aanmerking maar ook - en om dezelfde reden als vermeld in het geciteerde arrest van de Raad van State - de inschrijvingen van de CVBA TCLM en van DUMONT - BOSSAERT, WALTNIEL & CO.

Al deze inschrijvers werden niet ingediend door een college dat bestond uit minstens vijf onderscheiden accountants.

Als enige regelmatige inschrijvingen bleef over deze van appellanten en deze ingediend door de Tijdelijke Vereniging DELAUNAY, GEELEN, HERMANT, DODEMONT & CO, VAN MONTFORT, VANDERMARLIERE & WILLEKENS.

Deze laatste (tijdelijke) vereniging werd als vijfde gerangschikt, d.i. na deze van appellanten, reden alleen reeds waarom appellanten in aanmerking kwamen voor een toewijzing van de opdracht.

3.4. Op het argument van appellanten dat zij alleen over de erkende titel van "accountants" beschikken (= accountants ingeschreven bij het IAB) en op grond hiervan enkel hun offerte in aanmerking kwam gezien de vennoten en zaakvoerders van de andere in aanmerking te nemen inschrijver bedrijfsrevisoren waren, kan niet worden ingegaan.

Het Decreet van 14 juli 1998 geeft niet aan wat dient verstaan te worden onder het begrip "accountant" en dient bijgevolg in de meest ruime zin te worden geïnterpreteerd.

Dit strookt overigens met de ratio legis van het Decreet van 14 juli 1998 die erin bestond de financiële controle op de scholen van het Gemeenschapsonderwijs te ontrekken aan de regeringscommissaris - zijnde een ambtenaar aangeduid om namens de regering te controleren - en in de toekomst toe te vertrouwen aan derden die hiervoor beschikten over de nodige expertise zoals accountants, bedrijfsrevisoren en dies meer.

Noch uit de tekst van het decreet noch uit de voorbereidende werken blijkt dat de decreetgever in 1998 door het gebruik van het begrip "accountants" zich heeft willen beperken tot een specifieke groep binnen een bepaalde beroepengroep die hij voor ogen had, met name beroepsuitoefenaars die beschikten over de vereiste kennis om een dergelijke financiële controle uit te oefenen.

3.5. De administratie die de ingediende offertes onderzocht kwam tot de conclusie dat de offerte ingediend door de Tijdelijke Vereniging DELAUNAY, GEELEN, HERMANT, DODEMONT & CO, VAN MONTFORT, VANDERMARLIERE & WILLEKENS minimaal was uitgewerkt, geen aanduiding gaf hoe de adviserende taak zal worden waargenomen en dat bijgevolg deze offerte de zwakste was.

M.b.t. de offerte van appellanten werd geargumenteerd dat deze dubbel zo duur was als die van ANDERSON en bovendien een aanbod bevatte om een ander boekhoudplan te implementeren dan het plan dat in het besluit van 6 juli 1999 is ingevoerd. Verder werd hun aanpak te zeer controlegericht genoemd.

3.6. Het feit dat appellanten suggereerden om te werken met een in eigen beheer gemaakt boekhoudplan was alleen bedoeld om aan te tonen dat zij in de gevraagde materie ervaring hadden opgedaan, dergelijke controlefuncties jaren onderzocht hadden en hiermee vertrouwd waren. De bedoeling van appellanten werd door de administratie aanvankelijk ook zo begrepen. In dit verband stelde de administratie immers dat het plan dat de scholengroepen moeten volgen is echter dat wat in het besluit van 6 juli 1999 is opgenomen, zodat voornoemde ervaring, die aangeboden wordt als databank, niet bruikbaar is.

Het is dan ook ten onrechte dat geïntimeerde - hierin gevolgd door de eerste rechter - voorhoudt dat de offerte van appellanten niet in aanmerking kon komen omdat zij een verkeerd besluit zouden toepassen en wilden werken met een zelf gemaakt boekhoudplan i.p.v. met het plan voorzien in het besluit van 6 juli 1999.

Een "suggestie" m.b.t. een welbepaald gegeven uit de algemene offerteaanvraag die de ervaring en de kennis aantoont van een inschrijver over de materie, voorwerp van de aanvraag, kan niet gelijkgesteld worden met een niet naleving van de voorwaarden van de offerteaanvraag en dus met een offerte die niet conform was aan het bestek.

3.7. Wat de door appellanten gevraagde prijs betreft, heeft geïntimeerde nooit enige verantwoording gevraagd voor een vermoede abnormale prijs. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt overigens met zich mee dat het bestuur een ernstig en concreet onderzoek moet doen, hetgeen in voorkomend geval de verplichting meebrengt zich te informeren, bijvoorbeeld in geval van abnormale prijzen.

De gunningscriteria waren de volgende in orde van belangrijkheid:

1. de prijs (35%);

2. de service die de dienstverlener kan aanbieden tegen de geboden prijs (manier waarop het gebied wordt bediend, vorm waarin de conclusies en suggesties aan de betrokken scholengroepen worden gecommuniceerd, snelheid waarmee tussentijdse verslagen mogelijk zijn) (25%);

3. bereikbaarheid en beschikbaarheid van de dienstverlener (zowel administratie als de afzonderlijke accountants) voor de scholengroepen, de centrale diensten en de administratie van de Vlaamse Gemeenschap (15%);

4. de bewezen kennis van de dienstverlener van de in België en Vlaanderen geldende begrotingswet, van de onderwijsregelgeving (in de mate dat deze relevant is bij de financiële controle) en van andere relevante wetgeving (15%);

5. de in de offerte gedane suggesties (10%).

Uit de analyse van het overzicht van de prijzen blijkt dat voor het uitvoeren van de hoofdopdracht appellanten wel degelijk de hoogste prijs indienden maar voor een onbeperkt aantal uren en prestaties - zonder bovenlimiet - terwijl de gekozen inschrijver een lagere prijs indiende in ruil voor prestaties beperkt tot 6 maandagen per scholengroep.

Voor de bijkomende toezichtsopdracht scoorden appellanten zelfs het laagste in prijs van alle inschrijvers.

Bovendien wordt hierbij uit het oog verloren dat de eerst gerangschikte kandidaat - zoals overigens de twee volgende - één rechtspersoon uitmaakte terwijl de offerte van appellanten werd ingediend door 5 onafhankelijke personen/rechtspersonen - zoals wettelijk vereist - wat bijkomende kosten veroorzaakt qua organisatie en bijgevolg een invloed heeft op de uiteindelijke prijs. In die zin gaat de vergelijking tussen de prijs voorgesteld door appellanten en de overige drie eerst gerangschikte kandidaten dus niet op.

De door appellanten voorgestelde prijzen vormden op zich bijgevolg geen beletsel opdat de opdracht aan hen zou kunnen worden toegewezen indien geïntimeerde - conform het arrest van de Raad van State - de drie eerste meest voordelig gerangschikte offertes geweerd had wegens onregelmatig en niet conform de ter zake geldende regulering.

3.8. Volgens geïntimeerde zou de offerte van appellanten tenslotte hoe dan ook niet in aanmerking zijn gekomen omdat in die offerte er een manifest tekort was aan begeleiding en te veel controlegericht was.

In het bijzonder bestek werd de opdracht als volgt omschreven:

"De opdracht betreft de financiële controle op de aanwending door het Gemeenschapsonderwijs van de door de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking gestelde financiële middelen. Deze controle omvat een onderzoek van het financieel evenwicht van de begroting en de rekeningen en een onderzoek van de rekeningen en de financiële staten. Hierbij kan de accountant advies geven met betrekking tot aan te brengen correcties en met betrekking tot de boekhoudkundige organisatie.

...

Bovenstaande controleopdracht wordt elk jaar afgesloten met een verslag over de financiële toestand van het Gemeenschapsonderwijs, dat aan het parlement wordt meegedeeld." (onderstreping toegevoegd).

Deze opdracht stemde overigens overeen met deze omschreven in het Decreet waar in artikel 50, §1 gesteld wordt dat het college van accountants, of elk lid ervan, de scholengroepen kan adviseren in het algemeen, of een scholengroep in het bijzonder, aangaande de boekhoudkundige organisatie en omtrent de aan te brengen correcties.

Geïntimeerde legde in haar taakomschrijving zelf de nadruk op een controlegerichte aanpak en de adviserende taak werd slechts ondergeschikt en facultatief omschreven.

Door dit argument aan te wenden om de offerte van appellante uit te sluiten, miskent geïntimeerde haar eigen bijzonder bestek en meer nog de bepalingen vervat in het Decreet aangaande de taak die aan een college van accountants diende toegekend te worden.

3.9. Het is niet duidelijk op grond waarvan de eerste rechter oordeelde dat de offerte van huidige appellanten op meerdere punten niet aangepast was aan het bestek en de indruk gaf haastwerk te zijn.

In het vergunningsverslag staat integendeel te lezen dat de offerte van appellanten gedetailleerd de stappen weergeeft die bij de controle zullen gevolgd worden (elementaire periodische toetsing, controle, consolidatie, eindrapport).

De offerte van appellanten is volledig uitgewerkt en heeft betrekking op het hele gemeenschapsonderwijs en de hele scholengroepen, zoals gevraagd. Enkel het eigen boekhoudplan dat appellanten voorlegden als bewijs van hun ervaring in de onderwijssector betrof enkel het secundair onderwijs maar dit heeft geen enkele repercussie op de volledigheid van de offerte zelf.

3.10. In tegenstelling met wat de eerste rechter voorhoudt, hield de offerte van appellanten geen tekortkomingen in die van die aard waren dat de kans opdat de opdracht aan hen zou toegekend worden feitelijk onbestaande was.

De offerte ingediend door appellanten was regelmatig en beantwoordde aan de vereisten van het bestek. De offertes van de drie eerst gerangschikte kandidaten hadden moeten geweerd worden om de redenen vastgesteld in het tussengekomen arrest van de Raad van State. Van de twee overblijvende regelmatige offertes was die van appellanten het eerst gerangschikt en was dus de meeste voordelige offerte.

Het feit dat de overheid - ook in het kader van een offerteaanvraag - kan beslissen geen gevolg te geven aan de procedure of de gunning te herbeginnen, mogelijk via een beperkte offerteaanvraag of via een onderhandelingsprocedure verbreekt het oorzakelijk verband niet tussen de fout en de schade (= verlies van een kans op toewijzing van de opdracht). Het herbeginnen van een procedure kan niet gerechtvaardigd worden op basis van een beweerde abnormaal hoge prijs of lage prijs, indien de aanbestedende overheid nagelaten heeft aan de aannemer de rechtvaardiging te vragen van de prijzen die als abnormaal of te duur worden beschouwd.

Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat geïntimeerde in deze niet is overgegaan tot een nieuwe gunningprocedure na vernietiging van de toewijzingsbeslissing en dat de Raad van State in haar arrest van 16 februari 2006 m.b.t. de ontvankelijkheid van het door appellanten ingediende annulatieberoep het volgende heeft gesteld: "...door de Raad van State aangenomen wordt dat hetgeen de tussenkomende partij (= huidige geïntimeerde) niet "waarschijnlijk" noemt, namelijk de toewijzing van de opdracht aan de verzoekende partijen (= huidige appellanten), toch na een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest, mogelijk is.

De offerte - zoals ingediend door appellanten - bood bijgevolg een reële kans op een toekenning van de opdracht.

Door de fout begaan door geïntimeerde hebben appellanten een dergelijke kans verloren. De schade die bestaat in het verlies van die kans staat vast en is het gevolg van de fout begaan door geïntimeerde.

Er bestaat bijgevolg wel degelijk een oorzakelijk verband tussen de door geïntimeerde begane fout en de door appellanten geleden schade.

Zonder de fout begaan door geïntimeerde voldeed de offerte van appellanten aan alle voorwaarden om in aanmerking genomen te worden en werd hen de kans ontnomen op een toewijzing van die opdracht.

In het licht hiervan dient niet verder onderzocht te worden of geïntimeerde al dan niet andere fouten zou hebben begaan gezien dit geen aanleiding zou kunnen geven op het bekomen van een ruimere schadevergoeding zoals hierna verder bepaald.

3.11. In tegenstelling met wat appellanten voorhouden is enerzijds - in deze - artikel 15 Overheidsopdrachtenwet niet automatisch van toepassing.

Een aanbesteding verschilt van een offerteaanvraag in die zin dat bij een aanbesteding de prijzen bij de opening van de offertes afgekondigd worden en de opdracht dient toegewezen aan diegene die de laagst regelmatige offerte indiende terwijl bij een offerteaanvraag bij de opening de prijzen niet worden afgekondigd en de aanbestedende overheid de offerte dient te kiezen die regelmatig en het meest voordelig is in functie van de vastgestelde gunningscriteria. Bij een aanbestedingsprocedure is de prijs het enige criterium om de offertes te vergelijken.

In huidige offerteaanvraag was het belangrijkste gunningscriterium ook de prijs. De opdracht werd overigens aan de CVBA ARTHUR ANDERSON toegewezen omdat deze aanvrager de laagste prijs had voor de hoofdopdracht.

In de gegeven omstandigheden komt het derhalve aanvaardbaar over dat bij analogie de forfaitaire regeling van artikel 15 Overheidsopdrachtenwet wordt toegepast .

De 10% regeling dient immers als een minimum te worden beschouwd omdat bij offerteaanvragen de inzet van de middelen veel groter is dan bij een gewone aanbesteding.

De schade, zijnde het verlies van de kans, wordt - gelet op de concrete omstandigheden van deze zaak zoals hoger reeds uiteengezet - op 100% geraamd zodat bijgevolg aan appellanten een bedrag toekomt van 292.613,52 euro.

Dit bedrag dekt alle schade die appellanten geleden hebben ingevolge de fout begaan door geïntimeerde.

3.12. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg hervormd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.13. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding ad. 7.700 euro wat het geïndexeerd basisbedrag is gelet op de omvang van het gevorderde (= schaal van 250.000,01 euro tot 500.000 euro).

Dit bedrag komt toe aan appellanten als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behalve in zoverre hierin de vordering ontvankelijk werd verklaard en de gerechtskosten begroot werden en opnieuw recht sprekende voor het overige,

Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellanten van het bedrag van 292.613,52 euro plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 11 januari 2000 tot de datum van de dagvaarding waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet.

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten in beide aanleggen in hoofde van appellanten, deze van het hoger beroep in totaal begroot

- in hoofde van appellanten op euro 7.886 ( 186 rolrecht + 7.700 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 7.700 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

07/01/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Mots libres

  • I. Vlaams decreet van 14 juli 1998. Gemeenschapsonderwijs. Financieel toezicht. College van vijf accountants ter uitvoering van de controleopdrachten. Begrip ‘accountant'. II. Overheidsopdracht. Gunningsbeslissing. Vordering tot schorsing ingeleid bij de Raad van State. Moeilijk te herstellen nadeel.